sfcdt

in europa: 1 strijd

literatuur_lijnen_sfcdt_9

 

‘Er zitten nu gangsters overal waar je kijkt. De toestand is hopeloos.’

Zo luidden de laatste geschreven woorden van Daphne Caruana Galizia, een journalist die het deksel van de politiek correcte beerput op Malta openlegde. Haar strijd is de strijd van zovele burgers en ambtenaren in Europa die monddood gemaakt zijn, die door de maffia bedreigd worden en/of geliquideerd zijn. Het is de strijd tegen de politiek correcte klasse, dit is de klasse die de macht bezit en misbruikt en dat volksdeel dat die corrupte macht legitimeert.

De maffiacultuur heeft zich in alle machtsgeledingen ingevreten. De politiek wordt dus ook bedreven met maffiamiddelen. De eigenlijke doelstellingen worden aan de kant geschoven om de eigen belangen veilig te stellen: het overleven op kosten van anderen, het vernietigen van het kostbare weefsel, dat is de praktijk van de politiek correcte klasse: ‘alles is van en voor ons, op de rest spugen we’.

Niet iedereen wordt fysiek geliquideerd zoals Galizia, het doel is toch overal hetzelfde. Niet de corruptie is het ergste, wel het corrumperen en het gecorrumpeerd zijn. Het dagelijkse handelen van de maffialeden is de norm geworden, de morele waarden en woorden zijn uitgehold.

‘Er zitten nu gangsters overal waar je kijkt. De toestand is hopeloos.’, hoe waar die woorden zijn, hoe waar de getuigenissen hier kunnen zijn.

Advertenties

paul auster en spinoza (4)

paul auster_adam zyglis

De onsentimentaliteit van de meester in Mr. Vertigo : het aanvaarden zonder sentimenteel gekwijl, geslijm en gezever. En voortdoen, zoals het er nu bijstaat, geen spijt, geen lamentaties. Aanvaarding en actie. Zo is de spinozistische moraal (in de betekenis van de Franse moralistes). Dit is de kracht van een krachtig leven en denken: weten dat de wereld is zoals ze is en er toch een weg in vinden, niet een zich afkeren van maar in en tegelijkertijd naast de wereld staan. Zo was ook het leven van Spinoza: een ambacht uitoefenen, een denken dat betrokken is op de mensen en de dingen en tegelijkertijd de eenzaamheid van hij die weet beoefenen.

Paul Auster lijkt gefixeerd te zijn op toeval of lotsbestemming, de motor van zijn romans. Voor hem maakt het toeval onderdeel uit van een ondoorgrondelijke realiteit. Het besef te leven in een wereld die je niet kunt begrijpen, leert je nederig te zijn en de dingen te relativeren. Het mysterie kan elk moment opduiken, waarna er van alles mogelijk wordt. Niet te bevatten verschijnselen veranderen van het ene op het andere moment je leven.
Zo is daar het straatschoffie Walter Rawley, een bijna-naamgenoot van ontdekkingsreiziger Sir Walter Raleigh in Austers roman Mr. Vertigo (1994). Dank zij een toevallige ontmoeting met meester Yehudi leert Walt vliegen, na een reeks vernederende oefeningen in onthechting. Je moet eerst afdalen om te kunnen opstijgen, eerst moet je leeg zijn en niets worden, dan pas kun je Walt de Wonderjongen worden die over de wateren zweeft. ‘Ik was twaalf jaar toen ik voor het eerst op water wandelde’, luidt de eerste, niet van religiositeit gespeende zin. Walt weet aan de zwaartekracht te ontstijgen en wordt de kunst van de levitatie machtig.
Het knappe van deze roman is dat Auster de magische kunst om te kunnen overleven presenteert als een vanzelfsprekend onderdeel van zijn vertelling. Ook de lezer wordt ‘dronken van het mysterie van de wereld’, zoals Spinoza-lezer meester Yehudi het formuleert.

De gedichten van Paul Auster stammen uit zijn beginperiode, later heeft hij nog slechts gelegenheidsgedichten geschreven (een huwelijk, een vriendschap, een feest), daardoor lopen ze het gevaar als ‘jeugdwerk’ afgedaan te worden. Dit is onterecht, de poëzie bevat de kern van het oeuvre. De boeken van Auster cirkelen om het eigen leven, er is niet zozeer een evolutie of zijn er grote omwentelingen te bespeuren, wel is er een groeiend vakmanschap, een cirkelen om het eigen leven, een trachten te begrijpen van wat gebeurd is in de V.S., in Europa. Stilstand is een kernbegrip, hangt samen met de gekoesterde eenzaamheid. Een eigen leven denken.

Voor zover ik weet zijn gedichten van Paul Auster slechts 1 maal vertaald. In 1994 verscheen Verdwijningen bij uitgeverij Joany in een vertaling van dichter-filosoof Henk van der Waal. Deze uitgeverij heeft slechts 4 (?) boekjes uitgebracht.

Contre l’oubli / Hans Faverey ; trad. du néerlandais par Joke J. Hermsen et Henk van der Waal (1991)
Le combat / Armando ; trad. du néerlandais par Joke J. Hermsen et Henk van der Waal (1992)
Cantate 103 et autres nouvelles / Vera Simonin (1992).

Voor enkele boeken was er een samenwerking met de Franse schilder Thierry Pécastaing, die in 1995 op al te vroege leeftijd aan leukemie gestorven is.

Verdwijningen bestaat uit twee reeksen: ‘Ontaarden’ en ‘Verdwijningen’. Het eerste is een vertaling van ‘Unearth’ en heeft het nadeel verwant te lijken met ‘ontaard’, wat hier niet het geval mag zijn. Een betere vertaling lijkt ‘onaardsen’ te zijn waarmee dan direct een verband met het bovenwereldlijke, het sur-reële, gelegd kan worden. Het is een poging los te komen van het determinerende, vrij te zijn van het aardse, het opstijgen of het vallen, het negeren van zwaartekracht.
Henk van der Waal verantwoordt zijn vertaling met 3 redenen: ontaarden is opgraven en dus van aarde ontdaan ; dingen worden ontnomen aan de aarde en de taal binnengebracht (denk aan Spinoza: het denken is posterieur aan de dingen) en de dingen kunnen hun aard verliezen, omdat ze ontdaan zijn van hun natuurlijke omgeving.

De stad is voor Auster het niet-natuurlijke milieu van de mens (ook al is hij een schrijver van stadsromans), daar wordt hij geweld aangedaan en daar wordt ook de taal geërodeerd. Woestenij, niet woestijn, leegheid, niet leegte, agressie, niet geweld, zo wordt de cultuur geschetst. Wat de mens doet, is slechts een pogen. (Eerder heb ik al gesproken over de verwantschap tussen Paul Auster en Bram van Velde.)

Het vijfde gedicht uit de reeks ‘Unearth’ eindigt met ‘Earth / is the only exile.’ – ‘Aarde / is het enige toevluchtsoord.’ op een schijnbaar louter positieve wijze. Maar eerder staat er wel: ‘Een langere weg bestaat / niet voor jou : vanaf het ogenblik / dat je je aderen opensnijdt, zullen / wortels de steenslachting beginnen te / reciteren. Je zult leven. Je zult je / huis hier bouwen – je zult je naam / vergeten. Er is (iets te veel) modieuze filosofie in deze verzen: het negatieve dat toch positief is ; de paradox. Er is een echo van Rilke maar toch: dit is Paul Auster – het niet-weten tot een weten verheffen.

De aarde als oord is tevens een anti-metafysische houding: de aarde is wat we hebben, de lucht is wat we zijn. Er moet niet naar het waarom gevraagd worden, die vraag is zinledig, het antwoord zinloos: ‘Vraag niet – waarom. Zeg niets – / kijk.’ Het oog is belangrijk. Maar het is niet omdat met de metafysica gebroken wordt dat er niet nagedacht kan worden over een ander leven – het domein van de mogelijkheden behoort tot het aardse domein.

Beeld: Paul Auster door Adam Zyglis

paul auster en spinoza (3)

Spinoza_van_Emo_Verkerk_detail

Is het toeval een uiting van de chaos of is het toeval een teken van een rationeel systeem dat wij niet begrijpen? Is het toeval een feit of slechts een woord, zoals God het woord is voor dat wat men niet weten wil? Wanneer het toeval een systeemelement is dat wij niet begrijpen, dan bestaat de ‘menselijke spiegel’ (de mens is een afspiegeling van de kosmos: zijn rede komt overeen met de natuurlijke orde) niet. De rede kan de wereld niet begrijpen met een rationeel denken. Dan is de filosofie van Spinoza naast de kwestie: men doet alsof de wereld te doorgronden is, maar men ziet enkel wat de mens kan zien – wat in elk geval altijd zo is: het denken is een antropocentrische aangelegenheid. De taal die we gebruiken is dan geen efficiënt instrument want de woorden komen niet overeen met de dingen zoals ‘ze echt zijn’. (De aanvaarding dat de mens antropocentrisch is, zou al heel wat filosofische kwesties overbodig kunnen maken.)

Is het toeval het uitwendige teken van de kosmos als chaos, dan is ons modern rationeel denken, met oorzaak en gevolg, geen afdoend middel om de wereld te begrijpen. Het magische denken is beter gewapend: het geeft verklaringen die geen feitelijke grond hebben, het verhaal maakt de wereld verklaarbaar en leefbaar. Het springerige denken, het spreken vanuit het ongerijmde zijn dan wel geschikte instrumenten: het niet-rationele volgt daarmee het niet-rationele wereldgebeuren.

Net zoals bij alle ernstige mensen, leven in Paul Auster deze twee stromingen. De wereld is niet te begrijpen en toch doen we alsof we haar begrijpen. We begrijpen de ander niet en toch gaan we samen op weg. Wat is dat leven? We maken leven en leven we het leven. Veel is onverklaarbaar, veel werkt wel.

In Report from the interior (2013) schrijft Paul Auster (de ‘you’ is hier de schrijver zelf): ‘[…] the animism of early childhood has not been fully purged from your mind, […].’

In het gedicht ‘Looking glass’ spreekt Auster van ‘barking / of the mirror-dog’. In deel 1 van zijn Ethica, stelling 17 schrijft Spinoza ‘God handelt uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen natuur en door niemand gedwongen.’ God is de onbewogen beweger, de autonome geest. In het commentaar (Scholium) bij deze stelling, dat vooral een weergeven en weerleggen is van de stellingen van ‘andere mensen’ (alii) geeft hij een analogie. Wanneer we over het verstand en de wil spreken die we aan de God toekennen, dan is die helemaal verschillend van die van de mensen. Immers: het menselijke verstand en de wil zijn posterieur aan de dingen, de wereld. Het denken en de wil hebben een object nodig om te kunnen werken: de dingen zijn er dus eerst. Bij God is dit totaal anders: vermits hij is (alles is), zijn de objecten, het verstand en de wil van God er terzelfdertijd, het tijdsdenken is niet van toepassing op het goddelijke.

De ‘barking mirror-dog’ van Paul Auster bevat de twee beelden. Enerzijds de spiegel, en denk hierbij aan Richard Rorty’s, Philosophy and the mirror of nature (1980), anderzijds de huilende hond die tegen de maan blaft, niet wetend wat de maan is, niet wetend wat de nacht is, niet wetend waarom hij huilt, de eenzaamheid van het beest die de onze is. De hond van Auster verwijst naar dat commentaar van Spinoza bij stelling 17. Daar schrijft de denker dat het verstand en de wil van de mens verschillen van die van de God, ook al gebruiken we dezelfde termen: ‘Zij komen daarmee in geen enkel opzicht behalve in naam overeen, zoals bijvoorbeeld het sterrenbeeld Hond met het blaffende dier.’ (ik gebruik de vertaling van Henri Krop, editie 2009). Al gebruiken we dezelfde woorden, de dingen zijn anders – en het gaat hier niet over abstracte en concrete dingen, het gaat over naamgeving in de wereld.

De hond komt ook voor in Winter journal (2012). Dit boek is een verslag van het lichaam van Paul Auster (zoals Report from the interior het verslag van zijn innerlijke leven is). Het boek bestaat uit korte stukken die de plaatsen waar Auster geleefd heeft, beschrijven, die een verslag doen van zijn ziekten, mankementen, enzovoort. Dit boek is de tegenhanger van The invention of solitude (1985), dit laatste beschrijft het leven en de dood van zijn vader, Winter journal dat van zijn moeder. Het oeuvre is een samenhangend geheel. De as van zijn moeder wordt begraven in een park, veertien dagen later gaan Paul Auster en zijn schone vrouw met de hond wandelen en men beslist te gaan waar de as van de moeder ligt. Maar Auster geraakt daar niet: hem overvalt een paniekaanval. De volgende paragraaf begint met een schijnaar feitelijke beschrijving: ‘Summer 2010. Heat-wave weather, the Dog Star barking from sunup to sundown and on through nights, […]. the nighttime medley of barking dogs and human voices, […].’

Zowel Spinoza als Auster spreekt van de ster Sirius, waarvan gezegd wordt dat het menselijk oog automatisch naar die lichtster getrokken wordt (zie nogmaals het gedicht van Auster waar sprake is van een ‘eye’). Sirius is niet alleen een ster maar is overgoten met symboliek van oude en nieuwe culturen. In de laatste geciteerde passage doet Auster wat Spinoza zegt in zijn commentaar: het is niet de ster die de hitte veroorzaakt, we gebruiken een metafoor. Hij speelt met de scheiding tussen wereld en taal: enerzijds de ‘Dog Star’ , anderzijds de maar al te levende jankende honden.

Dat voorrationele denken van Paul Auster komt ook nog op een andere manier tot uiting, nl. in zijn schriftuur zelf. Zijn stijl is breedvoerig en maakt een cirkelbeweging (dat hij in verschillende boeken zelfde feiten, gevoelens, gedachten beschrijft heeft ook hiermee te maken: steeds terugkomen, niet de dingen achterlaten zoals in een conventioneel chronologisch Westers denken). Ik geef een voorbeeld uit Winter journal (voor de ongelovigen: p. 220-221).

Auster spreekt over een zwarte periode in zijn leven waar het zien van dansers hem uit de modder trekt. Hij begint met de conclusie: ‘The dancers saved you.’ Dan vertelt hij hoe hij op een try-out is terechtgekomen, ‘to watch an open rehearsal of her new piece.’, hij beschrijft zijn eigen toestand om dan terug te keren naar zijn begin ‘Such was the spot you were in that winter evening more than thirty-two years ago when you walked into the high school gym to watch the open rehearsal of Nina W.’s work in progress.’ om dan weer verder te gaan met wat hij daar te zien kreeg.

Wat verder beschrijft Auster wat daar te zien was, hoe vervelend het commentaar van die choreografe, hoe talentvol en krachtig de dansers waren. Wat daar gebeurt, bevrijdt hem– een passage die herinnert aan de hond van Spinoza, aan het gedicht ‘Looking glass’ van Paul Auster: ‘[…] and at a certain point something began to open up inside you, you found yourself falling through the riff between world and word, the chasm that divides human life from our capacity to understand or express the truth of human life, and for reasons that still confound you, this sudden fall through the empty, unbounded air filled you with a sensation of freedom and happiness, […].’

Het vallen hier, is het opstijgen in Mr. Vertigo. De bevridjing door het niet-weten en de aanvaarding ervan én van het geluk. De grenzen van de wereld verkennen en doorbreken, zo nabij is mystiek, zo dichtbij is Spinoza.

Beeld: Spinoza door Emmo Verkerk.

paul auster en spinoza (2)

spinoza_sam dillemans

In Mr. Vertigo is het levensboek van meester Yehudi ‘Spinoza’. In een tweede passage in de roman wordt de filosoof terloops vermeld. De meester heeft maagkanker of darmkanker maar blijft nog aan de zijde van Walt de Wonderjongen staan. ‘Wat de meester betrof, ik wist niet wat ik van hem moest denken. Hij leek zich goed te vermaken, en hoewel zijn kleur en uiterlijk zonder twijfel erop vooruitgingen, zag ik hem drie of vier keer naar zijn maag grijpen en het vertrekken van zijn gezicht kwam nu regelmatig voor, bij elke tweede of derde maaltijd. Maar hij was de levenslust zelve, en wanneer hij zijn Spinoza niet las of met mij aan het nummer werkte, was hij in de weer aan de telefoon, met onderhandelen over contracten voor mijn aanstaande tournee.’ (o.c., p. 159)

‘Zijn Spinoza’ is een sterke term, het suggereert dat het boek een functie is van de persoon zelf, net zoals een hand of een hoofd. Het is meer dan een persoonlijke relatie, het boek is als het ware de persoon zelf. Het lezen is geen vlucht voor het leven, er is geen doodsverlangen maar wel een levenslust en daartoe behoort, net als het dagelijkse handelen, het bestuderen van de filosofie waardoor dit lezen ook een gewone dagelijkse bezigheid wordt, volledig in het leven opgenomen is. Maar wanneer er niet gehandeld moet worden, dan wordt de tijd aan het denken met Spinoza besteed.

De derde passage waar Spinoza vermeld wordt, is bij de dood van de meester. Nadat Walt, de jongen, niet langer een kind is, wordt hij na elke levitatie door migraine geveld. Er is niets aan te doen, de meester weet het en aanvaardt ‘het lot’ – in die passage wordt Spinoza niet vermeld, maar die is spinozistisch van inzicht. Binnen dat lot is er echter ruimte voor handelen, er is geld en Walt zal acteur worden. Op hun reis naar Hollywood worden ze echter overvallen door 4 misdadigers, waaronder de oom van Walt, zijn kwelduivel. Ze worden voor dood achtergelaten en de meester vraagt Walt hem neer te schieten: zijn leven is ten einde, sterft hij nu niet dan wel binnen enkele maanden aan kanker. Walt kan het niet, de meester doet het zelf, hem daarmee een levensles lerend maar Walt zal er ook een schuldcomplex aan overhouden.

‘Het beste deel van me lag bij hem onder de grond in de Californische woestijn. Ik had hem daar begraven met zijn Spinoza, zijn album met Walt de Wonderjongen-knipsels en het halsriempje met mijn afgesneden vingerkootje, maar ofschoon ik er elke nacht terugkwam in mijn dromen, werd ik gek van het denken eraan overdag. […] Zonder de meester was ik niemand en bracht ik het tot niets.’ (o.c., p. 224-225)

Dit is wat dan ook gebeurt: de jongen zal een ‘gewoon’ leven leiden, het buitengewone is dat hij bij de vriendin van, zijn meester intrekt en daar haar geliefde wordt, hij zal haar en zichzelf verrijken maar dat alles is niet wat het geweest kon zijn.

Wat doet Spinoza in deze roman? Hij staat voor het uitzonderlijke, voor het doen wat gedaan kan worden én voor het doorbreken van de grenzen van het mogelijke: opstijgen, zweven en stappen in de lucht en boven het water is bovennatuurlijk, niets wat men met Spinoza associeert, de filosoof van het rationele systeem. Toch is er veel spinozistisch in dit boek – omdat elk groot boek veel wijsheid in zich draagt, nadenkt over wil en verantwoordelijkheid. De meester staat voor een doel, een inhoud: met hem is het onmogelijke mogelijk. Hij heeft een wil en een plan, in vergelijking met de meester is Walt een snotjongen, ook als hij volwassen is omdat hij leeft op de golven van de wereld. Meester Yehudi doet dit ook maar hij heeft inzicht, kennis en binnen het gegevene handelt hij. Yehudi gebruikt de wereld en zijn kennis van de mensen om iets te bereiken, Walt neemt kansen waar maar als die anderen er niet geweest waren, bleef hij in de goot. Yehudi heeft de anderen niet nodig, hij kan een leven opbouwen vanuit zichzelf. Als Spinoza voor iets staat, dan voor een autonome geest. Dat is Yehudi. Daarom is hij een meester.

Mooi is hoe Paul Auster de liefde van de meester tekent – hoe hij daarin zwak is, maar ook aanvaardt dat een ander anders is. Zijn grote liefde, Mrs Witherspoon, is een vrouw die van geld houdt, van seks en alcohol – men zou denken een miserabel figuur, wat een misvatting. Auster tekent het haar één van zijn prachtigste vrouwportretten, iemand die zelfstandig (autonoom) leeft, haar plezier najaagt, kan geven en vooral zichzelf wil blijven. Een grote vrouw voor een groot man, maar elk blijft op zichzelf en dus op een eiland: voor hen geen relatie in plastieken tuinzetels.

Maar het is ook anders. Walt, de jongen, kan opstijgen en zweven zolang hij niet de volwassenheid bereikt heeft. De meester laat hem wel 33 stadia doorlopen maar het is onzeker of die wel nuttig of noodzakelijk waren. Soms komt Walt tot inzicht: hij kon opstijgen nog vooraleer die 33 stappen gezet waren, de kracht, de wil!, kan dus vanuit hemzelf komen en de meester is dan overbodig. De levitaties gaan met verschrikkelijke migrainepijnen gepaard wanneer Walt de puberteit bereikt, wanneer hij dus man en volwassen wordt (even wordt overwogen om hem te castreren maar zijn geliefde is hem toch te geliefd), dus op het tijdstip wanneer hij volwassen wordt én de mogelijkheid krijgt kennis te verwerven. Inderdaad, op latere leeftijd leert Walt lezen en schrijven, doet hij ‘geciviliseerde kennis’ op, m.a.w. het onmogelijke is mogelijk in een prerationele wereld. Wanneer de boomvrucht genuttigd is, verdwijnt de betoverde wereld. (Het opstijgen, de lucht, tegenover het hoofd, de pijn.) Walt kan opstijgen wanneer hij zichzelf verliest, wanneer het ik verdwijnt (het ik van Descartes, dus van de rationele denkwereld) en zelfs kapot gemaakt wordt – dit zijn de 33 stadia van de meester. De stadia kunnen begrepen worden als de treden van een trap of een ladder. 33, is tweemaal 3, tweemaal de drievuldigheid, de 33 levensjaren van Jezus, de 33 wervels van een ruggengraat, maar ook is 33 het getal van de Ku-Klux-clan: 3 x de elfde letter van het alfabet. Het is de KKK die de ersatzbroer en ersatzmoeder van Walt zal doden.

Het oeuvre van Paul Auster is gebaseerd op het toeval: het is toeval dat we geboren zijn, dat we zijn wie we zijn, ons leven hangt aan elkaar van toevalligheden. Maar een leven dat geleid wordt door het toeval is evenzeer een systeem, het leven hangt aaneen van toevalligheden. Toch is dit te eenzijdig: er is bij Auster wel degelijk een rationele geest aan het werk: iemand die aanvaardt dat het leven is zoals het is en daarin een weg zoekt. Het inzicht verwerven is vrij te zijn.

Dat de meester met ‘zijn Spinoza’ begraven wordt, is uiteraard een emotioneel beeld: men begraaft een mens met zijn dingen en zijn waarden. Maar het is ook meer: in de dood wordt het bewustzijn niet alleen voltooid maar ook werkelijk gemaakt. De dood is het ultieme inzicht én de aanvaarding van het leven. Dit is het kernpunt waar de spinozistische filosofie om draait, niet dat de dood centraal staat, integendeel, wel dat de dood tot het leven behoort én een einde, daarmee een voltooiing, is.

In het gedicht ‘Looking glass’ (Collected poems, 2007, p. 136) brengt Paul Auster Spinoza de lenzenman en de filosoof samen, het oog en de lens worden een metafoor voor het denken (oog en denken staan traditioneel dicht bij elkaar, denk aan de uil en het zien, het kijken is ook hovaardigheid, de spiegel, de christelijke interpretatie).

Laid bare
by your rabid, obsidian eye,
by the white
ire and barking
of the mirror-dog who stared you
into blindness:

Spinoza’s god
cast from the borders of speech, geometric,
journeying through the curve
of exile,
hazards another world.

Opvallend is dat Auster Spinoza tot een woedende, razende man maakt (rabid, ire, barking) – terwijl het traditionele beeld dat van een onaanraakbare denker is. De ‘mirror-dog’ is het oog dat door de lens weerkaatst wordt en woedend schreeuwt: de wereld en het ik die terugkijken. De god van Spinoza is een god van uitersten: het spreken en het geometrische denken. Er is een land waar denkers naar verbannen worden, het denken opent een andere wereld, wat een risico, een gevaar, is.

Enerzijds is er de gewone wereld, anderzijds die van de mogelijkheden, van het denken en dus de fantasie – het is slechts in een ongecultiveerde wereld dat het denken zich tot de feiten beperkt. Het is buiten de wereld dat de ware mens zich beweegt, die vrijheid betekent ook eenzaamheid.

Eindelijk is het woord gevallen. De eenzaamheid die Paul Auster in de kern van zijn oeuvre bewaart, is ook de eenzaamheid van Spinoza (en van elke mens die zich mens durft te noemen – empathie is een moraliserende en beschuldigende leugen). Het denken is een eenzaamheid omdat het het individuele beklemtoont – denken staat tegenover de idolen van de gemeenschap. De meester is eenzaam in zijn liefde, zijn ambitie, zijn inzicht, zijn handelen – hij doet alsof hij van deze wereld is maar hij staat er naast; hij is succesvol omdat hij inziet en plooit, hij gaat mee, zonder zich te geven (‘zich smijten’ is een woord van de fascisten). Hij is een vreemde, de eeuwige jood – vandaar ook het huidige antisemitisme, de aanval op het denken en de cultuur bij de politiek correcte klasse, haar zekere gang naar het fascisme.

Beeld: Spinoza door Sam Dillemans

een vrijdenker herdenken

sfcdt_aimé bogaerts_francisco ferrer

“Op 13 October 1909, te 9 ure s’morgens, greep in de loopgraven van het sombere fort van Montjuich eene strafuitvoering plaats, die de heele beschaafde wereld van verontwaardiging rillen deed.”

Zo begon A. Bogaerts zijn brochure Francisco Ferrer : eene officieele sluipmoord op een vrijdenker. Het boekje dateert waarschijnlijk uit 1910 en is op klein formaat gedrukt, 11 cm op 17. Het papier is broos, verbruind, het nietje in het midden van het boekje geroest. Nauwelijks durf je het nog vast te nemen en het pamflet wordt daardoor een metafoor: zo broos is ook het leven.

De uitgever was de Federatie der Vlaamsche Vrijdenkersbonden, redelijk ongelooflijk als je vandaag leeft. Niet alleen Vlaams maar ook vrijdenker en daarbij nog een federatie, dit betekent dat er meerdere vrijdenkersbonden bestonden. Aimé Bogaerts was een Gentse onderwijzer die de arbeidersjeugd een volwaardige opvoeding wilde geven, met respect voor ieders individualiteit en mogelijkheden. Onderwijzer-zijn was voor hem mens-zijn. Hij had, net zoals zoveel anderen in de prille socialistische beweging, vrije opvattingen over relaties, seksualiteit en lichamelijkheid. Vrijheid, dat niet meer gekende begrip stond centraal, niet verknechting, niet corruptie, of moord.

De moord op Francisco Ferrer, de grote Spaanse vrijdenker en onderwijstheoreticus, de denker van ‘de moderne school’, is uitgevoerd door Staat en Kerk. Dat men dit aangedurfd heeft, Ferrer was immers een internationaal gekende en gewaardeerde figuur, laat beseffen hoeveel onbekenden er nog vermoord werden, hoe wreedaardig het Spaans bewind was. Maar in Ferrer werd niet alleen een mens getroffen maar ook de vrije gedachte zelf en meer dan dat: de beschaving. Ik weet het, het zijn grote woorden, maar die zijn niet altijd hol.

De ‘schuld’ van Francisco Ferrer, zijn misdaad, bestond in het revolutioneren van de geest. Hij zag het onderwijs in ‘de moderne school’, of soms ook genoemd ‘de rationalistische school’, als een vorm van opstand, van bewustwording: de mens is niet mens als hij geknecht is.

paul auster en spinoza (1)

picasso_spinoza_22.02.1956

Men moet een kapitalistenkrant lezen om enige kritiek op het kapitalisme te kunnen lezen. De politiek correcte kranten, of beter gezegd, de moralistische zwartmedia, houden zich bezig met eten, drinken, reizen en interieurkitsch. Het kapitalisme is er om zich in te wentelen, daarnaast bestaat een lege bovenbouw (de onderbouw is sowieso al leeg, de politieke ideologen volgend) die gevuld moet worden met het vluchtige.

FN Herstal, de wapenfabriek in het bezit van de zichzelf socialistisch noemende PS, heeft in de V.S. een nieuwe strategie uitgewerkt. Wapens worden steeds efficiënter, de doelgroep verkleint en daarom moeten meerdere wapens (apen) aan dezelfde persoon verkocht worden. Er moet sfeer zijn. Een doelgroep die nog niet volledig onder controle van de wapenlobby stond, is de groep die van snelle wagens houdt. De marketing-directeur Tom Scott licht zijn strategie op het Nascar-autoracecircuit toe: ‘Historisch gezien is er altijd al een grote overlap geweest tussen autofanaten en wapenliefhebbers, in het bijzonder in de Nascar-sport. […] De perfecte opportuniteit om een nieuwe groep van toekomstige FN-klanten aan te trekken.’ (De Tijd, 7 oktober 2017).

Geheel buiten mijn wil denk ik dan aan de zichzelf een Spinoza-specialist noemende ‘filosoof’ Tinneke Beeckman, die de mens- en natuurvernietigende autoracesport een meer dan warm hart toedraagt.

Het denken van Spinoza is een systeemdenken, een wiskundig gebouw met stellingen en afgeleiden. Wie A zegt, zal ook B zeggen, niet bèta. Wie de autosport verdedigt, zal ook de wapenindustrie verdedigen. De recente gebeurtenissen geven de pacifisten toch gelijk: wapens dienen niet om zich te verdedigen, wel om aan te vallen. Welke spinozistische kronkel moet men bezitten om door moordtuigen gefascineerd te zijn en die te bejubelen? Is men dan verwonderd dat het establishment veracht wordt? Men heult met de machthebbers, men heult met het autoritaire nationalisme. Spinoza heeft in deze gelijk: wie van wapens houdt, houdt van auto’s, en houdt van een reactionaire politiek. Spinoza heeft nooit de dood verdedigd, wel het leven, het fatsoenlijke denken, niet de terreur van lawaai en vernielzucht.

In de roman Mr. Vertigo (1994, ik neem de Nederlandse vertaling van Mea Flothuis, De Arbeiderspers, 2008), wordt de hoofdfiguur, een straatkereltje, opgepikt door een oudere man die in hem een grote toekomst ziet: de kleine jongen zal geleerd worden te vliegen. Om die levitatie te bereiken (niet alleen op te stijgen maar ook te zweven) zal ‘de meester’, zoals hij genoemd wordt, zijn echte naam is Yehudi, het geschenk, hem 33 stappen, die van wreed tot wreder gaan, doen doorlopen. De jongen, Walter Claireborne Rawley, zal dit allemaal doen en zal de zoete smaak van de roem leren kennen. Later zal hij de neergang beleven, en weer een opgang en een geluk, een thuiskomen.

Zoals steeds bij Paul Auster lopen verschillende lijnen door elkaar en is de eindsom wazig en onzeker. Dat resultaat is, denk ik, ook het beginpunt: wat de mens wil weten en doen, weegt niet op tegen krachten die buiten hem werkzaam zijn. Die krachten worden niet zozeer benoemd (de maatschappij, de wereld, het verleden, de eigen daden) maar wel gesuggereerd en daarboven staan dan weer andere krachten waarvoor we de woorden ontberen (want bovenwerelds). Bij Auster hangt er veel mist, die is echter essentieel. Hij is daarom ook wel te vergelijken met Saul Bellow: een nutteloos razen. De denkwereld van Auster is Joods: niet zozeer de taal is hem een bekommernis, wel de woorden.

In Mr. Vertigo heeft meester Yehudi altijd Spinoza bij zich. Auster vertelt niet welk boek hij bij zich heeft, we veronderstellen de Ethica maar zijn dat niet zeker, en als hij kan, leest hij de woorden van de filosoof. Het hoofdpersonage, de jongen, heeft ook een lievelingsschrijver, zijn bijna naamgenoot, Walter Raleigh. Deze staat voor het activistische, het handelen, maar ook het levendige denken. De meester is meer de in zichzelf gekeerde, al heeft hij veel succes, ook tegenslag. De roman is geen spinozistische uitwerking, maar wie toeval, determinisme, vrije wil tot de kern van een oeuvre gemaakt heeft, kan niet anders dan naar Spinoza verwijzen.

Dat meester Yehudi Spinoza bij zich draagt en leest, komt pas laat in de roman aan bod, niet verwonderlijk als we weten dat ook de hoofdpersoon maar later in het boek leert lezen en dat het boek een volwassenwording is, van een kind dat verwaand-egoïstisch is tot een volwassene die zichzelf en de wereld leert aanvaarden.

Laten we de passages waarin van Spinoza sprake is vermelden. Niet het verhaal, alhoewel Auster een begenadigd verhalenverteller is.

“Meestal vond ik [Walt] hem [Meester Yehudi] bij thuiskomst in de kamer, in zijn eentje in een stoel met zijn boek. Het was altijd hetzelfde boek – een gehavend groen bandje, dat hij op al onze reizen bij zich droeg – en het werd me net zo vertrouwd als de lijnen en contouren van zijn gezicht. Het was nota bene in het Latijn geschreven en de naam van de auteur was Spinoza, een bijzonderheid die ik nooit vergeten heb, zelfs na zoveel jaren niet. Toen ik de meester vroeg waarom hij aldoor opnieuw in dat ene boek studeerde, antwoordde hij dat je het nooit helemaal zou doorgronden. Hoe dieper je komt, zei hij, hoe meer er is, en hoe meer er is, hoe langer het duurt om het te lezen.
‘Een toverboek,’ zei ik, ‘waar je nooit in uitgelezen raakt.’
‘Precies, wijsneus. Het is onuitputtelijk. Je drinkt de wijn, je zet het glas terug op tafel en nee maar, je grijpt weer naar het glas en je ontdekt dat het vol is.’
‘En je bent zo dronken als een kanon voor de prijs van één glas.’
‘Ik had het niet beter kunnen zeggen,’ zei hij, zich opeens afwendend om uit het raam te kijken. ‘Je bedrinkt je aan de wereld, jong. Je bedrinkt je aan het mysterie van de wereld.’ (o.c., p. 121)

De meester leest Spinoza in het Latijn, hij is een intellectueel, geworteld in het Europese land, een Hongaarse Jood. Het boek is wat men noemt een lijfboek, het verklaart: de wereld en de plaats van het individu. De roman van Auster gaat tevens over de meester-leerlingrelatie. Opvallend is dat de meester zelf ook een meester heeft, een leidsman, Spinoza. Het boek wordt diep genoemd, een inside-grap: Mr. Vertigo gaat over opstijgen, zichzelf verliezen. Dit laatste is wat hier met de dronkenschap bedoeld wordt, maat dit is niet het verliezen van zinnen, wel het doorgronden, het kennisnemen, het weten – hoe beperkt dit weten voor ons ook is. De wereld is een raadsel en toch wordt het boek gelezen.

laatste zinnen (117)

laatste zinnen_117

Laten we hopen dat het met de gezondheid van ons allemaal beter zal gaan, want gezondheid, dat is het belangrijkste. Hierbij ingesloten stuur ik je fr. 50. Schrijf me snel & geloof me, je liefhebbende broer Theo

Theo van Gogh, 22 juli 1890, in : De brieven van Vincent van Gogh, SDU uitgeverij, 1990

een spook waart door europa : de barbecue!

barbecue_johan vande lanotte
Dit is wat, gesteund door een studiedienst, eigen ervaring, karrenvrachten boeken en artikels, de zeer geleerde professor en theoreticus Johan Vande Lanotte als oplossing voor de 20- en 21eeuwse problemen voorstelt: “Organiseer een straatbarbecue.” Zie gisteren.

Een factcheck.

Het is, je zal het zien, de grootste beuzak van de straat die het organiseert, een barbecue. Verbondenheid, gemeenschapsgevoel, wij allen samen, we moeten vergeten wat de echte conflicten zijn. Hij is altijd rechts, zij is altijd aan het roddelen, samen vormen ze de burcht van bekrompenheid en weldenkendheid. Ze zullen nu eens tonen wie de macht heeft.

Er wordt een aanvraag ingediend, officieel maar ook via het kabinet van de onbevoegde schepen en de bevoegde schepen, dat werkt gemakkelijker, men moet zijn wereld kennen. Natuurlijk wordt dit goedgekeurd. De straat zal autovrij gemaakt worden. Ambtenaren moeten allerlei protocollen opstellen, de afsluitingen moeten ter plaatse gebracht worden, instanties moeten verwittigd worden. Ha, de grote dag breekt aan, God is de beuzakken welgevallig, de zon schijnt.

Hij staat op, fluit de vogeltjes toe, zij is gezwind en zwoegt met uien. De barbecue wordt bovengehaald, de groenten liggen al te sudderen. Daar komt Calvo op zijn trolley. Wat ? Een barbecue, dat maakt de lucht vuil en al die koolstof en die brandstof, men mag geen takken en bladeren verbranden maar wel een barbecue houden in de stad die al zoveel slechte lucht te verwerken krijgt door die bussen van De Lijn. Ja maar, pruttelt Beuzak tegen, er is geen vlees, de koeien hebben hun scheten thuisgelaten. Er gaat een licht op bij Calvo, geef mij een cava en we zwijgen. Hij zet zich neer en drinkt alcoholglaasje na alcoholglaasje. De groenten zijn iets speciaals, ze komen van verre landen, met vliegtuigen, boten en camions. De wereld is toch groot en goed, denken Beuzak en Calvo. Daar zijn de vriendinnen al, en de toekomstige kinderen. Oh, de leute van de dag.

Mariette heeft vandaag een afspraak met haar kleinkinderen en ze belt een taxi. Verdomme, weer zo’n bende onnozelaars die mij beletten te werken, zegt Ahmed, de taxichauffeur. Welk nummer is dat? Allade, natuurlijk midden in de straat. Mariette staat al reikhalzend te kijken, eigenlijk al van voor ze getelefoneerd heeft. Ze is radeloos, wat doen al die mensen op straat? Een normale mens eet toch thuis aan tafel? En nu al alcohol? Daar is er een bruine man, hij zal mij helpen, mompelt ze. Ahmed steekt galant zijn arm uit, Mariette bloost lichtjes en samen schuifelen ze langs stoelen, tafels, flessen drank en bakken eten, kinderen die in de weg lopen en kleine keizers zijn. Ahmed trapt op een bloemkoolblad en schuift weg, Mariette roept zachtjes ohlala, Ahmed houdt zich recht. Ze kijken elkaar in de ogen. Was ik twintig jaar jonger, denkt Mariette, ik zou het wel weten. Niemand in de straat groet haar, ze is een vreemde. De Beuzak en zijn vrouw zijn blij dat ze weg is, wat is me dat, een oude vrouw die boeken leest en klassieke muziek beluistert, en niet naar Klara luistert. Beuzakvrouw weet dat allemaal, ze is haar buurvrouw. En al wie verdacht en dacht is, wacht maar…

Wat verder, aan de andere kant van de straat, is er een volkstoeloop. De vreemdelingen hebben hun barbecue uitgehaald, plastiek bakken vol met kippenbillen worden met een BMW gebracht, uit de koffer, vanop de banken en zelfs vanop het dak. Het lijkt wel alsof er duizenden kippen geslacht zijn. Daar komt Vandenbossche op zijn driewieler. Wat, vlees van mijn zusjes en broertjes! Weten jullie wel hoe dat geleefd heeft en hoe dat geslacht is. Dat gaat niet zomaar hé, dat wordt gedood met messen en mensen en zo. De vreemdelingen bekijken het boeleke-komiek en lachen hem vriendelijk toe. Ze halen een plastiek bakje, zetten hem erop en steken een kippenbout in zijn mond. De mannen staan in groep zonnepitten te kauwen, spugen die uit, daarna een rochel. De witte kinderen staan die mensen aan te gapen. En rennen terug naar hun ouders. Daar spuwen ze, op de grond, voor en op de voeten van de mama’s, in van die schattige sandalen. Die mama’s en papa’s zijn kwaad, de kinderen verweren zich: die doen dat ook. Maar dat is ander volk, roept de Beuzak vertwijfeld uit, wij zijn zo niet, wij houden onze manieren. De kinderen begrijpen er niets van, is de ander dan niet meer De Ander? Blijf maar hier bij ons en speel een spelletje met de eigen vriendjes en het eigen speelgoed. Jullie hebben toch alles, daar moeten jullie niet zijn. De mannen kijken niet naar de vrouwen aan het andere eind van de straat, maar naar de eigen vriendinnen, het eigen kroost, ze maken een check-and-balance op.

Aan de andere kant van de straat wordt men ongemakkelijk. Nu is de lucht echt wel verpest. Ze hebben de barbecue met een snelontbrander aangestoken, dat mag wel niet, maar dat is gekocht in een Turkse winkelvzw, dus mag dat wel. Een stank dat dat geeft, maar de kruiden maken veel goed. Toch hangt er iets in de lucht. Het is Omer die het zegt: die smerige witten met hun alcohol. Natuurlijk is het dat, die alcohol penetreert hun gezonde sigarettenlucht. Moet daar niet iets over gezegd worden, vraagt Nathalie vanonder haar luifel. De mannen grommen en stropen.

De vrouwen worden achterdochtig. De mannen hebben zich verwijderd en hebben nu een beter zicht op de nieuwe lading vrouwen. Oh, die lange, blote benen, oh die borsten, klein en groot, stevig en wiebelend, oh die rode lippen, oh die klaterende lach, dat getrippel. ’t Zijn hoeren, mompelt Ahmed en kan zijn ogen niet rustig houden.

Vanuit de lucht ziet men een lege straat, met aan weerszijden een vlek mensen. In de straten rondom is er ambiance, claxonnerende auto’s, fietsers die nauwelijks een doorgang vinden, de hele wijk is gestremd door die ene verkeersvrije, barbecueënde straat. Gelukkig is er samenleving.

Maar wat Vande Lanotte verder zegt over de barbecue is minstens even vreeswekkend. “Organiseer een straatbarbecue: dan telt niet meer of je lang gestudeerd hebt of niet, jong of oud bent en moslim of niet. Nee, dan telt of je meedoet en meewerkt of niet. Of je deel bent van de buurtgemeenschap of niet.” (Knack, 4 oktober 2017)

De Rode Gardes zullen nauwlettend toezien wie meedoet en wie niet. In een vroeger leven was de publieke ruimte een neutrale ruimte: iedereen mocht daar aanwezig zijn en iedereen mocht thuisblijven. In de barbecuetheorie van Vande Lanotte (als tegenhanger van de aliënatietheorie) is het al dan niet vreten en drinken in het openbaar een teken van verplicht burgerschap. Welk burgerschap?

Una giornata particolare.

leiderschap, of het morgenrood gloort

leider_hugo claus_sfcdt

Over het marxisme en het socialisme zijn bibliotheken volgeschreven. 1 alinea van Karl Marx is een volledig programma met inzichten en noodzakelijke daden. Of men nu akkoord is of niet, of men gelovig is of niet, er is een visie op het heden en een doel in de toekomst. Er zijn bibliotheken volgeschreven met antisocialistische stellingen, genoeg om over na te denken en een gulden middenweg te vinden.

Er zijn containers vol sociaal-democratische congresrapporten geschreven, toespraken bij de vleet gehouden, stoerdoenerij vanop een molshoop. Daartussen moeten toch wel enkele verstandige zaken te vinden zijn.

De kranten staan bol van kritische standpunten, de weekbladen geven week na week mogelijke alternatieven, iedereen kan zijn zeg doen, er kan naar de burger, die expert is op zijn domein, geluisterd worden. De samenleving snakt naar licht en lucht.

De wetenschappen, zowel de exacte als de humane, geven dag na dag nieuwe inzichten, tonen nieuwe wegen, geven middelen en mogelijkheden. De wereld van morgen is er vandaag al, alleen de blinden zien het niet.

Hij is van talloze verenigingen, zelfs sportclubs, voorzitter geweest en nu nog is hij dat. Hij zit in de raad van bestuur van dit en dat, daar en hier en ginder. Zijn familie pikt een graantje mee, o zo goedkoop, geen last voor de maatschappij. Als hij kritiek krijgt, is zijn verweer “wa is ’t?”. Hij staat met zijn voeten in het zand. Hij is professor grondwettelijk recht, hij is minister van state, hij is kabinetschef geweest, minister in verschillende regeringen, hij behoorde tot de top van zijn partij, teletubbie is voor hem een eretitel, hij is burgemeester en ook schepen van dit en dat.

Als student heeft hij beurzen gekregen, hij studeerde in Gent, Leiden, Lille en Quebec. Aan de universiteit is hij directeur geweest van dit en zelfs diensthoofd van dat. Hij hield spreekbeurten, hij schreef opstellen, hij is advocaat geweest, adjunct-auditeur en auditeur.

Hij is gemeenteraadslid geweest, voorzitter van de zogenaamde sociaal-democratische partij, hoe heet dat ook weer, o ja, SP.A, hij duwde mensen weg, hij haalde mensen binnen, hij had poulains, zoals hijzelf een ledenpop was – door zijn toenmalige partijvoorzitter gedwongen naar Oostende te verhuizen om de interne dissidentie daar neer te slaan, wat hem gelukt is. Hij is volksvertegenwoordiger en senator geweest. Hij was fractieleider. Als minister was hij vice-premier, hij is leider van Europese High Level Group Energy. Hij is beheerder van het Casino-Kursaal Oostende. Hij heeft vele connecties. Hij is keizer. Hij heeft boeken geschreven, met zichzelf en met anderen. Hij heeft een beweging opgericht, een Stadslijst, waarbij hij de grenzen tussen de partijen opheft, de partij en hijzelf zijn nu gelijk aan de stad. Hij is het genie van de zon.

In Knack (4 oktober 2017) ontvouwt Johan Vande Lanotte zijn plannen voor de 21ste eeuw, een toekomstvisie, een utopie. Er is, zegt hij, te veel polarisatie in de maatschappij, (hij ziet dus niet dat het simplisme een groter probleem is), hier dan het resultaat van 2 eeuwen dialectisch-materialistisch sociaal-democratisch denken:

“Hier is de fundamentele vraag : hoe kunnen we mensen beter doen samenleven? Ik probeer vandaag uit te zoeken hoe ik als burgemeester daartoe kan bijdragen. En de stad, de wijk, de straat lijkt mij een ideaal startpunt om gemeenschapsgevoel te creëren en onbehagen weg te nemen. Hoe overstijg je dat wij-zijdenken? Het kan soms eenvoudig. Organiseer een straatbarbecue.”

Weldra is voor alle volken
’t Schitterend zonlicht opgegaan

zij vieren ‘200 jaar universiteit gent’ – het is hun universiteit

sfcdt_universiteit gent 200 jaar
We hebben betoogd voor een universitair onderwijs zonder financiële drempels.
– We hebben dit verloren.

We hebben gevochten voor een breuk tussen kennis en bedrijfsleven.
– We hebben dit verloren.

We wilden een vrije, geëngageerde, niet een gebonden wetenschap.
– We hebben dit verloren.

We hebben gedroomd van andere onderwijsvormen.
– We hebben dit verloren.

We hebben gestreden opdat iedereen universitair onderwijs zou kunnen volgen.
– We hebben dit verloren.

We hebben gepleit opdat de loge noch de Kerk de universiteit zou overheersen.
– We hebben dit verloren.

We hebben gewaarschuwd opdat de politiek het denken niet zou bepalen.
– We hebben dit verloren.

We hebben gehongerd naar een periode van niet-opgelegde studie.
– We hebben dit verloren.

We hebben een democratische universiteit, waar studenten en werkend personeel een relevante stem zouden hebben, geambieerd.
– We hebben dit verloren.

We hebben geargumenteerd opdat de universitaire lerarenopleiding géén bureaucratisch en wereldvreemd gedoe zou worden.
– We hebben dit verloren.

We hebben geijverd om van de universiteit een vrijplaats voor de vrije gedachte en het morele handelen te kunnen maken.
– We hebben dit verloren.

We hebben getracht naar een op de wereld betrokken onderwijs, waar morele, intellectuele en culturele vooruitgang geen loze termen zouden zijn.
– We hebben dit verloren.

We hebben slag geleverd voor het vrijwaren van de humane wetenschappen waar niet het getal moest overheersen.
– We hebben dit verloren.

We hebben geargumenteerd voor een rationeel denken, een onderwijs waar rationele waarden centraal zouden staan.
– We hebben dit verloren.

We eisten een inhoudelijk correcte informatie-overdracht.
– We hebben dit verloren.

We hebben een wetenschappelijk denken en handelen verdedigd.
– We hebben dit verloren.

We hebben menig betoog gehouden voor opleidingen die zinvol en relevant zouden zijn, niet de modetrends van het bedrijfsleven zouden volgen.
– We hebben dit verloren.

We hebben de vreugde van de nutteloze kennis gekend.
– We hebben dit verloren.

We hebben gehoopt dat de politieke benoemingen zouden stopgezet worden.
– We hebben dit verloren.

We wilden het geldspel beëindigen, de geldmachine een halt toeroepen.
– We hebben dit verloren.

We hebben geprotesteerd tegen de zogenaamde socialist Frank Vandenbroucke die met ‘Bologna’ het kapitalisme in de intellectuele wereld verplicht gemaakt heeft.
– We hebben dit verloren.

We hebben niet gezwegen toen de kennis niet langer republikeins mocht zijn.
– We hebben dit verloren.

We hebben gesproken wanneer we zagen hoe de rationele oplossingen voor armoede, discriminatie en achterstand verdacht gemaakt werden.
– We hebben dit verloren.

We hebben gedacht dat, als het onderwijs algemeen zou worden, de maatschappij rationeel geordend zou worden.
– We hebben dit verloren.

We waren zo dwaas te denken dat onderwijs de maatschappij op een hoger niveau zou brengen.
– We hebben dit verloren.

We hebben gestreefd. We hebben gefaald.
– Niet wij zijn verloren.