sfcdt

januari-flafla (2)

Ϣ En als men die CO²-meters nu eens in de openbare ruimte zou plaatsen?

Ϣ Wachten op het barsten van de data-bubbel.

Ϣ Bart De Wever: ‘Nooit eerder […].’

Ϣ Als alle instellingen ‘een afspiegeling van  de maatschappij’ moeten zijn, dan is dit een vrijbrief voor corruptie, domheid en onnozelheid.

Ϣ Je me montre, donc je suis.

Ϣ Zie mij falen. Pronkzucht. Het succes najagen met pseudo-falen. (Falen in de vitrine.) Greet Van Thienen, De stuntelende mens : een klein onderzoek naar wat we zijn. De onnozelheid een klein onderzoek te voeren naar het grote onmogelijke te bepalen ‘wat we zijn’ – arrogantie en domheid verenigd – het stuntelen evident niet aanwezig.

Ϣ Dat succesvol falen heeft dan toch nood aan troost.

Ϣ Zeggen streven te verdwijnen, het goede te doen, zich schoon voordoen, scherpe foto, ondergaande zon – hoe zelfzuchtig kwetsbaar te zijn, zo dapper.

Ϣ De gemakzucht. Zoals een arbeiderskind nog geen notaris kan worden, wel kan men zeggen ik ben niet meer zij, ik ben hij. Ik een merk, het lichaam een inwisselbare waar. In de belangstelling blijven. De vervreemding als doelstelling.

Ϣ Het gemak waarmee men een nieuw ik vindt, is het gemak dat de nachtwinkel biedt en het personeel dat dag en nacht klaar moet staan.

Ϣ Meer waardering voor die mannelijke mannen die het vrouwelijke in zich toelaten; die vrouwelijke vrouwen die als mannen denken en handelen – wij? Wij moesten niets zijn, wij waren alles.

Ϣ Was men vroeger een merk, nu een product. Leven in het oog van de ander, betekent het verlies van het zelf, het ik – men is verhandelbaar.

Ϣ Is de seculiere transsubstantiatie van vandaag het ultieme bewijs voor het katholieke geloof?

Ϣ Huiswerk : leg uit het verband tussen het verzet tegen GGO’s en de verdediging van transseksualiteit.

Ϣ Men ontbeert strengheid – daarom zal de ander veroordeeld worden.

Ϣ Verbinden, het codewoord – met dwazen en verdwaasden?

Ϣ » Das Reich der Freiheit mußte zur abstrakt-utopischen Perspektive, seine Verwirklichung zu einem real-sozialistischen Alptraum werden. « (Albrecht Wellmer, Endspiele : die unversöhnliche Moderne, 1993). En plots zie je hoe Frank Vandenbroucke het Thatcher-project uitvoert: There is no society, zoals er geen cultuur nodig is, zo ook geen onderwijs, noch maatschappij. Sidi Larbi Cherkaoui (De Tijd, 8.1.22): ‘Wie de cultuurhuizen sluit, sluit ook de geschiedenis.’ – en maakt de toekomst onmogelijk.

Ϣ Waarom was de grote vakantie zo bevrijdend? Omdat ze groot was – korte vakanties passen goed in de arbeidsmoraal, de discipline van gauw weer aan de slag.

Ϣ Toch eigenaardig, de Klara-reeks over Stijn Streuvels dateert van 2021, was beschikbaar op podcast en dan nog wordt eind 2021 en begin 2022 dit opnieuw uitgezonden. Door de podcast is heruitzending nog onzinniger, maar het duidt wel aan waar het Klara aan schort: ethiek, manmoedigheid, intelligentie, creativiteit, werkzaamheid – een misdadiger kan maar 1 keer voor zijn misdaad veroordeeld worden, de luisteraar moet voor hetzelfde geld meerdere keren hetzelfde aanhoren. En de week daarop die slechte reeks over Gertrude Stein (‘Gaea Schoeters is fan’) ook al weer een herhaling – de zomer, die elk jaar langer wordt, is al een tijd van herhalingen, nu ook al de winter – wat een geestelijke luiheid.
En plots wordt het nieuws met andere muziek aangekondigd, als was elk item een circusnummer – de openbare omroep als de gesel van de decente mens.

Ϣ Keer de zaak om. Het is het establishment dat rancune kent. Het heeft het geluk beloofd, de consumptie zou alle behoeften bevredigen; het werk zou van de mens eindelijk een volledige mens maken; reizen zou ontdekken zijn; nu de televisie verveelt, daar is al Netflix ; de markt moest geliberaliseerd worden en alles zou goedkoper en beter zijn ; de lichamelijkheid een in zichzelf verzonken genot zijn; de geest eindelijk uitgeschakeld, de slaap als ultiem doel – de bevolking zegt: jullie woorden zijn leugens gebleken, wij zijn bedrogen, wij hebben jullie weliswaar geloofd maar de beloften zijn niet vervuld. Het establishment kan alleen maar verkrampt reageren – wat de bevolking zegt is waar want het establishment ervaart ook zelf de leegte en de leugen – verder weet het niet wat te geven, alles is immers als handelswaar bezoedeld. Nog een poging doet het: aan vrouwen zegt het, word man ; aan mannen zegt het, word vrouw. Wie laatst lacht, best lacht.

Ϣ Sammy Mahdi wijst Mohamed Toujgani uit omdat hij een haatprediker is. Ahmed El Khannous, cdH-gemeenteraadslid in Molenbeek zegt dat dit ‘een deportatie’ is. Of uitwijzing een normale maatregel is, is te betwijfelen. Kwalijke ideeën bestrijdt men niet door mensen uit te wijzen. Maar El Khannous is wel een christen-democraat en verkiest het islamisme boven het leven. Toujgani riep de moslims op om joden te verbranden, blijkt uit een video, en daarom wordt hij uitgewezen – het woord deportatie gebruiken is dus ideologisch bepaald.
Catherine Moureaux, die tot de PS behoort maar daarom geen socialist is, en burgemeester van Molenbeek, reageert op de beslissing van Mahdi: ‘Ik hoop dat hij belangrijke nieuwe [sic] informatie heeft om Toujgani uit te wijzen.’ Voor Moureaux is een oproep om mensen te vermoorden oud nieuws, joden te vermoorden zeker, de jaren dertig en veertig voor haar een goede periode. Daarom ligt ze goed bij de islamisten van haar gemeente. Molenbeek is geen hellhole. En het socialisme dient enkel om geld te beheren.

Ϣ Zoek de denkfout en duid vervolgens de ideologie aan, bepaal waarom dit soort feminisme nu opgang kan maken: Soumaya Majdoub in DS, 15.01.2022: ‘We zijn niet met te veel op deze aardbol, we consumeren te veel.’

Ϣ Wie dezer dagen in een Belgische stad woont, kan geen hongerkuur volgen, je komt buiten en daar moet je al op benzine- en dieseldampen kauwen.

Ϣ De ‘corona’-betoging in Brussel, meer deelnemers dan aan een klimaatbetoging. Een van die grote geesten wordt geïnterviewd voor de radio, achter ‘de relschoppers’, zegt hij, zit de overheid. Wat een belediging. Net alsof het volk zelf niet voor ‘rellen’ kan zorgen.

Ϣ Het Vlaamse socialisme in 2022. Conner Lonner Wonner Rousseau roept de pers op zondag bijeen om te melden dat hij niet verhuist naar Gent (daar is hij niet welkom: de dief van de naam Vooruit) maar in Sint-Niklaas blijft. Gaat het over uitbuiting van mensen die te weinig betaald worden met dienstencheques? Over corruptie die hij op het spoor is? Geldbejag van parlementsleden? Een strategie om het kapitalisme te vervangen? Overheidsbedrog? Nee, het gaat over Conner Lonner Wonner Rousseau.

Ϣ Nog iets gehoord de laatste tijd over corona in Afrika?

Ϣ Hein Vanhaezebrouck, de trainer van AA Gent geweest, zou, volgens Mogi Bayat mest en potgrond ontvangen hebben, naast geld natuurlijk. Betekent dit dan dat Daniël Termont zijn bureau bij Vanhaezebrouck heeft uitgekieperd? De brave trainer verdedigt zich aldus: ‘Ik werd marktconform betaald’ – wat als een bekentenis kan gelden. 283.750 euro zou in het zwart betaald zijn. Weer zal Termont een traantje wegpinken.

Ϣ Francis Van Eeckhout is een ondernemer. In De Tijd van 31/12/2021 zegt hij dat hij nog twee bedrijven heeft: ‘Dat zijn mijn twee speelgoedjes, waarbij mijn ondernemerschap goed van pas komt.’ – dat de werknemers van die bedrijven moeten werken om te leven, dat werken een inkomen betekent voor mensen, nee, dat is het Vlaamse patronaat nog nooit ter ore gekomen.

Ϣ Jozefien Daelemans die voor deBuren de propaganda-afdeling leidt, ‘coördinator talentontwikkelingstraject ontluikende opiniemakers’ is ook de auteur van het boekje De naakte waarheid, in DS van 22/01/2022 mag ze spreken: vrouwen moeten hun buik niet intrekken, een buik hebben is normaal. Van een ontluikend en een levensbelang talent gesproken.

Ϣ Carla Galle gestorven, weer wordt ze de hemel in geprezen. Net alsof men niet weet hoe ze als partijsecretaris een sportwagen kocht op kosten van de partij (een sportwagen omdat ze zo geen ‘kameraden’ moest meenemen, een dienstauto was voor haar en enkel voor haar, eventueel een amant) – hoe ze de terreur zaaide waardoor de sociaal-democraten vandaag nog altijd sidderen en beven voor hun leider. Hoe het koppel Van Miert-Galle de ideologische neergang heeft ingezet – liberalen die het socialisme misleid hebben, van kontdraaierij het kenmerk gemaakt hebben. Met dit koppel werd ook het Vlaamse socialisme overgeleverd aan de geldzucht en de lege machtshonger, in naam (om de bevolking te bedriegen) bleef men zich socialistisch noemen, in werkelijkheid was men liberaal – samen met de oerconservatief en oorlogspromotor Willy Claes als machtsusurpator, de zogezegde ‘jonge Turken’ hebben de vrijheid van de partijleden aan banden gelegd, de macht als enige waarheid naar voren geschoven, wetende dat aan macht steeds corruptie kleeft. En dan stelt Marc Reynebeau (die geen enkele schaamte meer voelt om zich te profileren als de hofschrijver van de loge) in DS 21.02.2022: ‘Van topsport naar toppolitiek’ – Carla Galle heeft nooit aan toppolitiek gedaan, zelfs niet aan politiek, wel aan eigenbelang en geldbejag.

Ϣ DSL van 15 januari 2022 opent met een redelijk onnozel vers van Marieke Lucas Rijneveld, die hiermee bewijst dat ze toch ook de preek van Amanda Gorman minstens gelezen heeft, wat een pastoorsgedoe, of moet ik zeggen pastorettegedoe?, waar is de tijd dat een schrijver durfde te denken, niet geliefd wilde zijn, dat waarheid een norm was, dat schrijven een standpunt innemen was – en niet een geleuter voor de bubbelmeute? Of, anders gezegd, hoe een talent verknoeid wordt door de ideologie van de tijd en hoe ze niet sterk genoeg is (‘haar team’) – en dus niet genoeg talent heeft – om te weerstaan. Zo sterft een oeuvre de slechte dood.
Of: hoe, als een omgekeerde Amy Winehouse, Rijneveld voor onze ogen, op het publieke forum verkruimeld wordt.

Dan, eindelijk, eens een mens die in DSL geïnterviewd wordt en niet zomaar een hond. En wat zegt hij, Herwig Van Hove? Dat DSL te veel ‘snotneurologische romans’ bespreekt, een perfecte omschrijving voor die rommel – ziehier een mens. En aan wat ergert hij zich nog? Aan ‘de verkleutering van Klara’ en ook aan ‘reclame voor kansspelen’ (o.a.). – ziehier een goede mens.
Er is echter een probleem. Van Hove is een oude man, een oude man kan geen verstandige dingen zeggen die ingaan tegen de heersende ideologie van onderdrukking en domheid. Wat te doen? Wat te doen? De activisten-fascisten zoeken op Google maps.
In datzelfde nummer een bespreking door Geerdt Magiels van het interviewboek Een zoektocht naar menselijkheid van Dirk Verhofstadt en Johan Braeckman, ‘bespreking’ is veel gezegd, dat hij Verhofstadt een filosoof noemt, duidt eerder op kolder. We kunnen slechts besluiten: ook Magiels is een logebroeder.

Ϣ De klucht van het ‘Wintermanifest’. Een aantal ‘intellectuelen’ worden verzameld om in te gaan tegen de virusexperts – ook al de gelijkenis gezien tussen de experts en de platoonse koning-filosoof ? Maar het wordt te hard gespeeld, vindt plots Ignaas Devisch, hij noemt zichzelf ‘publiek CEO’, zoals je ook publieke mannen en vrouwen hebt, en staat in dienst van het patronaat, onder het mom van ‘denken bij Itinera’, plots beseft hij dat er iets gezegd werd. Alhoewel hij eerder getekend had, staat hij niet meer achter de inhoud – en dan maar klagen dat ‘de bevolking’ zo gedachtenloos is, niet twee keer nadenkt vooraleer iets te schrijven, zelf niet wetende blijkbaar dat stijl stijl is – zo hebben idioten het ook over mijn stijl, wat toch steeds weer een geschenk voor hen is, moeten ze het niet over de inhoud hebben. Ignaas Devisch, een filosoof die nadien denkt.
En hoe reageerde Van Ranst op dat manifest? Hij vond het respectloos. Respect was vroeger een katholiek, nu een islamistisch woord en gaat steeds over machtsverhoudingen, is verder inhoudsloos.
Dezelfde reactie bij Erika Vlieghe, eveneens koning-filosoof, ‘Wordt dat de toon van het debat? Ja, hallo!’ (De Tijd, 22/01/2022) – geen hoogstaande taal maar duidt wel het niveau van denken aan. Vlieghe verdedigt zich tegen Heidi De Pauw die terecht opmerkt dat de jeugd geslachtofferd is, ‘Bij alle overlegmomenten over het onderwijs zitten vertegenwoordigers van de leerlingen of het kindercommissariaat.’ – ‘zitten’ en hebben niets te zeggen. Weer herhaalt Vlieghe de klucht van de ventilatie in de klassen, ‘Er worden te weinig impulsen voor gegeven.’ In het hele interview geeft Vlieghe geen enkel rationeel (laat staan wetenschappelijk) argument, ze gebruikt retorische middelen die maar al te goed haar broodheer verraden, als ultiem ‘argument’ voor de critici zegt ze ‘Kom dan op mijn stoel zitten.’ – ‘als je het beter weet, doe het dan zelf’ – dat soort onnozelheid. Maar nee, dat is nog niet het hoogtepunt van haar denken, op het einde van het interview komt ze ook nog seksistisch uit de hoek: ‘En, dit is off the record, misschien zijn er ook meer vrouwen nodig in dat publieke debat. Een betere gender-balans kan helpen om het minder agressief te maken.’. Misschien moet men gewoon rationeel denken en heeft dit niets met geslacht te maken?

voorbij

Als een voorbeeld, uit de vele, een catalogus, La chasse à l’objet du désir, een verzameling teksten en prenten rond het hedendaagse surrealisme, uitgeven door Editions Sonámbula ut Montréal in 2014, met kunstenaars wier naam niet of nauwelijks gekend is in het officiële circuit en dus ook niet bij het publiek, hoe klein dan ook, maar ongezien werk betekent niet noodzakelijk onbelangrijk werk, toch een bewijs dat het surrealisme ondergronds leeft en wel is. De tentoonstelling en het boek kwamen er op initiatief van ‘Liaison surréaliste à Montréal’ – een groep kunstenaars die het vuur wakker houdt en aanwakkert – niet alleen artistiek ook politiek.

De mens wordt gewoonlijk gedefinieerd als lichaam en denken, een eenheid samen. Het surrealisme breidt dit uit, in een andere betekenis, vervangt dit, met de verbeelding – niet de realiteit moet gedacht en weergegeven worden maar voorbij het werkelijke moet geleefd. De wereld is een kluister, de surrealistische verbeelding betovert die wereld en maakt die anders – niet alleen op een fantasierijke, individuele manier, maar ook gaat het om de bevrijding van iedereen uit de ketenen van de systemen, economisch, moreel, artistiek, politiek.

Van Empedokles wordt gezegd dat hij stierf in de krater van de vulkaan, wat te bewijzen? Dat de dood niet bestaat? Andere verhalen over hem werden ook de wereld ingestuurd, veel weten we niet en wat we denken te weten, is niet zo relevant. Wel is daar zijn filosofie. Er zijn krachten, creatie en destructie, die inwerken op de wereld en de mens, de elementen (water, lucht, aarde en vuur), er is steeds transformatie aanwezig, de mens kan zich vervolmaken – met wil kan men zijn denken verbinden met de alchemisten en de surrealisten.

Dat deed Laurens Vancrevel in zijn dichtbundel Waartoe : een gedicht (Druksel, 2011), de schutbladen waren niet voor niets goudkleurig. De dichter is een wijze, hij moet niet alleen kennis hebben, ook kennis verzamelen, hij heeft de weg alleen te gaan, er zijn geestes- en liefdesgenoten maar elk heeft tegenover zichzelf verantwoording af te leggen. De titel van de bundel verwijst naar de levensvraag van Hölderlin, is gebouwd op de structuur van het denken van Empedokles (het motto luidt: ‘Ooit vloeit het al uit liefde samen in het ene’) en omvat de natuur en de mens, de beweging zoals het leven is. Zo schrijft Vancrevel op het einde van het tweede deel ‘De aarde’ (de andere delen zijn: De adem, De bronnen, De vlammen en als een synthese: Het al in het ene) :

Dag en nacht ga ik voort
over het weidse land,
         hoog boven de vuren
onder de aarde,
ver van spektakel,
          roof en woeker,
doof voor bevelen
          van de heersers.

Deze bundel is voor de catalogus La chasse à l’objet du désir in het Frans vertaald A quoi bon : un poème. Binnen het surrealisme hebben machines een speciale aantrekkingskracht (Francis Picabia zette in de 20ste eeuw de toon), omwille van hun transformatiekracht – de mens als een machine, niet in de betekenis van de La Mettrie, een gespannen determinatie, wel als een alchemistisch instrument én als een toestel dat het nog niet bestaande zal kunnen maken – elke machine is een verbeeldingstuig.

Jacques Desbiens keert de uitspraak om (Cet obscur objet du désir, Luis Buñuel, 1977) : « Objet du désir, désir de l’objet ; substitution mercantile. ». De ‘Groupe surréaliste de l’Inner Island’ publiceert hier een ‘manifest’, « Le rêve de l’anarchie et l’anarchie des rêves », centraal staat de lach van  Rabelais : « […] le surréalisme cherche à déchaîner la puissance poétique et le rire subversif de l’imagination radicale ». Wie surrealistische teksten leest, beseft maar al te goed hoe de hedendaagse ‘critici’ of ‘activisten’, ook beeldend kunstenaars en schrijvers, als ezels aan de touwen van de werkelijkheid gebonden zijn, hoe hun kritiek slechts kritiek op de soep is – hoe de verbeelding gestorven is.

Beeld: een prent van Jacques Lacomblez

de wereld geschonken – de collectie laurens vancrevel en frida de jong

Uit niets blijkt dat het Museum Boijmans-van Beuningen de ironie begrepen heeft. Laurens Vancrevel (bij de burgerlijke stand gekend als Laurens van Krevelen) en zijn vrouw Frida de Jong hebben hun collectie surrealistische werken aan dit museum geschonken, beeldend werk en hun surrealistische bibliotheek. Het echtpaar is bekend om zijn verdediging van het surrealisme van de nadagen, na de glorierijke periode met Breton, Picasso, Masson, of om het nog anders te zeggen, het verborgen surrealisme, (de ondergrondse) en die richting meer dan een louter Franse te zien, het surrealisme als een denkmethode, een levenshouding die in alle landen kan bestaan, een ondergronds woekerbestaan leidt, de idee van vrijheid niet verlaten heeft. Jarenlang werd deze richting door het museum, ondanks een indrukwekkende surrealisme-verzameling (weliswaar van de gekende namen), verwaarloosd, het hedendaagse achternagehold, plots krijgt wat een decennium geleden nog minderwaardig beschouwd werd, museale waarde, wordt dat wat niet gezien en gewaardeerd werd, in een museumcollectie opgenomen, wordt die collectie gedocumenteerd en in allerlei verbanden gebracht, daardoor het museum zelf wijzigend.

Daarmee verandert het collectiebeleid danig. Is een museum een verzameling van hoogtepunten of weerspiegelt het museum dat wat in de wereld gaande is? Indien dit laatste, dan moet zeer veel minderwaardig werk opgenomen worden – maar minder extreem en verstandiger gesteld, zou wel eens kunnen blijken dat heel veel ‘navolgers’ zeer goede kunstenaars zijn, die ten onrechte vergeten zijn, of verwaarloosd worden, enkel en alleen omdat ‘de tijd’ (die altijd de tijd van de macht, de commercie en dus de curatoren is) iets anders voorschrijft. Laurens Vancrevel heeft altijd die figuren ‘op de tweede rij’ verdedigd en samengebracht, o.a. in zijn tijdschrift ‘Brumes blondes’, overtuigd van het gelijk dat niet de macht het belangrijke toont, dat de kunst een levende beweging is die zich niet hoeft op te sluiten in gevestigde en geconsacreerde, sacrale ruimtes, gezegend moet worden door kunsthogepriesters. De schenking heeft nog een ander belangrijk aspect: boeken en beelden behoren tot hetzelfde domein, zijn niet van elkaar te onderscheiden, gaan elk een eigen weg maar de wegen zijn elkaar gelijk en noodzakelijk. Al is het beeld makkelijk verkoopbaar, een exclusievere handelswaar, het kan niet zonder het woord bestaan – en omgekeerd, de woorden krijgen in de beelden een bestaan. Ook voor het surrealisme geldt dat beide, denksystemen zijn, dat het denken zich bedient van woorden en beelden, komt daarbij, in de betekenis van Vancrevel, dat ook het handelen, het leven, onlosmakelijk deel is van dat bewustzijn.

De collectie werd door de jaren heen opgebouwd, niet als een collectie maar als een getuigenis van interesses, vriendschapsbanden en toevalligheden. Werd de basis gelegd door de collectie van Laurens Vancrevel’s vader, op aangeven van de zoon, dan werd die werkelijk levend gemaakt door de zoon. Er werden bewust aankopen gedaan, er werd veel gekregen, veel werd tot documentatie – brieven, boeken, prenten. Niet omwille van de financiële waarde werd gekocht (al bij al waren Vancrevel en zijn vrouw bescheiden kopers) maar als een getuigenis van een bestaan. Daarmee wordt kunst onttrokken aan de markt en teruggebracht naar waar ze hoort: in de huiskamer als een begeleiding van een leven, in het oog van een individu, in de nabijheid van mensen. Nu gaat deze collectie de omgekeerde weg van de privé-sfeer naar het publieke, en blijft ze toch een bevestiging van die individuele interesse.

Om deze schenking, die werkelijk een geschenk is, te begeleiden werd een boek uitgegeven, Scheppend toeval : surrealistische kunst en literatuur uit de collectie van Laurens Vancrevel en Frida de Jong (2021) – ‘toeval’ verwijst naar het surrealisme maar ook naar de collectie, een toevallige ontmoeting kan tot veel leiden, het toeval als motor van het leven, zoals het dat geweest is voor de evolutie. Helaas wordt de boekencollectie stiefmoederlijk behandeld – slechts een selectie van 100 boeken wordt al te spaarzaam genoemd, enkele boeken krijgen een afbeelding maar nauwelijks inhoudelijke ontsluiting, wel wordt een eventuele ‘illustrator’ vermeld – het museum blijft toch wel een museum. En dat verklaart ook waarom de politieke dimensie van het surrealisme onder de mat geveegd wordt, nochtans is het begrip vrijheid niet enkel een individuele kwestie. Saskia van Kampen-Prein geeft een overzicht van de manier waarop de Nederlandse musea met het surrealisme zijn omgegaan, hoeveel kansen ze hebben laten liggen. Er wordt verslag gedaan van de misvatting dat Bosch een soort voorloper van het surrealisme geweest zou zijn maar dat wordt niet weerlegd, merkwaardig blijft dat van Cobra, zo belangrijk geweest voor de Nederlandse kunst, de surrealistische wortels zo veronachtzaamd gebleven zijn, dat Cobra geen breuk was, al was de beeldtaal totaal anders – eens te meer blijkt hoe literatuur, manifesten, teksten dingen kunnen verduidelijken.

Om één voorbeeld te geven van dwaze museumpolitiek. Dirk Hannema, oud-Boymans directeur, wilde van Francis Picabia het werk ‘Papillons’ (1929) uit diens periode van transparanten aankopen, maar dat werd door de aankoopcommissie geweigerd met als reden ‘te modern’ (p. 30). Wat dan weer een aanduiding is van de breuk in de museumpolitiek: waar vandaag enkel het nu geldt, gold vroeger het klassieke als norm.

Laurens Vancrevel geeft in het boek een verslag van het ontstaan van de collectie, wat de drijfveren waren en wat hij beoogde (al was het oogmerk niet doelbewust, in en door het leven gegroeid). Niet bij het dominante is de waarheid, de ‘echte’ kunst, te vinden, maar wel in de marge, in dat wat bewust verborgen moet zijn, de rebellen hebben de waarheid, voor de meute en de macht is de waarheid de leugen. Van Edouard Jaguer (Vancrevel is gul in het noemen van mensen die voor hem belangrijk waren) leerde hij ‘dat de ontwikkeling van kunst en poëzie een zaak van de kunstenaars en dichters zelf dient te zijn, niet van academies, musea, kunsthandelaren, uitgevers, en zeker niet van de critici.’ (39) – wat misschien wel te betwijfelen valt, want het schrijven over kunst is het artistieke vuur levend houden, de uitspraak kadert wel in de conflictueuze relatie tussen het surrealisme en de maatschappij. De dichter en schilder Mário Cesariny leerde hem ‘dat het hartstochtelijke streven naar geestelijke vrijheid de kern vormt van ware poëzie en kunst’ (40) – en die vrijheid verklaart ook hoe men burger én kunstenaar kan zijn. De kunst staat niet alleen tegenover het kapitaal (de maatschappij) maar ook tegenover de smaak van het publiek, een kunstenaar is een eenling, het zoeken naar aandacht, de hondse onderdanigheid is de kunstenaar vreemd. Dit levensverhaal is tevens een overzicht van het surrealisme in Nederland.

In een derde deel behandelt Saskia van Kampen-Prein de collectie schilderijen en tekeningen, ze doet dit aan de hand van monografische essays. Ook hier blijkt weer hoe belangrijk een boekhandel kan zijn, in Utrecht was kunst- en boekhandel Nord een waar intellectueel centrum waar geïnteresseerden ‘marginale’ uitgaven konden vinden. Theo van Baaren stond op het standpunt dat de titel van een werk een collage kon maken of vernietigen. Jacques Lacomblez, een Belgische surrealist, nog in leven, is misschien wel een van de belangrijkste figuren die hier gepresenteerd wordt, een beelding in de traditie van Wols en Ernst, een samenkomen van natuurelementen en gedachtengangen, een denken dat de prehistorie tot het nu omvat, een tekenen in en van geologische lagen, (de menselijke geest als een structuur van aardlagen), het gesteente als uitdrukking van een levenswil. Ook Willem van Leusden is een merkwaardige schilder die ‘minder’ surrealistisch is dan wat ‘gewoonlijk’ onder die term verstaan wordt, eerder in een De Chirico-traditie werkt (nochtans dé eerste surrealist), een realisme dat zeer dicht bij het classicisme en het klassieke staat – net zoals J.H. Moesman dicht bij Charley Toorop staat. Jörg Remé en Rik Lina daarentegen zijn vertegenwoordigers van het dromerige, dromende surrealisme, een zachtheid waar men zich in kan verliezen, ook al is Remé hier vertegenwoordigd met het schilderij ‘Demonen’ – nooit is er een agressiviteit, zelfs een eerder pessimistisch doek is meedogend. De verzameling Laurens Vancrevel-Frida de Jong is daarmee een aansporing om buiten de paden te treden, te durven kijken – weten wat vrij zijn betekent.

dieper

Schrijven

Bloed verdunnen, weefsels schiften,
lijm bereiden uit de vis,
door een stalen wanne ziften
korreling van dode driften,
’t spinselvocht der ergernis
stolt erover tot vernis.
In die glaslaag over asse
dat de vingernagel krasse,
dat hij als een sprinkhaan kriepe,
doende alsof een vogel zong.
Dat de boosheid zich verdiepe:
schrijven met des vogels tong.

Jos de Haes, Azuren holte (1964)

openbaar nut, publiek geluk (11)

…………………

de letter gegrepen

Diedrik van der Wal werd in 2021 bekroond met de Taalboekenprijs voor zijn werk Alles begint met A (2020), een boek over de letters van het alfabet, de kleine werkers. In 2008 verscheen zijn Achter de letter : encyclopedisch eenletterwoordenboek bij uitgeverij Alfabet, die niet meer bestaat, er was ook een website eenletterwoordenboek.nl, ook dat al verdwenen. Op korte tijd waren er minstens twee drukken nodig, ik heb hier de 2de druk uit 2008. Het boek was slordig en inspiratieloos vormgegeven, wat een verschil met Alles begint met A (een mooie, impliciete verwijzing naar ‘van a tot z’), dat door De Harmonie is uitgegeven, een omslag van Piet Schreuders.

Hier is Van der Wal een echte encyclopedist, ook al is hij soms ironisch in zijn uitleg, droog-komiek, dan nog had ik veel meer grappen verwacht (de cup-maat bijvoorbeeld nodigt uit om van a tot z te gaan), al weet ik dat dit niet mag. Door minutieus te zoeken en weer te geven, scherpt Van der Wal onze aandacht aan: hoe we met weinig, veel kunnen bedoelen; hoe we onwetend (soms), toch de juiste letters gebruiken, hoe de taal een geheel van al dan niet expliciete afspraken is en hoe elke letter een geschiedenis heeft (en geschiedenis is). De ondertitel kan verwarrend zijn: dit is géén eenletterwoorden-boek, maar wel een woordenboek van eenletters.

Een typerend voorbeeld van de badinerende stijl, de letter C (op rekenmachines), bestaan er nog rekenmachines? Toen: ‘De winkelier bewaarde de machines [omwille van de hoge kostprijs] in een afsluitbare vitrine. De prijs daalde gestaag, tot enkele tientjes in het midden van de jaren zeventig. Door de aldus toenemende betaalbaarheid kon geen scholier het meer stellen zonder, het handige apparaatje werd een enorm verkoopsucces. De op het succes meeliftende C-toets wist op die manier miljoenen huishoudens te bereiken.’ (p. 49). Het woordenboek is dus een encyclopedie. En een geschiedenisboek – zo spreekt de auteur nog van een beginfase van de sms-taal, de ‘g’ die staat voor een grijns – vandaag vervangen door een emoticon?

Veel letters zijn geen woorden maar staan voor afkortingen, bestaan dus niet op zichzelf, zijn geen  teken, maar worden wel als een teken begrepen. De letters zijn nog geen beelden, uitzonderingen daar gelaten zoals het ©-teken. Het woordenboek bevat ook resten die  angstaanjagend begonnen, en dat nog zijn. Zo staat (of stond?) de letter M. (mét een punt, dus niet echt een ‘eenletter’) blijkbaar voor ‘Meld Misdaad Anoniem’, het acroniem leek me dan eerder MMA te zijn, een kliklijn, het begin van de argwaan tegen de medemens, een fascistoïde handelswijze die niet te onderscheiden is van een fascistische en toch burgerplicht is – wat een verwarrende tijd. Ook zijn er ‘eenletterwoorden’ die misschien wel zeer particulier zijn: wat te denken van ‘de zeven p’s? – dit zijn dan de 7 hoofdzonden, de ‘p’ staat voor peccavi. Of de ‘drie p’s’ (ook geen eenletterwoord) : plassen, poetsen, pyjama? ‘Een straffe p’ of ‘pee’ zou dan komen van ‘p’: ‘een niet-student’, een ‘ploert, pooier, proleet’ … ? De letter A kan staan voor Amsterdam, Antwerpen, zoals de letter E. voor Enschede staat, zie Willem Brakman – echter, niet opgenomen.

Intrigerend is het als het gaat over ’t – in de tekst soms gezet als ‘t. Het onderscheid tussen het en ’t is een belangwekkende, zoals dit geïllustreerd wordt met de argumenten van Willem Elsschot. Onvergeeflijk is dat de auteur niet de Z van Zorro heeft opgenomen.

de vrolijke woorden van guus middag

Of de woorden van de vrolijke Guus Middag? Nee, de woorden die door Guus Middag gezien worden, zijn vrolijke woorden. Het was geleden van Achter de letter : encyclopedisch eenletterwoordenboek van Diedrik van der Wal (2008) dat ik zo veel vreugde aan een woordenboek beleefde. Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden is de titel, uitgegeven door Van Oorschot, helaas als een smal boekje met een veel te harde rug, het boek ontsnapt letterlijk uit je handen. De vorm verwijst natuurlijk naar ‘zakboekje’, toch is het boek te dik gemaakt (en te hoog) om in een zak te passen – waarom dan onzin? De teksten van Middag zijn eerder, tussen 2012 en 2020, verschenen in het tijdschrift Onze taal, nu verzameld als een rijke bron.

Woorden kunnen mooi zijn, kunnen schitteren, rare woorden behoren daar soms toe. Middag komt woorden tegen en verklaart ze, hij doet dat op een fijnzinnige, dikwijls humoristische manier, net alsof hij de woorden, de taal en zichzelf niet zo ernstig neemt, maar toch ernstig – er is een lichtheid, een zekere frivoliteit, die zijn schrijven verwant maakt aan dat van Chr. J. van Geel, een speelsheid en een kijken dat het woord als ding isoleert.

Uiteraard is dit geen woordenboek in de klassieke betekenis van het woord – de keuze is hoogst eigenzinnig en toevallig, soms ook triviaal. (Zakwoordenboek is een raar woord.) De auteur komt een ‘raar’ woord tegen, onderzoekt het als woord, klank en betekenis, op een amateuristische wijze, dilettantisch, niet als een geleerde of een taalkundige, een geïnteresseerde leek (en nu past het woord leuk voor één keer wel) en schrijft een fascinatie neer. De rare woorden zijn niet allemaal raar, in het Nederlands mogen woorden aan elkaar gesmeed worden, ‘droomsteen’ bijvoorbeeld is zoals ‘stapsteen’ of ‘slaapsteen’ en heeft veel te maken met ‘steen des aanstoots’. De teksten zijn bijzonder aangenaam om lezen, een soepel, bedachtzaam en aangenaam Nederlands, soms ook interessant. Bijvoorbeeld dat het woord ‘gieteling’ ‘merel’ betekent.

De ‘rare woorden’ vindt Middag in het dagelijkse leven en dus ook in zijn lectuur. Apocolocyntosis heeft hij gevonden in Paul Claes’ boek Gouden vertaalregels, Claes geeft toe dat dit woord letterlijk vertaald is omdat het niet anders kan. Helaas trapt Middag in de hedendaagse val van het ‘meesmuilende niet-kunnen/niet-weten’: ‘Dat is wel mooi, in een boek dat vertaaladviezen geeft : dat de adviseur erkent dat vertalen soms onmogelijk is.’ Maar gelukkig is dat maar 1 maal gebeurd. Bij het woord ‘kraamschudderswegge’ gaat Middag niet de ideologische toer op, besluit koudweg: ‘Niemand weet waar het wiegje van de kraam heeft gestaan.’ (95).

Ook Harbalorifa is een ‘raar woord’ – de bekende klanken uit Lied II van Hertog Jan I van Brabant, die Frank Willaert in zijn boek Het Nederlandse liefdeslied in de Middeleeuwen besprak (p. 228), in kort bestek geeft Middag weer wat de geleerden hierover gezegd hebben, ‘ze weten nog steeds niet of het iets betekent, en zo ja : wat.’ – Willaert bevestigt dat dit ‘als een reeks van klanken zal hebben gefunctioneerd, die op Germaanse oren ‘une impression de langue romane’ moest overbrengen.’

In het lemma ‘hibernatie’ wordt het woord ‘komeetlander’ gebruikt, dàt lijkt me een raar woord te zijn. Er zijn woorden die er zomaar zijn, zonder dat ze neergeschreven zijn, eigenlijk ‘foute woorden’, zoals ‘koortsplank’ (voor plankenkoorts) – dan moeten we Middag dankbaar zijn om het woord gered te hebben. De reeks is een ode aan de creativiteit van de taalgebruikers, een aanzet om zelf rare woorden te maken, vooral toch ook om te glimlachen bij de taal.

Guus Middag houdt zich bij woorden en deftige bronnen. Hier heb ik het ‘deBuren magazine’, een onder leiding van de oorlogsgeneraal Willem Bongers-Dek georganiseerde oorlogsmachine, die net zoals elke organisatie die naar dictatuur streeft een propaganda-afdeling heeft (om maar de tegenstelling te schetsen tussen het creatief, humanistisch en cultureel taaluniversum en de wereld die men onder het mom van cultuur aan het verprutsen is), daar is Jozefien Daelmans, Daelmans volgens deBuren maar die toch Daelemans is, ‘coördinator talentontwikkelingstraject ontluikende opiniemakers’ – dit is niet alleen een rare omschrijving, dit is angstaanjagend en een voorbeeld van de manier waarop sommige taalgebruikers de werkelijkheid willen smeden – zoals het communisme en het fascisme hun propaganda in rechte banen wilden leiden, zo moet het denken aan banden gelegd worden. Het rot in de wereld.

felix de boeck, de valsheid gekeerd (2)

Welk commentaar en hoeveel commentaar men op het boek van David Veltman ook mag geven, zie verder, zijn onderzoek is bijzonder gedegen én vernieuwend – het beeld van Felix De Boeck wordt aan gruizelementen geslagen, het activisme herleid tot wat het was en is, een autoritaire beweging van kleinburgers, het ressentiment als politieke ideologie. Dat de activisten een buitenlandse mogendheid hebben ingezet om hun eigen doeleinden te bereiken, is niet een aberratie maar een kernstuk van de ideologie: alle middelen zijn geschikt om aan een bepaald beeld (Vlaams, dat dan eenvoudig, goed, waarachtig, authentiek en katholiek is) te beantwoorden – het is wel jammer dat Veltman te weinig ideologiekritische kennis heeft.

Het activistisch programma wordt tot vandaag verdedigd en daarvoor wordt zelfs Gaston Burssens als argument naar voren geschoven – was, hij, de cynicus, immers ook geen activist, dan kan het activisme toch niet slecht geweest zijn? De vlaamsgezindheid van de dichter moet de collaboratie vergoelijken – maar men vergeet te melden dat het weemoedig cynisme van Burssens juist gevoed is door de fout van het activisme – hij, de afstandelijke toeschouwer, zelfs hij, heeft zich laten meeslepen (ook door Van Ostayen, die – en dat is speculatie – wel geweten zou hebben wat hij in de nazitijd gedaan zou hebben) en is in de fout gegaan – Burssens heeft die fout voor zichzelf erkend en is in de Tweede Wereldoorlog niet in de collaboratie gestapt, heeft zich gewend naar het Franse cultuurleven. Burssens als argument gebruiken is het typische achterbakse Vlaamse argumenteren. Dat belet echter niet om te zien dat Burssens zijn activistisch verleden tot zijn laatste dag heeft ingezet, voor Paul Van Ostayen, voor Louis Paul Boon, voor Hugo Claus, voor Hugues C. Pernath.

De ironie van het lot is natuurlijk dat de zogezegde ‘mei 68’- beweging in Vlaanderen essentieel rond ‘Leuven Vlaams’ draaide, een herhaling van het activistisch programma rond de vernederlandsing van de Gentse universiteit, dat het ‘Vlaamse’ een essentieel element van het contestataire was, vandaar ook het succes van de Vlaamse kleinkunst, én dat de anti-nationalisten nu zien hoe de activisten-fascisten de taal van de nieuwe overheerser gebruiken en het Nederlands niet als een wetenschappelijke taal wensen te beschouwen, dat in het Nederlands volgens hen niet gedacht zou kunnen worden. Dit is niet zozeer een paradox maar wel toont het aan hoe verwrongen de werkelijkheid is – zo zouden de nieuwe activisten-fascisten, in lijn met hun vernietigingsdrift, het Museum Felix De Boeck moeten afbreken, maar dat doen ze natuurlijk niet. Even cynisch en verwrongen is, dat dit museum nu FeliXart Museum genoemd wordt, dezelfde collaboratie in een andere taal, weliswaar verdoezeld ‘internationaal’,

De Boeck werd voorgesteld als de eenvoudige ‘boer’, die tijdens de week landarbeid verrichtte en op zondag schilderde, dus nadacht, zich bezon, en dat deed op een ‘moderne’, geabstraheerde, wijze – het menstype boer-intellectueel was al in de naoorlogse periode een onmogelijkheid, het is merkwaardig dat Veltman toch niet ook Stijn Streuvels in het geding brengt, hij, een al even rare combinatie, bakker-schrijver, al heeft dat bakkerijgedoe bij Streuvels niet zo lang geduurd, het werd in de cultuurstrijd wel degelijk ingezet – landbouw en handenarbeid tégen het moderne, industriële. Boer wil ook zeggen – armoede, althans in de Bokrijkversie die de Vlaamse is. Veltman toont aan hoe De Boeck niet arm was, gronden en huizen bezat, tijdens de oorlogen geen armoede of honger leed. Dat hij zijn schilderijen niet ‘wilde’ verkopen, was ook omdat hij niet ‘moest’ verkopen – het schilderen was echter meer dan een hobby, De Boeck was wel degelijk een verkoop goedgezind. Om de collaboratie van De Boeck in de Eerste Wereldoorlog te illustreren, slechts één citaat: ‘In september 1918 kreeg De Boeck een vergunning van de Duitse bezetter om te reizen en in de openlucht te werken als schilder. Het is onbekend op grond waarvan deze vergunning aan hem werd toegekend, die slechts weinigen ontvingen.’ (p. 52) – een faveurke op willekeurige gronden is een typisch kenmerk voor een dictatuur, een democratie is gebaseerd op objectiverende, formele, wetten en regels. Dit lijkt onschuldig maar is het niet, op pagina 53 schrijft Veltman hoe de activisten lijsten opstelden van hen ‘vijandige’ personen: ‘Mogelijk konden deze lijsten na de oorlog van pas komen, wanneer een Duitse overwinning de activisten in staat zou stellen om af te rekenen met hun tegenstrevers.’ – hier komt veel samen, de heimelijkheid, het verraad, de lafheid, de afrekeningen, het opkijken naar de ‘grote broer’ en moorden als de overwinning zeker is en de daden gedekt zullen worden door een autoritair bestuur – nog tot vandaag is deze handelswijze usance voor een Vlaams establishment. Ik weet wel degelijk wat ik bedoel als ik sommigen fascist noem. (Wie pacifist is, bekijkt de anderen naar hun potentieel in oorlogsomstandigheden. Variant: voor een pacifist is vrede een uitzondering en het leven is voor hem als een oorlog, al dan niet in wording.) Ten bewijze: Felix De Boeck schreef in januari 1918 een brief naar de politiesecretaris om zich te beklagen over een buurman die hem voor zotterik had uitgescholden (55) – ook dat nog steeds typisch voor de Vlaamse culturele intermediairen, het overdragen. Veltman bevestigt nogmaals dat het gros van de activisten niet veroordeeld werd (p. 67), dat het verhaal van de Belgische wraak onwaar is.

Het boek, de tekst, wordt ontsierd door redactionele onachtzaamheid, typisch voor tekstverwerking, woorden van een vorige zinversie laten staan of de woorden van de nieuwe versie vergeten in te voegen, bijv. ‘August Vermeylen was hij tijdens de eeuwwisseling een van  de oprichters van Doe Stil Voort geweest.’ (59) ; ‘Daardoor moet De Boeck uiteindelijk hebben ingezien dat hij zijn strijd voor een onafhankelijk Vlaanderen zinloos was geweest.’ (61) ; ‘Ook Jacquemyns reisde mee om het graf bezoeken […].’ (62). Onbegrijpelijk wordt dan een zin als: ‘Zij streefden een symbiose na tussen natuurlijke en het dynamisme van de moderne ervaring.’ (80). Op bijna elke bladzijde is wel iets te vinden van slordigheid, onachtzaamheid en lezersonvriendelijkheid. Nog één: ‘voortuitgang’ (209), nee, nog één : ‘Barendsnood’ (220) en nog één ‘de gelederingen van de maatschappij’ (idem).

De redeneringen van Veltman zijn door mij niet altijd te volgen. De activisten konden niet langer op de steun van de Duitsers rekenen, ‘Toch werden mensen die op enig moment tijdens de oorlog een Duitsgezinde sympathie hadden getoond nu opgepakt door de Belgische justitie.’ (63), ‘toch’ ? Veltman legt het tegenovergestelde uit van wat De Boeck beweert, zo op p. 136: ‘In de rest van de brief beschreef De Boeck de eeuwige cyclus tussen het leven, het verval en de dood, die uiteindelijk nieuw leven mogelijk maakt.’ Maar De Boeck schreef: ‘Zie ’k [al staat het afkappingsteken verkeerd in het boek] vind het verschrikkelijk dat alle vruchten in zich kiemen dragen van ontbinding. ’k [idem] En wil geen vruchten waar dreigende rotheid in steekt.’. Felix De Boeck en zijn vrouw Marieke waren neef en nicht van elkaar – dat verklaart volgens Veltman de vroege sterfte van hun kinderen en de mentale handicap van hun overlevende dochter – dat is een wel zeer simplistische verklaring (158) – er zijn voorbeelden van incestueuze verhoudingen die gezonde kinderen voortbrachten. Misschien hadden De Boeck en zijn vrouw pech. Dat oppervlakkig causalisme had Veltman ook zelf kunnen vermijden: de inwonende knecht Polleke was immers ook mentaal achterlijk, Veltman vertelt niet of diens ouders neef en nicht van elkaar waren. (Polleke kreeg inwoning en eten, werd niet betaald (zodat ‘De Boeck geen personeelsbelasting hoefde te betalen’ (p. 258), De Boeck zorgde toch voor hem – dit is een menstype dat verdwenen is en een arbeidsverhouding die vandaag als slavenarbeid aangemerkt zou worden, het verdienmodel van de uitbuitende boer.) Ook die dode kinderen en die gehandicapte dochter bepaalden het beeld van De Boeck als lijdzame katholiek die toch bleef geloven. Voor activisten-fascisten is alles bruikbaar.
Ook raar als verklaring is: ‘Het portret dat De Boeck maakte van zijn overleden dochter sterkte hem in zijn overtuiging dat zij nu in het hiernamaals was.’ (159) – de schilder als tovenaar.
Er worden theoretische uitweidingen opgenomen die een verklaringsgrond zouden moeten zijn, maar dat helemaal niet zijn, de zinnen staan letterlijk naast elkaar. ‘De Boeck wist de tuberculose van zijn vrouw en dochter te objectiveren door te vertrouwen op de Goddelijke voorzienigheid. Deze visie paste in een traditie van medicalisering, die ziekte als quasi-natuurlijke toestand van het vrouwenlichaam beschouwde.’ (160) – god als mijnheer doktoor.
Of nog een voorbeeld waarbij het woord ‘doordat’ een redenering lijkt te suggereren maar los zand is (de constructie van de zin is daarbij wankel): ‘Dit epitheton [anarchiste chrétien] zou ook De Boeck niet misstaan : de kunstenaar was weliswaar overtuigd van zijn katholieke geloof, maar doordat hij nooit langer dan enkele jaren inzette voor een katholiek theater- of kunstgezelschap, kon hij evengoed een ‘anarchist’ worden genoemd.’ (181).
Ronduit verschrikkelijk is (de formulering is ongelukkig): ‘Zijn [De Boeck] keuze om geen carrière te willen maken als kunstenaar [wat De Boeck wél wilde] kon evengoed worden uitgelegd als manier om voeling te houden met het proletariaat.’ – zo kan men ook zeggen dat Degrelle voeling wilde houden met de democratische traditie – altijd weer wordt vanuit een ideologie geredeneerd, terwijl de feiten het omgekeerde aantonen. Op pagina 190 schrijft Veltman bijvoorbeeld dat De Boeck de blik naar Frankrijk richtte om zo ‘een nieuw publiek’ aan te boren, ‘en daarmee een grotere afzetmarkt [te] creëren.’
Veltman schijft dat De Boeck zichzelf een ‘ijzeren dagritme’ oplegde, dan denk ik aan koude douches, ’s nachts opstaan om te bidden, maar Veltman bedoelt ‘hij stond elke dag op dezelfde tijd op’ (217) – zo snel is het tijdsritme veranderd.
Pseudo-intellectueel is de verwijzing op pagina 232 naar de uitspraak van Wittgenstein: ‘Met een variant op de beroemde spreuk [sic] van Ludwig Wittgenstein schreef hij: ‘Wanneer men niets te zeggen heeft, dan kan men beter zwijgen.’ – onduidelijk is of De Boeck dat wel geschreven heeft, in de voetnoot staat immers ‘Quand on n’a rien à dire on se tait.’ – Veltman vertaalt veel zelf, maar het is niet altijd duidelijk of dit wel correct gebeurt. (De Boeck gaf zijn schilderijen ook een intellectuele toets – Veltman maakt duidelijk dat zijn verwijzingen naar bijvoorbeeld Blaise Pascal of Levinas niet kloppen.)
Onjuist is dat Leopold III ‘besloot om af te treden’ (269) – hij werd gedwongen. Emile Langui  was géén ‘Franstalige kunstkenner’ (312) maar een in de socialistische partij verdwaalde activist. De vertaling ‘vieze commiskes’ (p. 326) als ‘gewone berichtjes’ is uiteraard onjuist, ‘vuile boodschappen’ betekent dat iemand de vuile karweien moet opknappen voor een ander. ‘Iets gaan vragen ten gunste van X’ is een ‘vies commiske’ – niet proper, verdacht, achterbaks, mag niet voor de mensen zichtbaar zijn.

Ongelukkige formuleringen: ‘Onder het publiek bevonden zich zo’n vijftig mensen, […].’ (90). Dat ‘christelijk’ als ‘Christelijk’ geschreven wordt, zullen we maar toeschrijven aan de obediëntie van de auteur. (Zo wordt ook de Moederkerk met hoofdletter geschreven, p. 195.) Op pagina 132 wordt verwezen naar een kleurafbeelding, onduidelijk is waarom wat getoond moet worden. (Idem op pagina 158.) Grappig is dan wel: ‘De Boeck was niet de enige kunstenaar die Moens achter [sic] zijn karretje probeerde te spannen.’ (139), de boer is geen paard. Onzorgvuldig (en ideologisch vertekenend) is dat in de tekst een boek van Seuphor als Un renouveau de la peinture en Belgique genoemd wordt, terwijl het boek in werkelijkheid Un renouveau de la peinture en Belgique flamande getiteld is (zoals een noot correct vermeldt). Tot mijn grote voldoening wordt Michel Seuphor behandeld als het ventje dat hij was. ‘[…] maar nu het conflict zich tot zijn voordeur was doorgedrongen […].’ is een al even typische doordringing.

Ook de iconologische uitleg van de schilderijen is beneden niveau. Op pagina 72 wordt over het werk ‘Parende slakken’ (1918) gezegd : ‘de cirkels in deze tekening verwezen voor de kunstenaar naar de langzame bewegingen van de parende slakken. In 1918 was De Boeck nog niet naar bed geweest met een vrouw. De wat stroeve formulering ‘sublieme paaren van man en vrouw’ suggereerde wellicht dat hij daar alleen over gefantaseerd had.’ – nog afgezien van het ‘wellicht’ is de zekerheid over de maagdelijkheid van de kunstenaar toch niet wat wij moeten weten. In het werk ‘Duizelingen’ moeten ‘lijn, vlak en kleur als op zichzelf staande gegevens beschouwd’ worden (81), schrijft Veltman verder – De Boeck heeft in geen enkele periode de wereld terzijde gelaten. Want dat bevestigt Veltman zelf ook weer (het boek hangt in zijn verklaringen met haken en ogen aan elkaar) in het bijschrift bij kleurplaat 5 schrijft hij: ‘De schilderijen die De Boeck vanaf 1920 maakte onder de titel ‘Duizelingen’ verwezen voor hem naar een seksuele nieuwsgierigheid: ‘Je bent jong. Je denkt aan een seksueel leven. Dat geeft duizelingen.’ (101).
Op het schilderij ‘Hanengevecht’, zegt Veltman, komt een ondergaande zon voor. ‘Dat symbool wekte de suggestie [sic] dat De Boeck zich zorgen maakte over de ondergang van het avondland. Het oorlogsgeweld zou een einde kunnen maken aan de leidende culturele positie van Frankrijk, het land dat traditioneel met een haan wordt gesymboliseerd.’ (232) – wat geen verklaring is voor de twee hanen die wíj zien. Misschien is dit wel gewoon een hanengevecht, een barbaars gebruik, gepseudogeïntellectualiseerd door De Boeck.

(Dit laat ons toe om het nog eens over ‘de grote staatsman’ Jean-Luc Dehaene te hebben, deze was de grote verdediger van De Boeck (niet in het minst omdat hij hanen schilderde), het activistisch-fascistisch verleden van de schilder was voor de christendemocraat geen beletsel, het is door Dehaene dat De Boeck een eigen museum gekregen heeft, pasmunt voor de socialist Roger Raveel, die ook een museum kreeg (zelf betaalde) – de Belgische wafelijzerpolitiek was er niet alleen tussen Vlaanderen en Wallonië maar ook tussen de zuilen.)

Negatief is hoe Veltman wel de politieke De Boeck ontmaskert, De Boeck, de gezapig aan zijn pijp lurkende boer-kunstenaar heeft ook een portret van Hitler geschilderd en goed geld verdiend met ‘De Nieuwe Orde’, nogmaals aantonend hoe het activisme een voorloper van het fascisme was, maar dat veel minder doet voor de kunstenaar – hij blijft hangen in een vaag metafysisch kunstidee: ‘het menselijk leed sublimeren in een schilderij’ (60), wat toch niet meer is dan een valse romantiek, wel passend in de onderdrukkende metafysica, de kunstenaar als profeet, messias, een lijdende christus, een ziener. Toch ontkent Veltman dit merkwaardigerwijs: ‘De Boeck was geen ‘kunstenaars-christus’, maar iemand die juist uit het irrationele handelen van de mens opmaakte hoezeer de Christelijke boodschap van naastenliefde en medelijden ook na de Eerste Wereldoorlog geldig bleef.’ (96) – een voor mij onbegrijpelijke zin, die tevens ingaat tegen het betoog van Veltman zelf – enerzijds zijn er de feiten, anderzijds blijft een metafysisch verklaringskader gelden.

We zien op pagina 223 een portret van De Boeck, Veltman noemt dat een ‘flodderig overhemd’, op pagina 230 : ‘gekleed in een flodderig overhemd en een breedvallende werkbroek’ – met flodderig denken wij aan iets anders, een werkhemd is nu eenmaal geen gesteven hemd, misschien moet daaruit het bohémien-karakter van De Boeck afgeleid worden? Dan is dat mislukt.

Bijzonder boeiend en vernietigend voor De Boeck is hoe Veltman enerzijds de traditionalistische boer-schilder beschrijft en anderzijds diens pogingen om als avant-gardist gezien te worden – de kontdraaierij van De Boeck is beschamend, een man met vele maskers, een katholiek. Zo is het zelfbeeld dat hij anderen wilde opleggen, de mysticus, een vals beeld, De Boeck werkte jarenlang aan een beeld om zich in de kunstgeschiedenis te kunnen plaatsen, en daar is niets mis mee – alleen was zijn kunst daarvoor niet groot genoeg en zijn totale oeuvre niet consistent genoeg, De Boeck heeft zichzelf eindeloos herhaald, steeds weer hetzelfde geschilderd – en dat werk blijkt binnen de geschiedenis voos te zijn, tegelijkertijd heeft hij een vals beeld van zichzelf als mens verspreid, de brave boer, én van zichzelf als politiek figuur, als het hem uitkwam verzweeg hij zijn activisme, en als hij een communist kon gebruiken, dan gebruikte hij een communist.

Op het einde van het leven van De Boeck duikt een raar figuur op, Robert Van Droogenbroeck. Veltman is daarover onduidelijk, er blijken, lijken?, allerlei onregelmatigheden gebeurd te zijn, maar waar de biograaf eerder het onderste uit de kan wilde en kon halen, is dat hier niet meer gebeurd.


Beeld: Felix De Boeck op late leeftijd, met naast zich vele herhalingen van hetzelfde, maar ook de kop van Karel Van de Woestijne door Jozef Cantré.

felix de boeck, de valsheid gekeerd (1)

Dat niet het katholicisme, en zelfs niet de collaboratie met het nazisme tijdens én na de Tweede Wereldoorlog, die collaboratie die tot vandaag duurt, maar wel het activisme van de Eerste Wereldoorlog de ‘grote zonde’ van Vlaanderen is, kan men ook lezen in ‘Sterven in het bed waarin ik geboren ben’ : een biografie van Felix De Boeck 1898-1995 van David Veltman (Verloren, 2021) – het is het activisme waaruit al het negatieve, al het onderdrukkende, al het dom makende en al de pretentie is voortgevloeid – tot vandaag zijn er politici die het activistisch programma uitvoeren en dat verklaart ook waarom de Vlaams-nationalisten zich zo gemakkelijk in andere partijen hebben kunnen nestelen : niet de partij-ideologie staat centraal, maar wel moet het Vlaams programma uitgevoerd worden – de 21ste eeuw die nog steeds in een fictie gelooft – ziedaar de Grote Vlaamse Ezelarij – en als de geheime Raad voor Vlaanderen al dan niet nog bestaat, doet er niet toe, er is een handelen dat zich verspreidt via de Orde van den Prince, partijdictaten, onofficiële, informele kanalen, broederschappen en bloedbanden, en vooral een ‘algemeen cultuurklimaat’ dat elke collaboratie toelaat en waar het fascisme als fascisme zelfs niet meer herkend wordt.

David Veltman, staat op de omslag van het boek, ‘werkte aan deze biografie als doctoraatstudent bij het Biografie Instituut (Rijksuniversiteit Groningen)’, en zoals hij schrijft, is hij zich bewust van de teleologische valstrik voor de biograaf, toch trapt ook hij in een simplistisch causalisme. De vraag is of het anders kan : men kijkt naar het leven van een figuur omdat hij iets gepresteerd heeft : de prestatie kleurt het leven. Het voorwoord begint al vals, in de derde regel staat ‘het relatiegeschenk dat Tralbaut jaarlijks publiceerde’ – niet Marc Edo Tralbaut publiceerde, maar wel schreef Tralbaut in opdracht van Pierre Peré een ‘relatiegeschenk’. En al in de eerste alinea wordt het Vlaams ressentiment benoemd: Felix De Boeck voelde zich miskend en enkel een eigen museum kon dat gevoel wegnemen – dat dat gevoel een grenzeloze en blinde hoogmoed was, wordt niet geschreven. En in de tweede alinea staat Gateau Vincent van Gogh, wat toch echt wel Gâteau Vincent van Gogh mocht zijn (net zoals dejeuner, p. 12, déjeuner mocht zijn). Dat alle Vlaamse samengestelde namen met een kleine letter beginnen is het typische Nederlandse uitgeversimperialisme, elke zwarte heet immers Boeloeboeloe. De auteur vond zichzelf als een Kuifje terug, hij dankt zijn vrienden ‘voor hun belangstelling om mijn verhalen aan te horen over mijn avonturen in België’ (14). Zo slecht begonnen, niet al verloren.

De auteur geeft een gedegen overzicht van het leven van Felix De Boeck, belangrijker is dat hij het Vlaamse en katholieke kader treffend kan weergeven en dat hij het beeld dat De Boeck van zichzelf wilde geven, aan gruizelementen schrijft. Speelde De Boeck de schilderende boer die katholiek, eenvoudig en Vlaams gebleven is, en toch modern werk afleverde, hij was dat alles slechts gedeeltelijk. (Was De Boeck overigens wel een boer? Een hovenier is geen boer.) Het boek toont ook aan hoe De Boeck gebruikt werd: zijn schilderijen waren ‘modern’ (constructivistisch-abstract-expressionistisch) naar vorm, maar zwaar katholiek en achterbaks naar inhoud – de Vlaamse katholieken hebben hem gebruikt om het katholicisme een modern cachet te geven, net alsof de Katholieke Kerk midden in het leven zou staan én dat leven zou aanvaarden. Jan Walravens heeft in zijn tijd nog een essay over De Boeck geschreven, toen Walravens nog katholiek was, dat verhaal heeft Jos Joosten eerder verteld, maar het duidt wel de positie van De Boeck aan: een overgangsfiguur die onder het mom van het moderne het oude katholieke geloof verdedigde – en die nieuwe katholieken van de jaren 60 en 70 die in hem een oervader zagen, zijn baard speelde in zijn kaart. De Boeck speelde het spel mee, toen was hij echter al lang uitgeteld.

Het omslagbeeld van het boek is al even vals – dit is niet een typische Felix De Boeck, maar een Felix De Boeck à la Vincent van Gogh, Nederland moet gepaaid worden. De drukproeven zijn niet erg adequaat gecontroleerd, een ‘communiante’ is een ‘communicante’ (37), met ‘bezittingsregime’ is waarschijnlijk ‘bezettingsregime’ bedoeld (39), om maar enkele voorbeelden te geven.

Er wordt van de hak op de tak verteld, meer theoretische beschouwingen worden tussengeschoven, alhoewel die niet altijd relevant zijn, men moet blijkbaar tonen dat men boeken gelezen heeft. Er zijn illustraties opgenomen, maar relevante niet altijd, zo spreekt de auteur over een cartoon van Steven Wilsens (beter gekend als ‘Steven’) die in De Standaard verschenen is, een karikatuur op het beeld dat De Boeck van  zichzelf wilde geven, maar die krijgen we niet te zien (p. 21-22). Zelfs Veltman, die toch ook kritisch staat tegenover De Boeck, vervalt in de typische Vlaams-nationalistische retoriek van de opoffering: ‘Met zijn dood wilde de kunstenaar iets doorgeven van zijn belangeloze strijd tegen de in zijn ogen overheersende cultuur van ‘België’.’ (p. 23) – met zijn dood?, als een Christus?, belangeloze strijd? Daar vertelt Veltman ook dat De Boeck ingeschakeld werd in het repressieverhaal dat de collaborateurs zo succesvol voor zichzelf hebben ontworpen en schrijft: ‘Op die manier bleef het oorlogsverleden langer dan nodig aan hem kleven.’ (23) – terwijl alle feiten bevestigen dat De Boeck in dat activistisch milieu is blijven ageren én tegelijkertijd in een Franstalig milieu, dat zijn min of meer abstracte werken beter kon waarderen, zat – typisch Vlaams-nationalistisch is het eten van vele walletjes en de ideologie in stand houden voor de schijn (de tribune). Maar ook in dit boek komt weer tot uitdrukking hoe weinig weerklank het activisme, tot grote teleurstelling van het zichzelf benoemde culturele establishment, bij de bevolking vond: ‘In december 1917, drie maanden na de oprichting, telde de Groeningerwacht in Drogenbos nog altijd slechts zestien leden. In de grotere plaats Halle waren dit er maar vijftig. Vaak betrof het mensen uit dezelfde families : in Drogenbos stond niet alleen De Boeck op de ledenlijst, maar ook zijn oom, vader en broer. Door hun kleine aanhang hadden de activisten in het dorp moeite om zich staande te houden ten aanzien van de loyalistische tegenstanders, die een veel grote aanhang hadden. Maar De Boeck liet zich daardoor niet uit het veld slaan.’ (43) – die laatste zin is belangrijk want gaat naar de kern van de zaak : het fundamenteel antidemocratisch element van het activisme, de basis van de Vlaamse Beweging is een autoritaire.

En dat is verwarrend – want was de eis van de activisten omtrent de vernederlandsing van de Gentse universiteit niet legitiem?, onderwijs in de eigen taal, temeer omdat die universiteit jaren later wel degelijk Nederlandstalig werd, het lijkt er dan op dat de activisten alleen maar te vroeg gelijk hadden. De geschiedenis bergt vele listen in zich. Het activisme wilde niet de bevolking in een democratie brengen (de zogenaamde volksverheffing had tot doel het volk dienstbaar te maken aan de macht, die dan weliswaar Vlaams zou zijn, maar daarom nog niet goed of vrij) maar op een nationalistisch-metafysisch idee van Vlaanderen, niet de mens maar het abstracte idee Vlaanderen, niet de taal maar het ‘hoge gevoel’ Vlaanderen en daarvoor moest en mocht alles wijken – ook samenwerken met de Duitse bezetter. Het AVV-VVK is en blijft de uitdrukking van een totalitaire ideologie – alles is veel, en dat activisme kon op een bijzonder gemakkelijke manier in het fascisme ingeschoven worden – zoals we ook nu vandaag weten, zelfs bij zogezegd onverdachte personen is dat fascisme aanwezig.

Maar het streven naar een erkennen van de taal (in het onderwijs, in bestuurszaken) was niet het belangrijkste, want zou slechts een bevestiging zijn van een machtsverschuiving, (zie daarvoor ook Michel Seuphor), de anti-democratische tendens was vanaf het begin doorslaggevend: de activisten zagen zichzelf als een priesterlijke voorhoede (vandaar ook hun ‘bekakte’ taal en hun toen en nu onleesbare Davidsfonds-boeken) die tégen de wil van de bevolking in een eigen programma wilden realiseren – het Vlaamse (wat dit dan ook moge zijn of betekenen) moest en zou altijd boven alles staan – vandaar ook de meest reactionaire onzin, het begrip Vlaanderen (dat vandaag simplistisch en demagogisch vertaald wordt als ‘de hardwerkende Vlaming’) stond boven de klassentegenstellingen, boven de culturele conflicten, boven de sociale spanningen – vandaar dat de Vlaams-nationalisten zo gemakkelijk in andere partijen zijn binnengedrongen (zelfs in de Kommunistische Partij) : een sociologische visie op de maatschappij is onbelangrijk, wordt aan de kant geschoven door een metafysisch-theologisch begrip als ‘Vlaanderen’. Al die historici die zoveel aandacht besteden aan de Tweede Wereldoorlog spelen in de kaart van het nog steeds bestaande activisme : het nazisme kan immers afgedaan worden als een ‘buitenlands kwaad’, ze verdoezelen daarmee, al dan niet doelbewust, dat het fascisme (dat vandaag ruimer begrepen moet worden dan het nazisme, ‘the closed mind’) al in het activisme aanwezig was en de ‘buitenlandse component’ dus verwaarloosbaar is.

de dood van jan swammerdam

He experienced then that the world he had studied descended inside him : it nestled there and ravaged him from within. Long trains of ants marched through the corridors of his veins, swarms of bees drank the bitter nectar of his heart, large gray and brown moths slept on his eyes. The soul that usually flies to infinity at the moment of death left Swammerdam’s tortured body prematurely. It could not bear the rustle of wing cases, nor the senseless buzzing that disturbs the pure music of the Universe.

Zbigniew Herbert over de dood van Jan Swammerdam, ‘The hell of insects’, in Still life with a bridle, 1993, vertaald door John en Bogdana Carpenter, in The collected prose 1948-1998, p. 277