sfcdt

quatorze juillet

La fête nationale: elle est nationale, comme l’imbécilité et l’avilissement de la France.

Léon Bloy

(beeld en geluid: tekst van Vincent Hyspa, muziek Erik Satie, 1899)

Advertenties

de vrijgevochtene

13-07-2018_vrijheid en eer

‘Als ik myn geest uitspanninge wil geven, dan is het niet eer die ik zoek, maar vryheid.’, zou Rembrandt volgens Arnold Houbraken (De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, 1718-1721) gezegd hebben.

armando is dood (2)

12-07-2018_armando_2

De taal van Armando is niet karig, hij maakt overvloedig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden die een zekere heftigheid bezitten. Bijvoorbeeld het gedicht ‘De zandweg’ (uit Liever Niet, 2017)

Het is een groot terrein met zuilen,
een uitgestrekt geraamte,
geblinddoekt tot de laatste adem,
een lichaam in gesprek.

Met nadruk op de eis,
een langzaam leven na een pleidooi,
hoorbaar lopend naar de zandweg,
naar de allerlaatste dag.

Armando zei van zijn dichtwerk dat hij niet wist waar ‘het’ vandaan kwam, de adem van de muze, de boodschappen der goden, nietwaar. Zoals zoveel andere gedichten, weerlegt het bovenstaande gedicht die uitspraak. Armando ging uiterst bedachtzaam te werk en het influisteren is slechts als een metafoor te begrijpen voor het dichterlijke wérk. De zinnen van de gedichten gaan niet een weg zonder rekening af te leggen met de eerdere zinnen, er is een intern netwerk van verwijzingen waardoor de gedichten als zelfstandige eenheden tevoorschijn komen – en dus de eerdere bewering dat de gedichten binnen een context begrepen moeten worden, weerlegt. (Toch niet: de gedichten zijn vormen.)

De eerste regel zou kunnen doen denken aan een klassiek-Griekse tempel of ruïne: er zijn zuilen. De tweede regel maakt van dat beeld een nieuw beeld: de zuilen zijn als de ribben, de van vlees ontdane ledematen, een onbehagen sluipt nu binnen, na de helderheid van het woord zuil. Het geraamte brengt niet het klassieke schoonheidsideaal in herinnering (wat zuilen wel doen), maar de dood. De derde regel brengt voor ons de oorlog in herinnering: geblinddoekt worden mensen tegen de zuilen gezet – de zuilen zijn nu een beeld van de dood geworden. Palen. De laatste adem is letterlijk te begrijpen, maar is, wanneer we de tweede strofe zullen lezen, ook figuurlijk te verstaan, het inhouden van de adem. De conclusie van de eerste strofe (‘een lichaam in gesprek’), herhaalt het beeld van het geraamte, een lichaam, het gesprek zijn de geweerschoten, de bevelen en de doodskreten die niet door Armando vermeld worden. Een poëzie van de suggestie – de woorden suggereren niet, wél de betekenissen, het unheimische is niet aan te raken. Noli me tangere.

De tweede strofe lijkt het oorlogsgebeuren te verlaten en in het hier en nu gesitueerd te worden, dit wordt concreet gemaakt in het beeld van de zandweg, het dorre, het opstuivende, de verlatenheid. Zand is onvruchtbaar en moeilijk begaanbaar. Zand is al de dood. De strofe is raadselachtiger: welk pleidooi? Wanneer? Door wie? Waarom een eis? Langzaam te leven (de landweg, de zandweg roept het rurale op, verstoord door het geweld) is een eis, na wat gebeurd is: het snelle leven is het oorlogsleven. Is het pleidooi een vragen om te leven? ‘Naar de zandweg’, de weg niet naar het leven maar naar de allerlaatste dag. Zo keren we terug naar de eerste strofe en lezen we de tweede toch historisch. Zijn het de moordenaars die hoorbaar lopen, of zijn het de slachtoffers die naar hun allerlaatste dag stappen, is de traagte die van de ter dood veroordeelden die het pleit verloren hebben? Het gedicht is te lezen vanuit een slachtoffer en vanuit een dader – die ambivalentie is voor Armando typerend. Het schrijven op 2 niveaus maakt zijn werk gelaagd: er is het concrete en het abstracte, dat tweede maakt het moeilijk, interessant. Er is dus niet alleen een gelaagdheid op het niveau van de taal, ook van de betekenisgeving (auteur) en -neming (lezer).

Armando lijkt ahistorisch te schrijven. De personages zijn naamloos, hebben geen psychologie, zijn niet beïnvloed door een tijdgeest. De plaatsen zijn anoniem en de kenmerken algemeen. Plaatsen en personen worden bepaald door wat gebeurt, gebeurd is, door de handelingen die daar of hier gesteld zijn. Merkwaardig inzicht nu: doordat de personages, de schuldigen, van hun individualiteit ontdaan zijn, dragen ze een verpletterende verantwoordelijkheid en worden ze geappelleerd aan hun individuele taak, noodzaak. Zij doen het zelf, ze kunnen de schuld niet doorgeven aan ‘de tijd’, ‘de anderen’: nee, zijzelf. Ze hebben gedaan.

12-07-2018_armando_1

De plekken die benoemd worden, Berlijn, Amersfoort bijvoorbeeld, zijn niet alleen concreet, ze staan voor een ruimer verband. De plaatsen worden concreet bedoeld en hebben een abstractere betekenis. De nazi’s zijn te herkennen in het huidige beleid, ze doen het iets administratiever maar de dreiging is reëel en wacht op een aanleiding. Armando spreekt van het eeuwige kwaad, zoals hij spreekt van de eeuwige mens – hij die beter kan, maar het slechtere doet.

Tijdloos betekent dat het ook morgen kan gebeuren, u overkomen. De anonimiteit kan soms de uiting van een meelevend gebaar zijn, we noemen die persoon niet bij naam uit mededogen. Bij Armando is er weliswaar een objectiverend element aanwezig, maar veel dominanter is dat de dreiging meer aanwezig is, dat de anonimiteit zelf ook bedreigend is. Men wordt belaagd door ‘het’, men ziet het mes niet, men kijkt de moordenaar niet in de ogen – maar men weet dat de maffia aanwezig is – en wacht om toe te slaan. De anonimiteit is geen holheid, integendeel: de personages en de plaatsen zijn ‘vol’, er gebeurt wel degelijk iets, er is geen psychologie, maar wel is er een gedrag. En het meest merkwaardige bij die zo teruggetrokken schrijver: er is moraal.

Het beeld van de ladder is daarbij uiterst belangrijk. De ladder is de ontsnapping uit het kamp, de plek. En is het niet de opdracht van elke mens om zichzelf te overtreffen en de wolken te grijpen? Over het werk ‘De ladder’ dat Armando voor de gemeente Amersfoort gemaakt heeft, schreef hij: ‘De gevangenen hadden geen wapens, maar ze hadden een veel hogere ladder tot hun beschikking dan de vijand, al was het dan een denkbeeldige ladder. Het was de ladder van de gedachten, want gedachten zijn vrij.’ (Het is niet verwonderlijk dat ‘Vlaanderen’ geen werk van Armando in openbaar bezit heeft.) De ladder is daarmee een humanistisch, moreel beeld geworden, enerzijds een beschrijving van wat is (pasternakiaans), anderzijds van wat moet: men moet vrij kunnen denken. Die ladder beschreef Armando in zijn concrete materie: ‘Hij is groot en hoog, en, naar ik hoop, trots en ongenaakbaar. Hij is van brons.’ Dit is een humanistisch pleidooi voor het denkende individu. Trots is een atheïstische waarde.

Zowel het beeldend als het literair oeuvre spreekt de toeschouwer/lezer rechtstreeks aan. Het oeuvre wil niet op zichzelf staan, hermetisch en afgesloten, nee, er is een voortdurende dialoog. Een kleine tekst als voorbeeld, de beginzin is een vraag die uit een verhaal getrokken is, de ‘partner’ is aanwezig, er is reeds gesproken, Armando isoleert een fragment, de rest is ruis, een gecondenseerd gesprek, weten wat belangrijk is, is een teken van intelligentie:

‘Wat dat geraas in de verte is? Dat is het grote, dat zich over het kleine ontfermt, het grote, dat zich van het kleine meester maakt, dat het kleine onder de voet loopt. Ja, jij hebt gevraagd wat dat geraas in de verte is., ik probeer een antwoord te geven.’

De eerste zin is een weergave van wat angst veroorzaakt: geraas, lawaai is steeds het kenmerk van de barbaar. De verte komt altijd dichterbij, het nog niet gekende roept terecht angst op. Het kleine en het grote is een topos in de Westerse kunst: de grote vissen die de kleine opeten. Bij Armando krijgen we een crescendo: eerst lijkt het alsof de groten de kleinen beschermen, maar nee, het gaat om vernietiging. Dan ‘verontschuldigt’ Armando zich voor wat hij gezegd heeft: dat de wereld zo is zoals de wereld niet zou mogen zijn. De ander kan de waarheid niet verdragen – Armando heeft zich juist tot taak gesteld de waarheid te zien en uit te spreken, zich niet te laten verleiden door ideologische excuses.

Het schrijven van Armando zindert omdat zijn stijl vlak is, zijn taal is niet kleurloos, integendeel. Wel gebruikt hij korte zinnen, constateringen, feiten, geen verklaringen. Hij zet verschillende feiten naast elkaar, het is de lezer die het verband moet zien maar de auteur heeft het verband beslist. De lezer maakt het heftig, de betekenis die Armando aan zijn oeuvre geeft, graaft dieper dan het oppervlakkige: het is een appél aan het humane, dat wat ons maakt tot wat we moeten zijn. Al is het geweld van alle tijden, het geweld is niet het menselijke. Het zou een mooi experiment zijn om de gedichten in het Chinees te vertalen (bijvoorbeeld) en te zien hoe Chinese lezers dit lezen – nl. zonder de kennis van het nazisme, de moorden van collaborateurs op burgers, de verminkingen door de beesten hun medemens aangedaan. Blijft dit oeuvre overeind zonder de context die wij er in lezen of kan een andere cultuur een eigen context creëren die door deze gedichten opgeroepen wordt? Dan gaat het om het algemeen-menselijke en overstijgt Armando zichzelf, de tijd en plaats.

De stijl doet iets anders vermoeden, administratief-registrerend; de toon is vlak, kleurloos lezend, alle aandacht moet dus gaan naar de betekenis van de woorden (de beelden) zelf. Daardoor is Armando een sleutelfiguur bij de overgang van betekenis naar vorm én een toekomstgerichte kunstenaar, omdat hij de hedendaagse vorm neemt om een menselijke boodschap te geven. En ik weet wel dat ‘boodschap’ ouderwets klinkt, maar het klinkende kan ook het noodzakelijke zijn.

Is er geen gedicht van Armando dat als een vlag boven dat oeuvre uitsteekt, dan zijn er toch enkele begrippen die wél gemerkt zijn door hem (overigens is dit beeld zeer adequaat om het oeuvre van Armando te omschrijven: horizontale vorm, verticale inhoud). ‘Schuldig landschap’ en ‘de plek’ zijn woorden die onlosmakelijk met dit oeuvre verbonden zijn. Schuldig is een morele term, die voorbehouden wordt voor de mens. Een dier kan niet schuldig zijn (zogezegd) omdat het enkel zijn instincten volgt (maar een dier kan ook gedomesticeerd worden – o gruwelijke gedachte voor de Gaia-gelovigen). De natuur is onbewogen, herinner u Willem Elsschot, ‘Bij de dood van een kind’:

De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en ’t huis is overeind gebleven.

De verwondering dat de wereld onbewogen en onaangedaan is, nadat gebeurd is wat gebeurd is. Bij Armando wordt de natuur gepersonifieerd: de plek heeft gezien wat de mens de mens aangedaan heeft. De plek is daardoor besmet, is haar ‘onschuld’, neutraliteit kwijt. De plek is sacraal geworden, hier negatief bedoeld, doortrokken van het kwaad. (De plaatsen zijn heilige plaatsten (kerken, tempels, kloosters) geworden, herinneringen aan het kwaad, vervloekingen van de mens.) Als een zondebok heeft ze de schuld op zich genomen en legt daarvan eeuwig getuigenis af. Doordat de plek zwijgt en doet alsof er niets gebeurd is, vormt ze het contrast met het menselijke handelen en is ze een metafoor voor het oeuvre van Armando: zoals de plek emotieloos is, zo is ook de toon van dat oeuvre. Deze paradox: een emotieloos schrijven wordt een van gevoelens doorzinderd oeuvre. Het morele dat de mens moet dragen en waarvan de mens zich ontdoet – Armando lijkt niet te oordelen (dit is slechts schijn) – wordt overgedragen op het schuldloze landschap (let wel: een landschap is geen ‘pure natuur’) dat daardoor met schuld beladen wordt – en deze schuld keert terug bij de mens die observeert, die leeft te midden van de misdaad en doet alsof er niets gebeurd is.

De aarde (het zand van de weg) is van bloed doordrenkt, menselijke betekenis, zo is het werk van Armando doordrongen van betekenis. Kijk naar de diepte, laat u niet verleiden door de schijn van de oppervlakte, overal is wat gebeurd. Heilige aarde, heilige gramschap.

onze juillet

De flaminganten
(Volgens de Brusselse Spotbladen in de jaren dertig) [nu nog – en erger]

Wanneer ze politiek gaan banketteren,
eten ze vis met vel en graten op.
Een mes en vork kunnen ze niet hanteren
en kiekebeentjes keilen ze over hun kop.

Ze komen af op scheve schuiten van schoenen,
waarboven de broekpijp verkreukt in accordeon.
Hun trouwfrak blinkt van ouderdom rosgroen en
de gummiboord wringt geel uit hun plastron.

Met zwarte nagels omklemmen ze in gedachten
een goedendag en brullen bij pint en pot.
de Vlaamse Leeuw ; zij zullen dit geslacht en
zijn reine zeden hoeden voor ’t zuidelijk rot.

………

Was dit een flamingant in t jaar des Heren,
uw noodlot is ’t dat gij niets anders ziet.
Wanneer zijn geest hoog boven ’t laagland schiet,
gedenk zijn oude leus: het kan verkeren!

André G. Christiaens, Uit Afscheid van de zondagsschool, 1976

armando is dood (1)

10-07-2018_armando_steven van der gaauw

Dat Armando een goed beeldend kunstenaar was (was: helaas), zou je niet zeggen aan de omslagen van zijn uitgeverij Atlas Contact. De vormgeving door Steven van der Gaauw is niet inventief, is lelijk, nietszeggend en past langs geen kanten bij het werk van Armando, de dichter en schilder. De woorden zijn verticaal geplaatst i.p.v. horizontaal, wil de vormgever dat we ons hoofd schuin leggen of moeten we het boek draaien – en waarom zouden we draaien om slechts titel en auteursnaam te lezen, wat wint iemand of wat daarmee? Men lijkt een spiegeleffect te suggereren, maar de spiegel is in het oeuvre van Armando geen thema. Er is nu een lelijke reeks omslagen. Gedichten 2009 in 2009, Stemmen in 2013 en nu Liever niet in 2017, drie maal banaliteit herhaald, twee maal met kleuren die niet van Armando zijn (het rood van 2009 is aanvaardbaar).

Armando is een dichter die blijft fascineren omdat hij gedichten schrijft die nog steeds niet als gedichten omschreven kunnen worden, een raadselachtigheid die niet op zichzelf kan bestaan maar ‘slechts’ door en in het oeuvre begrepen kan worden. Heeft Armando een enkel gedicht geschreven dat er uit springt, dat voor iedereen herkenbaar is zoals ‘Boerke Naas’ van Guido Gezelle of Christine D’haen’s ‘Daimoon megas’ of Maurice Gilliams’ ‘Sterven te Antwerpen’, ‘Een zwemmer is een ruiter’ van Paul Snoek ? Een gedicht dat in elke regel ontraadseld kan worden ? Armando schreef zinnen die raadselachtig waren, zonder raadsels te zijn. Elk woord is te begrijpen, elke regel is dat ook – het is het geheel dat onvatbaar blijft. De disparate elementen die bij elkaar horen en toch elkaar tegenwerken.

Dat de stijl en de taal van Armando kaal zouden zijn, is een onjuistheid. Uit de bundel Liever niet enkele ‘typische’, ‘poëtische’ versregels: ‘Een wang van hout een zwarte geur.’; ‘De hemel van de wolken staat in brand’; ‘De klokken galmen buiten adem.’; ‘Laat de takken ranselen in de wind.’

Er zijn dichterlijke knepen, zoals de herhaling van klanken en medeklinkers: ‘de wrede wetten van de wraak’, ‘dwangmatig met een driftige drang’, ‘soms wil de wereld wenen’. Er is de dichter als een verwoorder van het andere, ‘de heilige toekomst’.

Ja, Armando staat in hetzelfde klimaat als Lucebert, deze uitspraak zal menigeen tegen de borst stoten. De dichter is een spreker, een Kassandra: hij waarschuwt de goede mens tegen de slechten, hij voorspelt een kwade tijd want hij heeft in het verleden het kwaad in de ogen gekeken. De wereld is geen vredevol paradijs maar een leeuwenkuil waar messen getrokken worden. Er is steeds onheil aanwezig en er is er nog meer van te verwachten. Maar ook Armando is een trooster, hij leeft het illusieloze leven, hij doet verslag van een bestaan dat niets meer verwacht en daardoor los komt te staan van het onheil, van de vrees. De ataraxia van Epikuros. De observator ziet wel, maar is niet langer betrokken – het voordeel van elke emigrant, tenminste als hij geen Turk is. De hulpmiddelen die Armando aanreikt zijn klassieke beelden. In zijn schilderkunst de ladder, het rad, de boom, de hand. Het gevaar: het geweer, de vlag. En er zijn de woorden.

10-07-2018_armando_die leiter

Armando beschrijft niet alleen, hij woelt in de diepte, hij kijkt onder de verschijnselen en ziet daar het leven dat zich vecht. Het oeuvre van Armando is niet dat van de dood, wel van het leven. Zwart en kleur behoren tot het leven, het geweld en de verzoening. Het heil en het onheil. In de bundel Liever niet is opvallend hoe dikwijls het woord ‘het’ voorkomt (het ‘het’ van Albert Bontridder en Geert Buelens), het onuitspreekbare, het zijn dat achter de woorden ligt, dat niet te zien is maar niets van doen heeft met een goddelijk iets. Het leven is een raadsel en Armando wil het niet ontcijferen. Hij constateert. Verklaringen zijn verontschuldigingen, onjuiste gevolgtrekkingen, oppervlakkigheden. Enkele voorbeelden (het eerste kan ook gelden als een ‘poëtisch’ voorbeeld, ook lucebertiaans in zijn levend verzelfstandigend maken van lichaamsdelen en dingen):

Het lijkt/ alsof het keelgat ligt te smelten en/ het hek begint te snikken.

Het kwam als uit een ander land,

Het heeft een vierkante kaak,

Het sneeuwt.

Het was een wekelijkse dag

Het gebeurt vannacht,

Het heeft kwaadaardige kanten,

Het heeft gezongen op versleten paden,

Het woord ‘het’ wordt hier niet als lidwoord gebruikt, wel als onderwerp van de zin. In het voorbeeld van ‘Het heeft een vierkante kaak,’ is het bovendien een verdinglijking van een persoon, het woord ontneemt iemand een persoonlijkheid en wordt een ding – zoals de zin (verklaring?) hier geformuleerd wordt, hoort men de humanistische ondertoon van Armando doorklinken. Hij verheerlijkt niet het geweld, hij is er door gefascineerd, maar niet op een negatieve wijze (hij moet zichzelf niet onderdrukken) wel op een waarschuwende manier: de gewelddadige mens kan op elk ogenblik en gelijk waar de macht overnemen. De mens is zo. Het geweld is niet onschuldig, het ontmenselijkt, het haalt de mens neer naar een natuurwezen- en doodt het cultuurwezen, al kunnen cultuurgoederen als geweld gebruikt worden. Het begrip cultuur is ambivalent: zowel het goede als het slechte, zowel de opbouw als de vernietiging.

alice nahon en ‘vrije wolken’

09-07-2018_alice nahon en vrije wolken_1

In een reactie op de hier verschenen Alice Nahon-reeks, een nog niet gekende brief en foto, schreef haar biograaf Manu Van der Aa: ‘Vrije wolken! van Kvapil: interessant. Ik kwam dat toneelstuk ook tegen bij Van Hecke en schreef erover in Tatave! (p. 117-118). Het is niet verwonderlijk dat Nahon ernaar vroeg. Het gaat immers over de onmogelijke relatie tussen een jong meisje (Maja) – in de oorspronkelijke versie gespeeld door Stella van de Wiele, de eerste grote liefde van P.-G van Hecke en de latere minnares van Fritz van den Berghe (ah: een voorbeeld van een andere onconventionele vrouw!) – en een student theologie (Peter). Ik zie zo ook niet meteen welk gedicht Nahon op dit stuk gebaseerd kan hebben.’

Het is uitzonderlijk dat er in de brieven van Alice Nahon over anderen, laat staan, schrijvers en kunstenaars geschreven werd. Ze had het veel meer over zichzelf en haar naaste kring. Het intellectuele leven van Nahon was niet erg divers of uitgebreid. Dat ze dan toch inspiratie dacht op te doen door het toneelstuk ‘Vrije wolken’ te lezen of te bekijken (opnieuw te zien?) is dan wel verrassend. De universiteitsbibliotheek van Gent bezit niet de boekuitgave van Hoste, maar wel het manuscript. In een potloodaantekening wordt vermeld dat dit schrift gebruikt werd voor de tournee in Bohemen, 1914. Nogmaals Van der Aa maar nu letterlijk geciteerd uit zijn boek Tatave! : Paul-Gustave Van Hecke : kunstpaus, modekoning, salonsocialist (2017) : ‘De première vond plaats op 3 februari [1914] met in de hoofdrollen twee goede bekenden van Van Hecke, namelijk Arie vanden Heuvel, die het stuk had vertaald en geregisseerd, en Stella van de Wiele, die de vrouwelijke hoofdrol vertolkte. Hoewel de belangstelling voor het stuk volgens de plaatselijke pers te wensen overliet, werd de Gentse troep toch uitgenodigd voor een veertiendaagse rondreis door Bohemen, dat toen deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije. Het feit dat Kvapil directeur was van de nationale schouwburg had een en ander vast wat vergemakkelijkt. […] Niettemin werd de rondreis een triomf, althans volgens de verslagen die Vanden Heuvel exclusief voor Het Laatste Nieuws en het toenmalige kopblad Vlaamsche Gazet van Brussel vanuit Bohemen doorstuurde.’

09-07-2018_alice nahon en vrije wolken_2

Dit zijn de uiterlijke omstandigheden, het verhaal en de consequentie ervan voor het verhaal van Alice Nahon, is iets interessanter. Het toneelstuk baadt immers in een Tsjechoviaanse sfeer. Het gevoel dat de wereld elders is, dat men wachten moet en de verveling alles overheerst. Een oude dorpspastoor, zijn zuster-weduwe en haar zoon leven gezapig, stil in het dorp. De pastoor verzucht soms hoe zijn leven vergleden is en dat er misschien toch wel meer mogelijk was geweest, een dorpspastoor, wat betekent dat toch. Hij werd priester, niet uit roeping, maar uit armoede: priesterstudies waren goedkoper dan universitaire richtingen, hij wilde dokter worden. Dat wil niet zeggen dat hij constant ongelukkig is, hij heeft er het beste van gemaakte én hij hoopt op zijn neef. Hij is een oude, wijze man die de eigen overbodigheid beseft: ‘God is ook zonder ons priesters en buiten ons, geloof me!’.
De moeder van de jonge student is braaf, ijverig en godsvruchtig, haar zoon is haar alles. De jongen is op 14 jaar zwaar ziek geworden, zijn moeder beloofde haar God dat, mocht haar zoon genezen, hij priester zal worden. Offert de moeder zich op uit dankbaarheid? Nee, haar offer is haar zoon. O, slechte moeders!
De jongen is braaf en gehoorzaam, hij zal de wens van zijn moeder volgen. Hij heeft geen ambitie, geen wil, hij ondergaat het leven.
Dan komt er een jonge vrouw op de pastorie. Toen ze kind was, restaureerde haar vader in de buurt een kerk en zij kwam spelen in de pastoorstuin, een deugniet, uiteraard, levenslustig. De jongen beloofde haar te zullen trouwen. Maar het leven gaat verder, en het leven vergeet wat het niet mag vergeten. Na al die jaren komt ze terug en is ze onherkenbaar, ze is een actrice geworden. Zij brengt plots het leven in deze dode hoek, de stad is de toekomst, het theater het betoverende spel, toch meer dan klatergoud.
De jonge man en de jonge vrouw (ze is geen meisje) voelen zich tot elkaar aangetrokken, maar er komt geen relatie tot stand. Er is geen sprake van een ‘onmogelijke liefde’, er is wel degelijk een beslissing genomen. De vrouw te intelligent, te krachtig voor het dode leven (en dus ook voor de godsdienst – zonder godsdienstkritiek te geven, is dit stuk een antigodsdienstig toneelwerk): ze ziet in Peter een zwakkeling die doet wat anderen hem opdragen, hij heeft geen eigen wil, hij is geen man in de betekenis van geen mens, hij bezit geen persoonlijkheid. Zij daarentegen, is krachtig, heeft een eigen leven uitgebouwd, weet wat het leven is, heeft veel gezien en meegemaakt. De man is al een dode, de vrouw een levende. Hij bewondert haar: ‘Zie maar eens hoe vrij, ja bijna mannelijk ze spreekt en zich beweegt!’ Zijn geluk is haar te klein, te weinig ambitieus, hij heeft nooit iets anders gewenst, hij loopt de voorgeschreven weg af. Maya: ‘Zie eens hoe de wolken jagen. – Groote, vreugdige, vrije wolken …’

Alhoewel ze een romantische aantrekking voelt, wijst Maya Peter in wrede bewoordingen af. Nog wreder, als we beseffen dat Peter door haar ‘ontwaakt’ is en daardoor verzaakt aan zijn priesterstudies. Ze windt er geen doekjes om, ze veroordeelt hem tot wat hij maar is. ‘Het is te laat’, antwoordt ze hem, iemand die nog nooit iets getoond heeft, is waardeloos. ‘Gij zult buigen en blijven. Gij zijt tot niets anders in staat.’ Haar wreedheid is echter ook een medelijden: de sukkel kan het leven niet leven, laat hem maar geestelijke worden – want ook zij heeft twijfels over haar leven, over haar smachten naar smart en pijn. En zij offert haar liefde op voor het geluk van Peter’s moeder, die niet kan leven met haar gebroken belofte aan God. De chantage der moeders.
Maya, daarentegen, ziet in de wolken het leven, de vrijheid, vrije wolken. De laatste woorden van het stuk worden door Peter uitgesproken; ‘Ik kijk naar de wolken …’ Hij kijkt vanop afstand, passief. De wolken, licht, vrolijk, voorbijgaand, dat is het leven. ‘Buig weer het hoofd, Peter, en blik weer als voorheen, ootmoedig ter aard. Ik volg den lichtenden weg van mijn vrije wolken.’, zei Maya hem.

09-07-2018_alice nahon en vrije wolken_3

Dat Alice Nahon naar dit stuk vroeg, is tekenend. Zij werd omringd door zwakke mannen, hier weliswaar Vlamingen , die zich stoer noemen, tot overmaat van ramp is ze ook zelf verliefd geweest op zo’n zwakke man die haar niet durfde te ‘nemen’, alhoewel ze zich gegeven heeft. Het stuk lijkt zich dus in een ‘omgekeerde wereld’ af te spelen, waar de vrouwen sterker dan de mannen zijn – de omgekeerde wereld is echter de omgekeerde wereld omgekeerd. De actrice in het stuk is sterker dan Alice Nahon zelf, die te veel in haar eigen wereld bleef, die niet als een wolk was, ook al ambieerde ze het, maar aan de aarde gekleefd bleef. Het belang van dit stuk is de relatie die gelegd wordt tussen het individueel oeuvre van Alice Nahon en een tijdsklimaat. De eeuwwisseling, die duurde tot 1914, was een periode van verveling, van verlangen naar het openbreken van grenzen en kooien, van een wil tot verandering, een romantiek van het nieuwe. Nahon is daarvan een exponent, wie haar opsluit in haar eigen biografie, ziet niet hoe ze tegelijkertijd het slachtoffer was van een tijd én iemand die wist hoezeer ze slachtoffer was. Maar te weinig dichter was om zichzelf te realiseren.

Een ander aspect van de tijdgeest komt nog in een uitspraak van de oude pastoor tot uiting. De 19de eeuw was de eeuw van de donkerte, het niet-leven, de vlucht in de woning, de zekerheid van het bezit. De ouderen hadden het voor het zeggen en er was geen ruimte voor het leven, de vrijheid, de lust. De discussie tussen ouderen en jongeren, die nog tot in de jaren 60 zou spelen, kreeg hier in de 20ste eeuw een eerste vertaling. De pastoor: ‘Het schijnt me nu een noodlottige dwaling, te meenen dat wij ouderen een recht hebben op de onderdanigheid en gehoorzaamheid van het jongerengeslacht. Niet wij, neen, de jeugd heeft rechten […].’ Peter volgt de ouden echter (zijn oom is jonger dan hij, niet in jaren, wel in gedachten), Maya gaat de eigen weg – maar ook zij is ‘genetisch’ bepaald – haar vader was een halve kunstenaar-zwerver. Tegelijkertijd een romantiek en een naturalisme, een vrijheidsbesef dat samen gaat met een noodlotsweten.

Om dit dan weer te keren, is er de brief van de broer van Alice Nahon aan Camiel Theys belangrijk. Ook hij spreekt van een moeilijk leven, van een onvervuld verlangen, heimwee naar de kindertijd, weg van de beslommeringen der volwassenen, de brief lijkt wel van een ontevreden puber te zijn. Het thema van Alice Nahon’s poëzie is ook een familiegegeven en dat wordt nog verder bevestigd wanneer Georges (Jos) Nahon in 1964 over zijn zuster Julia schrijft: « Julia fait de la dépression nerveuse … son état est déplorable. ». Niet alleen de ziekte van de tijd, ook de ziekte van het gezin.

de teleurgang van het publieke denken, het antirationalisme

08-07-2018_de gezaghebbende_1

{ Tijdens het eerste weekend van de zomervakantie, en enkele maanden voor de verkiezingen, stuurt de schepen van onderwijs een e-mail naar de scholen waarin ze hen oplegt de islamistische hoofddoek toe te laten. Er komt wat tegenwerk en de groene schepen is verontwaardigd dat er aan politieke framing gedaan wordt – door de anderen weliswaar. Een schepen neemt een conservatief politiek-religieus-ideologisch besluit, ze doet alsof het een simpele administratieve maatregel is, ja de Holocaust was ook louter administratie, en verbiedt dat anderen een seculier-democratisch weerwoord uiten. Voor haar is de politiek haar eigen kerkelijke tuin, de anderen mogen naar de wei. Dat de schepen daarmee de scheiding tussen Kerk en Staat opheft, is voor haar geen probleem. Integendeel, de religieuze dominantie moet weer ingevoerd worden – de politieke correctheid heeft een Kerk nodig. De democratie is iets van vroeger. Het vrije denken moet beknot.
Een niet erg opvallende liberale schepen wil een hartig woordje spreken met de schepen die alle collegialiteit heeft laten varen. De maatregel wordt ingetrokken. De groene schepen heeft daarmee aangetoond dat ze geen beleid kan voeren: wie een maatregel uitvaardigt, heeft daarover nagedacht, heeft reglementen en procedures voorbereid en aangepast, heeft dit in een volledig programma ondergebracht. Maanden werk wordt door het intrekken van het » Befehl « overbodig gemaakt, zou men denken, werk?, nee, het was een opwelling, een zwelling. Men spreekt over efficiëntie – men legt dat anderen op. Men spreekt van een rationeel bestuur. De schepen kent geen schaamte.

{ Aan het hoofd van Bpost staat een beursspeculant die wat geld verloren heeft, hij heeft een bedrijf in Amerika gekocht dat zelfs geen karkas meer bezit, laat staan vet heeft. Om het postbedrijf te redden moeten de volgens hem verlieslatende activiteiten stopgezet worden. Vanaf nu zijn alle postzegels duurder en wordt er op zaterdag geen post meer opgehaald bij de postpunten. In de biografie van Nico Rost, schrijft Hans Olink met een sprekend detail over het verre verre Amonines, het ‘lag zo afgelegen dat er slechts driemaal per week een boemeltreintje kwam en de postbode zich maar twee keer per week liet zien.’ – nu, in de 21ste eeuw en in de steden is men van plan om de postbedeling helemaal af te schaffen, men moet het maar zelf gaan ophalen – men wordt per mail verwittigd en dan mag men naar Brussel sporen om de brief op een of andere administratie af te halen. Een toekomstgericht beleid noemt men dit. Er wordt minder papieren post verdeeld, en daarom wordt de prijs van de postzegels opgedreven – waardoor er nog minder post verstuurd zal worden. Omdat de post minder diensten verleent, zullen privébedrijven nog meer voet aan de grond kunnen krijgen. De beslissing om op zaterdag geen post op te halen, wordt van de ene op de andere dag opgeheven. Maanden werk worden zo belachelijk gemaakt, welke strategie ervoor in de plaats komt, is onduidelijk. Managers verdienen veel geld, omdat ze een grote verantwoordelijkheid hebben. Verantwoordelijkheid die nooit opgenomen moet worden.

{ De criminaliteitscijfers van de politie zijn vrijgegeven. Algemene conclusie: ze zijn gedaald. Die van de politici echter zijn niet vrijgegeven.

{ In het stadje Honey worden er verkiezingen gepland. Een slogan moet uitgedacht worden. Oei, moeilijk. De twee reactionaire partijen die de godsdienstoorlogen genegen zijn, de haat tussen groepen aanwakkeren, de scheiding tussen Kerk en Staat opgeheven hebben en iedereen die een afwijkende mening heeft op de markt wil verbranden – weliswaar tussen twee verschrikkelijke kunstwerken – steken de halve koppen bij elkaar en vinden een slogan: ‘Honey is wat we delen’. Het drukwerk wordt besteld, zonnebrillen aangeschaft, holsters vastgehecht, messen gewet, huurmoordenaars betaald. De drukker drukt affiches, drukt brochures, maakt de factuur veel hoger dan mag en betaalt het een en ander terug op een of andere manier. Drukwerk komt op het bureau van de grote baas terecht, hij verslikt zich, op zijn kletskop staat plots haar om rechtop te komen. Niet honey is wat we delen ! Niet honey !, krijst hij, hij slaat met zijn vuisten op tafel, niet honey krijst hij. Money! Boten! Banken! Voetballen ! Niet honey ! Money !

08-07-2018_de gezaghebbende_2

{ En Judith Butler, een icoon van het vrouwelijke denken, wat dat ook moge zijn – ik mag niet denigrerend doen, maar ze staat op hetzelfde lage niveau als haar mannelijke collega’s die liever ideologiseren dan denken. Tegen een ander icoon van het feminisme, Avital Ronell, is een klacht neergelegd wegens seksuele intimidatie of erger, duidelijk is het niet. Maar Butler weet het wel. Ze heeft op hoge poten een brief op stelten geschreven, wat denkt men wel, zo’n groot verstand en weet men niet welke verdiensten Ronell heeft, en de zoveelste aanval van het machisme tegen de vrouw, enz. Vrouwensolidariteit? Nee, het sluiten van de rangen.
Harvey Weinstein heeft ook nogal wat verdiensten en een dommerik is hij niet, een bruutzak ja, misschien, maar veel vrouwen vonden het toch niet erg om met hem op de foto te staan, het hoofd schuin en de boezem dicht. Dat ze door hun gedrag andere vrouwen, die geweigerd hebben, een carrière ontnomen hebben, wordt hen niet aangerekend. Er zijn vrouwen die geweigerd hebben – laten we die eren.
Het gaat om macht: als mannen in een machtspositie komen, wees op uw hoede. Als vrouwen in een machtspositie komen, wees op uw hoede. Het gaat om mens en macht en dus massa en macht. Lees Elias Canetti. Steeds weer.
De reactie van Butler is dezelfde als die van Julia Kristeva, de Bulgaarse spion die iedereen met een proces dreigt die de bewijsstukken tegen haar citeert en toont. Die de Bulgaarse onderdrukkers van al dan niet gelogen bewijsmateriaal heeft voorzien – zowel in Bulgarije als in Frankrijk.
Soms ben je trots op je boekenkast, omwille van de smeerlappen die er in ontbreken.

{ De Lijn, terwijl we alweer minutenlang staan te wachten, vraagt de politiek benoemde voorzitter van De Lijn, Roger Kesteloot, ons nog wat meer geduld te hebben. Ah, men is aangeworven omwille van de visionaire visie, de daadkracht, de flexibiliteit maar nu vraagt de voorzitter hem te verontschuldigen omdat het allemaal zo stroef verloopt, hij nog niet handelen wil en hij nog steeds met een achterhaalde visie op het openbaar vervoer praatjes verkoopt. Miljoenen zijn verspild omdat De Lijn jarenlang geen telsysteem had en op basis van verkeerde cijfers subsidies aanvroeg. Dan werden miljoenen verspild om een ‘echt’ telsysteem op poten te zetten. Het werkt nog steeds niet. Jarenlang is gezegd dat het ‘wagenpark’ van De Lijn verouderd is en dat de modellen bij bestelling al verouderd zijn. Jarenlang heeft men de stedelijke wegen aangepast voor het wanbeleid van De Lijn. Jarenlang hebben de bussen van De Lijn het milieu aangetast, de lucht verpest, de straten kapot gereden, met hun lawaai elk menselijk samenleven onmogelijk gemaakt. Jarenlang heeft De Lijn de voor haar voordelige routes gereden zonder rekening te houden met de werkelijkheid. Nu vraagt de politiek benoemde Kesteloot in een advertentie, met geld onttrokken aan wat een beleid zou moeten zijn, de mensen nog wat meer geduld. De flexibiliteit kennende, moeten we niet denken dat er in het volgende decennium een oplossing mogelijk is.

{ Nu wordt het gevaarlijk. Een oude man, prominent N-VA-lid bekritiseert een jonger lid, tevens staatssecretaris. Peumans versus Francken. De laatste is een kroonprins, een onaantastbare. De oude wil de partijleiding duidelijk maken dat er toch nog enigszins fatsoen mag gelden. Er zijn peilingen die niet desastreus zijn voor de nationalistisch-populistisch-reactionaire partij maar toch een lichte achteruitgang laten zien.
Wie twijfel uit, wordt verscheurd; een beest in het nauw, wordt razend. Nu wordt er geklopt op de kritische stem, intern, straks wordt hij » Ausradieren « toegesnauwd, daarna worden de volksvijandige elementen buiten de partij aangepakt. De partij heeft voorrang op de moraal, op het denken, de democratie. Respect voor de leider! » Maul halten! « » Intelligenz-bestie! «
En alles zal vreugde zijn.

twee witte merels geen witte merels

07-07-2018_adriaan magerman_impromptu_-_michel bracke_merel

De dichter werd 50 jaar en een ‘bibliofiele’ uitgave verscheen. Impromptu van Adriaan Magerman verscheen in 1969, de prenten waren van Michel Bracke, een Gents graficus. Het gedicht werd door Norbert Rosseau (1907-1975) op muziek gezet, nooit gehoord – worden hedendaagse dichters niet gelezen, hun werk bestaat toch – van componisten is, buiten de partituur, niets meer over. De uitgever was Colibrant (Deurle), die wel meer poëzie van dit genre heeft uitgegeven, de traditionalisten werden hier verenigd, ook de katholieken en Vlaams-nationalisten. Het boekje is niet alleen inhoudelijk ouderwets, ook vormelijk toont het zich ‘uitgeput’, de vorm is verzwakt, alle aangename strengheid verdwenen.

Komt daarbij dat Adriaan Magerman (1922-2000) toch ook wel van het ‘moderne’ geproefd heeft en daarom een poging doet, maar ernstig wordt het eigenlijk nooit: het moderne is bij hem een lege stijl en vorm, geen inhoud, geen modern gedachtengoed. De titelpagina is zoiets tweeslachtigs: in bruin gedrukt, toch een letter dat geschreven lijkt, een vage reminiscentie aan spreektalige vrolijkheid, het boekformaat oblong.

Impromptu is een ‘improvizatie’, maar dat betekent niet dat het gedicht niet bewerkt is. Het bestaat uit 23 strofen van 3 regels, enkel de laatste strofe is ‘gebroken’ in 2 en 1 regel. Het boek is geïllustreerd, een al te verre herinnering aan Frans Masereel of Jozef Cantré, als er een prentje bij was, dacht men algauw dat het bibliofiel was. De blinde omslag is grijs en een plastic dat toen misschien modern aandeed, nu toch vooral vies.

07-07-2018_adriaan magerman_impromptu_1

Dat de auteur over zichzelf schrijft, zijn droevig lot, is al duidelijk in de eerste regel ‘Lopen door Gent en lopen met de mensen’ maar maakt ook het gedicht zelf twijfelachtig, de herhaling van lopen is zwak, net zoals hij in strofe 4 ‘Vresse’ met ‘Lesse’ afwisselt en laat rijmen. De herhaling (3de regel ‘lief lief’) is een constante maar brengt niets bij, doet geen dynamiek ontstaan, is ook niet speels. Hij stelt de stad tegenover de natuur, de man tegenover het kind – het is dan wel gauw clichématig. Strofe 3:

De stad heeft pijn aan alle straten
ach hoor ik niet een laatste maal de merel praten
om vijf uur ’s morgens ben ik reeds verlaten

Een merel die praat om te laten rijmen op straten en verlaten, is zwak, dat de dichter ’s morgens verlaten is, evenzeer, de stad die pijn heeft is een zwak beeld, sterker is als de pijn een stad is. De stad is duidelijk aanwezig, het is het oord der eenzaamheid, de koude plaats, nu, na al die jaren, alleen maar bittere aanwezigheid : ‘ik loop door Gent ik heb het koud en / ik wil alleen maar lopen lopen van u houden’. Er is dus een geliefde, maar ‘een stad waar Orpheus werd verlaten’, kan ook de dodenstad zijn. De dichter wil naar Mindanao uitwijken (een Filipijns eiland) en primitief worden: ‘ons lichaam naakt met kalk bestrijken / huilen om God huilen en niet begrijpen’ – de kalk wordt hier ook de kleur van de dood. De stad maakt ziek en oud:

Kon ik maar altijd rusten aan uw schouder
ik loop door Gent doorkruis de klamme Kouter
en aan de Vogelmarkt ben ik weer maanden ouder

Dan passeert de herfst die geen zomer is, mist, bomen, gedichten en verdriet. De dichter denkt dat hij binnenkort zal sterven (maar zo mild is de dood niet), er is vertwijfeling om het eigen leven en om de wereld die haaks staat op het dichterlijke verdriet. Hij schrijft ‘men dempt de Reep men dempt een slecht geweten’ – in die tijd werden alle waterwegen in Gent ‘overkapt’ of gedempt, vandaag worden die weer blootgelegd – de experten zeiden vroeger dat de toekomst van de auto was, vandaag zeggen de deskundigen dat het de toerist is.

07-07-2018_adriaan magerman_impromptu_-_michel bracke

Het gedicht raakt in een delirium, de lezer kan niet meer volgen. Van Gent gaat het naar Deurle, paarden, dan wordt de vader aangesproken, de dichter komt weer thuis slapen, zijn vulpen is gebroken en ligt op tafel: ‘de moeilijkheden zijn gekomen vader’ – een gevoel van defaitisme stijgt op. Maar – verrassing! – daar is god als een deus ex machina:

Als kind zag ik een kerk vol pleinen straten
een zilverknop was als een maan met kraters
het huis een vogelnest God heeft mij nooit verlaten

Om dan sentimenteel, onwaardig en onwaarachtig te eindigen met een dankgebed aan God en de eigen uitverkorenheid:

Ik ben U dankbaar om de schoot van de beminde
November streelt de houten handen van de linden

Ik ben de witte merel ik ben niet te vinden

Toch mag men de status van Magerman niet volledig negeren. Zo werd hij, net als de andere dichters, in de bloemlezing Poëtisch akkoord : honderd gedichten uit tien jaar Noord- en Zuid-Nederlandse literatuur, bijeengebracht door Pierre H. Dubois, Hubert Van Herreweghen, Maurice Roelants en Garmt Stuiveling (Bruna, 1956) opgenomen. Honderd gedichten betekent dus ook 100 dichters waarvan merkwaardig genoeg nog velen een naam en meer dan een naam zijn. Hugo Claus’ ‘De moeder’ werd opgenomen. Het gedicht van Magerman is ‘Mei’, niet eerder gepubliceerd en eindigt clichématig op: ‘Maar als de dag weer vlot is van seringen / vlucht ik U en heb U nodig.’, een voortdurende ontevreden worsteling met zichzelf, zo is het dichterschap van Adriaan Magerman te omschrijven.

‘Wie zag ooit een witte merel, wie zag ooit een zwarte meeuw?’ vraagt Pieter Boskma zich af in het gedicht ‘Het blijvende herijken’ (Tsunami in de Amstel, 2016). De witte merel is, alhoewel mogelijk, een blijvend wonder, een dwaallicht. Men ziet zichzelf graag als een uitzondering, nooit ziet men een uitzondering. Boskma houdt een pleidooi, want overtuigen wil hij steeds, om de dingen anders te zien dan wat ons geleerd is, dat is het eerste deel van het gedicht, het tweede deel zegt dat het toch niet kan. De witte merels en de zwarte meeuwen doen dienst als het beeld van het ‘herijken’, het anders zien (maar kan men zien wat niet is?). Het is de persoon die zichzelf bedriegt, want stelt de eerste regel de vraag wie ooit een witte merel of een zwarte meeuw zag, verder op wordt beschreven hoe men kan

[…], de verschijnselen en het eigen handelen
zodanig op te rekken dat witte merels je bij dozijnen
door de ogen vliegen, achter de zwarte meeuwen aan
want die zijn natuurlijk weer goudhaantje de voorste.
[…]

De vierde regel hier is ronduit ergerlijk lelijk. Het beeld van wit en zwart wordt overdreven waardoor de zeggingskracht van het gedicht volledig ten onder gaat.

In het gedicht ‘In de tussentijd’ uit diezelfde bundel schrijft Boskma in zijn vertellende stijl, meer proza dan poëzie, meer journalistiek dan proza, meer gesprek dan journalistiek over ‘ouden van dagen’ en dan passeren rollators, rimpels, kwaaltjes en doden. Dan evoceert hij het verleden, de jeugd van de oude mensen, de merel doet dienst als herinnering, toen men nog vrolijk was, maar dansen doet een merel niet:

[…] Vooroorlogse dansmuziek
golfde door de kruinen van de nog half kale bomen
en een specht klopte het ritme voor de tapdance
van een merel want de wereld was een dansfeest,
ooit, je zag het in de grauwe, op breken staande ogen,
waaruit de korte vonk van hoop alweer verdween.

Zo vervangt de gemakzucht het realisme. Men moet soms slechte gedichten lezen om te weten hoe goede gedichten werken.

blablarok in antwerpen (3)

06-07-2018_barok in antwerpen_blabla

Met verachting stappen we het MUHKA buiten, dat nepmuseum met een nepideologie, de zon tegemoet, we ademen fijn stof in, maar dat is niet erg, de economie en de geldzakken zijn veel belangrijker. Op het parkeerterrein is een tent opgetrokken, het museum is te klein, hier is ook nog een ‘barokwerk’ te zien, in alle toonaarden werd het bezongen door de journalisten, ‘Five car stud’ (1969-1972), van Edward Kienholz, we laten dit rechts liggen, we zijn dat realistisch naturalisme eerlijk gezegd meer dan beu. Tussen de auto’s verpozen we wat. In het MUHKA lag er nog een propagandafolder, een bijlage bij de krant De Standaard. We lezen de tekst van Eric Suchère, de grote Franse dichter, ‘Tuymans over barok’. Suchère weet het ook niet. De kernzin van zijn stuk is ‘het zou kunnen dat’ – hij verontschuldigt zich in een noot: ‘Het zijn de keuze van de kunstenaar en de eigenzinnige blik van de vakman die een rol spelen in de manier waarop hij verbanden legt.’ De allerindividueelste verbanden zijn ons verborgen. Dat een publiek museum de zielenroerselen van een mens een podium biedt, wat een ruimhartigheid, ware het niet dat dit een metafysisch-esoterisch podium geworden is, vol zelfverheerlijking, vol Vlaams-nationalistische zelfgenoegzaamheid.

De conclusie die we moeten trekken is dat Tuymans niet weet wat hij gedaan heeft, de kunsthistoricus Suchère evenmin (een telefoongesprek hielp hem ook niet verder), dat het museum de zoveelste vrijblijvende variant van het grote Niets heeft getoond en dat de toeschouwer een kleine, nietsbetekenende wandeling in het museum heeft kunnen maken. Dit alles is maar mogelijk omdat het intelligente, het verstandelijke, de beschouwing, de verbeelding, de ernst en het fatsoen uit het publiek domein verdreven zijn.

Je stapt door de stad, Antwerpen is merkwaardig veel rustiger dan Gent, minder agressief, je mijdt natuurlijk de wijken die het beeld bepalen. Je gaat naar Demian, je koopt een boekje of zes, je stapt binnen in de Sint-Carolus Borromeuskerk, een plaats waar de barok zegeviert, aanwezig is, zonder enige twijfel. Het ambivalente van de barok is niet zozeer de vormelijke overdadigheid maar de inhoudelijke tegenstrijdigheid. De barok is de overwinning van het katholicisme, de contrareformatie. Wij associëren het katholicisme met de ideologie van de dood, het zwarte, de negatie, het anti-leven. De barok niet: het lichaam, de beweging, het levendige, de overmoed, de triomf over de dood en over de vernietigers van het beeld, het gulzige, dat is de barok. Tegelijkertijd een vroomheid en een levenslust. Dat is in deze kerk ook te zien: het wit overheerst, niet het bloed van de moorden, niet het bloed van Christus, maar het maagdelijke, het zachte, een elegantie die de menselijke omgang kalm en aangenaam maakt – niet de mensen waren geweldig, de kunst was dat. De barokke mens had zich in de hand. Niet het gewelddadige is de barok, wel de reactie daarop: niet de dood, wel het leven is barok. Als Rubens gruwelijke beelden toont, dan toont hij de vijand, niet het triomfantelijke handelen, niet wat beter is. Als de beelden overvloedig zijn, dan verfoeit men het protestantisme. Als de kleuren domineren, dan daagt men het zwarte calvinisme uit.

Deze kerk behoort tot het stadsfeest dat de barok viert, feest is natuurlijk nogal overdreven als het belangrijkste museum gesloten is. Er is een boekje in de kerk te vinden, Barok genot : meesterlijk vakmanschap in de monumentale kerken van Antwerpen, in opdracht van de Kerk heeft Leen Huet de teksten geschreven. Het reactionaire wordt direct door ons opgemerkt: ze noemt de eeuw van de Verlichting ‘de rampzalige achttiende eeuw’ – zo kennen we de katholieke Kerk en haar trawanten weer. Tegen de Verlichting, tegen het kritische denken, tegen de vrijheid van geest en lichaam.

Had men in dit ‘festival’ maar de barok op die manier gezien: dat het modernistisch minimalisme een noodzaak was tegen de overdadige leegheid van de vormen van de 19de eeuw, dat de 19de eeuw zelf met haar romantiek en misdadig kapitalisme naar de barok teruggreep als een ideologische verontschuldiging. Had men maar de barok als een intellectueel probleem gezien en niet als een geldkoe.

In dat boekje van Leen Huet vind je zinnen als ‘De voorstellingen zijn niet zomaar een beeld bij het Woord maar wensen de toeschouwer ook te bewegen tot emoties en diepere reflectie.’ Zou het? Dit soort zinnen is opvulproza: we hebben niets te zeggen en we houden ons bij algemeenheden waar niemand iets aan heeft, noch de geïnteresseerde toeschouwer, noch de toevallige passant. Waarom denkt men niet na vooraleer men iets begint? Zou men niet beter alle algemene zinnen schrappen en een aantal sprekende details bespreken, details die staan voor het grote? Nee, men doet het omgekeerd: de metafysica moet de feiten bedekken, de verstikkende mantel van giftige watten versmacht de vrijheid. De reactie gebruikt woorden om te doden.

Of de nietszeggendheid over het Rubens-schilderij, ‘Terugkeer van de Heilige Familie’: ‘Rubens schilderde de Terugkeer van de Heilige Familie in 1620 voor zijn vriend en mecenas Nicolaas Rockox (1560-1640), meermaals burgemeester van Antwerpen. Het eenvoudige thema inspireerde de kunstenaar niet tot een vuurwerk van special effects [sic], maar tot een rustiger [sic], ingetogen vormgeving. Maria, Jozef en Jezus keren samen naar huis terug. We zien de heilige familie op een privé-moment. [sic].’ Het essentiële, de terugkeer van waar, waarom, wordt niet vermeld. Waarom heeft Rubens dit thema gekozen en wat doet dit in deze kerk? Wat is het ‘programma’? Over de Mariakapel worden de symbolen van Maria, roos, ster en spiegel, vermeld maar niet verklaard of geduid. Als men inhoudelijke teksten zou maken, dan zouden bezoekers iets aan de teksten hebben. Een woord als ‘predella’ wordt niet verklaard, denkt men echt dat mensen nog verder lezen als ze woorden niet begrijpen? Ook dit toont het lamentabel intellectueel niveau van de zogezegde cultuurdragers en cultuurbemiddelaars aan. De preekstoel is volgens Leen Huet ‘gebeeldhouwd’ door Jan Pieter I Baurscheit. Gebeeldhouwd? Of een assemblage van houten beelden? ‘Daarnaast tonen twaalf medaillons op kuip en klankbord de voornaamste scènes uit het leven van Maria.’ – een zin als deze zegt niets omdat de zin slechts ‘over’ iets gaat, zelf geen betekenis bezit. Wat zijn medaillons, wat is de kuip van een preekstoel (waarvoor dient een preekstoel?), een klankbord? En wat zijn de belangrijkste scènes uit het Maria-leven? Een brochure moet openen niet neerslaan.

In Knack van 4 juli 2018) wordt een artikel gewijd aan de 15 essentiële boeken die de Vlaamse ziel vatten – een voorbeeld van een metafysische zin en dus een leugen. Het rapport van Rome of dat van Kinsey hebben even goed de ‘Vlaamse ziel’ gevormd als de ‘Duitse ziel’. Er werd een panel van 100 erudiete lezers uit binnen- en buitenland bevraagd – wie dat zijn wordt niet gemeld. Slechts enkelen worden vernoemd. Uiteraard kiest Absillis, Kevin, professor en zelfverklaarde Clausdeskundige die toch liever twittert en de terreur op facebook dient, voor de Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse beweging (een gelijkaardig, eng-ideologisch project als de ‘Katholieke encyclopedie’ of de ‘Marxistisch-leninistische encyclopedie) en ook nog voor het reactionair-achterlijke Mijn land in de kering van Karel Van Isacker – de stelling bevestigend dat de Antwerpse school inderdaad een rechts-Vlaamse school is en dat hun geschriften in dienst van het nationalisme staan. Het boek Pieter Bruegel : de biografie van Leen Huet bepaalde ook de Vlaamse ziel, recent dan toch, want van 2016 – het artikel wil niet alleen de ziel vatten maar ook de ziel verklaren, zegt men. Dat het boek feitelijke fouten bevat, een beperkte iconografische kennis heeft, bij verschijnen al verouderd en achterhaald was, wordt door Knack niet vermeld. Dit boek is gekozen door Tinneke Beeckman, de rechtse, antispinozistische filosoof maar een zelfverklaarde Spinoza-fan. Wie als idool F1-piloten heeft en een nationalistische politiek voorstaat, is geen spinozist, dat ze dit zelf niet beseft, toont het lamentabel intellectueel niveau van dit land aan. De verrechtsing komt niet alleen van het islamisme. Spinoza stond aan de rand van de maatschappij, hij had niet de ambitie een volk kapot te maken, het denken te verengen tot een achterlijke ideologie.

Men beseft niet dat een verkeerde vraag- en probleemstelling dwaze antwoorden moet opleveren. Zo stelt Jean-Paul Van Bendegem het Gruuthuuse-handschrift voor als boek dat dé Vlaming karakteriseert: “Omdat men er al in het begin van de vijftiende eeuw niet aan kon weerstaan om religieuze gezangen te combineren met het meer scabreuze – zeg maar: seks en zattigheid. Vroom, jazeker, maar we gaan ons daar toch niet op vastpinnen?” Wij denken dan aan Rabelais en de Romeinen, aan Erasmus, Villon en de drolerieën – en dat alles is niet Vlaams maar is een Europese cultuur. Het antwoord op dwaze stellingen moet van hetzelfde niveau zijn als astrologie. Zeg mij uw geboortedatum en ik zal uw karakter blootleggen – en telkens is het juist omdat men aan de verwachtingen voldoet. Omdat er geen intellectueel klimaat is, worden zogezegd ernstige problemen naar een banaal, leugenachtig en anti-wetenschappelijk niveau gebracht. De domheid houdt zichzelf in stand.

Je stapt door de stad, je kijkt naar al die imposante gebouwen. De rijkdom van dit land werd gemaakt door de textiel en de landbouw. Deze gebouwen zijn nu ingenomen door buitenlandse modewinkels, de mensen die hier kopen, hebben slechts vodden aan hun lijf, ze eten nepvoedsel dat stinkt, ze zijn behangen met nepjuwelen. Je beseft de paradox, niet hier wordt nog voedsel geproduceerd, wel in Afrika, het continent dat Europa voedt. Je gaat terug naar het station. De trein is overvol, niemand kan er nog bij. De mensen moeten rechtstaan. Enkele wagons zijn gereserveerd door scholen, goed zo. Maar als er wagons gereserveerd zijn, dan zou je toch verwachten dat er enkele extra wagons aan de trein gekoppeld worden. Ah nee, zo ver gaat de klantvriendelijkheid van de NMBS niet, men zou moeten nadenken en gevolgtrekkingen maken. Sophie Dutordoir heeft van klantvriendelijkheid een ‘speerpunt’ gemaakt. Zegt ze. Dat is prietpraat. Net zoals ze de elektriciteitsinfrastructuur aan Frankrijk verkocht heeft en daarvoor door de Belgische politiek beloond is, zo kan ze nu ook de NMBS verkopen. Probleem opgelost, opdracht vervuld. Terug naar de charcuterie. O Vlaanderen, o welig huis.

Beeld: Hand uit zee, Cornelis II Floris, 1564, MAS

blablarok in antwerpen (2)

05-07-2018_muhka_pinsel_6

In plaats van de kuilen, de obstakels, het vuil en de verdwenen straatkeien te tellen, denk je aan de goede man Fernand Huts, een echte man, zo één die al zijn geld weggeeft aan kunst, en kunst is toch iets van en voor de gewone man, nietwaar, dat verheft hem zodanig dat hij wel even groot als Fernand Huts, de grote kleine baas van Katoen Natie kan worden. En wie een kunstcollectie opbouwt, is toch zeker vaderlandslievend, zelfs als hij al zijn geld parkeert in belastingvrije paradijzen en in een pseudostaat gaat wonen om ook als persoon geen belastingen te hoeven betalen. En natuurlijk betekent dit dat het milieu belast wordt, al dat heen en weer reizen, maar dat is voor een echte, grote Vlaming geen probleem, hij heeft immers een helikopter en wat een helikopter produceert aan vervuilende stoffen en geluidsoverlast, och dat rekenen we niet mee.

O Huts, O Huts, brave man, grote man. En terwijl je zo de gaten in het wegdek niet telt, denk je aan de Atlas Maior van Blaeu die Fernand Huts, de vaderlandslievende, cultuurlievende, gekocht heeft voor 600.000 euro. En aan de 817.000 euro die hij in 2016 betaald heeft voor een tekening van Rubens. O Huts, en aan de 2,4 miljoen euro die hij betaald heeft voor een portret door Jan Cornelisz Vermeylen en nu ook een schamele 380.000 voor een schilderij van Michaelina Wautier. Onduidelijk is of de veilingkosten hier al bij gerekend zijn. En het Vossenproject dat hij in het Dwaasland opgezet heeft, elke kapitalist zijn eigen cultureel pretpark, kost slechts 2 miljoen euro. En omdat de collectie De Bode, N-VA-adept – men blijft onder en bij elkaar – voorbijkwam (de kinderen De Bode hebben er geen interesse voor, welke vader durft zoiets van zijn kinderen te zeggen?) legde Fernand Huts, o goedheilige man, ongeveer 12 miljoen euro op tafel. Let op, deze keer niet door The Phoebus Collection aangeschaft maar wel direct door Katoen Natie, men moet niet overdrijven en spreiden om niet in het oog te lopen. Dat is veel geld, verzuchten Geert en Amanda die nauwelijks geld overhouden om hun stoel buiten in de zon te kunnen zetten. Maar dat is niets, schuift Fernand Huts zijn dikke borst naar voren, dat is slechts 0,5 procent van mijn jaarlijkse omzet. Nootjes en borrelhapjes. Maar zegt Amanda, dat is dus allemaal overschot van winst op winst. Als de arbeiders en bedienden nu eens iets beter betaald zouden worden, kom laten we zeggen 1 procent, zou dat iets betekenen voor Sinterhuts? Welnee, maar misschien wel iets voor de gewone Vlaamse mens. Maar een Vlaamse mens bestaat toch niet! Er zijn kapitalisten en er zijn gewone mensen, een Vlaamse kapitalist die zijn geld gebruikt om het Vlaams nationalisme te steunen en omhoog te pompen en daarvoor ‘wetenschappers’ afkoopt en politici uitdaagt en vakbonden weert is een kapitalist, geen mens. Men moet geen harde communist zijn om te weten dat winst van het volk gestolen is.

En zo verder lopend, hoofdschuddend en toch struikelend over een trottoirtegel, kwam je bij het MUHKA aan, het museum noemt zich M HKA, men moet de letters als klanknabootsingen begrijpen, het museum dat de U van universalisme overboord gegooid heeft, ook de U van u en je gaat binnen in de deur die het meest open staat. Wat is me dat, vraagt de brave mens zich af, moet ik nu al naar boven gaan? Je ziet een trap die naar boven leidt. Je gaat naar boven en je komt in het zogenaamde restaurant/café terecht, of is dit een installatie van een kunstenaar? Nee, hier moet je betalen. Je gaat terug naar beneden en naar buiten en je gaat binnen via de deur die het meest gesloten oogt. Je ontmoet een mens die fluit speelt en blaast, hij heeft de tentoonstelling Sanguine/Bloedrood al gezien. Je komt binnen in een zaal die donker is, een echte Vlaamse fermette, daarvoor zijn duizenden en duizenden euro’s neergelegd, 1,3 miljoen euro, niet alleen voor de uitvoering maar vooral voor het gedacht, men noemt dat een concept. Wat een sof voor de mensen die hier moeten werken, je zou warempel donkere gedachten krijgen. Je kijkt wat rond, er zijn geen catalogi te vinden, weg met het denken, weg met het schrijven, weg met, ja, weg met zowat alles. Maar wel de indruk geven dat er boeken zijn. O ja, er zijn boeken, bibliotheekboeken. Is dit een bibliotheek of doet men alsof? Men doet alsof. Een bibliotheek is een bloeiend, levendig geheel, hier zijn de boeken afgesloten van het leven, een boek doorbladeren kan ook niet, wie ontvangt nu zijn bezoek in de inkomhal terwijl allerlei mensen rond je staan te kwetteren. Dit is een antibibliotheek. Die 1,3 miljoen, men zou kunnen denken daarover is veel nagedacht, het gaat tenslotte om het geld van de mensen en het cultuurbudget is al zo laag. Vergeet het. Het museum zal binnen enkele jaren verhuizen en die 1,3 miljoen is letterlijk verdwenen in andermans zakken. Er is geen cultuurcommissie die zich roert, de cultuurdragers geven elkaar een vriendelijk duwtje en knipogen: ‘Zo doen wij het ook’. Het establishment.

05-07-2018_muhka_bernd lohaus

Het eerste wat je ziet in het museum, en dat maakt veel goed, zoals de lochting, zijn twee werken van Bernd Lohaus, die jarenlang in een garage lagen en nu ‘gevonden’ werden. Werk dat als niets oogt maar alles is wat kunst tot meer maakt. De touwen , de knoestigheid, het evenwicht, de rust, de zekerheid, ja, ook de kloeke kleigrond, de eenzaamheid en het in zichzelf gekeerd zijn – wat jammer dat het in dit museum hangt.

Je gaat de trappen op en je komt warempel in een zaal terecht. Er zijn ‘wandelbrochures’ te vinden, niet in het Nederlands. De Engelse heeft als ondertitel ‘Luc Tuymans on baroque’, de brochure bevat ook Franse teksten, tiens. Maar is een plan geen brochure, er is nauwelijks tekst, blablawoorden: « la réflexion de Tuymans sur le baroque est parfaitement tangible ». Enkele jaren geleden klaagde Zeno X dat het museum, dat enkele meters verder lag, geen band had met deze commerciële galerie, dat buitenlandse bezoekers die voor Luc Tuymans kwamen in het MUHKA niets te vinden hebben. De galerie is ondertussen verhuisd naar een slagerij, annex sanitaire winkel, een galerieruimte die door gerenommeerde architecten tot iets gemaakt is dat geen galerie is, maar een ruimte waar men geldbriefjes aan de muren kan hangen, het is alsof men een crematorium bouwt en zegt dat dit een, hier wordt het woord gecensureerd, is. Nu wordt de naam Tuymans door het museum als lokker gebruikt, de grote curator schilder mensenvriend intellectueel dialectdeskundige nederlandsonkundige (tijdens de zomer worden er alfabetiseringscursussen georganiseerd) ziener en terpentijnliefhebber mag een tentoonstelling samenstellen, ja waarom heb je een museumstaf nodig, schaf dat toch af, een museum is immers een vitrine, als elke middenstander een wetenschappelijk team zou moeten hebben de universiteiten zouden te klein zijn. En Unizo zou zich weer zorgen moeten maken.

‘Bloedrood’ is de tentoonstelling getiteld en de overheersende kleur is wit. Bij het binnenkomen de tegenvallende beelden van Nadia Naveau, de nieuwe poulain van Luc Tuymans. Dit is een typevoorbeeld van hoe een ‘idee’ een slechte praktijk krijgt, omdat de idee oppervlakkig begrepen is. Het samenbrengen van oud en nieuw, van hoog en laag zou wel iets intelligenter mogen gebeuren dan een replica van een oud borstbeeld een pinokkioneus opzetten – de oppervlakkigheid van de vorm wordt hier gedemonstreerd, het platvloers gebruik van gedachtengoed schaamteloos tentoongespreid. Dit is een typevoorbeeld van hoe een kunstenaar kapot gemaakt wordt omdat hij niet in een hoogstaand intellectueel discours opgenomen wordt en dus ‘zo maar iets doet’. Op deze wijze worden talenten verknoeid en mogelijkheden beknot.

Het was lang geleden dat je nog eens de paarden van Berlinde De Bruyckere gezien had, wat een tegenvaller ook. Er is niets aangrijpends meer aan, de paarden zijn poppemiekes geworden. Ligt het aan de toeschouwer, aan de opstelling, aan de context? Wat hebben dode paarden met barok te maken? Briesende paarden, dat is barok!

Vermits er geen uitleg gegeven wordt, weten we niet wat het museum onder barok verstaat, wat Luc Tuymans daaronder verstaat is al evenmin duidelijk. Een museum dat jarenlang geen kunst heeft getoond omdat het wilde reflecteren over de functie van het museum in de maatschappij, hoe mensen bereikt moeten worden en wat het museum eigenlijk moet doen, toont van al die kunstonzinnige activiteiten nu het resultaat en er is geen resultaat. Er is een filmpje te zien waar de directeur zegt ‘Als er 1 iemand 1 werk goed vindt, dan is de expositie geslaagd. Daarvoor doen we het toch.’ De ambitie is zeer hoog. Nee, we lachen niet, we zijn alleen maar triest.

On Kawara? Barok volgens Tuymans. Thierry De Cordier is vertegenwoordigd met ‘Mer Grosse’ (2011), een prachtwerk – maar geen barok. Marlene Dumas is natuurlijk aanwezig met een nogal flauw schilderij omdat Marlene Dumas overal aanwezig is met nogal flauwe schilderijen en ze tot de Zeno X-stal behoort, net zoals Michaël Borremans die ook aanwezig is. Is dit barok? Nee, dit is ‘ik zal mijn adresboekje eens bovenhalen’ en altijd weer komen we dezelfde namen tegen. Intellectuele uitdaging? Is het werk van Isa Gensken barok? Dat van Jan Vercruysse? Wat een onzin is dit alles. Wel terecht is Lili Dujourie, zo kun je nog eens lachen met dat minderwaardig oeuvre. Barok was niet alleen een vorm maar had een inhoud. Wat is die volgens dit museum? We weten het niet. En wat is het antwoord van deze tijd op de barok? We weten het niet.

05-07-2018_muhka_lili dujourie

Ah, de confrontatie van oud en nieuw! Caravaggio wordt getoond, men had een werk van Danny Devos hier tegenover kunnen zetten. Rubens, Van Dyck zijn aanwezig om aan te tonen dat de rest geen barok is. Nu we dit zien, ook deze tentoonstelling had in het KMSKA moeten plaatsvinden, nu is men tevreden met dit afdankertje in deze al te simpele ruimtes. Maanden heeft men gewerkt aan de tijdsindeling, het opstellen van plannen en diagrammen en nog slagen de architecten er niet in het KMSKA op tijd op te leveren, hun tijd verkwistend met dingen die ze niet moeten doen.

Er zijn twee prachtige beelden van Johann Georg Pinsel uit de 18de eeuw te zien. Ze zijn geplaatst in een donkere ruimte, om alles nog wat meer te beklemtonen – dat is nochtans niet nodig, deze werken zijn krachtig genoeg. Want dit is barok: de verscheurdheid, de ingehouden uit elkaar spattende emoties, de rijkdom van de gewaden, de exorbitante vormen, het meesterschap van het oog. Maar vooral: er is een inhoud die zegt hoe belangrijk het leven is en hoe het lijden lijden is. De ideologie van het MUHKA is die van de leegte. De neppresentaties, kunst als een modedefilé, inwisselbaar, steeds zichzelf herhalend, luie oppervlakkigheid. Ik zeg deze keer dan ook niets over het achterafzaaltje met de zogenaamde ‘Vlaamse klassieken’, een soort zwart labyrint, waar je op muren botst en waar de werken over elkaar heen staan en waar geen enkele uitleg aanwezig is. De Vlaamsche geest, grote geest immers. De werken staan opgesteld als kleine hoertjes: tegen een zwarte achtergrond, op een verhoog onder een felle spot.

Er is een video te zien, (‘De leeuw van Caracas’, van Javier Téllez) geen kunst, een documentaire, men monteert bij de beelden meeslepende muziek, dat schalt door het museum, men denkt dat is barok, men dwaalt. Tegen het katholicisme van de barok had men P.I.L. moeten zetten, al is ook dit al enkele decennia oud, actueler en hedendaagser dan het pezeweversgedoe van Tuymans c.s., de nieuwe katholieken, de ideologen, de machtscollaborateurs.

Een Vanitas van Franciscus Gijsbrechts uit de 17de eeuw is weliswaar een belangrijk werk maar is geen barok. Deze tentoonstelling staat ten dienste van het kapitaal van een galerie en een kunstenaar; heeft geen culturele ambitie, wil geen denken op gang brengen, is er enkel en alleen om een gat te vullen, om toeristen te lokken. Het nationalisme viert hoogdagen in Antwerpen, de culturele instellingen dienen het reactionaire nationalisme, ze misbruiken daarvoor de geschiedenis, vernietigen daarmee het denken en het kunsthistorische, bedriegen de weldenkende mensen. Dit is nog steeds het resultaat van de Anciaux-domheden, men ziet wat het betekent als anticultuur aan de macht is en de anticultuuragenten in culturele instellingen gedropt worden: kunst moet gevoeld worden in de buik, pardon, de Vlaamse buik, omdat het hoofd vol zeepsop zit.

De tijd, de toekomst zal niet oordelen. De tijd wendt zich af, wenst het bedrog niet langer te zien.