sfcdt

o, zoete dood

 

Eenzaamheid

En zal dit leven mij dan buitenwerpen,
En zal ik, met mijn eigen nood alleen,
Mij zelf verteren in de ijdle, scherpe
Knel van mijn trots, de smaad van mijn geween,

En heeft de lucht zich voor mijn ziel gesloten,
En heeft de stad zich voor mij toegedaan,
Draag ik de kneuzing van wie werd verstoten
Uit de gemeenschap der vertrouwde pâen,

En voel ik mij vergeten en verlaten,
En is het mij of niemand mij gedenkt,
En keren nacht en avond door de straten
Zonder dat mij één blik van vriendschap wenkt,

O laat mij dan dit éne zeekre weten:
(Hoor hoe mijn stem u toeroept door de nacht!)
Dat ik bij ú mijn droefheid kan vergeten,
Dat gíj mij met uw diepe liefde wacht.

P.N. van Eyck

Advertenties

metafysische bijen van monika rinck

We beginnen met het einde van het boek (en daar zullen we ook stoppen). Honingprotocollen : zeven schetsen voor gedichten die uitstekend zijn (moedig uit het Duits vertaald door Miek Zwanborn, Perdu, 2015, oorspr. 2012) van Monika Rinck is een bundel waar vaart in zit, waar beelden over elkaar heen buitelen, waar de betekenis ons dikwijls ontsnapt maar die ons toch op een golf meevoert die een lyrisch bewustzijn bij de lezer teweegbrengt. Vele gedichten en verzen zijn hermetisch, maar Franck Venaille heeft voor de dichter (en als de dichter een verhevigde mens is, dan ‘voor elke mens’) « Le droit à l’hermétisme » (C’est nous les modernes, 2010) opgeëist. Net als de alchemie moet het ‘ik’ zich laten meevoeren om bij zichzelf uit te komen.

In deze bundel klinkt uiteraard de hedendaagse wereld op, Rinck gebruikt de cultuurgeschiedenis om te leven. Als de taal en het opgelegde denken een karkas vormen, dan heeft deze dichter zich de vrijheid veroverd – vandaar het verwijt van hermetisme: de jaloezie van de kooimens – en daarom is ze de meester van de taal geworden. Hijgend loopt de lezer achter haar aan, grijpend naar haar wapperend kleed, de hedendaagse priesteres is al een volgende beklimming begonnen.

Enerzijds volgt Rinck het idee dat de taal niet te grijpen is, een entiteit is buiten en boven de mens, dat begrip een te hoog gegrepen idee is, anderzijds is haar praktijk het tegengestelde, de dichter is wel degelijk de baas die de zinnen construeert, de beelden toont én de werkelijkheid als basis neemt.

De metafoor van de bij grijpt terug naar de Oudheid, de dichter is als de bij die voedsel zoekt in verschillende soorten bloemen en daarmee de zoete honing maakt, het gedicht is het resultaat. Het laatste gedicht van de bundel van Monika Rinck, ‘Honing’: er is allereerst de kleverigheid van de honing: woorden en dingen kleven aan elkaar, maar ook de woorden in het gedicht hangen aan elkaar vast (de gedichten aan elkaar), er is een stevigheid: de poëtische geest van de dichter bindt. De honing heeft een werking, zo ook het gedicht, het kleeft aan de mensen, bewerkstelligt ‘iets’ (hier o.a.: een vreugde om het veelvoudige). De honing bevat tegengestelden, zowel linden (geliefd om de zoete geur) als kastanjebomen (het gevaar van bitterheid) zijn een bron om tot rijkdom te komen. Dit alles – en dit is een premodernistisch idee – resulteert in een totaliteit, deze is niet een betrachting maar een werkelijkheid. De totaliserende ambitie van deze poëzie: het al te omvatten. De poëzie wordt aan de liefde gelijkgesteld (liefde kent nog steeds die monotheïstische eis). Wie binnen die totaliteit verongelukt, wordt gered, de anderen worden verteerd. ‘De liefde is de liefde van de totaliteit. Hoor. Hoor. Wie binnenin / verongelukt, wordt met alle middelen gered. Wie buiten verongelukt, verteerd.’ De echte bijen-‘moraal’: in de korf is het veilig, de massa beschermt, de eenling zal neerstorten. Niet het verhaal dat ik zou durven vertellen.

Het derde laatste gedicht, ‘Bijenvolk’, begint zo (het voorlaatste laten we):

Bij de wissel van het tijdperk van de nijverheid : bijen, bijen, bijen.
Ze dienen ons als zinnebeeld, maar ook als manschappen van de wacht.

Bijen werken, ze zijn een zinnebeeld maar ook werkelijke wachters. Ze bewaken het vele, het poëtische. De derde regel verklaart: ‘Want niemand komt de honingkamer binnen die later weer / naar buiten zou willen gaan.’ De korf is een schatkamer, wie hier ooit binnenkomt, laat alle hoop varen: besmet door de lyriek is men maatschappelijk ongeschikt. Dit betekent dat men los moet laten, nee, niet alles is te begrijpen, hoeft ook niet, maar er is wel een rationeel raster van raten waarop het volgens de macht onzinnige gebouwd is. De bijen, die maatschappelijke beesten, zijn dan ook eens onmaatschappelijk.

Dat de bijenmetaforiekmachinerie op feitelijkheden gebaseerd is, toont Rinck in dit gedicht: het bijengeluid ontstaat door het slaan van de vleugels met als doel ventilatie in de korf te brengen. We hebben al gesproken van het verschil tussen linde en kastanje, er zijn maagdelijke bijen, reizende bijenvolken. Reddingsboeien, de dichter tegen de anderen, de lyriek redt:

[…] In jullie lievelingsfilm wordt mijn reddingstouw een slang.
Ik snijd haar kop eraf en val sindsdien de diepte tegemoet. AAAAAH!
Tenzij een plotseling tevoorschijn komend bijenvolk me opvangt en veilig
naar huis draagt. Plots tevoorschijn komende bijenvolken getuigen waarvan?
Bendevorming. Ondergang. Intacte ecosystemen. Het verblindende bruidsbed
van de zomerhemel. Ontwaarding van het heden. Slechts één antwoord is juist.

De laatste verzen verwijzen naar de betekenisproblematiek, zo geliefd geweest in de 20ste eeuw, maar al veel eerder in het centrum staand van de kunstliefhebberij, iedere kunstenaar, zich baserend op algemene kennis, toch subjectieve interpretaties toevoegend waardoor de boodschap gehermetiseerd werd, het verstand van de liefhebber in beweging gezet en het raadsel misschien wel nooit ontsluierd. Dat er maar 1 antwoord juist is, is onjuist.

Rest ons te spreken van de zinsregel ‘Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen’, die 49 keer voorkomt. Honing en protocollen staan tegenover elkaar: het eerste voedzaam, hemels en zoet; het tweede akten, verslagen, papieren. De natuur tegenover de bureaucratie. Het honen is het zich afzetten tegen de wereld. De protocollen kunnen ook staan voor de honingraten, een ‘rationele’ vorm waarin een kleverige massa zich vormloos inbedt. We kunnen het positief zien als de korf die de rijkdom van de cultuur uitmaakt, wijsheid en filosofie – maar dit wordt niet overal duidelijk. Elk gedicht (of toch bijna) begint met een honen vanuit de natuur naar de cultuur en maatschappij der mensen. Daarna wordt dit object verbindend en associërend uitgewerkt, al tegenstellend en meanderend om tot een conclusie te komen die eerder vanuit het gedicht gegenereerd wordt dan vanuit de kennis en het verstand.

De vertaling is een waar huzarenwerk geweest (om in de stijl van de strijdende bijen te blijven) en bij dit soort poëzie kan die niet anders dan een interpretatie zijn. Je kunt ermee instemmen, je mag je twijfels hebben. Het eerste gedicht, ‘Unio Wiesel = Unio wezel’:

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen, in barnsteen en amber:
vorstelijk (of vreselijk) paart in dichter kreupelhout de wezel
met de koppakking. […]

In het Duits:

Hört ihr das, so höhnen Honigprotokolle, in Bernstein und Amber:
Fürstlich (oder fürchterlich) paart sich im Dickicht das Wiesel mit der Zylinderkopfdichtung. […]

Koppakking is een ‚normaal‘ Nederlands woord, toch is het Duits helderder. Het gaat hier natuurlijk om ‘dichter kreupelhout’: dichter wordt gelezen als de dichter die dicht, maar dat staat niet in het origineel, daar staat struikgewas. De basis van deze verzen is dat wezels en marters de kabels in een auto doorbijten. Eenzelfde tegenstelling als honing-protocol.

honingkleurige ogen bij dubravka ugrešić

bijen_wespen_jan van kessel de oude

Na ‘The bee God’ van Ted Hughes is het kleine stap naar wespen. Er is ook een band tussen de vos van Ted Hughes en het nieuwste boek De vos van Dubravka Ugrešić. (Maar wat kunnen mij die bijen ook schelen, gaat het immers niet om het lezen, dus om een dam tegen de wespen? Om de humane fantasie, de kracht symbolen aan te wenden, te vervormen.

De vos is geen grote roman, de dwang van de vormvernieuwers, wel een zogenaamd experiment maar er ontbreken ideeën of een dragende grote gedachte. Dit is ook het probleem geweest van Ivo Michiels, vandaar zijn terugkeer naar het sentimentalisme, en ook van Pol Hoste. De ideeën zijn te klein, de observaties te smal om de vorm te dragen. De ambitie te groot, korte beentjes, arme armen.

De roman van Ugrešić gaat dus de ene kant uit en komt in een ander doodlopend straatje terecht, blijft ter plaatse trappelen, zoekt een evidente uitweg (die haaks staat op de vorm) en sluit het boek al fluitend, ‘Di-le-do di-li-le-do di-le-do …’, te simplistisch. De thematiek is te beperkt (hoe verhalen ontstaan) om het opus te kunnen dragen. Te veel herhalingen, de lezer is geen dommerik. Een dragende figuur in het boek is Boris Pilnjak, terwijl Boelgakov de grote man op de achtergrond is. Van Pilnjak verscheen in Nederlandse vertaling nog niet zo lang geleden Het naakte jaar (2004), maar Ugrešić spreekt over een ander boek. Er is heel veel vertellement, al dan niet langdradig en gewichtigdoenerij over het eigen leven – weer zo’n vervelend kenmerk van de vormvernieuwers. We moeten dus zelf de honingbollen uit dit boek halen.

Er is een interessante (eigenlijk de enig belangrijke) observatie over de status van de vos, en bij uitbreiding over sommige andere dieren, zoals daar is de merel. De schrijver verdeelt de dieren immers in hoge en lage dieren: ‘Symbolisch gezien behoort hij [de vos] tot de ‘lagere’ of dionysische mythologische dieren (tot de attributen van Dionysus behoort de vacht van een vos). In de Japanse mythologie is de vos de woordvoerder van Inari, de godin van de vruchtbaarheid en de rijstoogst; hij is verbonden met de mensen en met aardse sferen, maar met ‘het hogere’, het hemelse of spirituele, heeft hij weinig contact.’ (p. 15, de vertaling is van Roel Schuyt, het boek is uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar, nog een uitgeverij waarbij de redactie ondermaats gebeurt). Merkwaardig is dat er een verschuiving optreedt. Voor Ted Hughes stond de vos symbool voor de ziel, een niet te vatten instinct en inspiratie; Ugrešić haalt die vos naar de aarde en het dier is het symbool voor de schrijver die liegt, rooft en steelt.

Het boek is ‘geweven’ op een manier zoals Jeroen Brouwers zijn boeken componeert: al te duidelijke draden hangen uit het boek en geven de valse indruk van een hechte en doordachte compositie. Op p. 24 spreekt de schrijver over hoe ze bestolen wordt door zigeunerinnen. Op p. 72 spreekt ze over ‘het politiek correcte woord ‘Roma’ voor ‘zigeuners’.’ – daarmee de vinger in de wonde stekend: politiek correcte termen verdoezelen het gebeurde, de werkelijkheid die in sommige gevallen ook wel echt de waarheid is. Die pagina is overigens belangrijk omdat ze over het hedendaagse taalgebruik gaat (wie over taal spreekt, spreekt over macht en dictatuur). ‘Een van de meest betrouwbare indicatoren voor de houding tegenover vluchtelingen is het taalgebruik. Hoe delicater men zich uitdrukt, hoe slechter de relatie met ‘nieuwkomers’ is. […] En zo schiep de taal conform de regels van wat als politiek correct gold, in feite nieuwe, schijnbaar fatsoenlijke alternatieven om mensen verbaal te discrimineren. Een bekend voorbeeld is de introductie van het politiek correcte woord ‘Roma’ voor ‘zigeuners’.’ Wat ik tussen [] zette zijn de Engelse voorbeelden die Ugrešić geeft.

Er is de gewone denkfout: niet de taal schept, de machthebbers dwingen de taal. In dit fragment schrijft ze dat een omzwachteld taalgebruik de werkelijkheid tenietdoet en geen ondersteuning biedt aan een bevrijdend handelen. Dit deed me denken aan die keer toen ik een groepje ‘mentaal gehandicapten’ moest helpen, er was uiteraard een paarse begeleidster bij, die de volwassen kinderen enerzijds effectief als kinderen behandelde maar deed alsof het rationele volwassenen was. Hoe dat mogelijk is, weet ik nog altijd niet, misvormende opleiding doet veel. Toen 1 van die gasten een dwaze opmerking gaf, zei ik ‘Zot!’. Terstond ontstond een van die fameuze geladen secondes, zwart als een donderwolk, zwaar als een blok lood. De paarse begeleidster (haar haar was paars geverfd en haar kleren waren ook paars, tot op haar ondergoed?, vroeg ik me af) ademde diep in om mij verontwaardigd en kwaad toe te spreken, ik was op haar domein gekomen. En daarna, wat een gewriemel, wat een omvervallen en wat een tegen elkaar stoten: ‘Zot!’ riepen die gasten naar elkaar, en moesten hartelijk en bevrijdend lachen. Plots werden die gasten erkend in hoe ze waren, niet in hoe de maatschappij hen sluiks wilde dwingen, waarheid bevrijdt. Sindsdien had ik er een maat bij – kwijlend stak hij iedere keer hij mij zag, blij zijn hand op, kwam aangewaggeld, brabbelde iets en ging weer verder.

Ugrešić verhaalt uiteraard van een verscheurd Oost-Europa (voor haar zijn de echte vluchtelingen de vervolgden omwille van cultuur en intelligentie), haar vaderland dat in stukken gevallen is en zij moet constateren dat het Westen nu door kwade krachten geleid wordt.

‘Het was al met al een omgeving waarin duidelijk voelbaar was dat de strijd die de Russische formalisten hadden gevoerd – de grote strijd rond de vorm en inhoud van een kunstwerk – vergeefs was geweest.’

‘Pilnjak roofde Sofija’s ziel (de vos als bemiddelaar tussen twee werelden: die van de levenden en die van de doden), […].’

‘Pilnjaks uitspraken over de ethiek van het schrijverschap en over de vos als symbool van list en bedrog hebben volgens de huidige maatschappelijke conventies een tegenovergestelde betekenis. Tegenwoordig luidt het motto aldus : De vos is symbool van list en bedrog : als de ziel van de vos zich in een mens vestigt, zal zijn hele nageslacht gezegend zijn.’

‘Bij Tanizaki wordt de vos slechts terloops genoemd, als suggestie dat Naomi zelf een vosje had kunnen zijn – een wispelturige en verleidelijke vrouwelijke demon.’

‘De tijd van internationalisme en kosmopolitisme is voorbij. Punt, uit,’ zei de oude man ironisch, […].’

‘Dat was dus onze moderne tijd – een tijd van overleven. Het leven was een luxe geworden, de literatuur daarom nog meer, alleen had niemand dat aan de deelnemers van de [literatuurwetenschappelijke] bijeenkomst verteld.’ Daar ontmoet de schrijver ‘De Weduwe’ die een belangrijke en toch ook irrelevante rol in dit boek speelt, ‘haar honingkleurige ogen stonden een beetje scheef.’ : de kleur roept de bijen op, maar ook die van de vossevacht, en van zachtheid, intellectuele rijkdom en wijsheid. De weduwe is een schrijversweduwe, in dienst van een ander: het honingkleurige verwijst ook daarnaar: het werken voor een koning(in), het zichzelf vergeten. Een andere vrouw heeft haar haren in ‘honingkleurige tinten geverfd’ – de negatieve kant van de vos, hier verbeeld in een succesrijke, lobbyende Nederlandse schrijfster.

‘(alleen grote culturen zijn inclusief, en daarom zijn ze ook groot; en alleen kleine culturen zijn exclusief, en daarom blijven ze ook klein)’

‘Het grote publiek houdt niet van normen waaraan het zelf niet kan voldoen en waarvan het nauwelijks iets begrijpt.’ Als overlevende van het kapitalistisch communisme, weet Ugrešić hoe vernietigend elk collectivisme is.

Er komt een slechte man in het spel: hij heeft roodbruin haar, is een leugenaar. (Vele bladzijden verder: ‘een roodbruine vos’.) Een voetnoot verwijst naar ‘De kreupelen’ van Pieter Breughel; Isaiah Berlin passeert de revue, Boelgakov speelt een rol. De schilderijen van Joachim Beuckelaer zijn voor haar ‘de slechtste stukken in het museum’ maar enkele bladzijden verder hebben ze een ‘hypnotiserende uitwerking’.

Zonder de bij te noemen maar het beeld van de schrijver als bij veronderstellend: ‘Maar u bent een nijvere werkster in een enorm creatief bedrijf […].’, zegt de weduwe tegen Ugrešić.

‘Dat is het beste én het slechtste wat je op je oude dag kan overkomen. Je realiseert je nog net op tijd wat je in je leven hebt gemist, maar je ziet ook dat je geen tijd meer hebt om dat goed te maken.’

‘Als ik iets scherper kijk, komen de beelden van Napels als een zwerm wespen op me af: de Noord-Afrikanen die doelloos voor een opvangcentrum rondhangen en verder geen kant op kunnen […].’ Een merkwaardige passage, het citaat doet er niet helemaal recht aan. De zwerm bestaat niet alleen uit die vluchtelingen, maar ook uit de beelden van Napels zelf (de begraafplaats, de Vesuvius) en de geuren, zoet, bitter en bedwelmend. Het beeld dat de schrijver gebruikt is niet adequaat. De wespen zijn kwalijk, terwijl haar herinneringen aan Napels een combinatie van goed en slecht is. Tenzij we het beeld van de vluchtelingen wel degelijk moeten afzonderen van de rest: dan zijn de vluchtelingen voor haar als wespen. Maar ook dan kan het nog anders begrepen worden: wespen die aanvallen en steken, misschien is dat ook wel goed voor de zelfgenoegzaamheid en het zelfbeklag. Het doorprikken van de oppervlakkige moraal. Het woord zwerm (dat natuurlijk ook zelfstandig een functie heeft) komt enkele bladzijden verder nog voor. Weer gaat het over een stad en weer is er een combinatie van goed en veel (de stad) tegenover een ‘kwaad’, hier van de schrijver zelf, de reactie is niet echt gepast, een oude wonde doet haar wenen: ‘Daar, in Calcutta, waar ik overvallen werd door een zwerm van geluiden, beelden, geuren en kleuren, barstte ik ineens in tranen uit.’

Over managers en ander helgedrochten : ‘Het gevoel van macht had zijn verstand vertroebeld, wat je wel vaker ziet bij iemand die voor zijn gevoel van intellectueel, professioneel of seksueel onvermogen een oplossing zoekt in een substituut, in dit geval een pistool.’ Hoe aantrekkelijk dit ook kan zijn, de sociologische component is belangrijker: het is pas wanneer structuren mogelijk maken dat bandieten aan de macht komen, dat die bandieten de macht kunnen misbruiken. Het intelligentste personage in het boek zegt dit dan ook: ‘De schuld lag niet bij individuele mensen, maar bij een situatie die in de meeste mensen een verborgen potentieel vrijmaakte, en hij zei het woord ‘potentieel’ met een ironische nadruk.’

We lezen in dit boek zeer veel minachting, verontwaardiging en woede omwille van de macht die door de verkeerden wordt uitgeoefend. Hoe de domheid regeert en daardoor de intelligentie versmoort en vermoordt. Dat de ‘ordinaire schurken’ het overgenomen hebben. Over de cultuur waar ‘de literaire pornografie […] tot canon lijkt te zijn verheven.’ Dat de mensen uitgehold worden, dat hen slechts kruimels overblijven en dat ze niet langer leven. Dat het zich aanpassen gelijk staat aan het meeheulen met de macht. ‘De tijd waarin we leefden kon je nauwelijks een tijd noemen, het was een plakkerige, smaakloze, koude, amorele en bijna onverteerbare brij …’

‘Zij behoorde tot de Russische generatie die het als de gewoonste zaak van de wereld had beschouwd om voor een exemplaar van De meester en Margarita op de zwarte markt een maandsalaris neer te tellen.’

‘Vόόr alles diende het “gen van de intelligentsia” te worden uitgeroeid.’

De groep tegenover de vos: ‘Ze wilden gewoon bloed zien. Het droevigste was dat ze niet in hun eentje jaagden, maar altijd in groepen, en dociel de sporen volgden die ze zo goed kenden.’ Het lijkt wel over mijn eigen leven en mijn eigen belagers te gaan. ‘Het ronkende, uit de sfeer van het cultuurmanagement afkomstige taalgebruik deed me denken aan dat van prof. Banerjee en dr. Chatterjee, twee internationaal beroemde paragnosten, bovendien gespecialiseerd in occulte wetenschappen […].’

‘Fascisme is een onderdeel van onze nieuwe nationale folklore.’

Ugrešić doet ons beseffen dat het oorlog is, oorlog tussen de Hooge Heeren en het volk, tussen de cultuurvernietigers en het humane, tussen de rovers en de zielhebbers. Dit is de nieuwe strijd: hij is begonnen, zonder dat de slachtoffers het weten. De vos als zelfportret: ‘Vossen zijn erg op zichzelf. Ze houden van verlaten plekken.’ (Wat de herhaling betreft: even verder : ‘Vossen houden van eenzaamheid en zoeken verlaten plekken op.’) – en daarmee de gelijkenis met Ted Hughes’ vos. En ook niet.

Beeld: Jan van Kessel de Oudere, Insectenblad, 1654

de royalistische bijen van ted hughes

bijen_ted hughes_graf

Ted Hughes inspireerde zich niet enkel door de mythologie, de natuur zelf was een bron van inspiratie en levenskracht. Als dichter wilde hij (in een aantal gedichten, niet in alle) de stem van de natuur zelf laten horen, wat is het dier, vroeg hij zich af, hoe denkt het, wat is zijn leefdenken? Een onmogelijke taak, toch bewonderenswaardig en mogelijk in poëzie, niet in pseudo-activistische dierensentimentaliteit. Dit houdt verband met zijn hang naar de ‘heelheid’, wat een verkeerd begrijpen is: wanneer mensen zich verbonden voelen met de natuur, de kosmos, wanneer men zich verwant voelt, dan vertaalt men dit naar totaliteit, eenheid, geheel, terwijl het een ‘behoren tot’ is.

Hughes was een visser, niet zozeer een jager, hij verzette zich toch niet tegen de jacht. Het is die perfecte balans die nu niet meer begrepen wordt: de goede relatie mens-dier wordt in de jacht tot het uiterste volvoerd. De jager moet het denken en handelen van het dier begrijpen om het te kunnen schieten, het dier moet de mens verschalken : juist op die momenten zijn beide elkaar ten diepste nabij. Wie niet weet hoe snoek of forel zwemt, kan nooit een snoek of forel vangen. Men moet snoek (of forel) worden).

De kernidee van Hughes is dat ieder zijn instinct moet volgen, iedereen, dit wil zeggen, mens en dier. De vos was voor hem een symbool daarvan. Al in zijn eerste bundel, The hawk in the rain (1957) verscheen het voor hem typerende ‘The thought-fox’ (maar ook later zal de vos meermaals terugkomen). Er is duisternis, de schrijver heeft een leeg blad voor zich. Hij verbeeldt zich een vos, mank, en dan met die typerende vossenstank verschijnt hij en komt het hoofd van de dichter binnen. Nog zijn er geen sterren, de klok tikt verder, maar ‘The page is printed’: de vos heeft het hoofd bevrucht omdat de vos het instinct, het dierlijke, het natuurlijke, van de mens is. Alhoewel mank (zoals Oedipous?). De vos staat voor de kern van de mens, zijn waarheid, zijn hart en ziel. Een dichter, zegt Hughes, moet trouw blijven aan zichzelf. Een dichter is de mens.

Het gedicht ‘The honey bee’ verscheen in de bundel Flowers and insects (1986). Hughes is 1 van die dichters die de relatie mens-natuur willen exploreren. Het gedicht ‘Daffodils’ gaat echter vooral over hemzelf, toch ook over die wondere pracht van bloemen. Maar wisten we dit al niet? Die jaarlijkse explosie van gele lente, dat verzet tegen de duisternis, de vreugde van de kleur. Al loopt de wereld vol geboren mensen, elke geboorte lijkt een aparte geboorte te zijn. Hughes plukt de narcissen maar ’s nachts krijgt hij een visioen: de zielen van de narcissen achtervolgen hem, de bloemen zijn mensen, in de volgende regels komt het voor Hughes typische oog voor: hij is een natuurmens, een kijker, een ziener:

I could see right into their flame-stillness
Like seeing right into the eye-pupil
Of a person fast asleep, as if I’d lifted the eyelid –

Hij bestudeert dat wonder van de natuur, de afzonderlijke elementen. ‘They began to alarm me. Were these / My free girls, my Saturnalian nunnery / […] / Inside walking, darkly-coated people?’ het nonnendom wordt naast de ‘vrije meisjes’ geplaatst, de saturnaliën is het feest van de zonnewende, de jaren dat koning Saturnus regeerde, is gekend als de gouden periode, de kleur van honing. De bloemen worden geantropomorfiseerd. Hughes, zoals steeds, wil de heelheid bewaren, het volgende vers is anti-lucretiaans:

They became awful,
Like the idea of atoms. Or like the idea
Of white-frosted galaxies, floating apart.

De narcissen overweldigen hem, er is een heropstanding en de dichter gaat het zwarte tegemoet. De honingbij daarentegen wordt als een entiteit beschreven waar de mens nauwelijks bij kan. Toch is deze niet afwezig, even briljant als de idee van Einstein is de bij:

The Honey Bee
Briljant as Einstein’s idea
Can’t be taught a thing.
Like the sun, she’s on course forever.

Dat de bij met de zon geassocieerd wordt, is niet verrassend; dat ze een eigen weg gaat wel, tenzij we moeten begrijpen dat, zoals de maan de eigen baan volgt (moet volgen volgens de natuurwetten), ook de bij dit moet doen. Daarmee is het insect autonoom, los van de mens, maar dan is de 2de regel ‘ongepast’.

Voor de bij lijkt het alsof er niets anders dan ‘haar bloemen’ bestaat: ‘A tremor in emptiness’, zo wordt de bij gezien en haar terrein ‘A flying carpet of flowers’, direct daarna volgt ‘a pattern / Coming and going – very loosely woven – / Out of which she works her solutions.’ Hughes verwijst uiteraard naar de bijendans waar de ene bij informatie over voedsel aan de andere bij doorgeeft maar door de combinatie van tapijt, weven en oplossing denken wij ook aan ‘The Figure in the Carpet’ van Henry James: wat is er te ontcijferen?

De volgende strofe introduceert de imker, die de bij niet begrijpt, het zijn volgens hem harige miniatuur kwelgeesten die zonneplekken veroorzaken en hij is, volgens de bijen, slechts een vreemd element (een verstekeling) op het kleurige tapijt. Zij kunnen de imker niet verbeelden, ondanks hun briljant-zijn, de verbeelding is enkel de mens gegeven. Nee, ook voor Hughes staat de mens centraal en het dier los van hem :

Furry goblin midgets
(The beekeeper’s thoughts) clamber stickily
Over the sun’s face – gloves of shadow.

But the Honey Bee
Cannot imagine him, in her brilliance,

Though he’s a stowaway on her carpet of colour-waves
And drinks her sums.

Dan moeten we ook over de grote schande van Ted Hughes spreken, zelfs voor een Brit is het royalisme een schanddaad en een onvergeeflijke zonde. Hughes liet zichzelf tot ‘hofdichter’ benoemen, Philip Larkin had voor deze twijfelachtige eer bedankt – een ‘bediende’ lijkt dus meer eer, intelligentie en moraal te bezitten dan een ‘zwerver-romanticus’. Hughes profiteerde van dat hofdichterschap om in privé-domeinrivieren te kunnen vissen. Poëzie dient voor iets. Zo profiteert een dichter van de klassenmaatschappij. Maar verraadt hij zijn klasse.

‘The song of the honey bee’ werd geschreven ter gelegenheid van het huwelijk van Prins Andrew en Sarah Ferguson, 23 juli 1986. Hughes wist toen nog niet dat Ferguson wereldberoemd zou worden door haar minnaar aan haar tenen te laten zuigen. Bij haar huwelijk was Ferguson nog iemand, Hughes zal extra aandacht voor haar gehad hebben omwille van haar rode haar, vossenhaar. Het gedicht begint nochtans goed, ook al weten we dat de natuur, ach, namen we de natuur maar meer als voorbeeld, ook onverschillig is voor koninklijke huwelijken en escapades:

When all the birds of Roxburghshire
Danced on the lawns, and all
The Salmon of the Tweed cavorted
Over the Garden Well
A helicopter snatched you up.

Met de eerste regel van de tweede strofe gaat het mis (en wat een coïncidentie: Sarah Ferguson zal later, om haar financiën aan te zuiveren, een kinderboek, Budgie the Little Helicopter, schrijven – maar zal van plagiaat beschuldigd worden – kinderen zijn voor royalisten in meerdere zin een geldbron). De piloot, schrijft Hughes, was ik. Dit moet concreet voorgesteld worden: Ted Hughes in zijn helikopter pikt Ferguson op. 007-gewijs. Ted Hughes was ook bevriend met prins Charles, hun geloof in astrologie, wishiwashi en de goede oude tijd verbond hen.

Ferguson en haar prins worden als Atlassen voorgesteld, dragend de wereld – zelfs in de 20ste eeuw nog mogelijk! Er is uiteraard een verbintenis tussen de eenhoorn (zoals op het wapen van Roxburghshire afgebeeld) en de leeuw, ‘both to haul the coach of state’. Beide dieren komen op het wapenschild van de prins voor. Daarna wordt het echtpaar als Adam en Eva voorgesteld, tja, de bijna naakte Ferguson heeft de dichter-ziener blijkbaar voorspeld, ook haar schuld. (De prins heeft eveneens een leven van schandalen en schanddaden voor zich.)

Men ziet in dit gedicht dat een anti-republikeins denken de poëtische kracht en het menszijn niet alleen verzwakt en verweekt maar ook tenietdoet. De titel van het gedicht is ‘The song of the honey bee’, Hughes ziet zichzelf als de piloot (‘I’), dus vereenzelvigt hij zich met de bij. Afwisselend na elke strofe komt de zin ‘Gold as the Honey Bee’ en ‘Soft as the Thirtle’s Crown’ (thirtle, distel) voor, een betekenischiasme vormend. De honing is ‘happiness of life’. De dans leidt naar dit geluk. Ook kitsch van een groot dichter is kitsch.

Ach bijen. Vissen! Snoek! Karper en forel!

laatste zinnen (122)

laatste zinnen_122

Peu m’importe que l’avenir me donne tort ou raison. J’aurai fondé ma ligne de vie non sur ce qui la défait mais sur une ligne de cœur qui, du plaisir recueilli au plaisir ensemencé, dessine un paysage luxuriant, le seul en somme où je me sente enfin présent.

Raoul Vaneigem, Adresse aux vivants sur la mort qui les gouverne et l’opportunité de s’en défaire, 1990

koning boven koningin : ted hughes en de bijenbende

bijen_ted hughes

In Birthday letters (1998) bouwt Hughes met gedichten een literair monument van dat leven en het samenzijn. Steeds weer resoneren, als het zoemen van een bij, die onvergetelijke regels ‘But I failed. Our marriage had failed.’ (‘Epiphany’), boven deze bundel. Het is moeilijk om deze gedichten niet biografisch te lezen, en wel symbolisch. Toch is dit hier gemakkelijker dan bij Plath omdat er geen pathetiek speelt, de afstand maakt cultuur waardiger, er is een intellectueel zelfonderzoek.

Het gedicht ‘The bee god’ in deze bundel is tegelijkertijd hard en zacht. Het is hard voor Sylvia Plath, maar ook mededogend, hoe moet een gekwetste mens leven, hoe moet een hunkerende vrouw zichzelf vinden.

Het was 1962 en het echtpaar Plath-Hughes (meer Plath dan Hughes, zij bedroog toen al haar man met de bijen van de vader) besloot bijen te houden – honeymoon krijgt een andere betekenis. De vader van Plath werd al van in zijn jonge jaren de » Bienenkönig « genoemd. De relatie met haar vader was, laten we zeggen, problematisch, het gedicht ‘Daddy’ was een afrekening met de geachte en gevreesde tiran. Een strofe in de vertaling van Anneke Brassinga:

Geen God, maar een hakenkruis
Zo zwart dat de hemel verduisterd was.
Vrouwen aanbidden een fascist,
De laars in de nek, het brute
Brute hart van een bruut als jij.

Door bijen te houden, raakte Plath weer dichter bij haar vader, Hughes verwijderde zich van haar (naar Assia Wevill, die wondermooie). De ‘bijengedichten’ zijn voor beiden dus essentiële momenten geweest.

Het gedicht van Sylvia Plath, ‘De bijenbijeenkomst’, is een bijna letterlijke weergave van wat gebeurd is, zoals Plath het in een brief aan haar moeder schreef en ook de bijensteek is voorgevallen: ‘Ted had only put a handkerchief over his head where the hat should go in the bee-mask, and the bees crawled into his hair, and he flew off with half-a-dozen stings.’ (Sylvia Plath : Letters home : correspondence 1950-1963, 1975). De angst voor de bijen, die ze in haar gedicht beschreef, is de angst voor haar relatie met haar vader: de geest die opgeroepen wordt. Heel deze problematiek van Plath komt in het gedicht ‘The bee God’ van Ted Hughes samen, mét zijn visie op het gebeuren. De titel van het gedicht verwijst naar de vader van Sylvia Plath, misschien gehaat maar toch ook haar god en koning.

Op het moment dat Plath bijen wilde, besefte Hughes nog niet dat haar vader weer zou verschijnen (strofe 1), een oude korf wordt bovengehaald, Plath beschildert die met ‘sixty’-motieven, bijtjes en bloemetjes, alles is goed in deze wereld (2). De derde strofe overstijgt de persoonlijke problematiek maar maakt die ook veel erger: Plath is niet de priesteres maar de abdis, dit wil zeggen: een gesloten vrouw, haar leven gewijd aan een hogere macht, lager dan een koningin:

So you became the Abbess
In the nunnery of the bees.

Deze associatie doet het beeld van de nijverige bijen kantelen – nonnen, niet het kruim van de mensheid. Zoals een non met haar Heer gehuwd is, zo ziet Hughes haar ook: de imkerkleren maken van haar een bruid, niet hij is de bruidegom (4). De meimaand was gul, Hughes heeft nooit geweten hoe hij die moest aanvaarden (5-6). In strofe 5 spreekt hij van de kastanjes, in strofe 6 van ‘their great gloved hands’ wat een natuurbeeld kan zijn maar ook een verwijzing naar de andere imkers die een korf bijen doorgegeven hebben. Is het een geschenk van de natuur of van de mensen, is het een vergiftigd geschenk, zoals het paard van Troje (6)?

Hughes beschrijft hoe Plath over haar bijen gebogen stond, zoals zij over haar vader gebogen stond, zoals zij over een pagina woorden hing. Ook dit beeld wordt onheilspellend gebracht: de bladzijde is als een donkere zwerm, niet de vruchtbaarheid, niet de nijverigheid maar de afzonderlijke woorden worden 1 donker gewriemel (7-8). Ted Hughes ziet hoe dit het duistere worstelen met haar vader is (9):

You and your Daddy there in the heart of it,
Weighing your slender neck.

De poëzie van Sylvia Plath is een voortdurend gesprek met haar vader – haar man staat buiten dat verbond. De slanke nek maakt het verhaal nog erger: een onderhuidse verwijzing naar de guillotine, deze vrouw als weerloos lam (in werkelijkheid de dodende). De dichter neemt een schuld op zich: nu ziet hij dat het bijengeschenk van hem aan haar, haar van hem wegneemt (10). In de bijen ziet Plath haar nieuwe zelf, haar gouden haren neigen naar die ‘thunderhead’, weer de donkerte, een verwijzing naar de vader (11). Plath heeft zich vergist: dacht ze dat de bijen haar maatjes gingen zijn, de bijen hadden ‘their own ideas.’ (12). Ze verwachtte honing en bloemen en alles lieflijk (13) – een vrouwelijke verwachting – het ‘rationele’ was niet verwacht (14):

But the bees’ orders were geometric –
Your Daddy’s plans were Prussian.

Dan spreekt hij over het boven aangehaald gebeuren: een bij steekt hem – wat ook weer metaforisch verklaard kan worden: de echtgenoot is de rivaal van de vader én van het vrouwelijk domein: de bijen zijn de boodschapsters van de abdis, soldaten geworden die de vijand belagen. De man mag niet komen in de intimiteit van vader en dochter, moet een buitenstaander blijven (15-17). Nog anders: de bijen zijn de boodschappers van de vader van Plath, via haar hand, zendt hij het venijn naar de nieuwe koning. (Bijenbende nonnenbende, oorlogsbende.) De bijen steken Hughes, hij spreekt over zichzelf als het doelwit: er is een bewuste actie geweest (17-18) – nu is hij het slachtoffer. Het gezicht van Plath keert zich tegen wat beslist is (19):

Your face wanted to save me
From what had been decided.

In dat beslissen kan ook de vader een rol gespeeld hebben, alhoewel dit niet expliciet gezegd wordt. Dan komt Plath aangesneld om Hughes te helpen, haar sluier valt af (20), daar staat hij dan waar hij dacht veilig te zijn (21). Maar er komt een eenzame bij aangevlogen (de vrouw biedt geen bescherming en ook die eenzame bij is een gezondene), ‘like a blind arrow’ waarmee Amor gesuggereerd wordt (de blinde liefde, de onherroepelijke liefdespijn), een bij die niet tot die bende behoorde, want deze komt ‘over the housetop and down’ gevlogen (een vreemdheid) naar de dichter toe, die bijna als een Sint-Sebastiaan het geweld te verduren krijgt. De laatste strofen van het gedicht zijn ambigue:

[…]
A lone bee, like a blind Arrow,

Soared over the housetop and down
And locked onto my brow, calling for helpers

Who came –
Fanatics for their God, the God of the Bees,

Deaf to your pleas as the fixed stars
At the bottom of the well.

Het laatste woord (‘well’) maakt het gedicht rond want het is een herhaling van wat in de eerste strofe reeds geschreven stond: de geest van de vader die uit de put komt, uit zijn graf (Hamlet). In de laatste verzen zendt hij, de bijengod, fanatiekelingen naar de heidense dichter die ook voor zijn vrouw staat, de bijen zijn, net zoals de vader, doof voor haar klachten (tenminste als we ‘your’ begrijpen als een toespreking tot Plath, het kan ook anders: ‘your’ verwijst dan naar Hughes zelf, maar de bundel is aan Plath ‘opgedragen’, is een dialoog met de gestorven vrouw), zoals de sterren (en Hughes was zelf een astrologiegelovige) dood zijn, weerspiegeld in het water. De laatste regel is tevens een verwijzing naar de dood van Plath: de put.

Hughes heeft een gedicht gecomponeerd vanuit zijn eigen achtergrond, zijn relatie met Sylvia Plath, wat gebeurd is in het leven, de mythologie en woorden uit gedichten van Plath zelf. Toch handelt het niet over hem noch over ons. Het is een gedicht.

de freudiaanse bijen van sylvia plath

bijen_sylvia plath

Nooit begrepen waarom Sylvia Plath zo geadoreerd werd en wordt, wanneer er een dichter als Ted Hughes bestaat. In zijn Birthday letters (1998), die indrukwekkende verzameling gedichten, staat het gedicht ‘The bee god’. In deze bundel geeft Hughes zijn ‘visie’ op de relatie met Sylvia Plath, hij doet dit met mededogen en liefde, maar net zoals in haar eigen gedichten, lees je hoe fataal dit alles aflopen moest. Niet Hughes was de grote boosdoener, Plath koesterde haar eigen duivels en 1 van die duivels was haar vader, bij uitbreiding ‘de man’. In het gedicht ‘Being Christlike’ dissecteert Hughes het ‘godsgeloof’ van Sylvia Plath: ‘Though your father / Was your God and there was no other, you did not / Want to be Christlike. […] / And a god / That was not your father / Was a false god.’ De vader van Plath was een imker en zo wilde zij het ook zijn. Plath en Hughes kochten bijen, Plath schreef een aantal bijen-gedichten voor haar bundel Ariel, ook elders verschenen hier en daar nog bijenverzen, zoals ‘The Beekeeper’s Daughter’, waar het pathetische als bittere honing de woorden doordringt. Haar vader is de bijenmeester, ‘maestro of the bees’, zijzelf wordt door haar vader achtergelaten, hij huwt met de bijenkoningin. Met zulke flauwe verzen krijgt ook Sigmund Freud meesterschap aangemeten.

Terug naar Ariel. In het gedicht ‘De bijenbijeenkomst’ (ik volg de vertaling va n Anneke Brassinga, 1998) wordt een ritueel beschreven: de overdracht van korven. 4 dorpelingen wachten de schrijver op, zij zijn allen gekleed op hun imkertaak, Plath luchtig-zomers. O verrassing, het oppervlakkig vrouwelijk verwijt: ‘waarom heeft niemand mij iets gezegd?’, de slachtofferideologie. Enkele regels verder : ‘is er niemand die van me houdt?’. Ze wordt geholpen, door wat ze denigrerend ‘de bijensecretaresse met haar witte winkelschort’ noemt. Vermomd, kunnen de bijen haar angst niet ruiken.

Dan komt een andere figuur, hij zal de korf uitroken en dus komen daar de verkenners. Dit gedicht wordt tot de ‘bee poems’ van Sylvia Plath gerekend maar het gaat natuurlijk over haarzelf. Stelt ze zich voor dat zij de koningin is, waar de andere imkers naar op zoek zijn? Weer is er het slachtofferdom: ‘een duel waarvan de overwinning vaststaat’. Maar ook de koningin is een moordenares.

‘De aankomst van de bijenkist’, u hoort het al, de kist is ook een doodskist. Haar man, Ted Hughes, komt niet in het gedicht voor, nochtans hebben ze beiden geïmkerd. Bij Plath wordt alles onheilspellend: hier weer het slachtofferdom, nu van zichzelf. Ze heeft een bijenkist besteld, de donkerte en geslotenheid ervan zijn een metafoor voor haar eigen leven. ‘De kist is maar tijdelijk’. ‘Gestoken’, nu gaat het wel over Ted Hughes (soms wordt haar echtgenoot de vader, en omgekeerd): ‘Hij en ik // En tussen ons in wel duizend propere cellen, /’. Weer vergelijkt ze zichzelf, er moet een oude koningin zijn en de dichter zelf is een gewone vrouw, zelfs geen ‘honingwerkster’ want ‘Ik ben geen werkster / Al heb ik jaren stof gegeten / en borden gedroogd met mijn dikke bos haar.’, nee, ze is geen werkster, wil een dichter zijn en die boze wereld heeft haar toch huishoudelijke taken opgedrongen. Plath is niet de dichter van de wereld of van de ander, het verste wat ze zien kan is het verste puntje van haar haar. Gelukkig is er nog gerechtigheid, de man wordt gestoken. De steek keert natuurlijk terug: het is de vrouw die gestoken wordt. Ted Hughes heeft zich altijd verzet tegen de autobiografische lezing van het werk van Sylvia Plath, alhoewel het andersom moeilijk is, en gepleit voor een symbolische lezing. Zijn vrouw was geen journalist van het eigen leven maar een schrijver die gedichten componeerde, bij elkaar las, waardoor de betekenis groter werd dan de anekdote van een voorbijgaand leven, een banaal huwelijk.

de klassieke bijen van vergilius

bijen_vergilius

Een oertekst is Boek IV van de Georgica. Vergilius beschrijft de bijenteelt, men zegt dat hij dit deed en kon doen omdat zijn vader landbouwer was, een gewone jongen gebleven. De Georgica was, net zoals al de rest, een gewone opdracht en had weinig te maken met de persoonlijke geschiedenis van de schrijver. Hij schreef waarover hij moest schrijven. Dit maakt hem niet minder schrijver.

De bijenteelt was ook voor de Oudheid een gouden teelt: de honing was belangrijk, maar de nabijheid van een complexe organisatie fascineerde ook. De mens heeft er lang over gedaan om die wereld te doorgronden – in zoverre een dier en zijn levenswijze doorgronden mogelijk is.

De aantrekkelijkheid van het bijenboek van Vergilius is voor ons alleen nog de taal, het zingen, niet de kennis die zogezegd moest overgedragen worden – waarmee we terug in de Oudheid zitten. Want Vergilius schreef geen handboek ten behoeve van imkers, hij wilde de bijenteelt niet professionaliseren. De bedoeling was een kunstwerk te schrijven om de naam van de mecenas te doen verder leven.

Zo beschrijft Vergilius de bruidsvlucht als een tocht op zoek naar water en beschutting tegen de zon (v. 58-62). Of meent hij dat de bijen een schuilplaats onder de aarde graven en daar behaaglijk wonen (v. 42-43). Uiteraard spreekt hij van koningen (v. 68) en niet van koninginnen. Of laat hij bijen ontstaan uit het bedorven bloed van geslachte stieren (v. 284-285). De poëtische kracht van het werk blijft. Men zegt dat Nijhoff en Van Eyck zich op de Georgica gebaseerd hebben, dit is veel gezegd. Welke verzen zouden in aanmerking kunnen komen? Ik gebruik nu de vertaling van Marguerite Prakke (Vergilius’ bijentuin, Natuurmedia, 2016, een afgrijselijk vormgegeven boek), een vertaling die recent is en vooral een vlot en duidelijk Nederlands wilde zijn.

Vers 59: ‘door de ijle zomerlucht hoog in de lucht ziet zweven,’
Vers 79-81: ‘[…], ze dringen samen in een geweldig kluwen
en storten neer; zo dicht valt hagel niet uit de hemel,
zoveel eikels regenen niet uit een eik die geschud wordt.’

Het beeld van Vergilius (hagel) is realistischer dan bij Nijhoff (sneeuw): de bijenlijfjes zijn als hagelbollen, geen etherische sneeuw. Vergilius beschrijft hier een bijenoorlog.

Vers 103-105: ‘Als zwermen doelloos vliegen en dansen in het luchtruim,
hun raten en korven koud en verwaarloosd achterlaten,
maak dan een eind aan hun wangedrag en zinloos gedartel.’

Maar we kunnen ook naar Mandeville verwijzen:
Vers 149-155: ‘Ik ga nu uitleggen welke deugden Jupiter zelf aan
de bijen gaf als dank dat zij, geroepen door de
heldere klanken en ’t bekkengerinkel van de Cureten,
eens de Hemelgod hadden gevoed in de grot van Dicte.
Alleen bijen brengen hun kroost gemeenschappelijk groot, ze
leven samen in één huis onder strenge wetten.’

Het is die wetgeving die voor Mandeville belangrijk was, al interpreteerde hij die anders. Van Vergilius heeft hij misschien de verwijzing naar Jupiter overgenomen.

De beelden die Ovidius gebruikt zijn voor ons nog steeds herkenbaar – dat geluid is geen lawaai of overlast – , de volgende passage gaat over zieke bijen:

Je hoort een nogal zwaar gebrom, een langgerekt gonzen,
zoals de ijzige zuidenwind huilt in de bossen,
zoals de zee onrustig bruist in de kerende branding,
zoals verzengend vuur loeit in een dichte kachel. (v. 260-263).

De mooiste passage handelt echter niet over de bijen, wel over ‘de oude man uit Corycus’ (Prakke), of ‘de grijsaard van Tarentum’ (Anton Van Wilderode) die een tuin als een paradijs verzorgt. Op een verloren stuk grond kweekt een man groenten en bloemen, ‘hij was rijk als een koning’, omdat hij de planten in dienst van het bijenvolk stelde.

De vertaling van Anton Van Wilderode is klassieker dan die van Prakke, hij vertaalt letterlijker en is daardoor ‘ouderwetser’, de kloof is gigantisch met deze tijd, terwijl de Vergilius van Prakke een oude imker lijkt die ons op een alledaagse wijze wil inwijden. Ter vergelijking de beginverzen van het vierde boek door Anton Van Wilderode (ik citeer uit de verkleinde Orbis en Orion-uitgave, 1982, ik verwaarloos de versafbrekingen omdat ik vermoed dat die in dit boek niet correct weergegeven zijn, de inleiding bij Vergilius telt 7 regels, die van Van Wilderode (in deze uitvoering) 14), daarna die van Marguerite Prakke:

‘Mijn dichtwerk te vervolgen zal ik heden de overluchtse gave gaan bezingen, de honing die van boven komt. Maecenas, geef ook dit onderdeel uw goede aandacht! Van kleine dingen krijgt gij een merkwaardig toneel te zien: ik wil u welgeordend vertellen van het hele volk der bijen, van hun voornaam bestuur, hun leefgewoonten, hun bezigheden, strijd en populatie. Het onderwerp is inderdaad bescheiden, maar allerminst bescheiden is de glorie, indien tenminste boosgezinde goden uw dichter laten zingen én Apollo, te hulp geroepen, naar mijn smeking luistert.’

Over honing, het hemels geschenk uit de lucht, gaat mijn volgend
lied. Maeceas, geef ook dit deel je volle aandacht.
Ik zal je een wondere kleine wereld tonen,
dappere leiders, een volledige staat met burgers,
hun gewoonten, de ijver die hen drijft en hun strijdlust.
Bescheiden is mijn werk, maar niet de roem als kwade
machten het toelaten en Apollo mijn bede aanhoort.

Dit is de ene kant van het verhaal, nijvere bijen, goede bijen, bondgenoten van de mens. De Romeinen zagen in de bijen soms ook een kwaad voorteken. Daarover spreekt Vergilius niet in de Georgica, wel in de Aeneis. In 1 van zijn befaamde homerische vergelijkingen stelt hij de bijen als voorbeeld, beter als analogie: zoals de mensen, zo in de dierenwereld, niet om de tweede, wel om de eerste wereld te beschrijven. Aeneas is met zijn mannen in Carthago beland, daar zal hij een liefdeshistorie met Dido beleven die door Henry Purcell verhevigd werd. Bij Vergilius lezen we mededogen met de koningin, het standpunt van de schrijver is dat van Aeneas. De stad van Dido wordt opgebouwd, Aeneas en zijn vader zien (zelf ongezien, gehuld in een nevelwolk) hoe de Tyriërs werken, in enkele verzen schetst Vergilius een volledig panorama van stadswerklui, zoals Bruegel het kon schilderen en dit alles wordt vergeleken met de bijen. Boek IV, vers 430-436, (Het verhaal van Aeneas, vertaald door M. d’Hane-Scheltema, 2012):

zoals ook bijen op een bloemrijk veld onder de zon
druk bezig zijn: ’t is vroege zomer, de nog jonge bijen
worden de korven uit geleid; de zachte honing wordt
bijeengebracht; ze vullen cellen met de zoete nectar
of nemen vrachten van de dragers aan, of jagen met
een vechtkordon het luie darrenvolk de korven uit;
het is één gloed van werk en honinggeur vermengd met tijm …

Deze honing komt terug in het gesprek tussen Dido en haar zuster Anna, Dido zal zichzelf doden, haar zus moet misleid worden. Ze vertelt over een priesteres die verdriet kan doen verdwijnen. (Met een draak bewaakt ze een heiligdom): ‘zij bracht / de draak zijn eten, zorgde voor de gouden appeltakken / door ’t sprenkelen van honingvocht en slaapverwekkende / papavers. Dat bedwelmende en zoete wordt nog eens aangehaald in Boek VI, vers 420-421, waar de Sibylle Cerberus temt: ‘slingert ze hem een koek toe die door toverkruid en honing / bedwelmend werkt.’

In datzelfde boek bezoekt Aeneas zijn vader Anchises in het dodenrijk. De zielen worden beschreven als bijen (boek VI, v 706-709):

Ontelbaar volk, hele geslachten zwermen rond haar oevers
als bijen in een veld, die bij mooi zomerweer neerstrijken
op bontgekleurde bloemenpracht, of zich verzamelen
rond blanke lelies – hun gezoem is overal te horen.

Men kan deze vergelijking iets ongepaster vinden: het grijze schimmenrijk vergelijken met de kleurige bloemen en bijen? Niet langer de werkkracht en de nijvere organisatie worden hier geprezen. Anchises legt uit dat deze zielen wachten om een tweede leven aan te vangen. Vergilius gebruikt het beeld van de bij als zieldrager en met een metaforische verschuiving worden de bijen zelf zielen.

Het begin van boek VII verhaalt van de vroege heersers over Latium, Romeinse geschiedenis dus. Koning Latinus heeft een dochter, jongelingen willen niet alleen haar hand. Turnus kreeg de voorkeur maar er waren angstaanjagende voortekens (Aeneas zal deze Turnus verslaan en zo Lavinia kunnen huwen). Een laurierboom in de paleistuin werd om zijn loof aanbeden, gewijd aan Phoebus. Maar (vers 64-67):

De kruin ervan werd door een bijenzwerm met luid gezoem
vanuit de held’re licht bezocht – een wonderbaarlijk voorval –
en dicht bezet; met wriemelpootjes aan elkaar gehaakt
hing daar opeens een dikke tros hoog aan een groene boomtak.

De laurierboom is aangetast en daardoor is dit een kwaad voorteken: een buitenstaander zal volgens de ziener naar Latium komen. Zo werd een bijenkolonie gezien als een kwaad voorteken. De Aeneis is echter een positief verhaal: de vreemdeling is immers Aeneas en het is door hem dat Rome gesticht zal worden. En wanneer Aeneas de stad Laurentum zal aanvallen in Boek XII wordt de bijenmetafoor weer op een andere manier gebruikt : nu wordt Aeneas als de herderimker voorgesteld die een nest ontdekt en dit wil cultiveren (v 587-592):

net als wanneer een herder in een hol van donker tufsteen
een bijenvolk ontdekt en scherpe rook naar binnen leidt:
de diertjes vliegen in hun honingburcht naar alle kanten,
doodsbang voor wat gebeurt, hun woede stijgt tot luid gezoem,
een droeve geur walmt naar het dak; dan, in de stenen ruimte,
verduistert elke klank, terwijl de rook naar buiten komt …

De vergelijking is niet toevallig of arbitrair. De werklui in Carthago werden met bijen vergeleken; hier wordt de held beschreven: zo heeft Aeneas Turnus verslagen en Laurentum overwonnen. De hulp van zijn moedergodin Venus, zijn eigen schranderheid en moed, het fatum.

de gealiëneerde bijen van christophe van gerrewey (2)

bijen_christophe van gerrewey_frédéric chaubin_georgia

De omgeving waarin de verhalen zich afspelen, is belangrijk omdat het een verzameling clichéplaatsen is, plekken waar de leugen in stand gehouden wordt, sociale gevangenissen. Baristas als nieuwe priesters, koffie als het nieuwe wijgeschenk, vlieghavens als gewijde grond.

Het motto van Werk, werk, werk (dat ook een echo vindt in het ‘Weg weg weg’ op p. 138) is een citaat van Henry James: ‘What befalls us is but another name for the way our circumstances press upon us – so that an account of what befalls us is an account of our circumstances.’, een uitspraak over het werk van Honoré de Balzac. Christophe Van Gerrewey brengt zo twee tegengestelden bij elkaar: enerzijds de psychologische analyse, anderzijds de sociologische. De mens is wat zijn omgeving van hem maakt, het ik bestaat uit de wereld. Van Gerrewey spreekt op een onrechtstreekse manier over deze wereld, hij is geen socioloog, door de personages te laten praten, door hun reacties op de gebeurtenissen en de anderen weer te geven. Hij hoeft nauwelijks iets te vergroten, men herkent de onnozele praat van V., K., A., (en P. vooral) enzovoort. De mumbo-jumbo van de personages is door henzelf ernstig gemeend, ze beseffen niet dat ze niet zichzelf praten maar slechts de onzin van de tijd herhalen, ze hebben het leven van fictieve personages. Speelgoedpoppen. In zijn genadeloos humoristische maatschappij-analyse staat Van Gerrewey op eenzelfde hoogte als indertijd in hun glorieperiode Kees van Kooten en Wim de Bie.

De humor, somtijds het sarcasme, getuigt van een mensvisie die in oppositie tot deze onmenselijke wereld staat. Mensen willen goed doen, decent leven, in rust kunnen slapen: de intermediaire economie maakt dit onmogelijk. Mensen worden verplicht slecht te zijn, leven in schaamte en schande en durven niet te gaan slapen. Niet de mensen zijn slecht of belachelijk, het systeem laat het goede niet toe. We kunnen de managers hun vermeende individualiteit afnemen: ze herhalen slechts het slechte van anderen.

Niet het product is belangrijk, wel, in de reële economie, het geld en in de afgeleide economie, de leugen, de presentatie, de wereld van de glitter. De publieke ruimte is het model van de reclamewereld opgedrongen – vandaar de onwaardigheid van de politieke wereld, vandaar de leegheid van het onderwijs en vandaar de politieke afhankelijkheid van de culturele wereld zelf (‘die een karikaturale minderhedenpolitiek wenste te voeren’).

De kritiek op het ‘handelen en denken naast de kwestie’ is een anti-metafysische kritiek, anti-essentialistisch en daarom ‘wezenlijk’ modernistisch.

De intellectuele spanning van het boek Werk, werk, werk ontstaat juist door die afstandelijke houding van de schrijver en de zaak die hij bepleit. Dit boek is (net zoals het oeuvre van Christophe Van Gerrewey) een pleidooi voor humaniteit, dus om ballast overboord te gooien, om ons met de ‘kern van de zaak’ bezig te houden. Die verschuiving naar de nevenactiviteiten, die verwarringen, die pseudo-beleefdheid, pseudo-emotionaliteit en pseudo-cultuur: dit is de kruistocht van Van Gerrewey. Hij laat dit in het boek op talloze manieren weerklinken: op individueel, op micro- en macro-economisch en -maatschappelijk niveau.

Om de relevantie van dit boek nog op een andere wijze aan te tonen: onlangs werd aangetoond dat er geen leesplezier meer bestaat, dat de leeslust verdwenen is. In het rioolputje weggelopen. Nochtans is het ‘culturele veld’ vergeven van de instellingen die zich met leesbevordering bezighouden: bibliotheken, centra voor jeugdliteratuur en lezen, culturele centra, enzovoort, het veld is onoverzichtelijk (ook deze kritiek is bij Van Gerrewey te lezen) en die onoverzichtelijkheid zorgt ervoor dat er vele uiers zijn. Maar wat wil men? Als zelfs de zogezegde specialisten de jongeren naar internetspelletjes drijven (o, pardon, men moet gamen zeggen) en waar professoren de opvoedende waarde van gewelddadige, militaristische en consumptieve rommel bepleiten, als men jongeren van overheidswege ‘hangplekken’ aanbiedt waar men verplicht is zich te vervelen en waar diezelfde beleidsverantwoordelijken het nodig hebben om zich elke twee maanden via buitenlandse reizen te moeten herbronnen.

Een klein voorbeeld, een achteloos verhaal, zoals alles bij Van Gerrewey een weggeworpen parel, maar niets is achteloos, alles heeft een functie, elk woord, elke zin is bedacht en neergezet. ‘De barista vroeg me die dag, nadat ik een lungo besteld had, hoe het met mijn moeder ging, wat ik voor de opmaat van een scheldpartij aanzag, maar wat om een vergissing bleek te gaan: hij had me, in zijn drang naar klantgerichte vriendelijkheid, verward met iemand anders.’

De gedetailleerde beschrijvingen spelen een rol, de details schetsen steeds ‘de omgeving’ die door de nauwkeurige beschrijving in het centrum van het schrijven komt te staan, de kleinigheden zijn de ankerpunten waaraan de personages zich wanhopig vastklampen: ‘hou die kop vast, anders verzwelg je in het gebeuren van het leven’.
De setting is hedendaags, een koffiebar, buiten, op een plein – laat de klanten maar veel fijnstof en vergif inademen, de kosten zijn voor hen, wij nemen elektriciteit af van een stadsgebouw, hebben geen onkosten, we moeten niets schoonmaken en omdat we hipster zijn, verdienen we geld met sloten.
De cafébaas, de barista dus, wil zich sympathiek voordoen, doet aan klantenbinding opdat de klanten helemaal niet meer zouden nadenken en wordt persoonlijk. De ik-figuur beschouwt dat persoonlijke als een aanval op zijn privé-domein, men wordt niet persoonlijk in de openbare ruimte.
De valsheid van de ordinaire middenstander wordt ontmaskerd: hij doet zich geïnteresseerd voor, maar hij kan de ene klant niet van de andere onderscheiden.
We zien hier hoe de humaniteit (interesse in de ander, sympathie) vervangen wordt door een winkelvriendelijkheid met de bedoeling meer te verkopen, dus, zoals alle handel, meer te kunnen bedriegen. Het menselijke wordt begraven onder de valsheid.

Dit lijkt een klein gegeven te zijn, het is het niet. Eenzelfde model bestaat ook in de arbeidswereld waar de ene de andere moet beoordelen, dit onder het mom van klant- en collegavriendelijkheid, in werkelijkheid introduceert dit model de achterdocht, het venijn, de achterbaksheid en de leugen binnen een persoonlijk relatiemodel: iedereen is de vijand. Van Gerrewey illustreert dit met hoe studenten een leerkracht anoniem kunnen beoordelen. Het gevolg is: terreur en willekeur. Waardoor men negatieve energie moet besteden aan bijzaken en het eigenlijke werk niet gebeurt. Natuurlijk kan de vergadercultuur hierbij betrokken worden, Van Gerrewey verwijst daarnaar maar doet dit nauwelijks – omdat het in zijn kritiek onbelangrijk is, slechts een symptoom van sociale onkunde.

De vangerreweyaanse opstapelingen, twijfels en verscheurende keuzes hebben hier ook mee te maken: nooit kan een beslissing genomen worden en elke beslissing is verkeerd omdat de keuzemogelijkheid er geen is: ‘lungo of americano’, wat een onnozele, oppervlakkige keuze: dit is niet het leven, dit is maar doen alsof. Het essentiële van het mens-zijn is te beslissen: ik ben een meeloper of ik weiger mee te spelen; ik zeg nee, en geen ja tegen de corruptiedwang; ik weiger het spel van leugen en bedrog mee te spelen: dit zijn menselijke keuzes (tegelijkertijd onmenselijk omdat ze bewijzen dat het systeem antimenselijk is). De keuzes die men nu dient te maken, zijn ‘niet wezenlijk’.

Christophe Van Gerrewey beschrijft een leven dat door de arbeid bepaald wordt, waar het weekend de enige mogelijkheid is om te leven maar dat toch weer door die arbeid gedetermineerd wordt: men dient beschikbaar te zijn, men maakt zichzelf onderdanig aan het systeem. Het weekend is geen rust, maar een uitrusten, een tegenreactie op het werk, geen autonoom gebied. Het woord is gevallen: autonomie is wat de macht vernietigen wil. Zelfstandig denken en handelen is in een sociale wereld onmogelijk. De dictatuur is een feit.

Dit hangt samen met het geparalyseerd zijn op het nu. N.a.v. de smartphonegebruikers schrijft hij: ‘Belangrijke en complexe, maar dus meestal ook vreselijke en uitzichtloze onderwerpen hoeven niet meer onder ogen te worden gezien; zowel het verleden als de nog onzekerder toekomst verdwijnt ten voordele van een vluchtig heden. Het grootste probleem is dat voor smartphonegebruikers de werkelijkheid niet meer bestaat en niet meer volstaat […].’

Ook hier weer in 1 zin een hele wereld. De woorden belangrijk en complex verwijzen naar een tijd die deze gedachtenconstructies nog kon vatten – vandaag is complexiteit onbestaande, alles wordt vereenvoudigd o.a. door de simplistische moralisering; wat belangrijk is kan niet meer onderscheiden worden omdat alle feiten naast elkaar gezet worden. De wereld is gelukkig en bestaat op prentjes: wat vreselijk en uitzichtloos is, wordt buiten beeld gehouden. Vooral ‘uitzichtloos’ is hier belangrijk: inderdaad, het systeem is dichtgeslagen en er is geen vluchtweg meer. Dat de toekomst onzeker is, maakt dat men in het heden vlucht, maar ook het verleden is onzeker: wat is gebeurd en wat willen we daarvan weten. De mannelijke moed die durft te zeggen dat we geen controle hebben is vervangen door het meisje dat denkt een speelgoedkeuken te kunnen bestieren. Het heden is vluchtig, is al verleden geworden en we zijn onzeker over wat dat heden was, immers slechts een afgeleide, niet het ding zelf. Werk is dan ook iets dat gedaan moet worden, waarop men moet kunnen terugkijken, niet het resultaat telt (vandaar: jobhopping: het weglopen van verantwoordelijkheid en het ontlopen van resultaatsverantwoordelijkheid). De diversiteitseis is een monotoniewerkelijkheid.

Het modernisme van Christophe Van Gerrewey toont zich in het schrijven zelf. Het uitstellen, het niet nemen van beslissingen, het praten over: dit alles wordt voelbaar gemaakt in het schrijven zelf. Niet het gesprek maar dat wat het gesprek belemmert, is bijvoorbeeld het onderwerp van het eerste ‘verhaal’. Niet de inhoud, de omstandigheden.

Van Gerrewey geeft les in Lausanne, hij reist veel op en af, van Gent naar Lausanne, de reisperikelen zijn hilarisch herkenbaar, de mobiele mens die de hedendaagse mens wil zijn, is de schrijver zelf – maar is niet Van Gerrewey. Het zwerven is een zwalken geworden. Een erkenning van competenties ergens anders is een vlucht uit de eigen wereld omdat elk op zijn beurt moet wachten, plaatsen moeten vrijkomen, mensen moeten weggaan, concurrenten moeten zichzelf uitschakelen. De vlucht is een wegjagen, een wereld die haar eigen braindrain officialiseert. Tegelijkertijd is er sprake van een mondiale wereld: wat hier gebeurt, kan evengoed daar plaatsvinden. De sedentaire mens is een nomade geworden. De wereldgeschiedenis draait terug. ‘- de zogenaamde vooruitgang laat zich niet stoppen, en achter onze rug om worden er steeds grotere puinhopen tot stand gebracht.’

Zwitserland is het toppunt van efficiëntie, een superkapitalisme (wij moesten natuurlijk denken aan Jean Ziegler’s Une Suisse au-dessus de tout soupçon, 1976), het persoonlijke wordt naar een maatschappelijk niveau overgeheveld. Van Gerrewey beschrijft op een hilarische manier de zelfgenoegzaamheid van de Zwitserse maatschappij, maar die is gelijk aan het hedendaags kapitalisme en overstijgt alle grenzen. Ook hier weer de vraag wat een mens een mens maakt, wanneer is iemand een burger? Zijn het de omstandigheden die een mens maken – of was hij al een mens, nog vooraleer hij Zwitserse bodem betrad?

De kritiek op het openbaar vervoer is niet een persoonlijke dada maar gaat naar de kern van de maatschappijkritiek: het openbaar domein is overgeleverd aan onwil, onkunde en maffiapraktijken. De schrijver rekent uit dat kennissen van hem even lang in België onderweg zijn, als hij op weg naar Zwitserland. De zinnen van Christophe Van Gerrewey zijn lang, complex, bevatten zijwegen (en deuren), zijn niet enkel constatering maar ook verklaring. Zijn proza is een genot om te lezen. Op een subtiele wijze worden we in de literatuur onderwezen. Dante: ‘Tussen de bomen van deze onverwachte en in andere omstandigheden vast aangename groenzone, overwelfd door dichte en donkere takken, besefte ik dat dit laatste wandelingetje mij niet in de richting van mijn bestemming had gevoerd. Ik was ergens van het goede pad afgeweken, […].’ – waarbij de ik uitgebreid mag worden naar deze maatschappij. Het verhaal van ‘zijn vader’, (‘en de laatste maanden is hij betaald zonder te werken, ze waren blij van hem verlost te zijn, en het was wederzijds.’), (waarbij hij de generatie van de dertigers overstijgt en dus een maatschappijkritiek schrijft) hoe ‘de Amerikanen’ aan alles schuld hebben, is een opeenstapeling van clichés, volkswijsheden die met een vals aplomb gebracht worden, Van Gerrewey, de enige schrijver die in Hugo Claus een meester ziet. David Lynch: een hert, ’s avonds laat op de Belgische snelweg. Slapstick: de députée van ‘Cultuur & Toerisme’, twee onverenigbaarheden: ‘hoewel het veel eerlijker zou zijn als er ‘Toerisme & Cultuur’ zou staan …

Tegelijkertijd is deze stellingname een probleem. Want het indirecte is het kenmerk van de cultuur, de rauwe ervaring is barbaars – daarom is de hele onzineconomie, met ervaringen en belevingen, een terugkeer naar de barbarij, wanneer dit in de culturele sector aangeprezen wordt, het bewijs van dat barbarisme. De reële wereld heeft de structuur van de culturele overgenomen waardoor de fantasie, de verbeelding en de intelligentie gecorrumpeerd werden. Het grenzenloze is een diefstal gebleken. De cultuur van de 21ste eeuw moet juist dit probleem oplossen, de creativiteit garanderen. Nu doet ze dit door een kopie van die valse economie te willen zijn (ze kopieert dus de kopie van wat ze zelf is), terwijl juist de cultuur zichzelf verder moet ontwikkelen. Het modernisme is door het zogenaamde postmodernisme (maar welke ernstige schrijver noemt zichzelf postmodern?) een halt toegeroepen, we moeten heroveren, de intermediairen buitengooien.

Intelligentie als troost – ook. Een kernmoment in het boek is wanneer de schrijver zegt zich te moeten schamen omdat hij wel Henry James kent, en de redactrice van de uitgeverij die naam zelfs niet kent.

Men werkt en men werkt en er is geen arbeid, laat staan honing voor de toekomst. Als een schrijver aan de kernproblemen van de tijd zelf raakt, moeten we hem dankbaar zijn en dienen we uit nederigheid en erkentelijkheid het hoofd diep te buigen.

Beeld: Frédéric Chaubin, CCCP, Georgia

een bijendilettant gestorven – william h. gass

bijen_william gass_sfcdt

I am an omnivorous reader. My library is that of a dedicated dilettante. I might, on a given day, be reading a book about bees, or about epistemology, or about the brain, or about …

William H. Gass (30 juli 1924- 6 december 2017) in gesprek met Carole Spearin McCauley, 1971

Old age ought to know. Death will soon enough come to its rescue. Till the knowing ends, all that was wasted and wronged in youth – through ignorance, haste, competition, bad belief – all that was bored by middle age into one long snooze, has borne its juiceless fruit, and is now known for what it is: nothing has been righted here. Yet if desire can be kept from contamination, if it can be aimed, as one’s fingertip, at the root’s place, if it is not harnessed to the horses of dismal domination, bit is allowed to be itself and realize life, then the flutter of an eyelash on a cheek will assume its proper importance; Wall Street may crash and the gods of money be smelted back into the sordid earths the came from; yet, unfazed, our heads will rest at least on one another, a fall sun will shine on the sheets, your nipple shall enter my ear like a bee seeking in a bloom a place to sleep; life shall run through us both renewed; we shall feel longing, lust for one another; we shall share rage for the world.

William H. Gass, Life sentences : literary judgments and accounts, 2012, p. 299-300