sfcdt

jan kuiper groet zijn schrijvers (3)

Het ‘Albumblad voor Anne Vegter’ (soms verbastert men mijn naam tot ‘Vegter’, altijd een eer gevonden, maar het vechten is geen agressie, slechts een geciviliseerd reageren tegen de barbaren) begint met een typische zin voor Vegter ‘Ik bruinde, ik zonde en er brak een tijd aan.’, typisch omdat ze steeds weer op een ingenieuze manier (ook onverhoeds, verrassend) het eigene met het algemene kan verbinden. Hier begint ze met een zonscène en eindigt met de tijd – het is voor mensen met een geheugen, die dus geen toekomst meer hebben, een bijna tragikomisch gegeven dat in dezelfde week dat Sonia Rykiel gestorven is, men in het Westen de boerkini toelaat. De regel is te vinden in het gedicht ‘Negen’ uit Spamfighter (Querido, 2007): een meisje groeit op, een broer die verdwijnt, hoe kunnen zijn verhalen dan gelogenstraft worden. Het meisje werd dan toch geen neger. In diezelfde bundel staat het gedicht ‘O’ waarin Tonnus Oosterhoff een rol speelt. ‘De natuur heeft de neiging tot imitatie, leert Tonnus mij: / wil je iets leren, moet je iemand nadoen, jij zeker’ – ook dit een sleutel tot zijn roman Op de rok van het universum (2015). Er is in dat gedicht nog een ander personage, Chris, In de eerste regels van het volgend citaat is hij aan het woord:

‘Hij meende dat ik het goed voor elkaar had, / de zaakjes op orde, dacht hij. Zover ik weet / heeft Tonnus nooit geschreven over zaakjes / die op orde kunnen zijn. Hij heeft het in dat ene ding / ‘Robuuste tongwerken, enz.’ wel over Leopold / en citeert er oa de onderlinge vertedering. Schrijft: / ‘O, denkt O, kon dit maar een eigen maaksel zijn;’ / Hij schrijft het zo goed op dat je niet eens meer denkt: / zou ik dat doen? Hoe dan? Met welke middelen?. Wie is de ‘hij’: Leopold of Oosterhoff? Ik denk Oosterhoff en ‘ik’ is Vegter.

Vegter verwijst hier naar het gedicht ‘Meneer met Pinksteren’ van Tonnus Oosterhoff en in dat vers wordt er een zekere Oosterhoff opgevoerd die bij J.H. Leopold’s Schetsen en fragmenten het gedicht

Dieren

als kerk in het bosch gezien
dat diep doet ademen.
het gevoel van rijkdom

van waar, van waar
de onderlinge vertedering
bij het gezamenlijk zien van dieren
het planten van boomen (op bedrukte dagen)’

leest en daarna bedenkt: ‘O, denkt O, kon dit maar eigen maaksel zijn; het zou mijn werk net dat beetje extra geven dat het nu voorgoed moet missen’.

Terug naar Jan Kuijper en zijn Anne Vegter. Er is ook hier een strandleven (er is sprake van Texel, zeedistel, parnassia) en een jeugd, een jeugd die bestaat uit zon en zee en schuldelozen. Maar waar de poëzie van Vegter toch vooral een activistische is, is er hier een melancholie te lezen en er komt nu ook duidelijker een eigen bundel tevoorschijn: de stem van Jan Kuijper is niet alleen meer een groet aan andere dichters maar hij vertelt zijn eigen verhaal – hoe duister ook.

De regel in het ‘Albumblad voor Kees ’t Hart’ komt uit de bundel Ik weet nu alles weer (Querido, 2008). ’t Hart is een criticus die met stylo (ik herhaal : met stylo) aantekeningen in zijn boeken maakt. De regel ‘Is een systeem van gelijktijdigheid / soms iets wat kan gebeuren?’ komt uit het lange gedicht ‘Tuitjenhorn’ en daar luidt de regel in de derde strofe: ‘Een gedicht is een systeem van gelijktijdigheid’ en dit laatste begrip is een constante in het werk van ’t Hart : het laat hem toe onmogelijkheden als mogelijk te begrijpen. In dat gedicht volgt hij op zeker moment (strofe 8) Italo Calvino: ‘Een gedicht moet licht zijn als een blaadje’, en er wordt dus een persoonlijke poëtica uitgebouwd – wat voor iemand als ’t Hart een onzinnigheid lijkt (ook het woord systeem overigens): hij, de ontkenner, hij, de baldadige regelomverwerper. Kuijper heeft dus ook hier niet alleen een regel genomen die hem ‘bevalt’, ‘aanspreekt’ of ‘aanzet’ maar hij heeft de kern van de andere dichter naar zich toe gehaald. Er is sprake van een kindertijd (ook dit verwijst naar Kees ’t Hart die, met zijn onnozel petje op, wel de hoge cultuur leest en bespreekt maar dit doet vanuit een punkattitude: ‘ze zullen me wat, de deftigen’. Tegelijkertijd is ’t Hart een zeer ambitieus schrijver: dat meesterwerk wil hij echt wel geschreven hebben. En Jan Kuijper volgt hem daarin.

Het ‘Albumblad voor H.C. ten Berge’ begint met de onheilspellende regel ‘De duurzame gruwel van een clausuur / is heel wat anders dan de dood’ en dit is een regel uit het gedicht ‘Zweepvormig sermoen’ uit de bundel Hollandse sermoenen (2008) en ook opgenomen in zijn Cantus firmus (2014). Het is een oproep aan de wekelingen om krachtdadig op te treden en te leven: ‘Wijs af / en veracht: verkies maar / de duurzame gruwel van een clausuur / (geen verschraalde vriendschap, geen verjaagd / vertrouwen).’ (De typografie van het gedicht is opgebouwd als een zweepslag: ik doe geen moeite dit hier over te nemen: vergeefse moeite immers.) Een clausuur is het afgesloten gedeelte van een klooster – de levensontkenning. Hier laat Jan Kuijper zich leiden door het beeld, niet door de oproep van het sermoen van ten Berge, en dit wordt voor Jan Kuijper een gedicht van verlangen en eenzaamheid: de tijd die kwellend is.

De beginregel van het ‘Albumblad voor Peter Ghyssaert komt uit het vierde gedicht uit de reeks ‘Miljoenen dochtertjes van zon’, te vinden in de bundel Ezelskaakbeen (Atlas 2011). Over de liefde in een stad. Een zonnig gedicht dat door Jan Kuijper onheilspellend wordt: ‘Er was een vlucht van stemmen vóór mij uit’ wordt gelijkgeschakeld met de teveelheid van mensen en die muur komt te staan tegenover de ik die niet zoetgevooisd zingt maar ‘de disharmonie die bij mij past’ tot zijn domein rekent – een verrassend beeld omdat Jan Kuijper het sonnet tot zijn dichtvorm gemaakt heeft – en als er 1 klassieke versvorm is, dan wel het sonnet.

Ook mooi is dat Kuijper het sonnet voor Nachoem M. Wijnberg laat beginnen met het beletselteken en aldus het ongewone kunstenaarschap van Wijnberg beklemtoont. De regel van deze luidt nochtans gewoon ‘De stierenvechters renden achter mij aan’ (‘In het donker, in het licht’, Als ik als eerste aankom, Contact 2011). Zoals steeds kunnen de gedichten van Wijnberg dubbelzinnig gelezen worden, niet ‘zoals alle poëzie’, daarvoor zijn de gedichten te vreemd, te losbandig, te alogisch, te confronterend. Dit gedicht kunnen we maatschappijkritisch lezen of filosofisch – of beide kunnen. Het handelt immers over ervaring en verbeelding, over afgunst en zelfverklaring, over stappen in de traditie en de eigen ervaring. Jan Kuijper schrijft zijn sonnet vanuit het standpunt van de stier: de stierenvechters hebben hier een echt beroep. In de reeks van Kuijper wordt ook dit een gedicht van verlatenheid, besluiteloosheid, ‘doelloze dadendrang’, en een confrontatie met de ander.

‘Met een knalrood ongepast strak truitje aan’ is een regel uit het gedicht ‘lieve lente lacht’ uit de bundel gestamelde werken (Querido, 2012) van Rozalie Hirs en de dichter zelf noemt dit een ‘ironisch liefdesgedicht over verleiding en one-night-stands’. De ironie is bij Jan Kuijper verdwenen, de ernst nauwelijks leefbaar. Het gedicht eindigt met de geconstateerde vernietiging van de ander: ‘je bent niet meer; ook al praat je alles recht / ben jij mij voor – je hebt jezelf vermoord.’.

Wie wortel zegt en daarbij ook nog marsepein, die denkt aan Delphine Lecompte. De regel die het gedicht in gang zette, is te vinden in de bundel Blinde gedichten (De Bezige Bij Petit Anvers 2012), m.n. het gedicht ‘Vader drinkt omdat hij God is’. Het albumblad voor Delphine Lecompte begint met ‘Wekelijkse wortel van marsepein’ en ook Jan Kuijper gebruikt in het gedicht het mes. Lecompte: ‘Mijn vader snijdt de taart / Zoals mijn moeder haar wekelijkse wortel van marsepein / Zoals een zuinige bibliothecaresse haar dagelijkse courgette van courgette’ (de laatste woorden zijn een uiting van de typische ‘flauwe’ humor van het Lecomptemeisje). Bij Jan Kuijper is er een verwijzing (‘in het wonderland / van luxe en kalmte. En aan de andere kant / houd ik de hinderlijke wellust klein.’) naar Baudelaire’s  en Matisse’s ‘Luxe, calme et volupté’. Kuijper leent het idioom van Lecompte, speelt haar meisjesspel en maakt er toch weer iets anders van. Er is een andere, lichtere toon maar even goed als bij Delphine Lecompte is er de tragiek. Het einde van een relatie, het terugzicht, het zuchten.

verachting

zwart-rood_10

“The common homo canis,” said Pound, “snarls violently at the thought of there being ideas which he doesn’t know.”

jan kuijper groet zijn schrijvers (2)

Het ‘Albumblad voor Bart Meuleman’ (Aanmatigingen, 2016) begint met een beschrijving van hoe Bart Meuleman is/staat/gaat: ‘Voorovergebogen, schrobbend het zwart, / maak ik wat eerst nog schoon was óók nog vuil.’ Jan Kuijper typeert de andere dichter zeer treffend en plastisch. In het universum van Bart Meuleman overheerst het zwart, maar dan niet alleen het gewone zwart maar het helse zwart, dat van het pek, de hel en de verdoemenis. Wat erg is, is bij Meuleman nog altijd erger. Hij is als Atlas die de hele wereld van het leed dragen moet. Maar hij is ook vader.

In het gedicht van Jan Kuijper komt de persoonlijke geschiedenis van  Bart Meuleman, die toch vooral een autobiografische schrijver is, samen: zijn roman (verhalenbundel) De jongste zoon en zijn poëzie, getuigenissen van een zorgelijk leven. Ook al typeert Jan Kuijper Bart Meuleman treffend, het is toch ook een regel uit een gedicht van de laatste. Diens bundel kleine criminaliteit verscheen in 1997 bij uitgeverij amerika in een vormgeving van Paul Verrept. Ik vermeld dit omdat de boeken van amerika altijd een bijzonder vormwaarde hadden: ze oogden klein en bescheiden maar de typografie was zeer verzorgd, uitgebalanceerd, verfijnd en smaakvol – als ik dit vergelijk met wat vandaag de dag in Vlaanderen als vormgeving doorgaat: vulgaire wansmaak van de lage middelmaat. In de bundel omdat ik ziek werd (Querido, 2008) nam Meuleman een gedicht ‘voor paul verrept’ op: een gedicht dat bol staat van vriendschap en genegenheid maar onderdrukt wordt en in dit gedicht krijgt dit geen negatieve bijtoon maar bijna voel je de sentimentele uitbarsting.

Het is naar dat sentiment dat Jan Kuijper verwijst in zijn regels: ‘Misschien dat ik als ik erover huil / een mooi patroon laat zien, […]’. Het ‘misschien’ is duidelijk, de mogelijkheden beperkt en eigenlijk niet bestaande – een bijna identiek aanvoelen van Maurice Gilliams. De door Jan Kuijper gerecycleerde versregel is te vinden op p. 62, het voorlaatste gedicht van de bundel, de tiende in de reeks ‘kleine criminaliteit’: ‘voorovergebogen, schrobbend het zwart / van mijn handen en billen.’, een tragikomisch gedicht. Bart heeft een nieuwe broek, een loflied op de broek, maar de broek geeft haar kleur af en daar staat de dichter in de keuken zich af te schrobben.

Het gedicht De tombe van Erik Menkveld is uit de aard der zaak een treurig gedicht. Jan Kuijper is niet de enige dichter die treurt om het verlies van Menkveld, ook Anneke Brassinga heeft enkele gedichten ter zijner herinnering geschreven. Hier haalt Jan Kuijper de zin  ‘Een plek die altijd uithoek is gebleven’ uit de bundel Schapen nu! (2001), m.n. het vierde gedicht van de reeks ‘Vijf aankomsten’. De aankomt van Jan Kuijper is het einde, de tombe, die nu in een uithoek staat. Het gedicht treurt in de plaats van de vrouw, hoe te leven als de levensbron verdord is – Jan Kuijper gebruikt het beeld van de verdreven spin.

Tomas Lieske is een niet zo bekende schrijver, maar toch, wat een schrijver. Romans of gedichten van hem lezen, brengt je op het niveau van de Europese gedachte, niet de politiek-economische, maar de werkelijke, die van de cultuur, de kennisverbondenheid. Zijn nieuwste bundel Daedalea is zopas uitgekomen en staat in de vernieuwde traditie van het lange, vertellende gedicht – een enkel fragment heeft al de kracht van een mensenadem. ‘Tussen de massa in een vreemde stad’ is de eerste regel van het ‘Albumblad voor Tomas Lieske’ en deze regel is te vinden in het gedicht ‘Zoutkaravan’ (Stripping & andere sterke verhalen, Querido, 2002). Het gedicht zet twee uitersten tegenover elkaar: een zoutkaravaan die verdwenen is en een meisje van veertien dat weg is. De eerste strofe verhaalt het eerste, de tweede is het schrijnend oproepen van een verlies, (van wat nooit geboren werd ook), en Lieske doet dit omcirkelend: beschrijven van wat verloren gegaan is om zo het verlies van het kind des te erger te doen aanvoelen. Het directe is het oppervlakkige. Van die beschrijving zijn dit de laatste regels: ‘een plots gezicht tussen de massa in een vreemde stad: / al die wonden, het fluitend ademen in een telefoon, / haar sterrenschip dat tegen de muren hangt.’ Jan Kuijper heeft een andere ‘ik’ op het oog dan het 14-jarig meisje. Maar ook bij hem is er vreemdheid en verlatenheid, een verlies van zijn en weten. Wat hij beschrijft is het bestaan van een engel.

Het albumblad voor Eva Gerlach begint met ‘Een glans als van duizend nieuwe fornuizen’, een versregel uit het elfde gedicht van de reeks ‘Situaties’ uit de gelijknamige bundel (2006). Een lang verhalend gedicht over een hij met de naam I. , het blijft onzeker of het de man is die verward is of dat het toch de vrouw is. Er is veel medevoelen in deze poëzie maar die blijft toch dikwijls te veel aan de oppervlakte hangen, plichtmatig goed zijn is voor een dichter niet de rechte weg. De door Jan Kuijper geciteerde regel (maar is hier geen citaat meer) wordt door Gerlach gebruikt om het nieuwe ingebeelde leven van I. weer te geven – maar op het einde van het gedicht heeft dit toch al van zijn glans verloren. De glans wordt bij Jan Kuijper een gewilde verblinding, een weigerachtigheid tegenover wat komen zal (enkel onheil). Er is een machteloosheid en een verlamming – verdriet dat niet langer beheersbaar is. Merkwaardig is hoe Kuijper een evenwicht vindt tussen de wereld van Gerlach en die van hemzelf; hoe hij als het ware haar gedicht op een ander niveau brengt, toevoegt, verdiept – zonder verraad, met behoud van zichzelf en de ander.

Het ‘Albumblad voor Astrid Lampe’ is voor haar doen een begrijpelijk gedicht. De versregel ‘Van die woordjes die weer woordjes wegmaken’ komt uit de bundel Spuit je ralkleur (Querido, 2005, het gedicht ‘van die woordjes!’ (p. 37): ondanks alles wordt er gesproken, wordt gepoogd de taal in staat te achten in de wereld te overleven en de ene woorden verdringen de andere: ik, ik, ik. Maar Jan Kuijper zegt dat hij er niet genoeg heeft. Bij hem is er geen voortdurende beweging maar wel stilstand, hier gaat hij de tegenovergestelde weg op van het leengedicht. De ‘geknikte spaken / van fietswrakken […]’ roept het beeld op van de vroege Cobra-schilderijen van Constant: het rad dat gebroken is. De voorlaatste regel van dit gedicht ‘Nog steeds die stem.’ is een rechtstreekse verwijzing naar het gedicht van Astrid Lampe. Mooi is dat Astrid Lampe zelf ook verwijst naar een andere schrijver, J.A. dèr Mouw en zijn gedicht ‘Brahman’ waar de woorden ‘Na donk’re worsteling in holle rots / ‘T bedwongen wijfje – vroegste mannentrots’ aan ontleend zijn. Lezen leest.

jan kuijper groet zijn schrijvers (1)

aanmatigingen_jan kuijper_1

Het eerste deel bestaat uit twee gedichten, een albumblad voor Leonard Nolens en 1 voor de prozaschrijver  A.F.Th. van der Heijden. Het tweede deel bevat 23 albumbladen voor hedendaagse, levende dichters en 1 tombe voor de overleden schrijver Erik Menkveld. H.H. ter Balkt krijgt een albumblad ook al is hij een gestorven lid van de republiek der letteren, gestorven op 9 maart 2015, Menkveld op 30 maart 2014. De bundel Aanmatigingen van Jan Kuijper (Querido 2016) is in de zomer van 2016 verschenen.

Hij is een merkwaardig dichter, redacteur van andere dichters voor het Querido-fonds heeft hij tot in het detail leren (?) lezen. Elk woord telt, elke letter heeft een betekenis, een regelval is significatief, een leesteken verduidelijkt of versluiert. In het tijdschrift De revisor heeft hij een aantal interviews met dichters gepubliceerd: telkens ging het over de werkwijze, het ambacht. Is Jan Kuijper een dichter, hij is in de eerste plaats een lezer.

De vorige bundel, Ondoden (2013), bestond uit 3 gedeelten. Het midden bevatte de tombe van Jean Paul, het eerste deel bevatte tomben van schrijvers, dichters, filosofen die vóór hem geleefd hebben, het derde deel logischerwijze over schrijvers na Jean Paul.  Het veld was internationaal: Pascal, Spinoza, Vauvenargues, Laurence Sterne, Georg Büchner, Virginia Woolf,  maar ook Nederlanders als Vincent (van Gogh), Couperus, Herzberg, Brakman en 1 Vlaming, Herman Teirlinck. Zoals ook in de recente bundel, vertrekt Jan Kuiper van een regel uit het werk van de betreffende schrijver. ‘De tombe van Herman Teirlinck’ begint zo: ‘Ge staart uw aanschijn is de spiegel aan / en ziet geen jonge god, en zelfs geen oude.’ – waarbij ik me steeds afvroeg of ‘is’ een drukfout is of niet. En inderdaad, de ge-vorm is de steeds terugkerende retoriek van Teirlinck in zijn Zelfportret, of Het galgemaal (1955), een roman van het hoogste niveau. Het relaas van Teirlinck begint met een cursief gedrukt motto:

Liever geschuwd om mijn waarheid,
dan gezocht om mijn schijn.

‘Gezocht’ mag ook begrepen worden als geliefd, maar dan een schijn. De ge-vorm is in deze roman kenmerkend. ‘Ge ligt daar uitgestrekt, Henri, […]’, ‘Ge houdt’, ‘Ge zijt’, ‘Ge weigert’, ‘Ge kunt’, enzovoort. Een monoloog die bijt en zalft, tenslotte aanvaardt – maar nooit helemaal. De spiegel is 1 van de terugkerende motieven in dit werk: het personage kijkt en ziet, het is dit zien dat anderen angstig maakt. Op pagina 12 van de eerste uitgave (Manteau, 1955) en op pagina 9 van de zesde druk (1972) staat wel degelijk ‘Ge staart uw aanschijn in de spiegel aan.’ (Het is dus misschien een drukfout.) Zo werkt de dichter Jan Kuijper: hij leest, hij wordt getroffen door een zin, die een bouwsteen van zijn eigen gedicht wordt. Zo werkt kunst: de traditie als voedingsbodem.

Jan Kuijper is een merkwaardig dichter ook omdat hij de sonnet-vorm gekozen heeft als zijn eigen vorm: ook dit is traditie. Het keurslijf wordt een mogelijkheid, een vorm waarin geleefd kan worden. Kuijper schreef sonnetten, ook in de periode dat niet alleen het sonnet maar elke vorm dood verklaard werd. Doordat het sonnet steeds dezelfde regels volgt, is ook de vormgeving van de bundel klassiek rustgevend. De valsheid van de vorm weliswaar, de geruststelling en het geloof toch eveneens.

De nieuwste bundel Aanmatigingen bevat enkel gedichten over Nederlandstalige dichters/schrijvers – zo kan men de eerste sectie misschien begrijpen. Nolens is dan de patriarch van de Vlamingen, Van der Heijden de patroon van de Nederlanders. Is dit de Olympus? Betwijfelbaar. Toch is de uitleg die de dichter zelf me schreef prozaïscher: de eerste twee albumbladen stonden los van de andere en werden daarom in een aparte reeks opgenomen. Zoals het iets zegt over welke dichters Jan Kuijper schrijft, zo zegt het ook iets over de dichters die niet ‘beschreven worden’, een Hugo Claus bijvoorbeeld, of een Maurice Gilliams. Een programmaverklaring?

Laten we eens kijken welke gedichten Jan Kuijper ‘beroerden’ we betrachten geen volledigheid. We hebben niet alles gelezen, we hebben ook geen zin om alles na te gaan en niet alles is consulteerbaar.

Het ‘Albumblad voor H.H. ter Balkt’ begint met ‘De lang vergeten verte tegemoet – ’, dit zijn de laatste woorden van de Laaglandse hymne, ‘In de vergulde windvlaag’ (Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens : verzamelde gedichten, De Bezige Bij, 2014, p. 1498) (In De revisor, 1992, nr. 5, eindigden deze woorden met een uitroepteken.) Het gedicht beschrijft een verblijf in herberg ‘In de vergulde windvlaag’, het is een barre tijd, het is geen goed verblijf maar het ik-personage was daar verzeild geraakt ‘wegens verdooldheid’ en dacht daar de rest van zijn leven te zullen slijten. Maar de zuidenwind kwam, er verschenen 5 dassen en hij vertrok ‘de lang vergeten verte tegemoet’. De eindwoorden van Ter Balkt zijn voor Jan Kuijper de beginwoorden van zijn sonnet en hij zet de reis in: zal hij in de woestijn versmachten of zal hij zichzelf vinden en maken? De volta na het octaaf verandert van standpunt: ‘Ik heb geen keus meer, ik ben weggejaagd – ’, nu wordt niet meer gevraagd wat komen kan, maar wordt beschreven wat is, alhoewel onduidelijk is of de ik door zichzelf of door anderen weggejaagd is en hij vraagt zich af of hij na de queeste zichzelf zal aanvaarden. Is dit een ‘ter Balkt’- of een ‘Kuijper’-gedicht?.

aanmatigingen_jan kuijper_2

Het ‘Albumblad voor Paul Claes’ begint met een versregel uit het gedicht ‘Symbool’ uit de bundel De waaier van het hart, behorende tot de reeks ‘Decaloog’ (ook Paul Claes heeft ‘gedenkpoëzie’ geschreven, ook bij hem kom je gedichten tegen met titels als ‘Tombe’ of ‘Urne’ en vergeten we niet zijn Animula.) Het gedicht van Paul Claes plaatst zich in een ‘kosmisch’ geheel, het gaat over de zoektocht van de mens, wat is zijn leven waard als er niet gedacht wordt en het denken van Claes situeert zich, net zoals bij Borges, in een universeel verhaal, van de uitersten, de tegenstellingen, de tweestrijd en wat uiteindelijk het enige is: de rust. Op het einde van de tweede strofe staat de regel ‘door de meanders van ons labyrint’: de mens als knooppunt, de mens die zichzelf een dwaalweg (beter: een zoekweg) is, die mens als een alchemistisch vat waar alles samenkomt, borrelt en zich een nieuwe substantie maakt. Jan Kuijper maakt zich niet alleen deze regel eigen maar ook het universum van Paul Claes: hij gaat als het ware op in diens wereld of maakt gebruik van diens werktuigen of herkent in dat streven zichzelf.

Hij constateert eerst dat ons leven niet ‘zoetvloeiend’ kan zijn, juist door die ‘meanders van het labyrint’.  Het zoetvloeiende is het rustige, natuurlijke verloop van het water, zonder tegenkantingen en tegenstroom. Jan Kuijper beschrijft dat stugge, het knarsende: de buitenbocht, het grind maar de volgende materiesoort verlaat al de ‘natuurlijke beschrijving’ door te spreken van ‘het zware lood’, een metaal dat in de alchemie gebruikt wordt. In dit gedicht vindt het lood zichzelf terug in de zinkviooltjes. Jan Kuijper beschrijft dus een transformatieproces en het resultaat daarvan is een plaatselijke, kleine en verrassende bloem: het zinkviooltje (dat slechts voorkomt langs de Belgische rivier de Geul). Het lelijke metaal brengt schoonheid voort. Dit is wat kunst doet: uit de grauwheid de kleuren toveren. Maar er is naast de kant van het ontstaan, ook de zijde van het leven. En dat viooltje is een getuige van wat de mens de aarde eeuwenlang heeft aangedaan (en hier horen we ook de woede van H.H. ter Balkt weerklinken – herinner u zijn tirade tegen de mishandelaars van de notelaar) (in werkelijkheid was de zinkbloem er al vooraleer er mijnen waren: de grond was rijk aan zink, het viooltje heeft zich aan die grondsamenstelling aangepast). Het viooltje is, hoe klein en lieflijk het ook is, evenzeer de getuigenis van de weerstand tegen ‘ons door winstbejag verblind // gewroet in de natuur, eeuwen geleden.’ Jan Kuijper ontwikkelt het alchemistisch beeld verder:

De mijnen hebben wij allang verlaten,
maar hun kwikfoelie houden wij in ere –
de kronkelpaden worden platgetreden
door dolenden die zich voldoende haten
om onze lachspiegels te honoreren.

De mijnen kunnen hier in hun naturalistische betekenis begrepen worden maar ook als het symbool van het alchemistisch werk én/of als de gangen waar de mensen als mollen dolen. In de tweede regel leest men kamperfoelie alhoewel er kwikfoelie staat (toch is de zoete geur gebleven en horen we een echo van de tweede regel): alweer : kwik is een metaal dat in de alchemie veelvuldig gebruikt werd. Foelie is het dunne metaal dat aan de achterzijde van spiegels gekleefd wordt – die spiegels komen in de laatste regel terug. En is ‘de spiegel van mijn ziel’ niet de essentie van het dichtersbestaan van Paul Claes?  ‘De kronkelpaden’ worden hier positief gewaardeerd: deze meanders, deze natuurlijke wegen van de zoekende mensen, worden echter kapot gestampt.  De barbaren, de cultuurlozen zien niet de waarde van het kronkelende maar … ze dienen om in lachspiegels weerkaatst te worden. Laten we lachen, ja, laten we hen uitlachen.

Met dit gedicht eert Jan Kuijper een dubbele Paul Claes: de hermetische die zich in de traditie van geleerde dichters plaatst en de kunst als een transformatieproces ziet (het oude nieuw te maken) en de politieke dichter die de dwaasheden en de grollen van de huidige tijd hekelt – zie zijn bundel De omgekeerde wereld (P, 2015). Is dit een Paul Claes- of een Jan Kuijper-gedicht?

laatste zinnen (74)

laatste zinnen_74

Ich lieβe alles hier, die Täler, die Hügel, die Pfade und die Eichelhäher aus dem Garten,
ich lieβe hier alles stehen und liegen, Himmel und Erde, Frühling und Herbst,
ich lieβe hier die hinausführenden Wege, die Nächte in der Küche, den letzten verliebten Blick und alle zu den Städten führenden Richtungen, die einen schaudern lassen,
ich lieβe hier die undurchdringliche Dämmerung, die sich aufs Land senkt, die Schwere, die Hoffnung, den Zauber und die Ruhe,
ich lieβe hier geliebtes und Nahes, alles, was mich bewegte, erschütterte, mich mit sich riss und erhob,
ich lieβe hier das Edle, das Wohlwollende, das Angenehme und das dämonisch Schöne,
ich lieβe hier jedes Knospen, jede Geburt und jedes Sein,
ich lieβe hier die Magie, das Rätsel, den Rausch der Weiten, Unerschöpflichkeiten und Ewigkeiten : denn
ich lieβe hier diese Erde und diese Sterne, denn ich nähme nichts von hier mit, denn ich habe in das hineingeblickt, was kommt, und ich brauche von hier nichts.

Lászlo Krasznahorkai, Die Welt voran, S. Fischer, 2015, vertaald door Heike Flemming

de poëzie van roland jooris : een in zichzelf woelende steen (3)

roland jooris_bladgrond

Bladgrond, Roland Jooris (Querido, 2016), deel 3.

‘Gedenkstenen’, ‘Installatie’ (V, 1). De titel is een kunstterm. Roland Jooris beschrijft het geweld en hij ziet dit niet noodzakelijkerwijs op een negatieve manier, toch is er ook hier weer sprake van ‘hier’ en ‘daar’. De laatste regels zijn ‘Je zit in jezelf / te schuilen’: het beeld van een schildpad, een egel, een schelp. Net als de cello in IV, 1 een geslotenheid. Het ‘in jezelf’  is een echo van het begrip installatie: allebei situaties die in zichzelf bestaan, die afgelijnd zijn en nauwelijks relatie met een Umwelt hebben. Er is een ambivalentie aanwezig: ‘Vormen wringen / hun geheel uiteen / hun stukgeschoten / metaforen’. Er is ontbolstering en ontwrichting. De wereld van Roger Raveel is een te lieflijke, die van Jooris is veel realistischer. Er is altijd een gewrongenheid, een weerbarstigheid, een wachten op onheil. In dit gedicht, in deze installatie is veel lawaai, veel beweging en nodeloos geweld. Dus toch een negatief gedicht?

‘Wonde’ (V, 2). Ook dit gedicht lijkt over het sterven te gaan: een gekwetsheid van en door het leven. Een zich terugtrekken uit de wereld (‘[…], de blik / op oneindig /      naar binnen’), in het stervende lichaam ‘verbijten we het bloeden’ (net als het versterven in III, 6 een woord dat herkenbaar is maar niet begrijpbaar) en het wordt in en van onszelf.

Waakvlam (V, 3). Er is sprake van waken en door de vorige gedichten begrijpen we dit in eerste instantie als het bijstaan van de stervende. Maar het moet hier begrepen worden als ‘waakzaam zijn’, een houding van alerte opmerkzaamheid die het schrijven mogelijk maakt

 

(denken zonder schrijven is geen denken – het is daarom dat dictators altijd en overal het schrijven beletten)

 

omdat het een wachten is op een vlam die kan opflakkeren waardoor de dichter de kalmte tussen de regels kan doen verdwijnen. Daar is die kalmte aanwezig, ook al is ze toegedekt en daarom is er steeds sprake van een onderhuidse siddering, het ‘andere’ dat beweegt, het onzichtbare dat leeft, het vermoeden dat beweegt. Dit is 1 van die duidelijke ‘schrijfgedichten’ – en de onoplettende lezer vraagt zich af waarom een lezer met het schrijfproces moet opgezadeld worden. Het antwoord is tegelijk eenvoudig en complex: omdat het leven schrijven is, niet alleen als metafoor (het boek van het leven) maar ook als een uiting van een geciviliseerde houding, als een uiting van boekcultuur en dus van levenswijsheid.

 

Wie het schrijven belet, vernietigt het boek. Vernietigt in het boek de mensheid. Deze Joodse gedachte

 

‘Nadien’ (V, 4). Er is sprake van ‘enkel een kuil / als monument’, en wij denken aan het graf en ook hier ontwikkelt Roland Jooris het levensmoment tot een eeuwig denken. Er zijn stamelende zinnen (maar in hoeverre zijn dit zinnen?) die bestaan uit woorden die hakkelend verspringen naar verschillende betekenissen en omgevingen. Er is het gevoel van verlatenheid, vergeefsheid, het nu ongewapend in de toekomst moeten leven.

‘Puin’ (V, 5) is het resultaat van oorlogsgeweld. De eerste regels : ‘Een slagveld van / blikken’, maar het geweld komt hier in een bakoeniniaanse dialectiek te staan: ‘vernietigend / tot scheppen dwingt’. Het geweld staat hier eerder voor de dissonant dan voor de totale vernietiging: het verstoort de eenheid, de harmonie, het evenwicht, de genoegzaamheid. Het is het storend element, het marginale dat de creativiteit voedt;

 

Vanuit het maquis

De loopgraaf als de humane plek

 

‘Basaal’ (VI) bestaat uit 6 titelloze gedichten. Het woord herinnert aan het tweede deel van de bundeltitel Bladgrond, behorend tot de basis. Het eerste gedicht spreekt van het moment na het onweer (een onweer dat ook al in V, 1 voorkwam) en dit gedicht is door het verrassende beeld nu al een klassieker. Het brengt veel joorisiaanse elementen samen: de natuur (onweer), de dieren (gefladder), de beeldende kunst (geometrie), de tegenstellingen (blindelings-helderheid), de ontgrenzing van beelden (geometrie-gefladder) en zeker ook het moment zelf: de nagebeurtenis. ‘Na het onweer // een blindelings gevonden / helderheid // in de vlucht omschreven // een geometrie / die zich in los gefladder / openbaart’. Het tweede gedicht uit deze reeks gaat verder met het beeld van het onweer : ‘De lucht in de aarde / De grond in het vuur’, tegelijkertijd hebben we hier ook (bijna) de 4 elementen (als we lucht en water met elkaar verbinden): de natuur bestaat echter niet uit aparte elementen maar de tegenstellingen nemen elkaar op (weer het beeld van gebaldheid, een in zichzelf terugtrekken). Dit gedicht is ook bijzonder (zie afbeelding) omdat het ons doet beseffen dat de dichter geen leespunten gebruikt. In de derde regel zet hij twee elementen naast elkaar en tweemaal laat hij het woord het met een hoofdletter beginnen. De punt is het definitieve, het afsluiten, het zekere, het gedode. Roland Jooris laat de dingen open, hij spreekt, je hoort de adem, je verwacht een woord maar je hoort de vogel fluiten. Er is altijd een restfunctie, een afwachten, een meer. Het is in dat zuchten,

 

in die leegte

 

dat het menselijke zich bevindt, daar rust de kunst. Nog een ander kenmerk is hier duidelijk: dat van de omschrijving, het opsommen, niet de juiste benaming (alhoewel Jooris geen verkeerde woorden gebruikt) is hier van tel, wel het omcirkelen. Denk aan de vogel die rond zijn toekomstige prooi cirkelt, of hoe een vogel bidt. Jooris gebruikt trefzekere woorden en beelden om juist niet trefzeker te zijn want dat is hem te bepalend – liever het open veld. De taal is zijn werktuig, zijn gereedschap is in orde gebracht, is scherp en kloek – het resultaat echter is van veel minder belang. Het merkwaardige is dat er in zijn gedichten nog een stap verder gezet wordt: niet het resultaat maar het moment na het resultaat (het gebeuren) is het belangrijkste – het moment van stilte, bezinning,

 

het nadenken tegen de wereld in

 

Het derde gedicht is dan weer een voorbeeld van openheid en zekere gelatenheid. Er is geen sentimentele droefheid in deze poëzie, wel een tristesse, een melancholie maar doordrenkt van sterkte en zekerheid. Dit kan: zeker zijn in onzekerheid. Vastheid in openheid. En steeds weer het lidwoord ‘het’ dat een toestand aanduidt, geen activiteit. Het wachten als metafoor van het echte leven.

Nummer 4 komt weer terug naar het schrijven, en is een mooi voorbeeld van hoe de titel ‘geïllustreerd’ wordt en hoe een realistisch beeld naar een abstract niveau getrokken wordt, de 2de strofe: ‘Steeds haakser legt verlangen / harkend de grond bloot / in zijn taal’. De derde strofe geeft een beeldend element weer: ‘als in een raam’, ook Maurice Gilliams, ‘De man voor het venster’.

In nummer 5 is de dichter als zichzelf aan het woord ‘Is het een innerlijk lawaai / dat mij noopt, […]’ vraagt hij zich af een monoloog te houden. Wat een mens drijft, wat hem mens maakt

 

zich uit te spreken

 

Het laatste gedicht uit deze reeks eindigt met de woorden ‘het niets’ – kan de volheid mooier verwoord worden? Het gedicht begint met ‘Waar geritsel / het schuilen weer oproept’ en ook dit is een joorisiaanse wending: twee zaken die ver uit elkaar liggen, geritsel-schuilen, worden toch door associatie bij elkaar gebracht en tonen daardoor een eenheid die er al altijd was – maar we hebben een dichter nodig om ons dit te doen zien en beseffen. Het is de aandacht die stilstaat bij de fenomenen, de dingen, een kijken en luisteren die samengaan met denken waardoor niets nog oppervlakkig is maar doordacht en beleefd wordt.

 

Dit is leven:
Dat staat tegenover: dit is het leven

 

De laatste reeks heet ‘Dwars’ (VII) en doet ons denken aan dwarskijker, dwarsligger en gewoon ‘dwars zijn’, dit wil zeggen geen burgermannetje zijn, geen grijze muis, geen meeloper. En het eerste gedicht breidt dit woord uit tot ‘Polyfoon’ (VII, 1), het meerstemmige, weg van de dictatuur van de domheid die zich koning waant. Al die stemmen die Jooris hoort zijn onaf, zijn wankel of beschadigd, gekwetst, onvolkomen en het zijn die stemmen die de rijkelijke veelheid uitmaken. Een pleidooi voor de hakkelende mens.

Ook ‘Litanie’ (VII, 2) is een opsomming van het anti-kapitalistisch-consumptieve dwaasleven (Jooris is geen politiek dichter, maar uit zijn poëzie kunnen we zijn verachting voor die vetzakken afleiden): nee, niet het succes, niet de winst, niet de macht maken het leven uit: zij zijn het verwaarloosbaar afval. Wie zijn de levenden? Zij die leven in die andere wereld: ‘Zij die niet antwoorden’,

 

de nee-zeggers
Misschien komt dit gedicht wel het dichtst bij het Samuel Beckett- en Bram van velde-universum.

‘Endogeen’ (VII, 3) is eerder verschenen (Om Gent gedicht, Lannoo 2010) en had daar de titel ‘Gents’, in deze bundel staat in kleiner font en tussen haakjes (het Gents indachtig). (Ook is ‘koloriet’ vervangen door ‘coloriet’ – Nederlanders.) Het gaat inderdaad om de moedertaal van Jooris en merkwaardig genoeg is dit geen ‘schraal’ gedicht maar uitleggend, voor zijn doen zelfs breed. De taal is de humus waarmee de schrijver werkt. ‘Endogeen’ is een taalkundige term en betekent ‘behorend tot de moedertaal’ maar het is ook een geografische term en betekent dan ‘uit het binnenste voortkomend’ – deze tweede betekenis is mooier. In dit gedicht exploreert Jooris op een welhaast wellustige manier zijn verwantschap met Richard Minne – soms kun je beide heren (’s nachts) gebogen zien staan op de brug aan de Kongostraat waar ze monkelen en zuchten, elkaar in eenwoordige zinnen aansprekend en in zwijgen beamend.

 

(deze zin is gecensureerd)

 

‘Raam’ (VII, 4) is een driehoekig gedicht en een bevrijdend gedicht: men kan vragen zonder te verwachten antwoorden te krijgen ; ze zij er, ze bewolken het zicht, maar ach,

 

laat ze maar waaien, laat ze maar hun vlaggen zwaaien

 

‘Tijdens’ (VII, 5) is het afsluitend gedicht en het vat de thematiek van Jooris samen: het koesteren van het tegendraadse, het schurende. Het warrige dat dingen doet ontstaan. Het denken dat aan belang inboet en vervangen wordt door een monnik-zijn. De deur tussen leven en dood. De handeling, eerder dan het handelen. Niet het resultaat, niet het begin, niet het waarom – de tussentijd.

de poëzie van roland jooris : een in zichzelf woelende steen (2)

Bladgrond, Roland Jooris (Querido, 2016).

In de bibliografische notitie achteraan de bundel staat dat een aantal gedichten eerder verschenen is in Sculpturen, een bloemlezing uitgegeven door het Poëziecentrum in 2014. Een overigens onbegrijpelijk slecht vormgegeven boek – onwaardig als we weten dat het Poëziecentrum eerder de bundels Uithoek en Kromte (resp. 1991 en 2012) wel op een eerbiedwaardige manier uitgegeven had. Maar de notitie is niet helemaal correct: een aantal gedichten werd eerder in een bibliofiele of semi-bibliofiele editie uitgegeven.

Dat is ook het geval voor het gedicht ‘Ingeving’ (II, 5) dat eerder verscheen in de bundel Contrapunt, gedichten van Roland Jooris, schilderijen en reliëfs van Guy Leclercq, een uitgave van Galerie Tom Gerits in Oostende (2013). Het gedicht heeft in de reguliere bundel, Bladgrond, zijn relatie met het werk van Leclercq achtergelaten – maar het is de vraag of dat wel zo is en hoe het dan bestond en nu bestaat.

Het zou een boeiend gegeven zijn de ontstaansgeschiedenis van Jooris’ gedichten na te gaan en te onderzoeken in hoeverre die relatie met de beeldende kunsten er wel is (en/of nodig is) – zelfs als de naam van de kunstenaar vermeld wordt – en of de gedichten niet altijd en overal Jooris-gedichten zijn en blijven en of de beeldende kunst slechts een aanleiding is om over het denken van Jooris zelf te schrijven, dat er dus steeds een terugkerende beweging is: de dichter kijkt naar het werk om zichzelf te beschrijven. Al heeft Jooris veel geschreven over en naar aanleiding van beeldend werk, we mogen hem niet reduceren tot een compagnon de route: zijn gedichten staan op zichzelf en hebben het beeldende niet noodzakelijk nodig.

Wat hierbij interessant zou kunnen blijken te zijn, is dat we ook hier een verschuiving tussen concreet en abstract vermoeden. De concrete aanleiding, het specifieke werk, de schilder maar dan in en door de woorden omgezet, door het gedicht geabstraheerd naar een meer algemeen menselijk niveau (ook al beschrijft de dichter zijn eigen levenshouding en -praktijk). Meer nog dan een verwantschap met het beeldende, is er een nabijheid van het handmatige, het ambachtelijke – en om het dan wat cru te zeggen, Jooris had ook over klompenmakers kunnen dichten. Maar ik meen dit eigenlijk wel.

Dat beeldende wordt door Roland Jooris ook zelf altijd beklemtoond: hij schrijft gedichten als sculpturen – vandaar de titel van het laatste verzamelwerk – waar de woorden bouwstenen zijn en waar de vorm het werk zelf is. Om dit te kunnen moet men een dichter van het abstracte zijn. Jooris staat dan ook dichter bij Dan Van Severen, Amedée Cortier of de late Raoul De Keyser dan bij Roger Raveel – en hij is niet de enige die betreurt dat Raveel de gemakzuchtige toer is opgegaan – was hij maar in zijn coloristische periode van de Hooi-oppers gebleven of in zijn abstract-lyrische periode. En als we de woorden van Jooris ernstig nemen dan moet ook van deze bundel gezegd worden dat de typografie verkeerd is. De gedichten beginnen steeds aan de linkerrand, net alsof het prozafragmenten zijn. Als ze midden (maar niet gecentreerd!) de pagina geplaatst zouden zijn, dan zouden ze meer woordsculptuur zijn.

En het is ook onjuist om de gedichten van Jooris altijd met een verticaliteit te verbinden. Het gedicht bij het werk van Roger Raveel, opgenomen in de plaquette De 7 (Octave de Achtste, 2007) is een breed, meanderend, volumineus gedicht.

 

Het gedicht ‘Ingeving’ keert in bijna ongewijzigde vorm hier terug – alleen zijn er typografische verschuivingen. De drie strofen beginnen op een eendere wijze: namens – wegens – blijkens. Er is een relatie tussen twee zaken – maar wat precies? De gedichten hebben geen voortgang, beschrijven een situatie na een gebeuren. Er is iets gebeurd, gevonden, geopenbaard maar ook een verwarring. Er is in deze gedichten realiteit aanwezig maar niet in die mate dat ze ons zekerheid geven: de dingen zijn eerder een uiting van onze vervreemding.

Tak (II, 6) doet onwillekeurig denken aan het gekende ‘Minimal’. Ook hier beschrijft Jooris de na-gebeurtenis (Het nog even bewogen / buigzaam uiterste // het bijna losgeraakte / hulpeloze // het beven dat zich tekent): we kunnen dit begrijpen als het moment dat een vogel weggevlogen is en de tak nog even beweegt: het is dat onooglijke dat in de poëzie van Roland Jooris een plek gevonden heeft, een gebeurtenis worden kan. Hij heeft de gave van het plastisch oog – waar anderen de vlucht van de vogel zullen volgen, blijft zijn oog bij de tak  en ziet daar het belangrijke gebeuren: een siddering, nauwelijks merkbaar, maar vol leven. Belangrijk is dat hij de beweging tot een zelfstandig naamwoord terugbrengt (‘het’) en dat de beweging in zichzelf blijft, zichzelf genoeg is. Opperste wijsheid, diepste geluk. (En we denken ook aan Wallace Stevens, hoe nabij beide dichters elkaar zijn in een bijna Oosterse kijkwijze.)

 

Tweevoud, Op het meer (III, 1). Zoals de sectietitel aangeeft, hebben we te maken met twee personen – het werk van Jooris is abstraherend maar vertrekt toch ook van een persoonlijke impuls, leven en dood, nabijheid van naasten, de achterbaksheid van anderen. En al in de eerste strofe is de wereld ver weg gesteld: ‘[…], vindt wat we niet / weten ergens oeverloos / plaats’. Terwijl de ‘wij’ roeien, en zich dus van het land verwijderen, gebeurt er iets wat we niet weten. Het ‘oeverloos’ verwijst naar oeverloos gepraat, maar ook naar bodemloos: de richting verloren. Het is een gedicht vol momenten, niet vol gebeurtenissen (‘ligt een plons achter ons’), die naar het andere verwijzen. Is Jooris de dichter van het concrete, het aardse,, dat alles brengt hij toch in een kosmologisch verband – niet vanuit een esoterisch of metafysisch denken (voor zover we daar over denken kunnen spreken) maar vanuit een civilisatie, vanuit een gecultiveerd bewustzijn. Weer kan dit vertaald worden in de overgang van het concrete naar het abstracte: ik zie, de mens beseft.

Duet 1 en 2 (III, 2-3). Laten we dit als een relatie zien, een samenklank, een kantelen ‘in evenwicht / oneven’, samen een boek, een balanceren. Het tweede gedicht is een gebaldheid van een samenzijn dat door de tijd heen evolueert, naar een ijlheid die het aardse overweldigt. ‘Hun in elkaar / geborgen / afzonderlijk geheel // hun amechtig gezongen / afzijdig zichzelf zijn // hun opgaan / als in een berglucht / hun hijgen steeds / ijler’. De regel ‘afzijdig zichzelf zijn’ is het levensmotto van een eenling: aan de kant staan, zich niet laten besmetten, en toch niet alleen zijn (want afzijdig), naast de mensen bestaan. Het grote bij Jooris is dat hij géén psychologie schrijft, hij beschrijft als een wetenschapper de buitenkant maar omdat hij het cultuuroog bezit, ziet hij door die oppervlakte (die geen oppervlakkigheid is) een mens, die twijfelt, aarzelt, hinkt, zich verbaast.

Hier 1, 2, 3 (III, 4-6). Hier ‘het gemoed van / zijn kamer’: een plastisch beeld dat niet realistisch is, toont toch hoe een mens kan zijn. Het ‘geroep komt van niemand’: de ontpersoonlijking maar wel het besef dat er menselijk leven is. Noem dit het naamloze, het collectieve, steeds is het die tendens naar abstrahering – wat weer iets anders dan abstractie is. Soms zijn de gedichten zo gesloten dat ze bijna solipsistisch zijn/aandoen, zonder echter hermetisch te zijn: niet alleen de ander is een raadsel, het ik is dat evenzeer – en nog meer die wereld. Mooi is hoe Roland Jooris in het derde deelgedicht de tijd laat versluimeren en zo laat voorbijslenteren: ‘Schamel / leest een lamp / het fluisteren van tijd’ – waarbij ‘schamel’ niet langer een negatieve klank bezit maar hier verwant is aan ‘schraal’, ‘mager’, niet fel en daardoor samengaat met het ‘fluisteren’. In de volgende strofe komt dan  het werkwoord schemeren (dat toch echt niet een werkwoord is) en in de eerste strofe was er een ‘versterven’: dit is niet de platvloersheid van het volle leven; het is de gecultiveerde zachtheid van het leven zelf – plaats deze woorden naast de schilderijen van Bram van Velde, en zie: de schaarsheid wordt rijkdom.

 

Daarbinnen, Solo (IV, 1). Een je-gedicht, te vergelijken met een men-gedicht van Gerrit Kouwenaar. Naar de titel is dit een gedicht over een persoon, laten we hem maar een dichter, een ik noemen. Een onthutstheid, een figuur die in een landschap staat (‘vervagen’), een terugkeer naar de cultuur (cello). De vergelijkingen die Roland Jooris maakt, zijn geen homerische: ze maken wat te vergelijken is, niet groter of universeler maar keren terug. Zo ook hier: van een onwetendheid, een onmogelijk absolute, het onuitspreekbare komt hij in de laatste strofe terug naar ‘Als op een cello / schrijnt’ wat een terugkeer is naar een geslotenheid, niet een opgeslotenheid, maar een verbeten zoeken naar zichzelf, een hardnekkig bestaan. Het beeld van Quaker-huizen: strengheid, eenvoud, menselijke maat.

Dit (IV, 2). Het zou een vergissing zijn de poëzie van Jooris als lieflijk of zoetgevooisd af te doen. Er zit niet alleen halsstarrigheid in dit oeuvre, er is ook een vechtlust aanwezig – en elk verzet is gerechtvaardigd geweld want gericht tegen de domme agressie van de macht die vernietigt, het verzet maakt menselijk. Dit gedicht kan gelezen worden als een lichamelijk verbond, een in elkaar haken van lichamen – niet De kus van Rodin, wel De kus van Picabia of Pablo Picasso. Het leven, het gevecht dus.

Etude (IV, 3) beschrijft een inval, een vonk van herkenning, een klank die oproept. Roland Jooris is hier alweer de meester van het moment. Als een schilder die een kleurtoets toevoegt en daardoor het werk maakt. Toch is er ook hier weer een breken – dat positief een uitkomst biedt. De wereld van  Jooris is niet een gemakkelijke wereld, er zijn obstakels (van de dingen, van de anderen, van onszelf), er zijn ongemakkelijkheden en mislukkingen. Maar telkens weer: het hoort erbij. Een schilder die een vallende vaas schildert, heeft een werk gemaakt. Een dichter die een val beschrijft, heeft een gedicht gemaakt.

Zij (IV, 4). Misschien is dit wel een moedergedicht. De kracht van vreemde beelden bij elkaar te brengen (niet als Marcel Duchamp, geen confrontatie of definitieve vreemdheid, maar een verheldering: twee beelden maken een nieuw beeld dat de oorspronkelijke beelden devalueert: de taal wordt nieuw gemaakt): ‘In de heupen van / zijn handen’. Het is alsof (maar dit is Hineininterpretierung) de dichter zijn oude moeder aanraakt (zijn handen worden heupen) en in haar de dood voelt, die sereen is en in de armzaligheid (maar dit is geen negatief woord) van het lichaam het kind vermoedt (‘haar oorsprong huivert nog’) en de resten van dit leven is ‘de schoonheid die zij / berokkent’. Het woord berokkenen komt gewoonlijk voor in samenhang met ‘kwaad’, maar hier wordt schoonheid verbonden met berokkenen: elke schoonheid bezit een weerhaak. Schoonheid is altijd pijnlijk, de roos die kwetst is een cliché maar ook waar. De dichter echter neemt dit concrete beeld niet over maar wel de gedachte, hij abstraheert en maakt er een voor altijd beklijvende versregel van. Zo werkt kunst.

de poëzie van roland jooris : een in zichzelf woelende steen (1)

Bladgrond, Roland Jooris (Querido, 2016).

Bladgrond: de humus van verrotte bladeren. Het blad dat de grond van het denken en schrijven is. Materie. Dood en wit. Zwart en donker als vette grond, vol wormen, ongekend leven, vruchtbaarheid. Wat doet groeien en bestaan. De oorsprong is nog zichtbaar: men ziet de lagen van opeengeperste bladeren, men woelt, voelt en ziet dan het begin, het proces en het resultaat.

Zeven (‘Zoek de zeven’, Tijl Uilenspiegel van Charles De Coster) secties, elk benoemd met een typerend woord: eenzelvig, oponthoud, tweevoud, daarbinnen, gedenkstenen, basaal, dwars. Elke sectie bevat  een beperkt aantal gedichten (sectie 1, 5 en 7 : 5 gedichten : sectie 2, 3 en 6 : 6 gedichten ; sectie 4 : 4 gedichten). De titels van de gedichten zijn kort, bestaan meestal uit 1 woord, met uitzondering van de 7de sectie, ‘Basaal’, en in de 3de sectie de titel ‘Op het meer’.

Ook de gedichten zijn kort, niet zozeer in lengte wel in aantal woorden. De typerende vorm is een verticaliteit, Giacometti-achtig soms. De woorden en zinnen worden gezet, vloeien niet uit elkaar voort, de babbelzucht wordt aan het echte leven gelaten. Laten we maar meteen het misverstand uit de wereld helpen: Roland Jooris is in het uiterlijke leven geen asceet, geen zwijger maar een Bourgondiër die smakelijk vertellen kan en beweging zeer genegen is.

Eenzelvig, Model (I,1): reiken naar iets dat zich terugtrekt, het niet vatten kunnen. Een onmogelijkheid, maar geen mislukking. Een handelen dat in zichzelf een handelen is: niet het doel (wat zou het doel ook moeten zijn): maar het tussengebied, dat van het leven.

Genese (I,2): de titel duidt op een geboorte, op iets wat zichtbaar is. Geboorte is het gevolg van een oorzaak maar juist dit wordt in het gedicht ontkend: wat is, is ontstaan uit ‘vermoeden’ (instinctmatig), ‘uit nevel’ (wat niet belijnd, niet duidelijk is), ‘uit het lispelen van wind’ (wat niet duidelijk hoorbaar en niet te vatten is), ‘uit ontkenning’ (de negatie van het zijn zelf) en dan komt de menselijke actie het ‘doorstrepen’ zelfs van wat uit hoop geboren was. Jooris roept in strofe 3 en 4 op wat anderen een ‘sublieme natuur’ zouden noemen (gebergte, het hoge klimmen, het uitzicht) maar in strofe 5 wordt dit alles ‘neergeslagen’ en toch behouden: ‘het niet bestaande / schudt ons door elkaar’. Er is een rest van het sublieme dat ons door elkaar schudt, maar het is niet die bestaande natuur maar wel het vermoeden, dat wat meer is, dat wat zich achter de dingen bevindt dat in het Pauluseffect voelbaar is. Toch is Jooris géén metafysisch dichter, ook het religieuze is niet aan hem besteed, niet het universum, het grote overweldigen. Het is de innerlijke dichter die beweegt.

Inspraak (I, 3). Een eigenaardige titel voor een dichter die zich afzijdig wil tonen van die wereld vol leugenaars en mannetjesputters en er is dan ook weinig gesprek merkbaar in dit gedicht. Weer zijn er de paradoxen als ‘Men beklemtoont / wat lippen niet uiten’, even verder gaat het over mondhoeken en gemonkel – weer hebben we een materialiteit. Er zijn weer de ‘eigenaardige’ woordcombinaties: een avond die aanvankelijk wordt en zich omkeert. Het plastische zien: de dag die in avondschemering overgaat en zich dan als een kledingstuk binnenste buiten keert en nacht wordt. Nemen we een andere betekenis van het woord omkeren, dan is het de Januskop die tevoorschijn komt. Het gedicht is abstract, er zijn geen concrete be- of verwijzingen en toch is het beeld duidelijk en levendig: een boomgaard, stoelen, avond, vrienden, spreken.

Tegemoet (I, 4). De titel veronderstelt de ander en/of het andere en is daarom atypisch voor het werk van Jooris. Deze vervreemding zet zich verder omdat er sprake is van een ‘we’ die op een doel afgaan ‘dat we niet kennen’. Weer hult het gedicht zich in raadselachtigheid: ‘Om het even naar waar / onderweg trekt zich / een spoor van gemis / achterweg’. Er wordt een weg gegaan maar het spoor van gemis is dat wat achtergelaten wordt: het gaan en het doel zijn geen winst als er verlies is. Maar het woord ‘achterwege’ maakt het duister: laten we een spoor achterwege, laten we dus geen spoor achter of staat achterwege apart en betekent het dan ‘het niet laten gebeuren’? Het menselijk tekort: hoe en wie en wat we ook zijn.

Tafel (I, 5). Het atypische wordt in dit gedicht verdergezet doordat Jooris zowaar het woord ‘ik’ gebruikt – hij, de dichter van de abstrahering in het gebruik van het concrete, maar wel ‘Van vormen zonder ik / de ruwe eenvoud / af’ en even verder ‘als iedereen weg is’: ook hier is er een restfunctie: als iedereen weg is, de woorden uitgesproken, de gebaren weggeveegd, dan is er nog iets dat blijft hangen: het laatste woord is ‘daarachter’. Roland Jooris is een materialistisch dichter en hij toont hoe de ongelovige een leegte kan aanvaarden, niet alleen die van het onuitgesprokene, maar ook van het onuitspreekbare. Het is de mens die stappen zet en toch stoppen kan, de dingen los kan laten. Een ongelovige monnik. Het is daarbij wél typisch dat het gedicht ‘Tafel’ heet, door zijn concreetheid denken we aan Raveel, ook hij kon van dagelijkse dingen een archetypisch beeld geven.

 

Oponthoud, Nabij (II, 1). Het gedicht begint zo: ‘Uit stilstand gebeiteld / beschouwen’. De zin / de gedachte wordt niet afgemaakt. De dichter beschrijft een stilstand, of beter een uiterlijke stilstand want er is een inwendige activiteit bezig : beschouwen. De beitel verwijst uiteraard naar de kunstenaarspraktijk. Het hele gedicht cirkelt rond het stilstaan (niet de stilstand). Dit is een poëzie van het zijn (niet dat van Heidegger), niet van het handelen of de metamorfose, de beweging. Er is een ik en daartegenover een wereld: het gaat er niet om die wereld te beheersen maar wel zichzelf te verklaren: hoe zich te verhouden tot het andere. Dat echter geen einddoel, geen oplossing moet hebben: het laatste woord van dit gedicht, ‘waarachter’, hangt in het ijle. Het is goed te weten dat er iets niet is. ‘Bevlogen inzicht dat / gekwetst naar buiten kijkt’: de poëzie van Roland Jooris is het verslag van hoe het individu door de wereld aangevallen wordt, omwille van de inzichten. De doelstellingen van de mens zijn niet die van de wereld.

Tactiel (II, 2). De titel is ‘lichamelijk’, niet als (erotisch) lichaam maar als dinglijkheid: het aanraken, het bestaan. Steeds is er die tweespalt: enerzijds de materiële wereld, anderzijds het onvatbare en toch is er geen sprake van een onoverbrugbare kloof. Het ‘andere’ behoort niet tot een andere wereld maar tot déze wereld, de aarde. Drie strofen die elk beginnen met het woord ‘hoe’: de dichter beschrijft maar laat ons niet weten wát. Driemaal is er sprake van een hij en ook hier is de toestand er een van ná het handelen. Als we de poëzie van Jooris ook een levenspoëzie noemen, dan is dit een kunst van het loslaten, het afruimen van de wereldse rafeligheden, de overbodigheden. Dan is dit het verslag van een zich ontdoen, een zoektocht naar een menselijke kern – zonder essentialisme.

Nog (II, 3). Het titelwoord wordt ook hier niet herhaald in het gedicht zelf – er is dus geen sprake van een illustratie maar wel van een algemener niveau. ‘Nog’ is het woord van het verlangen, het nog niet bereikte, het nog echter ook van het nochtans. Het onmogelijke wordt hier toch nog mogelijk gemaakt : ‘Hij raapt op / wat niet gevonden / kan worden’. De hij staat dus buiten de wereld: wat raapt hij op? Daar spreekt de dichter niet van, want het ‘wat’ is dat wat de wereld niet kan zien of verwaarloost. Weer evoceert de dichter het onuitgesprokene, dat wat in de lucht hangt en niet gegrepen kan worden maar toch aanwezig is. Het zijn slechts enkelingen die begrijpen.

Geluiden (II, 4). Het woord bevlogen in dit gedicht is een echo van hetzelfde woord uit II, 1. Weer een typisch Roland Jooris-woord: ‘eenkennig’. Het woord refereert ook aan Samuel Beckett – Jooris heeft wel meer verwantschap met hem, niet alleen op geestelijk gebied, ook in de belangstelling voor de beeldende kunst – maar bij hem is er niet die tragische diepte. Er is meer wijsheid, geen opstand: een aanvaarden van wat we niet kennen en niet moeten kennen. Er is weinig maatschappelijke ambitie (dit geldt niet voor het artistieke: daar zijn de normen nooit hoog genoeg – ook dit is een idee dat niet meer aanvaard wordt: alles is immers ‘top’). Het woord eenkennig verwijst ook naar de eerste sectie, ‘Eenzelvig’ getiteld. Beide woorden hebben echter een nuance-verschil. Eenkennig is verlegen, wil enkel zichzelf kennen. Eenzelvig is teruggetrokken, iemand die op zichzelf leeft. Het eerste is eerder een ‘mankement’ (maar wie beoordeelt dit?), het tweede een bewuste houding en levenswijze – het genoeg van de wereld hebben. Het gedicht is een mooi voorbeeld van de joorisiaanse werkwijze. Een titel ‘Geluiden’ en bij eerste lezing is niet helemaal duidelijk wat de titel daar doet. Dan lees je het eerste woord, ‘Eensluidend’ als ‘eens-luidend’ en je herkent de stam. Er is ook het woord klanken. En verder een kuchen, er is sprake van snaren. Het gedicht is ontegensprekelijk abstract maar het werkt met concrete beelden en juist dit is de kern van de joorisiaanse raadselachtigheid: wat we menen te kennen is helemaal niet kenbaar maar ook: door het abstracte in een concreet beeld onder te brengen, begrijpen we in een oogopslag (of in een flits – om het dan  weer kwijt te raken) wat we kwijt kunnen spelen en wat het denken is: een beweging in zichzelf – en naar het woord van Hegel is denken een in zichzelf bewegen, daar is ook de waarheid te vinden.

Geluiden

Eensluidend oneens
een zich bevlogen
aan klanken bezeren

een kuchen
eenkennig, een schutterig
vegen op het geheugen / van snaren gestreken

een inval
schudt
zijn veren
als op een drempel
verloren
in de vroegte

(WordPress laat niet toe dat schudt wat meer naar rechts moet staan.) De kortheid van de woorden, de herhaling van klanken en klinkers, het stamelen, het aanwijzen: ziedaar Roland Jooris.

het breken, het openbreken (2)

zwart-rood_9

De Neue Zürcher Zeitung, Angela Schreder, bericht op 17 augustus 2016: » Schriftstellerin Asli Erdogan verhaftet : Zu nah am Feuer : In Istanbul wurde vergangene Nacht die Schriftstellerin Asli Erdogan verhaftet, weil sie für eine kurdische Zeitung arbeitete. Die so mutige wie fragile Frau war 2012 Writer in Residence in Zürich. «

Misschien kan het zo opgelost worden. Dat alle waarheidssprekers uit Turkije in het Westen toegelaten worden en laat de verachters van de Verlichting in het Westen, zij die hun macht misbruiken, door Erdogan verwelkomd worden. Turkije is een groot land. Laat de beker voorbijgaan die ons doet kiezen tussen Erdogan en Gülen: het is niet omdat de een een dictator is, dat de ander een vriend moet zijn.

Het grootste deel van het Westen heeft de moderniteit nooit begrepen en aanvaard – vandaar de gebrekkige relatie tussen individu en sociale structuren, de achterhaalde organisatie van de arbeid, de problematische verhouding tussen de seksen, het onbegrip van de democratie, de idee van het humanisme dat nooit in zijn consequenties begrepen is, noch in zijn individualistische component (dus concreetheid) noch in zijn sociologische bepaaldheid (dus de abstractie). Het latente, al dan niet begrepen ongenoegen, krijgt daarbij een duidelijke vijand: de ander – waardoor een normaal, kritisch antimachtsgevoel / en -instelling, plots een ranzige rand krijgt, daarom niet in de feiten wel in de interpretatie van de elite. (Het is al te populistisch om steeds van ‘racisme’ te spreken, omdat dit begrip verworden is tot een onderpastoorsverwijt, geen intellectuele grond meer bezit.) En ook hier is er dus slechts een moralisme aan de gang: men noemt de ander slecht, men doet aan intentiepsychologisme, men doet aan karaktermoord (het typische verweer van de intellectueel onmachtige) – terwijl men structurele inzichten zou moeten opbouwen. Het toppunt van deze sentimentaliteit was natuurlijk Bert Anciaux, de anti-politicus wiens discours nationalistisch-moralistisch en dus per definitie reactionair is. Dat deze vlaams-nationalist in de socialistische partij is kunnen infiltreren, zegt nog meer over die partij dan over Anciaux – maar hij heeft een batterij volgelingen in de structuren kunnen achterlaten. Vander Taelen toont in zijn boek hoe nefast het sentimentengoed was/is. En dus is zijn hoofdstuk ‘Het geld van Daarkom’ een bevestiging van hoe de politieke elite geen intellectuele elite meer is maar een populistisch beleid voert dat zelfs geen beleid meer te noemen is – want beleid moet steunen op ideeën.

Dat het anders kan: herinneren we ons Emile Vandevelde die wél de moed had om te denken, de problemen te detecteren en tegen zijn eigen publiek in ging met het indienen en doen goedkeuren van de anti-alcoholwetten. En vandaag steunen de populistische partijen nog steeds de tabaks- en alcohollobby’s, om niet te spreken van de gokmaffia en dit alles onder het motto dat het volk heilig is en de intellectuelen moeten opgeknoopt worden.

Als reactie op de moorden door islamisten bezweren de machthebbers om ‘onze’ levensstijl niet te veranderen en dus te blijven ‘feestvieren’ en samenkomen. Als dit ‘onze’ levensstijl is, dan is dit toch maar het ons in slaap wiegende consumentisme en is de minachting van de Islam voor het Westen dan misschien wel terecht. ‘Onze levensstijl’ is echter niet het feesten maar wel de idee van vrijheid van denken en spreken, de bevrijding van de arbeid – en juist dit wordt door de Reactie aan banden gelegd en onmogelijk gemaakt. De macht bevestigt daarmee de zwakte van het Westen. In de feiten is dit de echte toenadering tot de Islam.

Overigens is een quad een voertuig dat overlast berokkent, dat immers slechts bestaat in en door agressiviteit en dus een moordtuig is en als een jongen van 15 jaar (net geen kind meer, bijlange na nog geen volwassene) een quad bestuurt, dan is niet hij het slachtoffer, en zijn zijn ouders dat ook niet, maar is de omgeving het slachtoffer van terreur. Wie met een quad rijdt, valt de burger aan.
En onderdrukking is, horen we, eigenlijk een vorm van emancipatie en het lichaam ontkennen en verachten een lofzang op het leven.

De ondertitel van het pamflet van Luckas Vander Taelen, ‘hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme?, duidt op die zwakke positie van het Westen: niet de vraag naar het reageren is de belangrijkste, wel hoe te ageren: het initiatief moet in handen genomen worden, een reactie is steeds een zwakte. Omdat de analyse van Vander Taelen anekdotisch en niet structureel-intellectueel is, kan er van zijn kant ook geen oplossing komen. De auteur stelt zich tevreden met enkele moraliserende uitspraken – en heeft daarmee slechts het conservatief discours overgenomen. Het is de retorische weg van rechts: een tranerig verhaaltje van een zielig mensje (dat wel sterk wordt, op het einde) om zo een maatschappelijke discussie te vermoorden (zo werkt Reader’s Digest). Maar juist daar moeten we van af: door deze zwakke vorm van denken, komt men niet verder dan een culpabiliseren van individuen (want men denkt niet in structuren) en dit is dan het einde in een maatschappelijke discussie : het is schuld of onschuld, verder kan men niet gaan. Omdat dit soort denken niet functioneert en dus geen oplossingen kan bieden, moet er op een andere manier tewerk gegaan worden.

Ook een uitspraak als ‘Straks wordt Brussel nog fundamentalistischer dan de islamitische republiek Iran.’ doet Vander Taelen’s betoog geen goed. Iran is uiteraard geen republiek in de Westerse betekenis van het woord, ‘straks’ is in deze zin demagogisch gebruikt, en het gaat natuurlijk niet over ‘Brussel’ of over delen van Brussel maar over groepen die ultrafundamentalistisch zijn. Een dergelijke uitspraak is vanhetzelfde niveau als ‘dit is ons land niet meer ‘ – want arbeiders, bij uitbreiding de machtelozen, hebben geen vaderland.

Het is jammer dat Vander Taelen zich door dit soort retoriek heeft laten meeslepen (en dat de uitgever dit niet heeft kunnen verhelpen) omdat hij op andere plaatsen de onjuistheid van zogenaamde redeneringen scherp blootlegt en er de perversie van aantoont. Dat islamisten met Joden vergeleken worden, is uiteraard zeer ‘onkies’, mensonterend, en dat hij onder de Israëlkritiek het antisemitisme blootlegt is hem een lofprijzing waard. ‘De schandalige vergelijking tussen islamofobie en antisemitisme is ondertussen al zo vaak gemaakt – onder meer Bert Anciaux [een nationalistisch-socialistisch politicus die voor de socialistische partij in de senaat zetelt] ratelt ze al jaren als een mantra af – dat ze door veel Brusselse jongeren voor waar aangezien wordt.’ (p. 28) maar helaas zien we in deze zin ook de beperktheid van Vander Taelen: net alsof het probleem een Brussels probleem is, het is echter geen Belgisch maar een cultureel probleem – het woord mantra gebruiken is natuurlijk ook retoriek.

In De Standaard van 6 augustus 2016 verscheen een stuk van Jens Christian Grøndahl waarin hij spreekt over het boek Heidegger, de Joden en de Shoah van Donatella Di Cesare – het boek is voor zover ik weet niet vertaald maar zou nu zeer goed passen in het fonds van De Bezige Bij. In dit artikel (op basis van het besproken boek) toont hij aan hoe het Jodendom de kern van de moderniteit vormt en dat in de Westerse cultuur het antisemitisme niet overwonnen is, dat we vandaag de dag een regressie meemaken. Dit wordt versneld en verhevigd door het islamisme en het bondgenootschap van links met de Palestijnse terreur. Grøndahl schrijft: ‘Een van haar [Di Cesare] hoofdthema’s is hoe ‘Jood’ in Heideggers existentiële filosofie een kenmerkende factor werd voor de kosmopolitische, vervreemdende moderniteit.’ Di Cesare toont aan hoe het antisemitisme geworteld is in ‘Blut und Boden’ en dus onlosmakelijk met het nazisme verbonden is – maar ook met de problematiek van het modernisme – niet voor niets werd Picasso in de jaren dertig als Jood gekenmerkt. Het is het buitensluiten van het individu, de ideeën over authenticiteit, geworteld-zijn en plaats die samenkomen in een cluster waardoor de Verlichting zelf vernietigd wordt. (En de Verlichting is plots (van het ene op het andere jaar) van kamp veranderd; was dit tot voor kort nog een verwijzing naar bevrijding, is dit nu een rechtvaardiging voor beknotting en onderdrukking geworden – niet alleen van de ander, maar ook van ‘het eigen volk’.)

Vander Taelen verwart in zijn betoog de Westerse waarden met universele – de Westerse zijn dat niet maar hebben wel de potentie om internationaal aanvaard te worden indien er een aantal premissen aanvaard wordt – net zoals de islamitische wetten ook een universele waarde kunnen hebben – als ze opgelegd worden. Vander Taelen vertrekt vanuit een westers standpunt, redeneert binnen dit kader en komt tot de conclusie dat dit een oplossing is – maar wie vanuit een ander standpunt vertrekt, komt tot andere conclusies. ‘Ik heb het gevoel [sic] dat we [sic] er hier in België universele waarden op na houden, over mensenrechten, recht op onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen, over vrijheid van godsdienst, over scheiding tussen Kerk en staat, over de gelijkheid tussen man en vrouw. Door niet duidelijk te zeggen welke de verwerpelijke waarden zijn waaraan nieuwkomers zich moeten aanpassen [sic], stelt Mahy [de coördinator van Kif-kif, een organisatie in het leven geroepen om enzovoort] het voor alsof migranten in hun vrijheid beknot worden. Terwijl die waarden net universeel zijn en voor iedereen gelden en een garantie zijn op vrije beleving van zijn hoogst individuele overtuiging en geloof.’ (p. 36). De slotzin maakt duidelijk hoe ver Vander Taelen af staat van een sociologisch begrepen groepsdenken.

Het zou doordachter en intellectueel eerlijker zijn om die universele waarden als Westerse waarden te benoemen en het ene systeem tegenover het andere te stellen: maak uw keuze: het leven of de dood, of omgekeerd: de dood of het leven – al naargelang het standpunt. Maar hier maakt Vander Taelen wel duidelijk hoe de integratie onmogelijk gemaakt wordt door de politiek die zelf de integratie afwijst : men veronderstelt immers dat multiculturalisme het aanvaarden van de Verlichting is – terwijl multiculturalisme een oorlog tussen verschillende uitgangspunten betekent en steeds een poging is het eigen waardenpatroon aan anderen op te leggen. En dus in principe onmogelijk is: wanneer een godsdienst het publieke leven wil bepalen, kan hij niet aanvaarden dat de godsdienst enkel het persoonlijke leven mag bepalen. Het multiculturele is slechts mogelijk wanneer groepen (staten) naast elkaar bestaan maar daarboven een algemeen aanvaard stelsel gebruiken om te kunnen functioneren – het gaat dan ook niet langer om waarheid of moraliteit: de functie is een technisch systeem.

Toch erkent Vander Taelen op andere plaatsen deze gedachtengang : ‘Te vaak vertrekken wij vanuit het idee dat voor elk ideologisch meningsverschil een harmonieuze oplossing mogelijk is. Dat is helaas een romantische illusie, want de werkelijkheid is anders : in een multiculturele samenleving zijn conflicten onvermijdelijk en het is beter ze te erkennen dan in te binden op zijn principes. Cultuurrelativisme, waarbij men vanuit onmacht of een schuldgevoel zijn eigen culturele waarden ontkent, mag niet het antwoord zijn bij conflicten die religieuze gevoeligheden als basis hebben.’ (p. 59). Maar het is ook een al te modieus denken het conflict als bestaansreden in te roepen – mensen willen een rustig leven.

De bedreiging van het Verlichtingsdenken wordt in de eerste plaats veroorzaakt door een aantal Westerse ideologen: wanneer men wetten aanneemt die het denken aan banden leggen, dan is men in de praktijk een islamistisch rechtssysteem aan het introduceren. Het negationisme verbieden is daarom een anti-Westerse wetgeving, net zoals dit ook geldt voor wat genoemd wordt de islamofobie: ‘[…], Bert Anciaux (SP-a) die met de jaren een steeds fanatieker verdediger werd van de islam, legde in de Senaat zelfs een voorstel neer dat islamofobie strafbaar zou maken.’ Het probleem is uiteraard dat de begrippen gedefinieerd worden vanuit een machtsdenken, niet vanuit een vrijheidsstreven. Als men na elke islamistische terreurdaad (ten onrechte) excuses eist van moslims, dan zou men die excuses ook wel aan die politici mogen vragen die een reactionair en van domheid doordrenkt beleid willen opleggen.

Terecht maakt Vander Taelen ons attent op het verschil tussen de reële onveiligheid en wat de machthebbers of de ideologen ‘het onveiligheidsgevoel’ noemen omdat men daardoor mensen belachelijk wil maken: ‘ha, het zijn maar bangeriken, we hoeven geen rekening te houden met gevoelens’ – en die gevoelens worden wel voor de machtsconsolidatie opgeroepen en in beweging gezet – om aldus de Verlichting te vernietigen.

Vander Taelen ontkent het simpele verband tussen maatschappelijke achterstelling en ‘de aantrekkingskracht van het terrorisme’ (p. 76). Er is inderdaad een religieuze/culturele oorzaak die los staat van wat nu, hier en ginder gebeurt. We kunnen dit vergelijken met de linkse beweging: niet de arbeiders, maar de hoofdarbeiders en de burgerij hebben het socialisme ontwikkeld en het is vanuit die middenklasse dat de oude, aristocratische, katholieke maatschappij is aangevallen. En dus is ook hier de conclusie dat ‘de gematigde islam’ onderwerp van strenge en onverbiddelijke godsdienstkritiek moet zijn – en er mag gelachen worden. Hier past ook een analogie met de zogenaamde ‘beledigingen’: men doet alsof de belediging in de Islam niet bestaat. Maar waarom mogen Joden dan wel beschimpt worden, mogen vrouwen uitgescholden worden, wordt er te onpas en te onpas gespuwd, waarom worden mensen in publieke dienst constant beledigd en uitgedaagd?

Het is onjuist, en dit lezen we ook weer in dit pamflet, dat het onderwijs gebruikt wordt om de radicalisering tegen te gaan. (Ons denken cirkelt nog enkel rond ‘het probleem’ waardoor er geen ruimte voor creativiteit meer is: ook dat verklaart de politieke en culturele stilstand.) Liever had ik gehoord dat het onderwijs dient om kennis op te doen: culturele en wetenschappelijke om mens te worden; praktische om te functioneren in een maatschappij die komt. Onderwijs heeft niet als doel om het extremisme aan te pakken. Onderwijs is er niet om een integratiepolitiek te voeren: onderwijs komt na de integratie. Kennis en cultuur zijn er om mensen een menswaardig leven te geven, om een voorstel te doen om het leven aan te pakken. De school dient er niet voor (p. 86) om aan te tonen dat godsdienst en secularisme simpelweg naast elkaar kunnen bestaan.

Het seculiere project moet geponeerd worden als het enige systeem: het is de abstractie waarin het concrete kan bestaan. De republiek geeft vrijheid. Als een godsdienst zich niet wil beperken tot een private beleving, dan is het samenleven onmogelijk – want ook hier en nu is de ongelovige, de scepticus, de atheïst de ander die vernietigd moet worden. Het ‘actief pluralisme’ is een mooi, sofistisch begrip maar betekent in onze wereld niets. Net zoals Dyab Abou Jahjah de laïciteit ‘de militante godsdienst van de vrijzinnigheid’ (p. 109) noemt: dit is het moedwillig onjuist gebruik van woorden. Zo wordt het debat verziekt en onmogelijk gemaakt. De betekenis van de taal wordt vernietigd, de argumenten gemoraliseerd, de tegenstander gedemoniseerd: doordat het rationele denken vernietigd wordt, is de Verlichting en haar modernistisch project de facto voorbij. En treden wij nu de duisternis in.

Overigens is dit alles van geen tel. De demografie heeft het laatste woord.

het breken, het openbreken (1)

 

zwart-rood_8

De grote verwarring : hoe moeten we reageren op het islamitisch fundamentalisme ? / Luckas Vander Taelen (Houtekiet, 2016)

Nee, met Cas Vander Taelen hebben we geen nieuwe Julien Benda. Het verhaal achter dit boek is een tragische historie. Een politicus van Groen! (toen nog met dat onnozele uitroepteken) beschrijft in een column wat hij dagelijks meemaakt in Brussel en wordt door de slechgemeente uitgespuwd: hij is rechts, nog net geen fascist, maar zeker wel een racist, enzovoort. De gekende strategie – ook ik kan mijn verhaal vertellen. En zo leeft men plots in een gescheiden wereld: die van de feiten en die van de leugens – en de normen en waarden zijn gelegen in het universum van de feiten. Vander Taelen is een interessant figuur omdat hij helder van geest is, creatief uit de hoek kan komen, overduidelijk een progressieve inhoud heeft en de durf heeft te spreken. Niet iedereen is een meeloper.

Vander Taelen begint zijn boekje (is er een redacteur aan te pas gekomen die de schrijf-, denk-  en drukfouten niet gezien heeft? Bijvoorbeeld: ‘Die actie leidde tot hoog oplopende discussies met rabiaat katholieke leerkrachten, die de neutrale positie van het officieel onderwijs nooit hadden aanvaard en voor wie de vermenging met hun geloof een evidentie was.’) met een foute voorstelling van de feiten door te stellen dat we in een oorlog verzeild zijn – soms gaat hij zelf te veel op in zijn retoriek, terwijl hij op andere punten zeer scherpe stellingen kan innemen – scherp, voor alle duidelijkheid, is niet extreem maar wel ‘scherp gezien’ en in de huidige maatschappelijke constellatie is dit nochtans ook maar gewoon de feiten beschrijven).

Hij geeft een aanzet maar hij gaat niet ver genoeg in zijn analyse: hij schrijft dat er een langzame infiltratie van fundamentalisme gebeurt maar dat is slechts gezien van 1 kant. Het wordt pas interessant  wanneer men inziet dat het rechtse fundamentalisme van het westen een bondgenoot gevonden heeft in het islamitisme en die bondgenoot is er omdat er in het Westen tekortkomingen en/of aberraties opgetreden zijn die niet benoemd en dus niet opgelost worden. Dat de islam met andere woorden aan invloed kan winnen, is omdat het Westers systeem zelf op grenzen gebotst is, die opgelost moeten raken door een creatief herdenken van het Westen zelf (en dan vooral door de sceptisch-pragmatische filosofie) maar dat opgelost wordt door het overnemen van een vreemd systeem waardoor het Westerse vernietigd wordt.

Een ‘gewapend bestuur’ is hier echter geen antwoord op, wie macht hanteert, is de intellectuele verliezer – ook al wint hij in de verdrukkingsfeiten.

‘De bedreiging door het fundamentalisme gebeurt echter niet altijd door bloedige aanslagen. Het is vooral een langzaam proces van infiltratie. Trage en kleine pasjes op weg naar de overwinning van een radicale godsdienst. Door de zelf opgelegde verblinding kon en wou de linkerzijde niet zien hoe radicale islamieten met steeds minder schroom belangrijke verworvenheden als de gelijkheid tussen man en vrouw of de scheiding tussen Kerk en staat terug willen draaien. Wie op deze gevaarlijke tendens wees, werd als een kortzichtige racist weggehoond.’ (p. 10)

Hier toont Vander Taelen zijn eenzijdige benadering: er zijn de goeden (wij) en er zijn de slechten (de islamisten) en het zijn zij die een gevaar zijn en eigenlijk ook begonnen zijn; links fungeert als vijfde colonne. Maar er is geen sprake van verblinding: men heeft het niet willen en kunnen zien. Maar tegelijkertijd mag men het links-humanistisch project niet als een onnozel soft ding voorstellen. Het goede deel van het Westen heeft aan de vreemdelingen een voorstel gedaan: er werd werk gegeven, er werd huisvesting en een sociale zekerheid voorgesteld, de familie mocht meekomen, er kwam een hele industrie op gang die de vreemdelingen wilde begeleiden, ondertussen waren er vreemdelingen die in structuren een carrière opbouwden. Zij die zeggen dat België racistisch is, moet kijken naar de top van de politieke structuren: op een korte tijd hebben heel wat mensen de uitnodiging met beide handen aangegrepen én de Belgische structuren hebben deze mensen een serieuze hulp gegeven. Is het mogelijk dat in Erdogan-Turkije een katholiek aan het hoofd komt te staan van een Islamistische partij? In België is het  omgekeerde wel het geval. Vreemdelingen hebben een stel gevonden in de christelijke partij, conservatieven hebben de linkse partijen naar hun hand gezet.

Het gaat ook niet om een ‘langzame infiltratie’ – er is niet zo iets als een ‘groot plan’ geweest: men is op een ruwe en brute manier te werk gegaan (er is misbruik gemaakt) en er is geen reactie op gekomen – stemmen zijn belangrijk. En die verworvenheden staan niet alleen onder druk door de komst van een agressieve islam maar ook, en in de eerste plaats, door een Westerse kortzichtigheid en een agressieve verrechtsing van de Westerse maatschappij zelf. De islam heeft het zo gemakkelijk omdat het Westen zelf op breken staat – en dit werd niet veroorzaakt door een externe ‘vijand’ maar wel door inherente gebreken. Het is de historische fout van links deze systeemgebreken niet aangepakt te hebben. Deze manier van denken gaat weg van het moraliseren en het culpabiliseren, ziet een structuurprobleem waardoor dit losgekoppeld wordt van mensen (met hun geloof of ongeloof) en is daardoor intrinsiek intelligenter.

Natuurlijk heeft Luckas Vander Taelen gelijk als hij schrijft dat : ‘[…] cultuurrelativisme elk gesprek over een specifiek probleem binnen één culturele gemeenschap uit de weg gaat door het te hebben over de onhebbelijkheden van alle culturen. […] Steeds weer probeert men het Westen een schuldgevoel aan te praten voor wat uiteindelijk vrije keuzes zijn van individuen.’ (p. 14) – maar in het tweede deel gaat zijn betoog in de mist want het gaat juist niet alleen om individuen: Vander Taelen redeneert vanuit een Westerse middenklassementaliteit waar het individu schijnbaar zichzelf bestuurt, maar in werkelijkheid door economische structuren bepaald is – en dat is ook zo voor de allochtonen, alleen wordt hun bepaaldheid bovendien gestuurd door een deelcultuur die ideologisch en cultureel vreemd is aan de oorspronkelijke cultuur maar even goed economisch afhankelijk is, en verder, die economische verworvenheden gebruikt om de deelcultuur de leidende te maken.

En dit cultuurperspectief maakt het Vander Taelen juist moeilijk: als hij betoogt dat men de scheiding tussen Kerk en staat niet respecteert, dan is dit vanuit het islamperspectief juist een positieve gedachte. Vander Taelen kan wel zeggen dat ze dit moeten respecteren maar als men de godsdienstvrijheid toestaat, moet men ook aanvaarden dat iemand zegt dat hij die scheiding wil slechten. En pas dan kan men beginnen redeneren. Daarom is het fundamentalisme niet het probleem (een moord is een moord, een bom is een bom) maar wel wat genoemd wordt de ‘gematigde islam’ (de fundamentalistische islam kan maar bestaan omdat er een gematigde versie van bestaat) omdat juist daar de kiemen gelegd worden van een opheffing van de scheiding tussen Kerk en staat. De islam subsidiëren en toelaten te bestaan in de publieke sfeer, is een aanval op en een negatie van de Verlichting.

Het is juist dit inzicht dat het ongemak van links kan verklaren – buiten hun intellectuele kortzichtigheid (zie de partijbonzen die steeds weer fulmineren tegen intellectuelen, kunstenaars, marginalen) dat echter niet het exclusieve kenmerk van links is. Links staat vanuit haar eigen geschiedenis kritisch tegenover de burgerlijke maatschappij en haalde haar geld en stemmen bij de onderdrukte klasse. (Links zou per definitie een anti-establishmentbeweging moeten zijn, dus een anti-elite: in werkelijkheid heeft ze de macht maar al te graag omarmd waardoor de aansluiting met de onderdrukten nu per definitie uitgesloten is. Links is sociologisch aan de rechterkant verzeild geraakt – en om een marxiaanse denkbeweging over te nemen: links is dus ook voor wat de bovenbouw betreft een rechtse propagandist geworden die de status quo wil behouden, nogal wiedes want ze bevindt zich in de machtsstructuren.) Omdat ze geen intellectueel inzicht meer had, stelde ze de gastarbeiders gelijk aan de arbeidersklasse maar zag niet in hoe de godsdienst de klassenstrijd overgenomen had. Dit kwam ook doordat links steeds een eenheidsdroom gehad heeft: de arbeider werd gedefinieerd als arbeider, niet als katholiek of atheïst. Links hanteerde een abstract mensbegrip maar dit botste in een wereld waar het abstracte denken niet meer mogelijk was – de paradox: het individuele denken is een verworvenheid van het rationalisme maar dit individualisme maakt het rationele denken nu onmogelijk – de betekenis van het begrip individualisme is in deze echter gewijzigd. Omdat links zich afgekeerd heeft van het intellectuele leven, was ze ook niet in staat om dit denken te vernieuwen en in de tijd te herdenken. Het verlies van het rationele denken in het Westen heeft meer problemen veroorzaakt dan wat rechtse esoterici kunnen verzinnen. In de plaats is er een consumentisme gekomen dat het denken en het samenleven heeft aangetast.  Onder het mom van individualisme is het individu vermoord en loopt de mens als een rat in het gareel – wordt hij gedwongen in het gareel te lopen. En wie de werkelijkheid ziet, weet dat links en rechts dezelfde ideologie hebben. Als lemmingen.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 63 andere volgers