sfcdt

hugo claus en giambattista vico (5)

12-12-2018_hugo claus en giambattista vico_1

Hugo Claus heeft in zijn poëzie enkele keren verwezen naar Giambattista Vico. Dit is niet evident, Vico is nauwelijks vertaald geweest in het Nederlands, zelfs nu nog is zijn Scienza Nuova niet vertaald. Bertrand Russell vermeldt Vico niet in zijn Geschiedenis der Westerse filosofie in verband met politieke en sociale omstandigheden van de oudste tijden tot heden (Nederlandse vertaling 1975) en ook Hans Joachim Störig in zijn Geschiedenis van de filosofie (Nederlandse vertaling 1972) zwijgt over Vico. Beide boeken zijn verschenen na Heer Everzwijn waarover we het straks zullen hebben, maar tonen wel de ‘status’ aan van Vivo – die nauwelijks als een filosoof gezien werd/wordt. Er is de Winkler Prins maar die vermeldt te weinig om ernstig genomen te worden, is niet diepgravend genoeg. Het kan dat Claus vertrouwd geraakt is met Vico door zijn verblijf in Italië, door Benedetto Croce is Vico daar wel gekend en gewaardeerd. Maar los van een mogelijke bron is de verwijzing naar Vico interessant genoeg.

Voor Claus is dit een stap weg van het metafysisch denken, maar ook weg van het surrealisme: hoe rationeel te blijven en toch de westerse rationaliteit te verwerpen, hoe de fantasie bewaren zonder de irrationaliteit van het surrealisme te omhelzen?

Net zoals in al zijn werk stelt Claus Heer Everzwijn (in de bundel Heer Everzwijn, 1970) in een situatie, hoe verhoudt hij zich tegenover anderen, zijn vrouw, zijn klerk, de wereld. Geen psychologie. Claus bedrijft situationele ethiek, maar toch geen casuïstiek.

Over deze reeks gedichten is duchtig geschreven. In zijn heruitgegeven Echo’s echo’s : de kunst van de allusie (Vantilt, 2011) wijdt Paul Claes het dertiende hoofdstuk aan ‘De jacht op Heer Everzwijn’, daar legt hij de bron voor het eerste gedicht bloot (Geschiedenis van Antwerpen door Floris Prims), het hoofdpersonage wordt (was al) geïdentificeerd als Jan III, hertog van Brabant. Een tweede brontekst is mogelijk Das sogenannte Böse van Konrad Lorenz, alhoewel dit ook een verwijzing zonder directe bron kan zijn.

In De Nieuwe Taalgids (jrg. 80, 1987, nummer 1) hadden Paul Claus, Dirk De Geest en Rik Van Daele al eerder de bronnen gedeeltelijk blootgelegd maar daarmee is het gedicht nog niet volledig verklaard – gesteld dat de superioriteit van de schrijver, die in de ambivalentie ligt, menselijkerwijs benaderd kan worden. Beide stukken kunnen naast elkaar gelegd worden om te zien wie de hoofdauteur was van dit eerdere artikel, in Echo’s echo’s verwijst Claes subtiel naar die eerdere poging.

Wij beperken ons nu tot het derde gedicht van deze reeks, ‘Tot zijn vrouw’ en ‘De dood van zijn voorvader’ laten we buiten beschouwing.

Willy Spillebeen schreef over dit gedicht (DW&B, jrg., 116, 1971, nummer 1 ): ‘Het gedicht ‘Tot zijn klerk’, met zijn spel van binnenrijmen, is een bijzonder hermetisch stuk. Claus zet zich – bij monde van Jan III – af tegen zijn eigen dichterschap:

Er is zoveel waar je je draait of keert,
zoveel te haten en jij blaat mee, geen toon verkeerd!

Maar meteen blijkt de onmacht van het hatend woord: ‘het wordt verdonkeremaand, / je woord, een lappendeken’ en jij bent ‘bek-af geblaft!’ en:

Er is zoveel dat je niet anders kunt dan herhalen:

‘waarheid’ –
voor de bloedgierige beeste
je vernielt in je queeste.

Vervolgens neemt Claus een citaat van de Italiaanse geschiedenisfilosoof Gambattista Vivo: ‘De regel van de waarheid is ze te hebben gemaakt’ en hij antwoordt: ‘- daarom: waarheid: vernietiging -’. En hij besluit:

Zo dat je maar weet: woorden zijn meer dan je deel,
eerder geweten dan wetenschap
en zij vertakken van zeker naar waar. ’

Tot zover Willy Spillebeen.

Het gedicht ‘Tot zijn klerk’ kunnen we lezen als een biografisch gedicht over Giambattista Vico. Een filosofiestudent kan in dit gedicht de filosofie van Vico lezen (leren). Al in de derde regel lezen we de kernwoorden van Vico certum en verum, verderop citeert Claus Vico quasi-letterlijk en ondertussen gaat het over het denken van Vico én over de relatie tussen de dichter en de machthebber, waarbij de taal centraal staat.

In het tijdschrift ‘De Gids’ (jrg. 133, 1970, nummer 1) was een eerdere versie van Heer Everzwijn verschenen, we nemen deze tekst mee in onze lezing. Zoals Jan III, als het prototype van de machthebber, tot zijn vrouw spreekt, zo spreekt hij hier tot zijn klerk. Paul Claes verklaarde ‘klerk’ door te verwijzen naar ‘Jan van Boendale, ‘schepenclerc’ (vandaar zijn naam Jan de Clerc) oftewel stadssecretaris van Antwerpen, […]. Claus zinspeelt daarop door een ander gedicht uit de cyclus de titel ‘Tot zijn klerk’ te geven.’ (o.c., p. 144). Dit is een mogelijke verklaring, maar omdat de ‘digest van Boendale’ enkel voor het eerste gedicht geldt (en ook niet in de 2 andere gedichten gebruikt wordt), (maar wel blijft spelen) en hier geen toegevoegde betekenis krijgt, laten we dit vallen. ‘Klerk’ is een Clauswoord (Denk aan Het graf van Pernath: ‘Klerken zullen het einde van je consulaat / vergelijken met de dood van een andere dichter.’) en duidt op een onderhorigheid, een schrijvelaar, een pennenlikker, soms een dichter ook. De klerk die Jan III aanspreekt is Vico, hij die de taal wil reanimeren, die de geschiedenis wil verklaren. De klerk is de intellectueel.

Tot zijn klerk [De Gids-versie nummert het gedicht III]

Naargelang het schrift [De Gids: Naar gelang]
zich schift in kennis en begeerte,
in certum en verum:

Je gezicht ontdaan
in een gedaante
van ongewisse drift. [De Gids: die blijft hangen in een ongewisse drift.]

Het certum is, zoals we eerder schreven, het zekere, verum, het ware: het eerste is het meer aardse, het tweede de eeuwige waarheid, maar aards en dus bereikbaar voor dat wat de mens zélf gemaakt heeft. Het schrift is de taal, de cultuur, het gebruik van abstracta. ‘Kennis en begeerte’ is de tweedeling van de mens (de verdeelde mens), enerzijds het hoofd, anderzijds het lichaam, het kernprobleem van het Westers denken. Het schrift, de cultuur, is verdeeld in kennis en begeerte, het is onduidelijk of Claus hier een chiasme toegepast heeft. Indien wel dan staat kennis voor de waarheid en begeerte voor de zekerheid. Clausiaans is dit echter niet. Het gezicht van de klerk wordt in de tweede strofe beschreven: het is een masker, het wordt afgerukt (‘ontdaan’) en toont nu ‘ongewisse drift’, dit is onzekere drift (het ongewisse gaat een verbinding aan met het certum). De ‘De Gids’-versie is ontdaner dan de uiteindelijke versie: het hangen zal een echo krijgen in een latere regel: ‘of een kapstok waaraan de rede te drogen hangt’.

De eerste twee strofen bevatten het eerste deel van een vergelijking, de derde strofe begint met ‘zo’.

Zo content in conventie
rent je retoriek de rede tegemoet,
je volzin gaapt en slikt het bloed

[De Gids: op de maat van een bevattelijke dans:

– Voor jou, Maria Marina
blaas ik op mijn ocarina
Op elke pagina
verwelkt jouw vagina. – ]

en je verhult in een kwakend monument
wat je van de gil naar de stilte ment,

behaagziek gerinkel van bikkels [De Gids : stuiters en bikkels,]
en klinkers, [De Gids: gewichtsloze klinkers buiten elk gevaar ]

een kakelend moment
dat je dacht: hoe karig is het ongeluk
sneeuw in de zon. [De Gids : het sneeuwt in de zon.]

Het is geen verlies dat Claus het liedje ‘Voor jou’, enzovoort heeft weggelaten. Een ocarina is een ‘keramieken’ muziekinstrument, Italiaans voor ganzenkopje. We kunnen hier echter wel een clausiaanse situatie in zien. Zoals een Orpheus blaast de dichter op zijn ocarina (een nogal dwaas want niet-gesofisticeerd instrument), de pagina verwijst naar het klerkenbestaan en de verwelkte vagina is wat elke schoonheid meemaakt. Zelfs de kunst kan die niet bewaren. Ook: tegenover het leven heeft de kunst (ocarina, pagina) weinig te betekenen. Het ‘kwakend monument’ is een verderzetting van ocarina, het gansje dat kwaakt.

Stuiters uit De Gids-versie heeft Claus laten vallen en dat is wel een verlies: het rinkelen komt meer overeen met grote knikkers dan met bikkels. Door ‘stuiters’ te laten vallen heeft hij de klankecho’s (i) kunnen versterken. ‘Klinkers’ is nu korter en daardoor beter.

In het tweede deel van de vergelijking spreekt Claus van de retoriek. Vico was professor retorica aan de universiteit van Napels, en dat was zo ongeveer de allerlaagste functie die men iemand kon geven. Hij heeft zijn hele leven, zegt Mark Blaisse, daaronder geleden. Retoriek moet hier ook begrepen worden als ‘taal’, die dan tegenover de rede gezet wordt: de woorden willen de rede veroveren. Retoriek is ook het kunstige, het versiersel (dit wordt in een ander ‘Vico-gedicht’ verder uitgewerkt), wat staat tegenover de droom van de universele, eenduidige, maar daardoor arme, taal.

Was de drift het certum, dan is de rede hier het verum. In de volgende regel herhaalt ‘je volzin’ ‘je retoriek’ maar vervangt ‘bloed’ ‘de rede’: de taal gaapt, heeft niets te zeggen, maar ‘slikt het bloed’, maakt het leven bloedeloos: de retoriek zuigt het leven uit. Het is belangrijk hier nogmaals te wijzen op het standpunt van Vico: hij verzette zich tegen de rede die het menselijke domein wilde ‘meten’, hij verzette zich niet tegen het redelijke denken. Claus spreekt hier over de poging van Vico om een andere waarheid, een andere rede te creëren – Vico als dichter-kunstenaar. Maar zoals steeds ‘misbruikt’ de dichter zijn zegslieden, niet alleen hun naam ook hun denken.

‘Content in conventie’ is een karakteristiek voor een klerk, als er maar niet zelf gedacht moet worden. Nu ga ik te ver in de interpretatie. ‘Conte’ duidt in het Middeleeuws de vagina aan, daarmee verdubbelt hij ‘jouw vagina’ – een ‘insider’grapje. Content laat ook ‘consent’ weerklinken, dit betekent de toestemming – de conventie is altijd gewild door de kleinburger.

‘Conventie’ kan ook positiever begrepen worden. Als de taal gebonden is aan een bepaalde periode in de beschaving, dan is de conventie niet negatief te begrijpen, maar realistisch beschreven. Het woord ziel in de 20ste eeuw is een ander begrip dan in de 13de eeuw. ‘Content in conventie’ is dan ‘gelukkig in de eigen tijd’. Bedenk hierbij dat Claus graag met meerduidigheid, ambivalentie speelt én dat hij andere gedachten wikkelt in conventionele woorden, én dat hij contraire gedachten aankondigt daar waar we het nog niet verwachten. (En als het niet zo is: wat dan nog, let it be, de cultuur moet verrijkt worden, niet met onnozele praat, wel met interpretaties.) De taal van de conventie is dan de gewone mensentaal, die staat tegenover de stadhuiswoorden en de retoriek, en ook hier kunnen we het woordenpaar certum en verum toepassen: het eerste woord is het leven (het materialisme), het tweede de ideologie, het ideële, de metafysica. Het is zeer de vraag of dat verum wel bestaat.

De retoriek is de dwaze woordenkramerij, die versterkt wordt door ‘volzin’, ronkend. In de volgende strofe wordt dit nog verder benadrukt: ‘je verhult’ – taal zou moeten tonen, verklaren, maar de machthebber spreekt tot de klerk en verwijt hem juist te verbergen. Het spreken van de klerk is slechts een ‘kwaken’ en dat wordt verbonden met een ‘monument’: een staketsel vol zinnen, zinloos gebazel, oud, doods, van steen. Dat wordt nog verder versterkt door het ‘behaagziek’ lawaai, ‘gerinkel’ is enerzijds brekend glas, anderzijds kristal, dus conventie. De bikkels, (ach, denken we dan niet aan de Romeinse soldaten aan de voet van het kruis van Christus en aan onze jeugdjaren), is de werkelijkheid; klinkers verwijst naar de taal: kinder- en taalspel (dit is als een verwijt te lezen). De zin ‘wat je van de gil naar de stilte ment’ is het klerkenbestaan: de gil staat voor het leven, de stilte, voor het zwijgen. Al noemen anderen dit een hermetisch gedicht, dit is even goed een politiek gedicht (zoals de tweelingbundel Van horen zeggen de publieke gedichten bevat, daar lezen we ook het gedicht ‘Dichter’, dat eenzelfde problematiek behandelt als hier.)

Het kwaken wordt ‘herhaald’ in het ‘kakelend moment’ en dan draait Claus de conventionele gedachte om: normaal zegt men dat geluk vluchtig is, maar hier zegt men: ‘hoe karig is het ongeluk, / sneeuw in de zon.’ We zouden dit moeten begrijpen als ‘na regen komt zonneschijn’. Claus als het zonnetje in huis.

Dat dit politiek is, lezen we in de volgende strofen (de eerste regel verwijst naar het omgekeerde ‘spreekwoord’ dat hier net besproken werd):

En er is zoveel waar je je draait of keert,
zoveel te haten en jij blaat mee, geen toon verkeerd! [De Gids: geen uitroepteken]

Zoveel, de wolk van roet [De Gids: Zoveel, de wolk van roet die door de haat]
uit elke hoek wordt aangeblazen,
er is zoveel te razen, zelfs in de gegeven maat. [De Gids: geen punt, de volgende ‘zoveel’ zonder hoofdletter]

Zoveel dat je geen woord kunt spreken, klerk,
of het wordt verdonkeremaand, [De Gids: geen komma]
je woord, een lappendeken. [De Gids: een komma i.p.v. een punt]

Zoveel dat je wit als een raap [De gids: Zoveel dat je oog en oor begeven, dat je wit als een raap]
op je plek zit te kokhalzen, onbegrepen schaap! [De Gids: op je ijzige plek zit te kokken,

Dat je bek-af geblaft dreigt met een kinderzweep! [De Gids: dat je dreigt met een kinderzweep, / bekaf geblaft, luisterend naar andermans gehijg!]

We moeten ons de situatie voorstellen. De machthebber (Jan III) spreekt tot een ondergeschikte, een intellectueel, iemand die met woorden jongleert. Hij toont zijn macht door de kruiperigheid van de ander aan te klagen. De intellectueel/dichter verliest zich in beuzelarijen, terwijl er zoveel te haten is (typisch voor Claus is dat de beide figuren uit hun rol vallen), maar de intellectueel blaat maar mee. Wij denken aan La trahison des clercs van Julien Benda, die Vico overigens slechts 1 maal citeert en dan nog op het einde van zijn werk (Grasset, 1981, p. 224). De dichter is ‘politiek correct’, geen valse toon zingt hij, hij gaat op in de massa. ‘De wolk van roet’, kan begrepen worden als luchtvervuiling, of als de rook van de atoombom – eerder het tweede. Algemener is roet een giftige stof, tevens vuil: metaforisch te begrijpen als het kwaad van de wereld. Er is daarvan zoveel dat zelfs wanneer je spreken zou, het verdonkeremaand wordt (het werkwoord verwijst naar het roet), het verdwijnt, het woord heeft niet bestaan, je woorden zijn een lappendeken (straks spreekt Claus van ‘fragmenten’), hebben nauwelijks verband met elkaar. Na het zwart en het verdonkeremanen komt de witheid, nu van de raap – wat al even erg is als een schaap, dat wit wordt verhevigd in het kokhalzen: bij het braken trekt men wit weg. Het spreekwoord ‘blozen als een raap’ betekent ‘er bleek uitzien’.

En wat doet de intellectueel-klerk? (Het woord klerk kan vervangen worden door hond, zo spreekt Jan III tot ‘Vico’.) Doordat hij afgeblaft wordt, is hij moe – maar hij dreigt met een kinderzweep! Ach, zijn verweer is zo nietig. Tegenover de macht, wat heeft hij te bieden?

We kunnen deze tirade naar Giambattista Vico vertalen. Hij was niet alleen professor retorica, ook heeft hij, om in leven te blijven, veel loftuitingen op ‘beroemde’ personen moeten schrijven. Naast zijn filosofisch werk heeft hij gebogen voor de macht, heeft hij de woorden misbruikt om onterecht te loven en te prijzen. Daardoor heeft hij zijn eigen filosofie (taal) in diskrediet gebracht. Claus maakt van de machthebbers nooit dommeriken, (de volkse dommeriken zijn bij hem dom), zij doorzien het spel, de vijand, hun inzicht is superieur. Ook hier gebeurt dat: Jan III ontmaskert de ander.

Hij gaat verder in de vernedering, de klerk wordt nu ‘knecht’ genoemd. Claus spreekt van fragmenten, het werk van Vico is in ‘axioma’s’ geschreven, korte stukken, (dit is ook autobiografisch te begrijpen: Claus die fragmenten aan elkaar last), ‘wetten’ die de indruk van een structuur geven, maar wel los geconstrueerd zijn. Het ‘koffiedik’ is het ‘voorspellen’ van de toekomst, het ‘overzien’ van de geschiedenis, zoals Vico dacht te doen. Het ‘rijmen’ is het overbodig gebazel, niet verder komend dan zelfbeklag en een flauwe trots over de eigen bezigheid. Dan gebruikt Claus het woord ‘plet’, dat werkwoord had Claus al gebruikt in het eerste gedicht van deze reeks: ‘Waarop de Baljuw op zijn beurt / een paar poorters gevangen zet en hun teelballen plet.’ Paul Claes schreef daarover in het reeds aangehaalde boek Echo’s echo’s. Claus volgde Floris Prims maar voegde het pletten van de teelballen toe: ‘Volgens Prims legde de baljuw van Aalst twee poorters ‘als gijzelaars in den steen te Rupelmonde’ (p. 28). Claus, nooit vies van een trivialiteit, maakt hiervan met een binnenrijm: ‘Waarop de baljuw op zijn beurt / een paar poorters gevangen zet en hun teelballen plet.’ (o.c., p. 147). Maar door de herhaling in het klerkengedicht van het werkwoord, wordt dit meer dan een trivialiteit: de baljuw plet de teelballen, de klerk plet de woorden tot bruikbaarheid. Dit wordt gezegd door de machthebber, maar het gedicht ‘Envoi’ indachtig kunnen we dit ook anders interpreteren: de macht doodt en moordt, de dichter houdt zich bezig met het futiele – en dat is beter dan de onderdrukking.

Claus spreekt van ‘de schaduw van een appelaar’, we kunnen hierbij verwijzen naar Plato, maar ook naar Joseph-Benoît Suvée’s ‘De uitvinding van de tekenkunst’. In deze passage wordt de vluchtigheid en futiliteit opgeroepen, van kunst, van woord en dus van het leven. Tevens is dit een illustratie van het denken over taal, de representatie: de schaduw zijn de woorden, de appelaar is het reële – taal en dus kunst en dus beschaving zijn nooit gelijk aan het leven zelf, er is niet alleen geen spiegel, er is steeds vervorming aanwezig: tussen ding en beeld knarst het zand.

De volgende strofe begint in de reguliere editie met ‘Terecht ben je alleen verstaanbaar,’, de volgende verzen uit De Gids-versie zijn weggelaten:

Onoverzienbaar wit geverfd,
elk jaar een nieuwe kerf in je krop

dat je ’s avonds niet bedaart en in een dazig
blanco slaapt, makelaar in gedachten,

Ook deze verzen zijn niet mals. Makelaar in gedachten, iemand die koopt en verkoopt, een handelaar, een commerçant – in West-Vlaanderen is dit tegelijk een scheldwoord en een lofprijzing, minachting en bewondering. De eerste regels zijn nogal duister, krop doet denken aan kalkoenen, maar kan als pars pro toto staan voor hoofd (en is dan een echo van ‘raap’, tevens het wit), wit geverfd aan maskers, wat het ook moge zijn, zeer positief klinkt het niet. Wanneer krop gebruikt wordt voor mensen is het negatief: een hoge borst opzetten of pruilen. Dit kan biografisch op Vico toegepast worden: elk jaar hoopte hij een hoger professoraat te kunnen krijgen, elk jaar werd hij teleurgesteld. Zijn ambitie werd telkens weer gefnuikt, kerven op zijn ziel. Daarmee is het wit nog niet verklaard. Helpt het als we weten dat witte verf lood bevat en dus giftig is?

Nu de versie zoals die in 1972 verschenen is:

Terecht ben je alleen verstaanbaar,
knecht, in fragmenten, [De Gids; geen komma na ‘in fragmenten’]
scharrelend in koffiedik, [De Gids: terwijl je scharrelt in je koffiedik ]
rijmend over ik en hoe-ik-stik- [De Gids : en rijmt over ik en hoe-ik-stik ]
en-kijk-hoe-ik-woorden-bruikbaar- [De Gids: en woorden bruikbaar plet ]
plet (de schaduw van een appelaar
………………………………………. in de muur geprent,
………………………………………. voorlopig, één namiddag!)

In de volgende strofe, die de De Gids-versie volgt met uitzondering van de werkwoorden, ‘wilt/wil’, ‘kan/kunt’ en ‘zal/zult’ en met toevoeging van een komma en een uitroepteken, roept Claus de figuur van René Descartes op, de filosoof die de meetkunde als dé wetenschap beschouwde, het tellen als dé methode zag (tellen gebeurt immers met duidelijk gescheiden entiteiten) en het exacte definiëren als een ‘zuivering’ van het denken voorstelde. Jan III spreekt tot Vico: jij, die je verzet tegen het cartesiaanse denken, dat nu (in de tijd van Vico, 18de eeuw, niet in de tijd van Jan III, 14de eeuw) hét moderne denken is, je kunt zelfs niet tellen, je hebt geen basis om te denken en dan met een sneer naar het eigen denken van Vico: nog voor je dood bent, zul je al dood zijn: de onwrikbare geschiedeniswet van Vico zelf, ontkennend:

Jij die de wet van belangen wilt verzetten,
en niet eens kan tellen, noemen, veronderstellen
en voor je bloei zal vervellen !

Claus wijst hier op een paradox van Vico: enerzijds is er een eeuwige wet (zowel wat de maatschappij als het individu betreft), anderzijds wil Vico de belangen ‘verzetten’, veranderen, aanvallen. Daarmee zitten we weer in de discussie van determinisme en vrije wil, een problematiek die Claus in Het jansenisme (1977) terug zal opnemen.

Er is zoveel dat je niet anders kunt dan herhalen:
‘waarheid’ –
voor de bloedgierige beeste
je vernielt in je queeste.

Het woord zoveel wordt een vijfde keer gebruikt, de bedoeling is te zeggen dat er veel is. In de De Gids-versie staat achter ‘waarheid’ een vraagteken, in de uiteindelijke versie is die weggelaten. Weer hebben we hier de vicoiaanse idee van het verum en certum: de intellectueel mag wel eindeloos over waarheid zitten speculeren, het certum is de werkelijkheid: de macht komt uit de loop van het geweer. De ‘queeste’ is de zoektocht naar de waarheid, de ‘beeste’ is de machthebber. Het beest is bloedgierig, dit refereert naar de derde strofe (‘en slikt het bloed’): de macht doodt, zuigt het leven weg. Deze ‘oud-Nederlandse’ woorden verbinden dit gedicht met het eerste waar eveneens oude woorden gebruikt worden maar dan cursief, omdat het citaten zijn.

De volgende strofe is een moreelfilosofische bedenking.

Wat is de waarde?
(wat waar is? een mogelijke berekening

………………………………………. die kleeft aan wie rekent
………………………………………. als de mossel aan zijn schelp
………………………………………. of wat zeker is? een verzekering)

en wat is mogelijk? d.i. niet ontstaan
………………………………………. maar verbeeld.

‘Waarde’ moet gelezen worden in een ethische context, toch wordt ook de betekenis van ‘kostprijs’ hier verondersteld (‘berekening’ en ‘verzekering’ zijn financiële begrippen). Deze laatste betekenis verbindt dit gedicht met ‘Jan III’ het eerste gedicht van de reeks. Het relaas van Floris Prims is immers vooral een financieel verhaal: welke schulden had de machthebber tegenover de steden, op welke manier werd geld geleend, hoeveel bedroeg een bruidsschat, enzovoort. Prims is een materialistisch geschiedschrijver die beschrijft hoe het geld de wereld drijft.

De vraag kan ook ethisch gelezen worden. Wat is het waard om voor te leven? Voor het ware of voor het zekere, voor dat wat vastligt of voor het mogelijke? Claus heeft een lange aanloop genomen om de kernvraag van het gedicht te expliciteren. Nu wordt hijzelf denigrerend tegenover de moraal van de handel, van de economie. Een ‘berekening’ moet verbonden worden met geld, het tellen en rekenen. Mossel en mosselschelp zijn moeilijk van elkaar te scheiden, gesloten als een schelp, tegelijk is mossel iets vormloos (mossel noch vis): is dat jullie zo geroemde waarheid? Die van het geld? Of willen jullie zekerheid? Ach, kleinburgerlijke idioten die zich verzekeren voor kleinburgerlijk ongemak (een gebroken ruit, een gevallen dakpan). En wat is er buiten het ware en het zekere? Dat wat mogelijk is, we denken aan Musil, de verbeelding, de fantasia van Vico, die in het retorische en het creatieve denken een waarheidsbegrip zocht.

Dan spreekt Jan III Vico rechtstreeks aan: ‘jij’, de titel van het gedicht ‘Tot zijn klerk’ heeft inderdaad minder met Jan van Boendale te maken, Claus speelt met de klanken ie-ei, om uit te dagen. De uitspraak van Vico is een vertaling van het Verum ipsum factum, het ware is wat zelf gemaakt is. Een uurwerk kan een mens volledig begrijpen omdat hij de techniek kent, de oorzakelijke verbanden zelf gelegd heeft. De mens kan het leven, zegt Vico, niet begrijpen omdat hijzelf niet het leven gemaakt heeft, enkel God kan dit. Claus gebruikt het woord ‘regel’ bij waarheid, dit is een ‘oud gebruik’, denk aan Descartes’ Les règles pour la direction de l’esprit (Regulae ad directionem ingenii) (1628-1629), een voorschrift, een manier. Met het woord regel verwijst Claus naar de andere, ‘wetenschappelijke’ methode van René Descartes.

Jij die dit ei lei, Vico, je zei:
– ‘De regel van de waarheid is ze te hebben gemaakt.’

12-12-2018_hugo claus en giambattista vico_2

De volgende strofe volgt, zonder hoofdletter, direct op de Vico-zin en begint met het woord ‘daarom’, de causaliteit aanduidend, een driespan: de reden, het woord en de daad: daarom-waarheid-vernietiging. Tussen de woorden staat een dubbele punt: hier gelijk te zetten met een gelijkheidsteken? Deze ene regel vat het hoofdwerk van Theodor Adorno en Max Horkheimer, Dialektik der Aufklärung (1944), samen. En inderdaad, net zoals Vico en de Duitse filosofen, gevlucht voor hun ‘beeste’, verzet Claus zich tegen de ‘instrumentele rede’, omdat die de mens verengt tot een gehoorzamend hoofd, het lichaam vernietigt en de vrijheid die noodzakelijk met verbeelding moet samengaan onmogelijk maakt. Intelligentie is meer dan het hoofd.
Anderzijds is de waarheid ook steeds vernietiging: de teloorgang van een cultuur, het sterven van een mens. De mens kan de waarheid niet bereiken, al is ze maar een haar van hem verwijderd. In De Gids-versie én in de eerste editie volgt een regel die door Claus in de blauwe versie (Gedichten 1948-1993, 1994) en in de tweedelige verzameling (Gedichten, 2004) is weggelaten of de uitgeverij heeft de regel over het hoofd gezien. De schaduw doet weer denken aan Plato, de spiegel is die van de representatie (Rorty: Philosophy and the mirror of nature, 1980), door Claus verhevigd doordat hij beide beelden samenbrengt : schaduw van een spiegel. De scheiding tussen ‘het mij’ en ‘het ik’, is de ontindividualisering van de mens en zijn gespletenheid, het dualisme tussen geest en lichaam. Het weten blijft van het leven verwijderd.

– daarom: waarheid: vernietiging –
een haar van je verwijderd –
en hoe je er met moeite bent,

schaduw van een spiegel die het mij scheidt van het ik

………………………………………. in elke hoop ingebed
………………………………………. schrikkend in elk bedaren
………………………………………. wisselend van vet om de zeven jaren
………………………………………. verweer tegen het stof binnen in de blik –

Claus maakt gebruik van gedachtestrepen. De eerste regel hierboven staat tussen twee tekens, de tweede regel eindigt daarmee, de volgende 6 regels zijn in deze gedachtenwolk te begrijpen, als het ware een zijdelingse gedachte, die het ‘een haar van je verwijderd’ moet verklaren (in 1979 verscheen van Cornelis Verhoeven het boek De schaduw van één haar, Claus gebruikt een gekend beeld). Het haar is vervelend, we zien wel het ware, maar geraken er toch niet bij. Het irriteert, het is in elke hoopvolle gedachte aanwezig, zelfs in een kalme toestand (het bedaren) laat het ons opschrikken. De gang van zeven vette en zeven magere jaren (een Bijbels beeld, Genesis 41, 34-36 ) is een illustratie van Vico’s geschiedenisopvatting: na een bloei komt een neergang, en het vertroebelt onze blik.

Deze gedachte wordt ondanks een sluitende gedachtestreep verder gezet met ‘tabak op de tong’, weer een vervelend iets, slechts een millimeter verwijderd van waar de tabak thuishoort (in de sigaret of in de pijp – zou Claus ooit een pijp gerookt hebben? Wat een fantasia!). Dan reduceert hij de ‘gedachte’ tot ‘niet eens een gedachte’ – het denken zelf is geen denken – de mens kan niet fundamenteler aangepakt worden. Claus varieert verder op deze gedachte dat een gedachte geen gedachte is: het is ook geen kapstok waaraan de rede te drogen hangt. Een kapstok dient niet echt om iets te laten drogen, toch is het beeld duidelijk. Een kapstok figuurlijk begrepen is een nepgedachte, letterlijk hangt de rede als het vel van Marsyas, ‘te drogen’ verwijst naar het eerder vermelde bloed: het vel is zielloos. Dit beeld is kunstig, het verwijst immers naar de strijd tussen Marsyas en Apollo, de eerste staat voor de creativiteit, de tweede voor de rede. Apollo heeft weliswaar Marsyas gestroopt (en Claus heeft dit al eerder in zijn poëzie beschreven, ‘Marsua’ in De Oostakkerse gedichten) maar hier hangt het vel van de rede aan de kapstok. Over de ‘verblinding’ hoeft niets gezegd te worden, dat is de toestand waarin wij leven. (Maar brengt ons de usura-gedachte van Ezra Pound in herinnering.)

tabak op de tong,
………………………………………. niet eens een gedachte
………………………………………. of een kapstok waaraan de rede te drogen hangt
………………………………………. of een mogelijke verblinding.

In de De Gids-versie staat er na ‘verblinding’ geen punt en gaat de ‘tirade’ gewoon verder.

Geen bries, geen toeverlaat, met moeite en wrevel
met als enig wederwoord
in je papieren: een vlek
met hooguit het woordje: vuur

………………………………………. (geleerd van het woord dat je moeder zei
………………………………………. toen je schreeuwde
………………………………………. om de gesmolten vingers van je pop)

Hugo Claus gaat verder met zijn negatieve ‘vergelijking’ : wat is dat toch met die rede van jullie, geen zuchtje wind is het, niet een steun of een troost, ja wat wrevel (zoals ‘tabak op de tong’(tong staat voor taal), en wat doe jij? Je krabbelt wat woordjes op papier, je maakt wat vlekken, je bent een kind. Het woordje vuur komt eraan, maar dat is niet het prometheïsche woord – Prometheus als de voorvechter van de mensheid tegen de godenwereld, nee, het is een kinderwoordje dat een moeder zegt tegen haar kind dat een pop tegen de kachel gehouden heeft waardoor het plastic handje gesmolten is. Belangrijk is hier ook dat het woord vuur geleerd is van de moeder, het is geen zelfstandig filosofen- of geleerdenwoord: het is een afgeleide, een representatie van het echte. Het woord ‘vuur’ is hier slechts een metaforisch gebruik, Jan III is in vicoiaanse zin waarlijk een held, de dichter behoort tot de eerste wereld.

Vuur wordt ook opgeroepen in het 20ste gedicht van de reeks Zijn nota’s bij ‘Genesis I, 1’ uit dezelfde bundel: ‘De taal van het vuur? / Geroosterde klinkers, verschroeide zinnen.’ – ook hier een taalproblematiek, dus een denken over wat de mens mens maakt. Het gebruik van het vuur is een kernmoment in een beschaving (denk aan Johan Goudsblom’s Vuur en beschaving (1992), maar ook het irrationele, dat wat niet te bedwingen is, het passionele.

De laatste strofe sluit de gedachte af. Het gedicht handelt over taal. Hier spreekt niet meer de heerser, de machthebber maar Claus-Vico. Woorden zijn meer dan woorden (toch!), ze vormen een wereld op zichzelf, behoren tot de ethiek, meer dan tot de wetenschap (waar immers de droom van een universele, enkelvoudige taal tot op de dag van vandaag bestaat, de wiskunde als ideaal). En laat de taal bloeien, gaan voorbij de realiteit naar het fantasievolle, naar het ware, want het menselijk gemaakte.

Zodat je maar weet: woorden zijn meer dan je deel,
eerder geweten dan wetenschap. En laat ze
vertakken van zeker naar waar.

Zoals Claus aangaf is de bundel Heer Everzwijn, de hermetische kant van hem en Van horen zeggen, beide in 1972 uitgegeven in een gelijkaardige vormgeving, de publieke kant. Door het gedicht ‘Tot zijn klerk’ uit Heer Everzwijn vanuit Giambattista Vico te lezen, kunnen we dit gedicht ook een politiek gedicht noemen (net zoals de hele reeks ‘Heer Everzwijn’ dat is).

Advertenties

hugo claus en giambattista vico (4)

11-12-2018_hugo claus_giabattista vico_samuel beckett

Transition, dat ongelooflijke tijdschrift van Eugene Jolas, met als ondertitel ‘an international quarterly for creative experiment’, bevatte in het Spring-Summer number, number 16-17 van juni 1929, een essay van Samuel Beckett. In dit tijdschrift publiceerde Joyce al enige tijd delen van zijn Work in Progress, dat later Finnegans wake genoemd zou worden. Beckett begeleidde dit werk, niet als ‘uitlegger’, naast het werk staande geeft hij terzijde commentaar. Met zijn woorden creëert hij een wereld waarin het werk van James Joyce kan bestaan. De titel van het essay bestaat uit 4 namen, Dante … Bruno . Vico .. Joyce (p. 242-253). Dirk Van Hulle schreef dat de puntjes tussen de namen gelijk staan aan de eeuwen die de auteurs van elkaar onderscheiden. Dit nummer bevat ook het eerste gepubliceerde verhaal, Assumption, van Beckett (p. 268-271: ‘He could have shouted and could not.’).

We weten dat Samuel Beckett een anticartesiaan was, zijn gedichten getuigen daarvan, in zijn werk verwijst hij soms naar Descartes, niet alleen naar diens ideeëngoed, ook naar zijn biografie. Zowel Vico als Bruno past in deze ‘strategie’, die geen strategie is maar een denkwijze, een zoeken naar waarheid die anders begrepen wordt. Bruno zag in tegengestelden een gelijkheid, een anti-Aristotelesprincipe en dus een fundamentele aanval op het Westerse denken. In Vico kon Beckett de menselijke maakgeschiedenis, de op- en neergang van culturen zien. Het essay handelt uiteraard over Joyce, is tevens een poging tot zelfinzicht.

In de eerste zin van Finnegans wake roept Joyce al de geest van Vico op (en van Homeros en Dante): ‘riverrun, past Eve and Adam’s, from swerve of shore to bend of bay, brings us by a commodius vicus of recirculation back to Howth Castle and Environs.’ In het Nederlands vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2002) als: ‘rivierein, langst de Eva en Adam, van zwier van strand naar bocht van baai, brengt ons via een commodius vicus van recirculatie terug naar Howth Kasteel en Immelanden.’ Het woord ‘recirculation’ is een verwijzing naar de cirkel- of spiraalvorm die de geschiedenisopvatting van Vico is. Joyce heeft zijn boek in 4 delen opgebouwd, delen 1-3 volgen de circulatie, deel 4 is een terugkeer, de ‘recirculation’ van de eerste zin is dus het begin van een cirkel, of de regeneratie van de spiraal. Het Latijnse woord vicus betekent hoofdstraat, en is een typisch literaire manier om een verwijzing zowel te tonen als te maskeren. Voor Joyce moet Vico aantrekkelijk geweest zijn omwille van zijn alomvattende visie die een streng determinisme laat zien maar waarbinnen vrijheid en vreugde kunnen heersen. Commodius kunnen we begrijpen als juist, gemakkelijk, als we het Latijnse woord commodus als basisvorm nemen, samengevoegd met vicus is dit de gemakkelijke weg. James Joyce heeft Dante overwonnen: deze was verdwaald in het donkere bos, Joyce staat aan de open zee, de juiste weg bewandelend.

Samuel Beckett volgt in zijn essay grotendeels James Joyce, toch kunnen we in de latere Beckett al zien. Ook hij wilde een ‘redelijk’ bestaan zonder de dominantie van de Westerse rationaliteit te moeten aanvaarden. Joyce ‘gebruikte’ Vico om zijn literaire oeuvre vorm te geven, een vruchtbaar denker noemen we dat. Op aangeven van Joyce heeft Beckett zijn essay geschreven en dus is Vico een navolger van James Joyce geworden (hier persifleer ik Peter de Voogd die het essay De invloed van Joyce op Sterne (1991) geschreven heeft).

Beckett vat de theorie van Vico samen, hij gaat dieper in op de drieledige structuur, die zesledig is, met allerlei tussenvormen. Een primitieve maatschappij, slavernij, despotisme, feodalisme, democratie, anarchie, terugkeer naar een monarchie. ‘To this six-termed social progression corresponds a six-termed progression of human motives: necessity, utility, convenience, pleasure, luxury, abuse of luxury […]. (p. 243). De Engelse vertaling van het hoofdwerk van Vico, New science, translated from the third edition (1744) by Thomas Goddard Bergin and Max Harold Fisch, laat zien waar Beckett naar verwijst:

‘6. […] And here, by the principles of this new critical art, we consider at what determinate times and on what particular occasions of human necessity or utility felt by the first men of the gentile world, they, with frightful religions hich they themselves feigned and believed in, imagined first such and such gods and then such and such others.’

‘217. 217 This axiom will explain the fact that all the arts of things necessary, useful, convenient, and even in large part those of human pleasure, were invented in the poetic centuries before the philosophers came; for the arts are nothing but imitations of nature, poems in a certain way made of things.’

‘LXVI
241 Men first feel necessity, then look for utility, next attend to comfort, still later amuse themselves with pleasure, thence grow dissolute in luxury, and finally go mad and waste their substance.’

‘LXVII
242 The nature of peoples is first crude, then severe, then benign, then delicate, finally dissolute.’

Je hebt nog niet veel over Hugo Claus geschreven, ja, het spijt me, het loopt weer uit, ondanks de titel van deze kleine reeks, zegt u, maar ik zeg u nu: onthoud ‘necessity’.

Daarnaast heeft Beckett ook aandacht voor de taal: ‘Metaphysics are most perfect when most concerned with universals ; Poetry, when most concerned with particulars. Poets are the sense, philosophers the intelligence of humanity.’ Poëzie is een voorwaarde voor filosofie en civilisatie, een noodzaak om de evolutie te doen gebeuren: de poëzie domineerde in het vroege stadium van de mensheid (het belang van mythen en metaforische taal) en behoudt in latere haar waarheid. De vernieuwing van de cultuur bestaat uit het teruggrijpen naar die ‘geestelijke’ waarden, in die zin is Ezra Pound eveneens een volgeling van Vico. In zijn essay gebruikt Beckett de geschiedenisfilosofie van Vico als hij het werk van Joyce verdedigt: de taal die hier gebruikt wordt, is een concrete taal, Joyce ontdoet de woorden van het slib der eeuwen en als u het niet begrijpt, zegt Beckett, ben je te decadent (dit is, hier en nu immers, de zesde periode, die van de anarchie) : ‘Here is direct expression – pages and pages of it. And if you don’t understand it, Ladies and Gentlemen, it is because you are too decadent to receive it.’ (p. 248). De decadentie is de scheiding tussen vorm en inhoud – de geabstraheerde taal.

De taal moest aan betekenis verliezen en enkel zichzelf zijn : de vorm blijft over, de inhoud verdwijnt. Laat dit een project zijn, een ‘zuiver’ resultaat is onmogelijk en ook niet zo gemaakt: de taal blijft resten van inhoud bevatten, zoals de hoge cultuur resten van de eerste waarheden, die van de mythen, bewaart. Dit alles kadert in een anti-rationalistisch, anti-Westers project: het denken dat de oorlog mogelijk maakt, is een slecht denken; uit de decadentie van het abstracte (waar het bloed uit gezogen is), moet men terug, niet naar de natuur, maar naar het leven dat niet langer door rede en efficiëntie gedomineerd wordt, maar door de hartslag. De Westerse cultuur zocht in de 20ste eeuw naar een ander bestaan, een wereld waar het beeld krachtig kon en mocht zijn en niet langer afbeelding was. De grote kunstenaars hebben dit gezocht en stonden daardoor in oppositie tot de maatschappij – hoeveel geld hun werken opbrachten, is in dit gezichtspunt onbelangrijk.

Hierbij is nog belangrijk dat Beckett Giambattista Vico zag als een utilitarist, dus in de Angelsaksische filosofie onder te brengen is en tegen het continentale denken begrepen moet worden: Beckett bleef in Europa een buitenstaander – veel van wat gezegd en geschreven wordt over Beckett is besmet met die continentale wangedachten die louter zelfkloppende metafysica zijn – ook Samuel Beckett moet nog ontdekt worden. De kunst in de 20ste eeuw heeft een ambivalente relatie tot de cultuur, denk aan Cobra, men wilde terug naar een brute vormgeving met rauwe gevoelens, in de praktijk natuurlijk niet haalbaar of wenselijk. Het is dus zaak een eigen rationaliteit te zoeken en te ontwikkelen. Literatuur en kunst moeten in een cultuurfilosofie ondergebracht worden, niet om iets te bewijzen, wel om te begrijpen.

hugo claus en giambattista vico (3)

10-12-2018_hugo claus en vico_mark blaisse

Mark Blaisse schrijft vol lof over Giambattista Vico in zijn Het orakel van Napels, de laatste zin van het boek is onbegrijpelijk ‘Vico regeert dan ook, ontluisterd [sic], over zijn graf heen.’. In de bibliografie wordt er over ‘Enlightment’ gesproken, wat ‘Enlightenment’ moet zijn, Karl Marx heeft nooit een brief aan ‘Lassale’ geschreven, wel aan Ferdinand Lasalle en La Pensée européenne au XVIII siècle de Montesquieu à Lessing van Paul Hazard is niet in 1963 maar in 1948 verschenen, de gebruikte editie moet aangeduid worden, het jaartal is daarbij onvoldoende, de oorspronkelijke editie moet vermeld worden. Ook het boek zelf bevat al te storende fouten, genre ‘wierrook’. We hebben al vermeld hoe de uitgever modieus-hedendaags wil zijn (de ‘alternatieve waarheid’ heeft niets met Vico te maken en het gebruik van historiserende begrippen is anti-vicoiaans), de auteur lijdt aan hetzelfde euvel en is daarmee ‘fundamenteel’ anti-vicoiaans: ‘literatuur consumeren’ is iets van het naoorlogse kapitalisme, is niet geldig in het Italië van de 18de eeuw, net zoals ‘subsidiëren van voedsel’ nogal raar klinkt. Vico heeft privé-onderwijs gegeven aan de kinderen van een markies, de reden die Blaisse opgeeft is ongeloofwaardig en dus onjuist: ‘Het ouderlijk kasteel lag te ver van een school en de vier waren dus [sic] aangewezen op privéonderwijs.’ Als Blaisse het volk laat praten over ‘de klassenstrijd’, is het hoogst onzeker of dit woord wel gebruikt werd. Roddels gelijkstellen met ‘nepnieuws’ is nepkennis.

Zeker anti-vicoiaans is de nadruk die Blaisse legt op de ‘Napolitaanse ziel’, de essentie van Napels daarmee het anti-essentialisme van Vico ontkennend. We hebben dus een verdediger van Vico die het gedachtengoed van Vico niet begrijpt. (‘Verzet, stil of luidruchtig, zat in het Napolitaanse bloed, […].’ ‘De Napolitaanse humor, […].’ ‘[…] de Napolitaan hoopte […].’ ‘de Parthenopeërs [waren] erg romantisch’, enzovoort). Er is dwaze romantiek, achterhaalde sentimentaliteit, valse literatuur: ‘ ’s Avonds bladerde Giambattista, zittend op een kruk, desondanks in het door de Kerk verboden Tractatus Theologico-Politicus van Baruch Spinoza (1632-1677). Hij kon toen nog niet goed genoeg Latijn lezen om er iets van op te steken, maar alleen al het boek van een beroemde ketter in handen te hebben, bezorgde hem rillingen. Zijn nieuwsgierigheid won het telkens weer van de angst voor straf.’ Is dit een doktersromannetje over Gia die een romantisch briefje vasthoudt?

Even anti-vicoiaans zijn de (schijnbare) rechtlijnigheid en doelmatigheid die Mark Blaisse in het leven van Vico ontwaart. Vico zou stellen dat veel gebeurt uit toeval, dat er vele waarheden zijn die een leven langs alle kanten begeleiden. Blaisse doet echter alsof Vico rationeel beslist om nu eens dit dan weer dat te doen. ‘Bij Tacitus had hij [Vico] gelezen hoe de mens was, bij Plato hoe de mens zou moeten zijn. Hij besloot [sic] het idealisme van Plato te combineren met het realisme van Tacitus om zo tot een ideale, eeuwige geschiedenis te komen.’ Een levensfilosofie als een gerecht, een beetje van dit en een beetje van dat. In werkelijkheid is dit een achterhaald sprookje. Het ‘genie’ dat een appeltje eet en ondertussen de meest grandioze ideeën besluit te hebben. In werkelijkheid leven ideeën in de wereld, niet als zelfstandige gehelen maar in het hoofd en het handelen van concrete mensen, en worden ze door verstandigen opgeschreven, gesynthetiseerd, bewerkt. Of ‘Zó wilde Vico over geschiedenis filosoferen en dat zou hij ook gaan doen.’ – in werkelijkheid bestaan ideeën uit vele kleine stukken die pas langzaam tot een idee uitgroeien, het is in en door het denken en schrijven dat de gedachten zich kristalliseren, niet a priori geboren zijn. De auteur blijft hangen in een romantisch beeld van de wetenschap. Er is toch al langer dan vandaag een sociologie van de kennis? Steve Shapin heeft zijn A social history of truth (1994) toch niet in het luchtledige geschreven?

Anti-vicoiaans is de idee dat Vico zou ontdekt hebben dat de wereld een menselijke wereld is: ‘Door al zijn voorwerk had Vico een onthutsende [sic] waarheid blootgelegd [sic], namelijk dat de samenleving door mensen en niet door God was gemaakt.’ – net alsof er in de voorgaande jaren, noch bij de Grieken en Romeinen atheïsten geweest waren. Net alsof Lucretius niet gelezen is geweest en de Italiaanse Renaissance niet bestaan heeft.

Anti-vicoiaans is geloof te hechten aan homeopathie. Wat moet een lezer begrijpen van de zin ‘Ampullen met voor die tijd vooruitstrevende homeopathische middelen maakten Dida gelukkig, […].’ Hoe kan homeopathie vooruitstrevend zijn? (Men kan overigens maar van homeopathie spreken vanaf 1796…) Dit is anti-vicoiaans omdat Vico géén esoterist was, niet tégen het rationele denken gekant was, wél heeft hij verschillende waarheidsconcepten willen ontwikkelen.

Anti-vicoiaans is het om onjuiste beelden te gebruiken. Kerkgangers ‘krabden hun nagels uit penitentie open aan de plavuizen.’, het zal wel. Of dat Vico, toen hij 52 was ‘nog een laatste zoon geproduceerd’ heeft. Of, op welke gronden steunt de uitspraak ‘Een tevreden burgerij presteerde beter dan een gelouterde.’? Een gelouterde? Of, dat Vico ‘heel goed met zijn tremen wist om te gaan.’ Tremen zijn lange, houten handvatten van een stootkar, het Vlaams woordenboek geeft als voorbeeld: ‘We kunnen die pierewiet niet meer gebruiken want een van de tremen is gebroken.’
De sentimentele onzin: ‘Aan de rimpels onder zijn neus en de ingevallen wangen, verstild door innerlijk lijden, kon je zien dat het leven niet aan Vico was voorbijgegaan.’ ‘Verstild door innerlijk lijden’! En dat lange leven? Wel ‘Vico dankte zijn lange leven aan zijn eenvoudige, maar [sic] niet ongezonde eetgewoonten.’ Vico had geluk, of ongeluk – al naargelang het standpunt en het ‘innerlijke’ lijden.

Anti-vicoiaans is te denken dat Vico ‘net als Derrida taal [zag] als een onuitputtelijke bron van informatie over de ziel en geest van de mensheid.’ – moet die relatie niet omgekeerd worden, Derrida zag net als Vico? En de woorden ziel en geest zijn hier niet helemaal op hun plaats. In een laatste hoofdstuk maakt Mark Blaisse een balans op van het belang van Vico door een aantal mensen te noemen, o.a. Joyce, ook Foucault, Marx en Hegel. Hij vermeldt niet Samuel Beckett en Hugo Claus. Ook de filosofen R.G. Collingwood en Stephen Toulmin vermeldt hij niet. De eerste heeft het concept van verandering in causaliteit en niet in rationaliteit verder uitgewerkt en de tweede is bekend omwille van zijn onderscheid tussen rationaliteit in de exacte wetenschappen en de zekerheid in de humaniora, hij gaat verder op de weg van Vico om met verschillende waarheidsconcepten te werken.

hugo claus en giambattista vico (2)

09-12-2018_hugo claus en vico_ossip zadkine_tête héroïque

Ossip Zadkine, Tête héroïque, 1909-1910

Als er maatschappelijke veranderingen mogelijk zijn, dan betekent dit dat de menselijke essentie niet bestaat, er is geen vaste kern van wat de mens is. De mens verandert naar tijd en plaats. Laat ook dat een les voor deze tijd zijn: de huidige waarden en normen zijn niet van toepassing op het verleden, de morele benadering van de geschiedenis is, o paradox, het gevolg van een louter feitelijk denken, een denken dat slechts het hier en nu wil kennen. De menselijke geschiedenis, en hier kondigt Vico Hegel aan, is een bewustwording van zichzelf, de mens kent zichzelf, de oorzaken en de maatschappelijke verbanden. En daarom is Vico een modern denker: door het begrijpen kan de mens de wereld domineren, beheersen, aan banden leggen, ten dienste stellen. De mens is zijn eigen maker, hij kent de oorzaken van het huidige, hij weet daardoor.

De maatschappelijke veranderingen betekenen dat er betere en slechtere stadia bestaan. Barbarisme is mogelijk en bestaat. Het certum is de situatie van samenlevingen die minder ontwikkeld zijn, het verum is dat van de hogere culturen waar het abstracte denken en weten ontwikkeld is. Alhoewel er gelijktijdigheid is, is er geen sprake van gelijkwaardigheid – Vico was niet blind. Het verum is echter niet voorbehouden voor een bepaalde cultuur, in elke cultuur is de evolutie merkbaar. Het denken van Vico is hierop van toepassing: om zichzelf te kennen, moet de mens zijn geschiedenis kennen want daar liggen de oorzaken van het huidige welzijn en/of falen. Het verum staat hoger dan het certum: achter de verschijnselen verschuilt zich een eeuwige waarheid (de gang der tijden, de levensloop van de mens). De mens kan zekerheid verkrijgen over de verschijnselen, daarom is wetenschap belangrijk. Het begrip wetenschap verruimt Vico door verschillende waarheidsbegrippen te hanteren: de waarheid van de geschiedenis is een andere dan de waarheid van Newton (al heeft Stephen Toulmin ‘bewezen’ dat het newtoniaanse model zoals het in de menswetenschappen begrepen wordt, nooit bestaan heeft).

De geschiedenis van elke cultuur doorloopt drie stadia: de goddelijke periode, gedomineerd door het zintuiglijke, de ‘zwijgende signalen’. De tijd der helden volgt hierop, de taal is rijk aan metaforen, de verbeelding staat in directe relatie met de natuur. Daarop volgt het menselijke stadium waar de rede heerst en de taal louter conventioneel geworden is (niet meer een beeld, ook niet een metafoor). De drie stadia verbinden de mensen (over grenzen en tijden) met elkaar: geen cultuur maakt een uitzondering op de algemene regel en de menselijke geschiedenis kent daardoor een gemeenschappelijke wet, het verum staat boven het certum van de tijdelijkheid. Ketters is dat Vico de ‘gouden tijd’ verwerpt, het ‘aards paradijs’ is een mythe want onmogelijk.

Het getal 3 is geliefd in het Westers denken. Ook De Montesquieu zag de menselijke geschiedenis als een opeenvolging van het despotische, het monarchale en het republikeinse. Elk tijdperk gaat samen met een specifiek denken, gedomineerd door waarden (vrees, eer en deugd). Deze geschiedenisopvatting leidt naar een vorm van relativisme: de waarden van maatschappij 1 kunnen niet opgelegd worden aan maatschappij 2: er is een incongruentie van waarden waardoor er geen dialoog mogelijk is. Men kan algemene wetten opstellen maar die verliezen hun betekenis in de concrete realiteit – om overkoepelend te kunnen zijn moeten de wetten/waarden te algemeen zijn en kunnen ze niet langer een richtlijn voor iedereen zijn. Staat bloedeer boven persoonlijke deugd?

De kennis van het verleden (en dus het heden) bestaat uit de studie van de taal, de mythologie en de relicten (wat een ‘coïncidentie’/’natuurlijkheid’ dat de filosoof Collingwood ook archeoloog was!). We hebben een vroege vorm van de Sapir-Whorfhypothese: de geesten (ingenia) worden door de taal gevormd, niet enkel de woorden op zichzelf maar wel de ‘poëzie van de taal’, de poëtische structuur, het ritme, de ‘geest’, de logica, de beelden, de metaforen. De taal evolueert: van louter zintuigelijke getuigen naar abstracta. De beelden van een bepaalde cultuur zijn niet vrijblijvend en niet zo maar over te plaatsen naar een andere cultuur.

De mythen zijn niet zomaar ‘vertelsels’ maar moeten in hun structuur bestudeerd worden, bevatten een specifieke wereldvisie en bepalen het handelen van mensen. (Dit idee is uiteraard aantrekkelijk voor Hugo Claus, zijn gebruik van de mythen lijkt daardoor niet vrijblijvend te zijn: ze hebben een waarheid die voor de huidige tijd gelden kan.) Dat geldt ook voor de ‘overblijfsels’ die een betekenis hebben en in hun context bekeken moeten worden.

Cynisch is dan dat een organisatie als Peta, een onderdeel van het politiek-correcte establishment, de beelden van de taal, de metaforen niet meer begrijpt en de taal letterlijk neemt, de retoriek niet langer aanvaardt, daarmee de degeneratie tonend. (En vergeet dat de vervangtaal weer ideologisch is.) (Zeg niet: ‘zo dom als een ezel’, zeg wel ‘zo dom als een Peta’.) Enerzijds hangt dit samen met een verarmd denken (niet langer aan fantasie, wel gebonden aan het hier en nu) en anderzijds met een teveel aan moraal: alles wordt gemoraliseerd en het abstracte denken onmogelijk gemaakt. De neergang van een cultuur toont zich in vele facetten, dit is er 1 van. Om de cultuur en de ethiek te redden moet er juist minder ethiek zijn. Dit doet me denken aan Henry de Montherlant die in zijn Carnets XXI (Essais, Montherlant, Pléiade, p. 1036) over moraal schrijft en zich hiermee een leerling van Vico toont: « Moins un individu est évolué, plus il juge une oeuvre littéraire du point de vue moral. Le jugement de la masse sur une œuvre littéraire sera donc toujours, d’abord, un jugement de moralité. A part quelques exceptions, tout écrivain qui arrive à obtenir une adhésion de masse, n’y arrive que du jour où il a donné à ses ouvrages une teinte morale (peu importe si dans le fond ils sont immoraux). Le truc est bien connu des auteurs. Mais le public, même cultivé, lorsqu’il apprécie le succès littéraire, en oublie souvent cette condition. »

De grote verdienste van Vico is dat hij een dynamisch denken heeft uitgebouwd: dat de verandering een realiteit is, dat die verandering géén moreel begrip is (verandering is ‘niet noodzakelijk’ in ethische zin, men wordt daar niet ‘beter’ van, wél is er een beschavingsgeschiedenis) en dat de mens en de maatschappij in de beweging van corsi e ricorsi begrepen moeten worden. Zoals de mens geen essentie heeft, zo ook niet een maatschappij. Vico leefde in de 18de eeuw, en vandaag in de 21ste eeuw zijn er nog steeds politieke partijen die de domheid propageren, de naam van de Verlichting misbruiken om hun eigen achterlijkheid te camoufleren. De mens bestaat niet, hij leeft. Hij heeft geen essentie, hij maakt zichzelf.

hugo claus en giambattista vico (1)

08-12-2018_giambattista vico

Wat een onnozele titel! De ondertitel van Het orakel van Napels : de alternatieve waarheid van Giambattista Vico 1668-1744 (Balans, 2018) van Mark Blaisse, is daarenboven gauwgauw modieus bedacht en de omslag toont Napels in de … negentiende eeuw. Vico kan op geen enkel moment in zijn leven als een ‘orakel’ beschreven worden. Misschien is dit een ‘alternatieve waarheid’? Op de omslag wordt dit boek ‘een uiterst onderhoudend, geromantiseerd portret van deze briljante anarchist’ genoemd. Vico was geen anarchist. Als een schrijver een fictioneel werk over een denker schrijft, heb ik altijd de vrees dat ook zijn gedachtengoed gefantaseerd is, in hoeverre is het dan nodig om een roman te schrijven over een historisch personage? En wat moet de lezer met zijn wantrouwen?

Wie Vico zegt, zegt Isaiah Berlin (en ook Benedetto Croce). In 1976 verscheen van Berlin Vico and Herder : two studies in the history of ideas, een alternatieve (sic) geschiedenis van de Verlichting. Berlin heeft twee misvattingen over de achttiende eeuw rechtgezet. De eerste is dat de geschiedenis rechtlijnig en eenduidig verloopt, de tweede dat het perifere, de buitenranden, onbelangrijk is. In zijn studie maakte hij duidelijk dat Italië, met Vico, uiterst relevant was voor de vernieuwing van het denken, dat niet alles in het centrum (Frankrijk) gebeurde. Hij was ook de denker die de Verlichting verruimde met de anti-Verlichting: door het heen en weer discussiëren tussen progressieven en conservatieven ontwikkelt het denken zich, er is een constant pingpongspel en de ideeën van de anti-revolutionairen behoren de achttiende eeuw toe: wat nu progressief is, leek toen conservatief en omgekeerd.

Beide correcties zijn van toepassing op de figuur van Vico. Hij leefde in Napels, waar hij geen orakel was, integendeel, hij werd niet naar waarde geschat, en hij verzette zich tegen de cartesiaanse geschiedenisopvatting en dus ook diens epistemologie. Toch is het niet zo eenvoudig om Vico zelf te volgen, zijn werk is onzorgvuldig geschreven, zijn ideeën te chaotisch weergegeven, zijn stijl zwaar en moeilijk, dat belet niet dat Vico een genie is en ook zo genoemd wordt door Isaiah Berlin. Mark Blaisse citeert van Berlin deze bezwaren maar vergeet toe te voegen hoe vol lof Berlin wel was.

Zoals bij wel meer denkers uit het verleden, is het persoonlijk standpunt van Vico niet helemaal duidelijk: was hij een materialist of bleef hij een gelovige? Het probleem is veeleer bij deze tijd te zoeken: de ambivalentie wordt niet gedoogd. Vico was ook helemaal niet op de hoogte van de wetenschappelijke verwezenlijkingen van zijn tijd – zijn woorden worden dan ook gemakkelijk verkeerd begrepen. Dat belet niet te zeggen dat zijn denken fundamenteel verkeerd was en dat hij toch interessante ideeën had – het zegt veel over de nageschiedenis van Vico dat deze problematiek nog niet opgelost is.

Vico was in zoverre een anti-cartesiaan dat hij het cartesiaanse denken (klare, duidelijk onderscheiden ideeën) slechts van toepassing wilde zien op de wiskunde en de natuurwetenschap – binnen de humaniora (om het ruim te nemen) is deze denkmethode niet aangewezen. Immers, dat strikte denken kan enkel gebruikt worden als men een causaal denken bezit, dat bestaat in de wiskunde en de wetenschap omdat die gebieden door de mens zelf ontworpen en gemaakt zijn, wat het leven betreft, is de mens een onderdeel en niet de schepper: het is enkel ‘god’ die alle oorzaken kent. Descartes (Wittgenstein zal hem dat in de 20ste eeuw nadoen) vond dus dat geschiedenis en humaniora eigenlijk geen serieuze kendomeinen waren: het is te veraf, er zijn te weinig bronnen, die bovendien onbetrouwbaar zijn, we weten niet wat de feiten zijn en als we de feiten kennen weten we niet hoe ze geïnterpreteerd werden. Dit was uiteraard ketterij: de ‘heilige geschiedenis’ werd daarmee naar sprookjesland verbannen.

Vico wilde die relatie tussen mens en verleden herstellen, dus tegen Descartes in (Descartes is werkelijk de heraut van het moderne geweest, de mens zonder verleden). Vico maakt een onderscheid: er zijn eeuwige waarheden die achter het voorbijgaande schuilen en er is zekerheid over dat wat we kunnen ervaren, maar geen eeuwige waarheid is. Voor hem is de menselijke geschiedenis te kennen, omdat we mensen zijn, we kennen onszelf, we weten wat hartstochten, gevoelens en rede kunnen veroorzaken, de Romeinse mens staat niet ver af van de Italiaanse mens. Toch zijn beiden verschillend, moeten in hun eigen context begrepen worden. Er is bij Vico een begin van het Verstehen te bespeuren: de kennis van de buitenwereld is anders dan die van de innerlijkheid.

Daarmee verwijdert Vico zich van het moderne waar de kennis van de wiskundige wereld gelijk staat aan de kennis van de wereld – cijfers hebben de waarheid. Het onderscheid tussen verum, de wiskundige waarheid en certum, gebaseerd op de directe ervaring met de wereld is daarbij essentieel: het ware is de grote, echte waarheid; het zekere, is wat wij, menselijk weten. Dit onderscheid maakt Vico een metafysicus die nog voor een groot deel in de Middeleeuwen vertoeft. Maar, zegt Vico, het verum dat voor Descartes het echte én noodzakelijke kennen is, is niet noodzakelijk om zekerheid te hebben: het certum is weliswaar een zwakkere kennis maar evengoed een kennis – Vico benadert het rationalisme in die zin dat hij wel degelijk op een wetenschappelijke manier wil werken maar verschillende denkmethoden wil hanteren, hij is wat de methode betreft een pluralist, terwijl Descartes een monist is.

De geschiedenis, door Descartes afgewezen als harde discipline, behoort tot het certum. Vico leefde in een tijd waar het ontstaan van de maatschappij een item was (denk aan Hobbes of aan het sociaal contract van Rousseau), de geschiedenis had dus een groter belang dan nu. Vico was een uitzondering omdat hij de maatschappelijke wording niet als een rationeel plan zag, maar als kleine stappen waarvan men de uitkomst niet vooraf wist en ook niet kon weten: men werkte naar goeddunken en de maatschappij ontwikkelt zich buiten het rationele denken – de enkele keren dat de mens dacht een maatschappij opnieuw te kunnen ontwerpen, liepen faliekant af. De maatschappij vormt zich niet alleen door de feitelijkheid (plaats, tijd, klimaat, mensen, toeval, vijanden) maar ook door de mythen, de verhalen die de mensen over zichzelf vertellen, hun dromen en wat ze zich gefantaseerd hebben. Deze fantasia behoort tot de kennis van de mens én is een onderzoekdomein voor de wetenschap. Niet zoals Descartes, zal Vico dit a priori afwijzen: hij neemt de mens in zijn totaliteit op. De mens heeft zijn eigen geschiedenis gemaakt, Vico is een seculier denker, en hij kan daarom ook die geschiedenis kénnen – hij ziet de oorzakelijke verbanden. Vico is dus geen anti-rationeel denker.

Geschiedenis betekent verandering, groei en verval. Vico beschreef de culturen als ‘levende organismen’, die een bloei kennen en sterven. Dit betekent dat de ene cultuur ‘beter’ is dan een andere, een vloekgedachte is dit in deze tijd waar men niet meer mag spreken van verschillen tussen culturen en civilisaties terwijl 1 criterium toch nog altijd geldig zou moeten zijn: die maatschappij die meer geweld gebruikt, is achterlijker dan een maatschappij waar het geweld van de leden en de structuren beteugeld wordt. De onderzoeker moet beschikken over een verbeelding die de veranderingen (modificazioni) van de geschiedenis kan begrijpen en reconstrueren: kennis moet creatief zijn, niet enkel beschrijvend. De creativiteit is echter niet bandeloos, daarvoor is de oorzakelijke kennis noodzakelijk: de Grieken zijn dus geen voorlopers van de relativiteitstheorie van Einstein.

nieuwe druksel-uitgaven (4) : leen van tichelen

07-12-2018_druksel_leen van tichelen_omslag

Het boek Resten van resten ziet er gehavend uit. Er is gewerkt. We zien overblijfsels van lijm, potlood, een afgetrokken sticker, cuttersneden en wat rood. Geen woord. We slaan het boek om en links lezen we ‘resten van resten’, rechts een volledig rood blad, er is horizontaal een wit te zien, wolken die drijven, beweging die voorbijgaat. We bladeren verder en elk blad toont ons een andere vorm, de linkerpagina de doorslag van de vorige bladzijde, de rechter een nieuw begin.

Het werk van Leen Van Tichelen oogt krachtig en zelfbewust. De getekende vormen zijn niet schraal, maar hevig aangezet, er is geen bedeesdheid in het zoeken naar vormen, de herhaling is geen dwang. Dit werk serialistisch noemen is niet helemaal correct, het essentiële is immers de verandering, de metamorfose, en de beweging. Er is een herhaling van gelijke vormen maar die vormt slechts een kortstondig moment, de herhaling is dus een voortzetting. Door de kracht van de vormen en het potloodgebruik ontstaat er in het boek een dynamiek, een stijgen en dalen, de lucht is het vervoermiddel. De gedachten die de vormen begeleiden stuwen voort, er is geen stilstand, toch geen kermismolen. Wat herhaling lijkt, is variatie. Dit wordt versterkt doordat de bladzijden soms in de vormen afgesneden zijn, de dynamiek wordt daardoor verhoogd, wordt over de bladzijden heen verdergezet in de wereld en vooral in het oog van de kijker, die leest.

07-12-2018_druksel_leen van tichelen_binnenwerk_01 - kopie

Dit wordt nog benadrukt door de verticaliteit van het boek, de reeks vormen zijn in de hoogte opgebouwd en roepen daardoor het beeld van een ruggengraat op, de vormen zijn dragende structuren die zichzelf opstuwen. De degelijkheid van de vormen, de materialiteit ervan, wordt bewerkstelligd door het aandachtig tekenen. De concentratie is een loflied op de wereld, een opgaan in de tijd (het geduld!), een zorg voor het detail. De vormen worden daardoor een levensvisie: verscheidenheid, veelheid, bestendigheid en opmerkzaamheid. De levenshouding wordt dan een moraal, een werelds humanisme.

07-12-2018_druksel_leen van tichelen_binnenwerk_03 - kopie

Het tekeningenboek is ook een schetsboek, we volgen de kunstenaar, soms schrijft ze woorden bij een tekening of een initiële gedachte. Op een prent staat klein geschreven ‘horen’, een woord dat niet snel met dit werk geassocieerd zal worden maar toch essentieel is: het gaat in dit werk om de volledige mens, er is een sterke lijfelijkheid en materialiteit aanwezig.

Het boek kent een eigen compositie, er zijn rustpunten, verrassende wendingen, er is een bouwen en keren, het geheel oogt niet alleen dynamisch, is ook optimistisch. Wat zou de wereld zonder vormen zijn?

Resten van resten, een tekeningenboek van Leen van Tichelen is een uitgave van Druksel.
De oplage bedraagt 126 gesigneerde exemplaren, 100 genummerde en 26 geletterde, deze laatste gereserveerd voor de uitgeverij. Het boek is gedrukt op Bio Top 90 g, meet 15,5 x 18,5 cm, telt 60 bladzijden, recto verso gedrukt en kost 50 euro. Het werk kan via druksel.be besteld worden.

07-12-2018_druksel_leen van tichelen_binnenwerk_02 - kopie

nieuwe druksel-uitgaven (3) : hugo de smaele

06-12-2018_druksel_hugo de smaele_binnenwerk 00

Van waar kom je? Waar ga je naartoe? Wat doe je? Wie ben je? Vragen die gesteld worden, maar de belangrijkste, waar je bent, wordt niet gesteld. Het hier en nu, het eigenste vervlogen al.
Conceptuele kunst wordt verbonden met een grijsheid, een vaalheid, een weggetrokkenheid, monotonie. Hugo De Smaele bewijst met zijn nieuwste boek, You are here, dat dit niet correct is en dat de kleur niet tegengesteld is aan de idee.

Iedereen kent het fenomeen, in de steden staan stadsplattegronden opgesteld, daar ontwaar je dan een rode traan, soms met de tekst er in: ‘Je bent hier’. Een hele verademing is dat, maar dat wist je al – alleen weet je nog altijd niet waarheen. Het vertrekpunt, het cartesiaanse moment, is een helder moment (de traan verandert in een lamp), maar levert toch niet veel op.

Hugo De Smaele maakt prenten met verschillende materialen, hij neemt een blad papier en voegt toe. Voor dit boek heeft hij veel met plattegronden, landkaarten gewerkt, de wegen soms blootgelegd, soms toegedekt. Hij voegt hier en daar woorden toe. ‘Wie zegt dat?’, zoals hij ook voorwerpen kan toevoegen, plakband gebruikt en dat zichtbaar laat. Laag op laag wordt een beeld gebouwd. Op het tweede beeld in het boek schrijft De Smaele ‘Heb ik iemand iets gevraagd?’, er ontstaat zo een sfeer van desolaatheid, verlatenheid, de traan, die een lamp was, wordt nu een luchtbel. Het begin van het boek heeft rood als dominerende kleur, dit gaat langzaam over in een lichaamskleur, de kleur van vloeipapier.

06-12-2018_druksel_hugo de smaele_binnenwerk 02

Op het ene blad tekent De Smaele een weg en wordt er heel veel gearceerd, de geslotenheid van de wereld. Op een ander blad zien we een postkaart waar de beelden zijn weggesneden, alleen een beetje groen en blauwe lucht is te zien. Daarop vraagt de kunstenaar: ‘Ik ? Daar!?’ – het is een affront ‘hier te zijn’. Wie de bladen aandachtig bekijkt, ziet voor zich de dialoog van de kunstenaar met het blad en de wereld. Er is een standpuntbepaling: de wereld mag niet opdringerig zijn.

Van de huidkleur gaat het boek over in een geel, wie beter kijkt ziet landkaarten, op een prent is een gele sticker gekleefd, op een ander is een gat met draad geheeld: de wereld ligt aan brokken, wordt door en in de kunst verbonden, de pijn van het dwalen wordt verzacht door de toevoegingen. Het geel gaat over in een bruine jute, daarop is een bewerkte postkaart geplaatst, de tekst ‘living here’ is nog te lezen: hier ben je dan, in de wereld, in een huis. Dan komt het rood terug, nu op een witte achtergrond geplaatst: de ruimtes tussen de straten zijn gearceerd, het rood verbindt zich met de pijn van het huis.

06-12-2018_druksel_hugo de smaele_binnenwerk 01

‘Hier? Waar is hier?’, de vraag die door Hugo De Smaele gesteld wordt, is niet hilarisch of ‘goed gevonden’, de ernstige monkellach verschijnt. Het hier zou ons zekerheid moeten geven, grond onder de voeten zijn, maar die wordt door de kunstenaar onderuit gehaald. Want is het hier ook niet het daar en het toen? Want er komen herinneringen op, het bos in de sprookjes, het bos van de kindertijd, het bosspel van de jeugdbeweging: alles wordt hier en het hier wordt onrustig en dreigend. Het hier is het daar en toen geworden en alle drie zijn onheilspellend – het hier legt iemand vast en dat is wat de kunstenaar niet wil. De geografische determinatie is een beknelling, het archimedisch steunpunt een illusie. Overigens, mag het hier-zijn ook een alleen-zijn zijn?

Maar ik moet hier toch niet het hele boek vertellen? De voorlaatste pagina is een verzuchting: eindelijk, ‘Is ’t hier?’, de laatste pagina is woordenloos en herneemt het eerste beeld. De traan die een lamp werd en overging in een luchtbel is een cirkel geworden.

06-12-2018_druksel_hugo de smaele_omslag 0306-12-2018_druksel_hugo de smaele_omslag 0206-12-2018_druksel_hugo de smaele_omslag 01

You are here, een tekeningenboek van Hugo De Smaele is een uitgave van
Druksel.
100 genummerde en gesigneerde exemplaren zijn bestemd voor de handel, 26 geletterde werden gereserveerd. Aan de boeken werd op het omslag een originele prent van de kunstenaar (gevat in ‘fotohoekjes’) toegevoegd, op de achterzijde gesigneerd en gedateerd. Het geheel werd in een hard plastic geborgen, het plastic dat de Michelin-kaarten oproept, het boek als een wereldverdwaalkaart. Het boek kan besteld worden via druksel.be en kost 50 euro.

nieuwe druksel-uitgaven (2) : blaise cendrars

05-12-2018_drukseloogst_2018_02_blaise cendrars_bis

Vitalisme is het woord dat met het oeuvre van Blaise Cendrars (1887-1961) verbonden wordt. In de geschiedenis werd en wordt hij wat verdrongen door Guillaume Apollinaire, niet helemaal terecht. Er is bij Cendrars een vreugde die bij schrijvers zeldzaam is, een vreugde die ongecomplexeerd is, natuurlijk beleefd wordt. Kunst is een toevoeging en een verdieping van dat leven. Het lijkt alsof Cendrars zijn boeken (gedichten, romans, autobiografische geschriften) in een gulp geschreven heeft, dat is minder werkelijkheid dan indruk. Hij was meer dan gecultiveerd, kende zijn klassieken en wist de nevengeschiedenissen op te sporen.

Cendrars stond midden in zijn cultuur, een breuk met het verleden. Dat de moderne wereld het geloof verloren had maar blijven steken is in een christelijk sentimentalisme, is één van zijn basisinzichten. Hij ging tegen deze metafysica in door zijn weigering ‘schone verzen’ te schrijven, terwijl hij toch in de Baudelaire-traditie bleef staan. Zoals hij de poëzie eigenzinnig benaderde, zo deed hij dat ook voor de roman (hij heeft (helaas) enkel als jonge schrijver gedichten geschreven): hij speelde met wat echt en wat verzonnen is. Hij kwam authentiek over, maar was wel degelijk een schrijver. Zijn thema werd: het verlorene. Dat wat een mens tijdens het leven verliezen kan, niet een verzameling van nieuwe dingen, wel het verlies van ervaringen, verlangens, ideeën. Het werk blijft, ondanks alle uitmuntende analyses, ambivalent. Is dit modernistisch of toch middeleeuws? Is dit een lofzang op de wereld of is de terugtrekking niet beter? Zit het modernisme, zoals Michel Leiris het verwoordde, eerder in het oog van de lezer/kijker dan in het ding zelf? Beter is het te concluderen dat het modernisme zowel aanvaarding (jubel) als verwerping (verachting) is. Het moderne als dat zonder essentie. De beweging, door Cendrars zo veelvuldig bezongen, als de kern van de avant-garde. « Un créateur ne prend pas la queue d’un mouvement. Ni la tête. Il est en dehors ou à contre-courant … ».

Pasen in New York van Blaise Cendrars verscheen bij Druksel in een vertaling van Katelijne De Vuyst.

05-12-2018_drukseloogst_2018_01_blinde omslag

Tweetalige uitgave. De oplage bedroeg 75 genummerde exemplaren. Gedrukt op Bio Top 90 g, het lettertype de Bahnschrift. Zoals het lettertype een verwijzing is naar Prose du Transsibérien et de la petite Jeanne de France van Cendrars, zo is de blinde kleuromslag, Canson Bouton d’or, een verwijzing naar zijn roman L’Or : la merveilleuse histoire du général Johann August Suter uit 1926 – het goud van de alchemist en de avonturier.
Een nieuw deel in de reeks ‘Blinde kleuromslagen’, een serie modernistische schrijvers. Het boek meet 12 x 17 cm en bestaat uit 44 bladen, recto verso gedrukt, het kost 15 euro.

nieuwe druksel-uitgaven (1) : henry de montherlant

04-12-2018_drukseloogst_2018_03_de montherlant

Henry de Montherlant (1896-1972) is een intrigerend figuur. Een overvloed aan werken heeft hij geschreven, steeds kan men op zoek gaan naar zingedachten, snedige formuleringen, hard voor zichzelf en de wereld. Een stenen geest, cartesiaanse inzichten, onsentimenteel. Een cerebrale libertijn. Vrij voor zichzelf en van de wereld. Hij heeft weinig gedichten geschreven, sommige stukken kunnen wel als prozagedichten gelezen worden. Hij streefde naar een beknopte zegging, een maximum aan betekenis, de stijl en de inhoud vallen samen. Hij bracht veel tijden samen: de mythologie, het toenmalige Frankrijk, de Europese idee, Oost en West. Een mooi voorbeeld daarvan uit Encore un instant de bonheur is een beschrijving van een jongen in een rumoerig Arabisch café, de stilte van de jongen en de luidruchtigheid van de volwassenen, het weten van het kind en het babbelen van de ouderen, de jonge Arabier die plots het Jezuskind geworden is.

Chez le cafetier, dans le soir descendu, un petit garçon était assis, immobile et droit comme une idole. Et d’ailleurs, alentour, montait la fumée de l’encens. Par les trous de ses haillons, la peau apparaissait, comme du ciel bleu entre des nuages. Au milieu des hommes qui riaient, parlaient fort, faisaient de grands gestes, il restait immobile, silencieux et le visage grave, à se demander s’il avait jamais souri, s’il pouvait sourire. Jésus parmi les docteurs.

Voor Druksel heeft Katelijne De Vuyst enkele gedichten vertaald. Het langste gedicht, ‘Lied van Minos’, een mannelijkheid bezongen, de wreedheid van het dier gepoëtiseerd, de woede tastbaar gemaakt. Men leest misantropie, terechte haat – naar het woord van Flaubert is haat een deugd, in een tijd waar sentimenten gevierd worden en gevoelens als dom afgedaan, is het een vreugde te lezen hoe gedachten en gevoelens één zijn. Tegelijkertijd is dit gedicht een verlangen naar eenheid, versmelting, een onwerelds leven. Bovenaardse liefde.

Gedichten van Henry de Montherlant, vertaald door Katelijne De Vuyst. Een uitgave van Druksel.
De oplage bedraagt 75 genummerde exemplaren en een boek kost vijftien euro.
Het boek meet 15 x 21 cm en bestaat uit 36 bladzijden, recto verso gedrukt op Bio Top 90 g. Het lettertype voor de tekst is de Electra, de titels werden gezet uit Bauhaus 93.
Blinde kleuromslag, Canson Vert billard past uitmuntend voor dit oeuvre, de Parijse biljarttafels. Bestellen kan via druksel.be.

gele hesjes

03-12-2018_gele hesjes_sfcdt_lijnen_145

Als men eens ernstig wel doorziet,
Al wat er in ons land geschiedt,
’t Gaet buiten alle palen.
Men bouwt paleizen tot in ’t zwerk,
En men begiftigt menig kerk:
De boer zal ’t al betalen.

Keizer Karel en de Berchemsche boer, Hippolyte Van Peene, 1841