sfcdt

de stilte als bevrijding

nathalie-leger_samuel-beckett

Ofwel heb je een gedegen biografie met zorgvuldig gekozen feiten en een doordachte visie op leven en werk, ofwel heb je een wetenschappelijk werk dat van de tekst vertrekt en analyse van tijd en oeuvre geeft. Een tussenweg is altijd mossel noch vis, overbodig en overtollig gedaas. Soms heb je uitzonderingen.

Het boekje Les vies silencieuses de Samuel Beckett van Nathalie Léger is zo’n exceptioneel boekje. In eerste druk verscheen het in 2006, ik heb de Allia-editie van 2015 gelezen. Het fonds van deze uitgeverij is een plezier, ik doe u een greep uit de auteurs: Adorno, Anders, Bellmer, Benjamin, Bloch, Blok, Broch, Bruno, Byron, Casanova, Chklovski, enzovoort, enzovoort. Zovele namen die ook nog te ontdekken zijn. (De woede stijgt me weer naar de keel.) Het motto van de uitgeverij is idem velle ac idem nolle, wat van het Latijnse spreekwoord idem velle, idem nolle, id vera amicitia est afgeleid is: de ware vriendschap steunt op eenzelfde aanvaarding en eenzelfde afkeuring. (De gemeenschap der mensen is een ideologische leugen.) En inderdaad, wie dit fonds bekijkt ziet een uomo universalis, een humanist tevoorschijn komen.

Zoals wel meer Fransen, kan Nathalie Léger een verhaal vertellen waar de concrete feiten niet voor de lezer bestemd zijn (maar waar de auteur wel op steunt) en waar de sfeer, de atmosfeer, het levensgevoel overheersen. Zeker is er veel van Léger zelf aanwezig in dit boekje (ze selecteert, ze vormt zinnen, ze brengt betekenissen over) maar dit is hier geen bezwaar omdat we weten dat Léger een Beckett-kenner is. Door haar omwegen, komen we toch op de hoofdweg terecht: een grotere appreciatie voor het werk en de moraal van Beckett. Misschien is ook dit een opdracht: het systeem-Beckett uitschrijven.

Nathalie Léger heeft de kwaliteiten van een leermeester die met honing weet om te gaan: ze creëert een sfeer die het universum van Beckett toegankelijk en aanvaardbaar maakt en de schrijver daarvoor niet hoeft te kleineren. Zo beschrijft ze op zeker moment de schrijftafel van Beckett, de kamer waarin hij leeft maar ze doet dit zonder psychologie, zonder in het hoofd van Beckett te willen treden. Ze registreert, ze verfoeit pathetiek, alles blijft onderkoeld maar er is een innige bewogenheid die leeft en meeleeft. De stilte is essentieel: « Il est venu pour le silence. « Ramener le silence, c’est le rôle des objets », dira Molloy plus tard. » Er is haar humor : « Il n’y a pas que la langage, il n’y a pas que le style, il y a aussi les chaussures. » Haar scherpzinnigheid : het œuvre van Beckett beschrijven als de gedachte die zich aan de rand van de leegte wil standhouden. De donkerte aanvaarden: « […] après l’illumination, accepter de suivre le long et obscur chemin, se confier à l’aveuglante lumière de son obscurité. »

« Il y a une misère qu’il faut défendre jusqu’au bout, dans le travail et en dehors du travail. »

consulent-handlanger

zwart-rood_26

Men publiceert mandaten, men maakt wedden bekend. De democratie is gered, hun systeem blijft behouden. Peter Sloterdijk publiceerde dit weekend in Die Zeit een essay dat dieper graaft dan wat we in de binnenlandse parochiekranten mogen lezen: hij legt ‘het systeem’ bloot, hij toont aan hoe de macht zichzelf verdikt om de macht te behouden, hoe het netwerk de antidemocratie vormgeeft en ondersteunt. Ik vat voor u samen, gefundeerd door de ervaringen uit een ver verleden uit een ver land. In de krant lees ik dat Paul Krugman in The New York Times geschreven zou hebben: ‘Kwaadaardigheid wordt afgezwakt door incompetentie.’ Weer is Krugman fout: kwaadaardigheid en incompetentie leiden tot terreur – en staan dus lijnrecht tegenover de democratie en het denken, de civilisatie.

Het essay van Sloterdijk behandelt het fenomeen van de ‘consulent’, natuurlijk de ‘consultant’, maar er zijn nog synoniemen: de deskundige, de expert, de kabinetschef, de administrateur-generaal, de trainer, de coach, de specialist. Sloterdijk gaat terug naar de 15de eeuw, naar het begin van de Nieuwe Tijd. Hij schrijft, nieuw, een geschiedenis van de neosofistiek. Het humanisme heeft drie nieuwe beroepstypen gecreëerd: de filoloog, de kunstenaar en de neosfoist. Het sofisme is een markt waar men ideeën tegen elkaar opbiedt, waar de uitkomst bepaald wordt door de band tussen rede en praktijk – rede is nog niet gelijk aan rationaliteit, in de praktijk was dit overtuigingskracht. Wie een verloren zaak toch tot een overwinning kon leiden, was groot en kon alles verdedigen – vergelijk het met de huidige televisionele strafpleiters. Iedereen weet dat er gemoord is, toch komt men vrij.

De Griekse sofisten werden opgevolgd door de theologen en in de 15de eeuw leek het alsof de filosofie haar plaats in de wereld terugkreeg. Peter Sloterdijk ontkent dit: er ontstond een alliantie tussen de nieuwe filosofen en de theologen.

Iedereen die de publieke ruimte betreedt (handel, sport, …) heeft een ‘raadsman’ nodig: de koning verzamelt een raad rond zich, de sportman heeft een trainer, een handelaar betaalt een ‘advocaat’. Dit wordt als positief gezien: de regeerder die zich laat adviseren door iemand met kennis en ervaring. De stap naar de eigenmacht van de raadgever is niet ver: de regeerder speelt, de adviseur regeert. Sloterdijk schetst de Nieuwe Tijd als een wereld van activisme, waar eenieder als opdracht heeft de aarde te vangen (in de beeldende kunst wordt de aarde, de wereldbol, een symbool van beheersing). Het is een spel, en elk speelt zijn eigen spel. Het is daar dat de » Sekretärsdämmerung « een aanvang neemt: i.t.t. wat gangbaar is, is deze mens geen zelfstandige activist maar een passief onderdeel van het spel: hij doet mee. Uiteraard speelt Peter Sloterdijk hier zijn eigen spel: als sofist schetst hij een eigen historiserende visie: het fenomeen dat vandaag de wereld vernietigt, zoekt hij in het verleden – om te kunnen besluiten: het is altijd zo geweest. Toch is dit niet juist: een fenomeen kan uitgroeien tot iets anders. Zoals ik het ooit over een ver land uit een ver verleden gezegd heb: op het lichaam groeien kankergezwellen maar plots is het lichaam verdwenen en blijven enkel de kankerblazen over. De wereld toen en daar.

Als het prototype van de ‘secretaris’ ziet Sloterdijk Machiavelli, het kon niet missen. Het ambt van secretaris is niet zonder gevaar, zoals men ook weet van kunstenaars als Vergilius en Dante. Het is de raadgever die de brokken moet lijmen maar ook de scherven toegeschoven krijgt. Sloterdijk betrekt de Jezuïetenorde bij zijn argumentatie, om bij Michel de Montaigne te belanden: de essayist die zijn eigen raadgever wilde zijn, de verinnerlijking van de wereldorde – zonder de dimensie van het handelen.

Nadat hij de verschillende ‘menstypes’ heeft vastgelegd, gaat Peter Sloterdijk over naar de kern van het secretarisschap: het geheim. Hij neemt de hegeliaanse gedachte over en past die in zijn eigen essay in: de raadgever, de secretaris, de consulent heeft maar bestaansrecht door de ‘raadloosheid’ van de heerser. Als de regeerder zelf op de hoogte van zijn zaken zou zijn, is de consulent overbodig (het is dus zaak voor de consulent zich niet overbodig te maken – en daarvoor heeft hij, net als de regeerder, het nieuwe nodig: het nieuwe is nooit gekend door het voetvolk en de heer, het volk moet geïnstrueerd worden – daarom is het volk altijd te wantrouwen: stel dat het zelf iets nieuws zou uitvinden : dit is wat we nu meemaken: het establishment weet niet wat het overkomt). Een ‘goede’ consultant gaat dus op zoek naar een niet-wetende, lang moet hij niet zoeken. Zelfs als hij niets nieuws te melden heeft, verpakt hij het zodanig dat de onzin als nieuw verschijnt. De metafoor, het verhullend taalgebruik, de newspeak van de manager horen hier thuis: de leugen van de macht om de macht te dienen.

Sloterdijk spreekt van » Bipolarismus «, de consulent is natuurlijk ook niet opgewassen tegen zijn opdracht maar heeft wel een aantal algemene kenmerken. Die worden ingezet voor de opdracht maar er is geen zekerheid dat de oorspronkelijke doeleinden blijven gelden: het zijn de doelstellingen van de secretaris die het belangrijkste worden. Er is een spanning tussen de twee uiteinden: de opdracht en zichzelf. Voor onze tijd geldt dit uiteraard ook: juist omdat aan de managementrollen geen maatschappelijke rol meer toegekend wordt, wordt het maatschappelijke, dus het publieke domein en het algemeen belang, koudweg gedood, t.v.v. de eigen belangen. De interne drijfveren, de mate van hyena-zijn, zijn doorslaggevend voor het vervullen van de rol. De ideale manager, of moet ik schrijven managster?, is het lege vat: er zijn ambities, er is geen inhoud. Toch is men specialist.

Machiavelli en anderen beschreven de vorst/raadgever als een persoon die geen eigenschappen mocht hebben. Dit mensentype (of dit loze type) is nu met het hedendaagse begrip flexibilisering in alle lagen van de maatschappij opgelegd, er is een democratisering van de leegte gaande, zoals in de 20ste eeuw de democratisering van de misdaad begonnen is. En hier komen we tot een conclusie die reeds bestond voor de boekcultuur zelf: het oude humanisme is uitgehold en in de plaats is de kapitalistische productleegte getreden. De marxiaanse warenleer stelde dat het product zelf geen waarde meer heeft, het heeft maar waarde in zoverre het een ruilwaarde bezit, hoeveel geld het kost. Sloterdijk breidt dit inzicht (dat ook al bij Marx aanwezig was: de aliënatietheorie) uit naar de mensen zelf: ook zij zijn inwisselbaar: iedereen is een klant maar iedereen moet ook winkeltje spelen. De winkelbediende is het overal en altijd inzetbare dier: wat het aanprijst of verkoopt is onbelangrijk, als het zich maar toont. De mens is maar aanvaardbaar in zoverre hij geen mens meer is.

‘De’ raadgever is een discutabel begrip. Er is een vermakelijk verhaaltje in Erasmus’ Moriae encomium, sive Stultitiae laus te vinden. De theologische faculteit van de katholieke Leuvense universiteit wilde aan een vroege vorm van klantenbinding doen en deed navraag bij allerlei personen, die goed op de hoogte waren van de komende maatschappelijke ontwikkelingen, wat te doen. Ze werden duur betaald. Er werd met veel tamtam aangekondigd dat elke student en professor een ‘lidkaart’ zou krijgen. Er werden schapen en lammeren geslacht, 20 florijnen per stuk, en elk stukje perkament werd door de scriba, schoonschrijver, gepersonaliseerd. De plaatselijke pictor, cartoonist en familie van de hoofdraadgever, mocht ook een bijdrage leveren. Dat duurde en duurde, de rekeningen liepen op, de pennen gingen stuk, het perkament was nog nat en kleefde aan elkaar. Enfin, het was niet om aan te zien. Het volk morde, de raadgevers kraaiden victorie: ‘Zie die rijen,’ riepen ze uit en ze schudden met hun kont van eigendunk, ‘wat een succes! Wat een goede raadgevers zijn wij toch!’. Ze verhoogden hun rekening. De protestantse universiteit van Wittenberg was soberder, dus ook slimmer. Er werd papier besteld, de plaatselijke drukker kreeg opdracht om voor iedereen een stukje papier te drukken en dat werd verdeeld onder de leden van de universiteit. De protestantse universiteit nam geen raadgevers onder de arm, daar deed men moeite zelf na te denken. Alles gebeurde kalm, ordelijk, efficiënt en intelligent. Ja, soms moet men echt mee zijn met zijn tijd. En ook iets van technologie afweten natuurlijk. En zich niet laten leiden door het geld. En de domheid. Zei de zot.

3 boekomslagen

Er is de wereld. Wij lezen in een, oh, heb geen schrik, zeer oude krant uit een zeer ver verleden van een zeer ver land, de zin: ‘En iedere medeplichtige zweeg als vermoord.’ Wij tonen onze rug en onze hoon en keren ons naar de boeken.

Braque, le patron van Jean Paulhan, de mysterieuze, verscheen oorspronkelijk in 1952, wij hebben bij de hand een uitgave van 2013, uit de reeks L’imaginaire van Gallimard.

3-omslagen_braque_jean-paulhan

De tekst is een eerbetoon aan Georges Braque, niet ten onrechte. Binnen het kubisme heeft hij de meeste vorm- en materiaalexperimenten gevonden en uitgewerkt, Picasso vervolmaakte en duwde Braque naar nog hogere verten. Er was een kameraadschap die nooit meer aangetroffen werd. Braque zei van zichzelf dat hij een trage geest had, Picasso was vinniger. Na de oorlog, Braque was ernstig gewond en kon het schilderen moeilijk terug opnemen, is de grote verwijdering begonnen. Hij werd metafysicus, zag weer andere dimensies en Picasso, de aardse, kon moeilijk tegen dat esoterisch gedoe. Waar Picasso een publiek figuur werd, bleef Braque een gesloten geheim. De schilderijen die hij maakte zijn nog steeds intrigerend en hoogtepunten van de 20ste eeuw – maar te weinig gekend. De esoterie is gelukkig niet nodig om te zien.

Zoals zoveel wordt de vormgever van het Paulhan-boek niet vermeld. Op het eerste gezicht zie je slechts een banaal ontwerp, auteur, uitgever en reeks worden vermeld en in de bovenste helft staat de titel van het boek, nogal flauw spelend met zwart en bruin, denk je op het eerste gezicht.

Paulhan vertelt een van de belangrijkste momenten in de kunstgeschiedenis van de 20ste eeuw, waar, wanneer en hoe zijn vastgelegd: « C’est dans la matinée du 13 septembre 1912 que Braque, de passage à Avignon, remarque chez un marchand de couleurs des galons de tapisserie, qui imitent à merveille le faux-bois des peintres en bâtiment. Il achète un rouleau, et, sitôt rentré à Sorgues, découpe trois morceaux qu’il colle sur son papier. De l’un à l’autre, il ébauche au fusain une pipe, une mandoline et le plateau d’une table ; puis ajoute les lettres ALE et BAR. C’est le premier papier-collé. » (p. 61-62).

3-omslagen_braque_jean-paulhan_detail

Het is dit moment dat de onbekende vormgever als inspiratiebron genomen heeft. De bruine letters zijn immers niet zomaar bruin maar zijn duidelijk imitatiehout. De letters staan niet naast elkaar om gelezen te worden, zijn vlakken die elkaar raken en gedeeltelijk op elkaar liggen.  De titel is geen woord maar een beeld en dit beeld  getuigt van standvastigheid, steen [sic], sokkel. De woorden « le patron » zijn op een beige kleurvlak geplaatst, boven de letters zien we een licht potloodveld. Het is een intelligent ontwerp.

In 1985 was Spanje te gast in de Europalia-reeks, het is lang geleden dat er bij Europalia nog een ernstig aanbod was. In het Palais des Beaux-arts van Charleroi werd een tentoonstelling georganiseerd dat – uiteraard moeten we zeggen – surrealistisch geïnspireerd was – uiteraard want Wallonië en surrealisme zijn synoniemen – en de drie grote Spanjaarden verenigde: Pablo Picasso, Joan Miró, Salvador Dalí en dit was ook de titel van de bijbehorende catalogus. In het boek is een tekst van Werner Spies opgenomen « Songe et mensonge de Franco », een reeks etsen van Picasso die gedeeltelijk geïnspireerd is op Père Ubu van Alfred Jarry en haar actualiteit nog steeds niet verloren heeft.

3-omslagen_miro-dali-picasso

De boekmaquette werd gemaakt door Mauricio d’Ors en Diego Lara, het is misschien onjuist te veronderstellen dat de boekcover ook van hem (hen) was maar we hebben niets anders. De gebruikte foto’s zijn bijna iconisch: Picasso door Douglas Duncan, Miró door Irving Penn en Dalí door Man Ray. In 1985 moet dit er bijna ouderwets uit gezien hebben: een herinnering aan het abstracte, een rechtlijnigheid, een modernistisch raster. Er zijn drie mannen en in het lege vak komen hun namen te staan. Maar het vierkant is geen vierkant, 16 cm breed, 19 cm hoog (van uiterste rand van het beeldvlak naar het andere uiterste). Ook de foto’s zijn niet gelijk van formaat: de foto van Miró is het kleinst (7 cm x 8,5 cm). Dalí (7,2 cm x 9 cm). Het portret van Picasso staat alleen en is het grootst: 7,4 cm x 10 cm. De ideologie van het formaat.

Er verschijnen heel wat biografieën over uitgevers (Geert Van Oorschot, Johan Polak, Rob van Gennep, Angèle Manteau) maar we mankeren nog steeds gedegen werken over uitgeverijen – het is een teken des tijds dat men naar de personen wijst en niet naar de structuren – hoe hedendaags-verachtend deze zin gelezen kan worden, is niet mijn schuld. Zo heeft de uitgeverij Heijnis baanbrekend werk verricht maar er is nauwelijks iets wetenschappelijks voorhanden – hier werd eerder enige dingen over de uitgeverij geschreven.

3-omslagen-erik-rosier_maurice-dhaese_omslag

Er werd in de jaren 50 en 60 samengewerkt tussen Vlaamse en Nederlandse uitgeverijen. Ontwikkeling en De Bezige Bij is daar een typevoorbeeld van. Voor Verhalen van Maurice D’Haese werd een samenwerking opgezet tussen De Sikkel en Heijnis. Het boek verscheen in 1961 en kreeg de Dirk Martensprijs. Het boek is verlucht met tekeningen van Erik Rosier. Het papieren omslag is opvallend en bijna vrolijk: een zwart, gestileerd getekend paard staat tegen een achtergrond van rood, geel en wit. Het voorlaatste verhaal is ‘Het paard’ getiteld. Binnen de kleurvlakken zijn auteursnaam en titel geschreven, geen hoofdletters. Men zou kunnen zeggen dat het paard ‘picassoiaans’ is, maar dat is misschien niet helemaal terecht en in ieder geval is dit nogal laat, begin jaren zestig. In het boek zijn lijntekeningen opgenomen die helaas veel slechter zijn: een twijfelen tussen naturalisme en expressionistische vereenvoudiging maar getuigend van amateurisme. Er is een opvallende tekening op p. 19, een lijnvoering die sterk aan Jean Cocteau doet denken, maar door Erik Rosier zelf verknald wordt door een ventje in het oog te tekenen.

3-omslagen-erik-rosier_maurice-dhaese_tekening

Erik Rosier heeft meer werk voor uitgeverij De Sikkel gemaakt. Hij is geboren in 1934, het is onduidelijk of hij nog leeft, de familiepagina geeft slechts vragende informatie en is nogal moeilijk geschreven. Hij heeft een grafische opleiding in Gent gevolgd en was productieleider bij De Sikkel waar hij ook de vormgeving van sommige boeken verzorgde. Later werd hij zelfstandig en daarna is de tekstschrijver van de familiewebsite hem uit het oog verloren.  Maar toch, wat een tijdsbeeld, wat een schoonheid dat omslag.

een zingende picasso

peter-christoph-runge_picasso_omslag

Het boek voelde zwaar aan toen het hier binnenkwam. Maar boeken kunnen zo zijn, het papier is doorslaggevend. De omslag bevatte geen titel of auteursnaam, ook de rug gaf geen informatie. Maar vroeger werkte men minder met sjablonen, dus ook dat was mogelijk. In het boek zat een brief die niet direct duidelijk was. 3 persartikelen waren toegevoegd, 2 Duitstalige, 1 Franstalige. Een foto was slordig uitgeknipt en toonde Pablo Picasso met zijn zoon Claude. Het onderschrift: » Leidenschaft zweier Generationen : Picassos malen. « Een tweede artikel, ook zonder datum of bron had als titel » Ist Picasso schizophren ?«, de auteur Fritz Nemitz. Er is nog een begin van een ander artikel aanwezig, »Bayreuther Festspiele 1955 eröffnet « en omdat men vroeger bij de afzonderlijke artikelen ook een datum en een ‘schrijfplaats’ vermeldde, staat er hier » Bayreuth, 23. Juli «  – en dus kunnen we het artikel min of meer dateren. Nemitz (1892-1968) was een Duits kunsthistoricus. Na de oorlog schreef hij voor de Süddeutsche Zeitung. In dit artikel wordt Picasso de 73-jarige Spanjaard genoemd. Picasso is geboren in 1881, dan zou het artikel uit 1954 moeten stammen. Fritz Nemitz bespreekt een boek met geschriften van Picasso, geeft echter geen duidelijke titel, de uitgever is Arche Verlag, waarin ook een essay van C.G. Jung, de nog ergere, opgenomen is. Zoals steeds bij psychologen: Picasso wordt een schizofreen genoemd maar er is een voetnoot: men mag dit niet als een ziekte zien en Picasso is geen echte schizofreen. » Bei Picasso läge keine Geisteskrankheit vor, sondern nur eine Disposition. Mit dem Dichter James Joyce gehöre den Maler zu jener Gruppe, deren » Habitus es ist, nicht mit einer gewöhnlichen Psychoneurose auf seelische Störungen zu reagieren, sondern mit einem schizoiden Symptomenkomplex. « «

Nemitz stelt dat de analyse van Jung foutief is: men kan de mens en het werk niet uit elkaar halen, vorm en idee zijn één. Er huizen geen twee zielen in zijn borst, maar meerdere – en toch blijft hij steeds dezelfde kunstenaar. Picasso is geen schizofreen maar toont ons een ongebreidelde vitaliteit.

Het derde artikel is op groot magazineformaat gedrukt en spreekt over de gekende film van Henri-Georges Clouzot, Le mystère Picasso, een artikel van Jean-Marc Sabathier. De film werd in 1955 voor de eerste maal getoond. Het is een onvolledige fotoreportage, foto’s over het schilderij La plage de la Garoupe zijn aanwezig maar een aantal foto’s en zinnen is afgebroken. Op de ene achterzijde publiciteit voor Vittel, op de andere een fotoreportage over de Algerijnse bevrijdingsstrijd: « Dans sa fuite, un Algérien qui a mal sauté s’est assommé sur le pavé; ses camarades l’emmeneront. »

picasso_guitare-sur-la-cheminee_1915

Het Picasso-boek is een deel uit de reeks « Couleurs des maîtres » van de uitgeverij Les Editions Braun & Cie. Het voorwoord is van Jaime Sabartés, de rest van het boek bestaat uitsluitend uit reproducties van het werk van Picasso. Opvallend is uiteraard dat het om herkenbaar figuratief werk gaat, er is slechts 1 abstraherend werk, Guitare sur la cheminée uit 1915, maar zoals de titel aangeeft: dit is figuratief. Nu ik dit blad beter bekijk: er is een zwarte vingerafdruk op het blad aanwezig. En toch is de omslag een abstract werk, maar géén Picasso, deze schilderde immers nooit abstract. Wat betekent dit dan? Toch is er verband tussen omslag en schilderij: de bruine achtergrond, de kleuren groen, blauw en rood voor het werk zelf. Ook de positie van het onderwerp is identiek, net zoals de opbouw: lagen boven elkaar. Structureel komen beide werken overeen, ook al bevat de omslagprent vormen die niets met Picasso te maken hebben, de curven zijn vreemd aan dit oeuvre en het omslag lijkt meer een puzzelstuk dan een vernieuwend, origineel artistiek werk te zijn.

Op de zwarte schutbladen vooraan het boek is in goud gedrukt, links de naam Jaime Sabartés, rechts Pablo Picasso. Achteraan het boek staat onderaan in goud ‘Peter Christoph Runge’ – heeft de bezitter zijn naam zo laten drukken of zelf gedrukt? Dit lijkt een signatuur te zijn, een auteur die zijn werk onderaan signeert. Er is een sticker aangebracht » Original Elefantenhaut «. De reproducties in het boek zijn schitterend en veel beter dan hedendaagse afdrukken: het papier heeft de kleuren opgezogen waardoor de werken tot hun recht komen. Het gladde papier glanst niet, geeft daardoor een indruk van diepte en in plaats van de blik af te stoten, trekken papier en verzadigde kleuren het oog in het schilderij. Ook dit is de triomf van boekcultuur, en een hedendaags verlies.

Bij de lijst van reproducties staat het werk van een papieren omslag vermeld, Le Mouginois uit 1928. Deze ontbreekt in de beschreven uitgave. Die dus raadselachtig blijft. We zoeken een gelijkaardig boek en vinden:

picasso_couleurs-des-maitres

Het papieren boekomslag toont de prent, de band van de rug is beige en daarop is de naam ‘Picasso’ gedrukt. Nu zijn we zeker: het boek dat we in handen hebben, is een particuliere uitgave.

We bekijken nu de bijgevoegde brief. De hoofding spreekt van J.W. Zanders Feinpapier. Een papierfabriek die nu nog steeds bestaat en gesticht is in 1602. De brief is gedateerd op 28 augustus 1952 en is gericht aan Peter-Christoph Runge uit Lübeck. Brief en boek horen dus bij elkaar. Een van de producten van het bedrijf is het papier Elefantenhaut. Er is een wedstrijd uitgeschreven voor wie een creatief en origineel werk met deze materie kon maken. En Runge heeft een boek ingezonden, volgens de brief » ihrer Picasso-Arbeit «. Het boek was volgens de jury verdienstelijk maar helaas, enzovoort. Uit waardering zendt het bedrijf twee eigen uitgaven. Runge heeft niet alleen een prent gemaakt maar ook de linnen band vervangen en het boek handmatig opnieuw gebonden (de prikgaten zijn zichtbaar en de binding is anders dan het ‘industriële boek’). Hij heeft bovendien schutbladen toegevoegd.

Peter-Christoph Runge is geen beeldend kunstenaar geworden, maar blijkbaar had hij wel ambities in die richting – een creatieve geest is altijd op verschillende fronten werkzaam. Hij is ‘opera’zanger geworden, niet alleen van de traditionele muziek maar ook in het hedendaagse repertoire. Hij was geboren in 1933, zijn geboorteplaats Lübeck (in 1952 woonde hij daar dus nog) en hij stierf in Verviers, op 25 juni 2010. Hoe is hij daar aan zijn  eind gekomen? En hoe is dit boek in Nederland terechtgekomen om dan terug in België beland te raken ? En wat zal hierna gebeuren, als dit moede hoofd eindelijk te rusten ligt?

vulgair determinisme

In Simon Stevin van E.J. Dijksterhuis (Martinus Nijhoff, 1943) vinden we op pagina 2 in een voetnoot nog een voorbeeld van vulgair determinisme. Dijksterhuis zelf houdt zich op de vlakte, hij vermeldt natuurlijk wel de bijna-zekerheid over de ‘onwettige’ geboorte van de grote wiskundige maar in de noot stelt hij dat dit feit een feit is maar geen oorzaak hoeft te zijn: ‘Er meer uit af te leiden, lijkt niet verantwoord. A. Romein-Verschoor overweegt echter in haar inleiding tot een herdruk van Werk VII, p. 7, de mogelijkheid, dat het feit van Stevins onwettige geboorte een rol zou hebben gespeeld bij zijn streven om in de natuur orde en wetmatigheid te zoeken en ze in de menschelijke verhoudingen  te bevorderen.’ Zo simpel is het denken : de geboorte bepaalt iemands leven.

Een ander voorbeeld van onnozele staatsbetutteling en leugenachtig moralisme is de campagne tegen vrouwengeweld maar het wordt niet zo genoemd. De slogan op de affiche luidt: ‘Het begint met slet en eindigt met een mep’ – een slecht bekkende slogan maar ook inhoudelijk onjuist, een aanval op de kern van een vrije cultuur: er mag gesproken worden en uit het spreken volgt niet noodzakelijkerwijs een daad. Zo sijpelt langzaam de dictatuur in de geesten van de mensen, het vergif van het niet-denken, de pseudoprogressiviteit, de schijnheilige goedheid. Want misschien is het omgekeerd: laat het uitgesproken zijn en misschien is dan de druk van de ketel weggenomen – en wat zegt een mens al niet in zijn onnozelheid?

Ook de afkomst van mensen en daarmee hun latere leven duiden, is populair maar intellectueel onjuist. Het past wel in deze tijden van achterlijke reactie, de salonwoorden zijn identiteit en nationalisme, en daarin past ook de terugkeer van het dialect, leve de eigen stal, om mensen te reduceren tot bloed en bodem. Pseudo-verklaringen. Gemakzuchtige logica. Platdenken. In de catalogus van het Mu.Zee Jules Schmalzigaug, futurist (2016) kunnen we ook dat lezen.

Het ‘Woord vooraf’ van Phillip Van den Bossche eindigt met een dt-fout: ‘[…], maar ook zijn unieke visie op licht, kleur, tonaliteit en luminositeit de plek […] geven die het internationaal en stilaan (eindelijk) ook in België meer dan verdiend.’ (p. 10). We hebben hier al eerder geschreven dat het werk van Schmalzigaug de laatste kwarteeuw helemaal niet uit de belangstelling verdwenen is, dat dit werk bijna constant in musea te zien was en dat er toch steeds ook publicaties verschenen en beschikbaar bleven.

Adriaan Gonnissen schrijft in de catalogus een soortement reisgids en verklaart daarmee het schilderkunstig oeuvre van Jules Schmalzigaug – dat dit nogal onwetenschappelijk en tegen de rede ingaat, moge duidelijk zijn: ‘Hij vestigde zich in zijn lievelingsstad [sic] Venetië, waar de zachte en diffuse lichtschakeringen zijn prisma voedden. […] Het zijn de vibrerende indrukken van de Venetiaanse atmosfeer die hem de dynamiek van het Italiaanse futurisme deden omarmen.’ (p. 13). De onzin wordt des te erger wanneer men verder leest dat Schmalzigaug een toevallige futurist was en daarvan weg evolueerde, zijn futurisme duurde geen twee jaar – toch is, zegt men, Schmalzigaug de enige Belgische futurist. Dat in het boek de naam van de schilder gesplitst wordt als Sch-malzigaug is een flauw futuristisch volgen – wel nee, het is een gebrek aan kennis, zoals ook Chop-in verkeerd gesplits wordt of god ja, enzovoort.

Eigenlijk moet je kunstcatalogi lezen als de wekelijkse architectuurrubrieken in kranten: onzinwoorden. ‘Alhoewel het overal wit is, oogt het toch warm.’ ‘Het zwart is niet duister, maar door de lichtinval komt er licht binnen.’ ‘De vormen zijn modern en ogen toch gezellig.’ ‘Het huis is rond en toch vierkant.’

Ook Fabio Benzi bezondigt zich aan vulgair determinisme met zijn artikel ‘Schmalzigaug, Balla en andere bijzondere futuristische relaties’. ‘Er waren evenwel twee gebeurtenissen tijdens Schmalzigaugs Parijse periode die hem uit zijn traditionalistische verdoving deden ontwaken [sic: eerder schreef Benzi dat hij reeds een ‘pre-avant-gardistische periode’ gekend heeft – o de heerlijkheid van woorden] – in psychologische zin tenminste, want in de praktijk zouden ze pas veel later een vruchtbare weerslag vinden in zijn werk […].’ Een lichtflits, een psychologisch inzicht opgeslagen in de bodem en veel later: een bloem!

Ik weet niet in welke taal Benzi zijn beschouwing geschreven heeft, in de catalogus is een Nederlandse en een Engelse versie opgenomen – beide getuigen van een slecht, onhandig en leeg taalgebruik, een omslachtigheid die de intellectuele onmacht tracht te camoufleren (‘Een adhesie die altijd ruimte laat voor individuele of excentrieke visies, mits die origineel en fantasierijk zijn.’ (p. 200). En dan kom je tot ongewisheden. De Engelse versie: The policy of accurately […] came to an end […]’, de Nederlandse : ‘De tot 1914 angstvallig gemeden trend om nieuwe leden op te nemen en nieuwe zieltjes te winnen in al dan niet jeugdige gelederen […] begon op de […].’ (p. 201). Is een kunstenaar gediend met wandenken? Heeft het wandenken zich in de cultuur genesteld – en waarom dan wel?

laatste zinnen (91)

laatste-zinnen_91

Je cherchai bien la morale de toute cette aventure, et … je n’en trouvai point.

Vivant Denon, Point de lendemain, 1777

zie af

sfcdt_zie-af

Poesjkin zei, schreef Joeri Dombrowski : ‘Je bent een tsaar – leef alleen.’

Fernando Pessoa dichtte:
‘Hoeveel treurnis en bitterheid verstikken
In verwarring ons benarde leven!
Hoeveel ellendig onheil
Drukt en onderdrukt ons!
Gelukkig is het dier dat, naamloos voor
Zichzelf, graast op de weiden en dat naar
De dood gaat als naar huis;
De wijze ook, verdiept
In kennis, die zijn enge, strenge leven
Heft boven het onze, als rook die armen
Die verwaaien opheft naar
Een niet bestaande hemel.’

Oden, Ricardo Reis, vertaald door August Willemsen

Kant nam in zijn Kritik der reinen Vernunft als motto een citaat van Francis Bacon op uit diens Instauratio magna: ‘de nobis ipsis silemus’ – ‘Over onszelf zwijgen we’.

Seneca laat in Agamemnoon (v. 103-107) het koor de wijsheid vertolken: ‘felix mediae quisquis turbae / sorte quietus / aura stringit litora tuta / timidusque mari credere cumbam / remo terras propiore legit.’ (Piet Schrijvers: ‘Gelukkig de mens / die tevreden is met een bescheiden lot, / bij een veilig briesje de kusten passeert, / en bang om zijn schuitje op zee te wagen / met kortere roeiriem op het land aanhoudt.’)

William Gaddis legt op de tafel van Reverend Gwyon, in The recognitions, boeken van o.a. ‘Denys the Carthusian’, Euripides en een auteursnaamloos boek met de titel De contemptu mundi, waarvan Steven Moore zegt dat het kan gaan over het boek Over de waardeloosheid van de wereld van Denijs of een traktaat van Sint-Bonaventura kan zijn. Maar ook Petrarca en Erasmus schreven een boek met deze titel.

« Mais, comme un homme qui marche seul et dans les ténèbres, je me résolus d’aller si lentement et d’user tant de circonspection en toutes choses, que si je n’avançais que fort peu, je me garderais bien au moins de tomber. »

René Descartes, Discours de la méthode, In : Œuvres et lettres, Bibliothèque de la Pléiade, 1953, p. 136

En in een brief aan Mersenne, verzonden uit Amsterdam van april 1634, waar het gaat over Galilei, herhaalt hij min of meer de woorden van Ovidius die in Tristia schreef: ‘crede mihi, bene qui latuit bene vixit, et intra fortunam debet quisque manere suam.’ (III, 4, v. 25-26) wat door Wiebe Hogendoorn grof vertaald werd als ‘Wie in de luwte leeft, leef goed, wil dat geloven ; / Elk moet content zijn met zijn plaats op aard.’ als Descartes schrijft « […]; et le désir que j’ai de vivre en repos et de continuer la vie que j’ai commencée en prenant pour ma devise : bene vixit, bene qui latuit, […]. » wat een echo is van Epicurus’ ‘λάθε βιώσας’, ‘leef verborgen’ en door Samuel Beckett herhaald werd in een brief van 17 november 1985 aan David Warrolow : ‘I continue to huddle in my corner trying in vain to agree with Descartes that bene qui latuit bene vixit. A bit late in the day.’ Eerder had Erasmus deze woorden als zijn  lijfspreuk gekozen en eeuwen later nam Jacob Burckhardt de levensles over en maakte die dan weer tot de zijne.

Willem Elsschot vermaande zijn zoon Walter in ‘Brief aan mijn zoon’ niet te gaan strijden maar aan de zijkant toe te kijken (niet te juichen maar een gezicht te trekken als ‘wacht maar smeerlappen’) want ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij.’ En kunnen we Spinoza vergeten die in een brief op 30 maart 1673 geschreven aan J. Ludwig Fabritius afziet van een openbaar ambt als ‘professor’ omdat hij beseft hoe zijn woorden verdraaid zullen worden : ‘Dit heb ik nu al ondervonden, terwijl ik een ambteloos en teruggetrokken leven leid, […].’

Hoeveel keer is de moraal van de fabel ‘De krekel’, geschreven door Jean-Pierre Claris de Florian , niet herhaald, steeds gemompeld, en hoeveel keer niet te laat gemompeld: « Pour vivre heureux, vivons caché. » ? Ook het Nederlandse spreekwoord ‘Een vergeten burger, een gerust leven’ doet ons huiveren.

En waarom zou men Thomas a Kempis tegenspreken als hij schrijft ‘in omnibus requiem quaesivi et nusquam inveni nisi in angulo cum libro’, ja waarom als we het zelf steeds maar weer herhalen en gelezen zien bij Umberto Eco in zijn Naschrift bij De naam van de roos en wat door Henny Vlot vertaald werd als ‘In alles heb ik rust gezocht en ik heb die nergens gevonden dan alleen in een hoek met een boek.’

Lucretius volgde zijn leermeester als hij in De rerum natura (V, 1117-1130) schreef ‘quod siquis vera vitam ratione‘ gubernet, / divitiae grandes homini sunt vivere parce  / aequo animo; neque enim est umquam penuria parvi. / at claros homines voluerunt se atque potentes,[…]’, wat door Marguerite Prakke vertaald werd als ‘Maar als men nu volgens de ware leer [d.i. de leer van Epikouros]  zou leven / dan zou een sober en tevreden leven de grootste / rijkdom zijn ; aan weinig zal immers nooit gebrek zijn. / Mensen willen heel graag machtig en beroemd zijn, / […]’. En zijn grote, nu vergeten leerling J.H. Leopold, schreef in de bundel Oostersch, ‘Een druktemaker is, wiens naam bekend is, / een intrigant, wiens leven afgewend is. / Waarlijk, hij ware ’t wijste daaromtrent, / die niemand kent en die van geen gekend is.’ (XXVII).

Eenzelfde sfeer van een teruggetrokken, goed leven, vinden we bij Horatius’ Ode 1.9, door Paul Claes vertaald als ‘Aan de tafelmeester’, een oproep om binnen te blijven en de wereld buiten te laten maar toch het meisje op te zoeken: ‘nunc et latentis proditor intimo / gratus puellae risus ab angelo’ : [op] naar je meisje, dat met lief gelach verraadt / waar ze in een schuilhoekje te wachten staat,’ – ach een meisje, of een boekje. In zijn gedicht ‘Winter’ herinnerde Poot ons aan deze wijsheden: ‘O vrienden, houdt u toch verborgen / Eet vlees, drinkt oude wijn en laat de hemel zorgen.’ En dat enigszins vulgair gebondigd wordt tot ‘oost west, thuis best’.

« Il vaut mieux vivre obscur que régner sur des êtres,
et souffrir seul, pourceaux, qu’être heureux où vous êtes. »

Henry de Montherlant, Chant de Minos, 1949

En wij zouden de wereld willen veranderd zien ?

banden (49)

Herakleitos – Demokritos, Donato Bramante, 1477

banden_herakleitus_demokritos_donato-bramante_1477

Herakleitos – Demokritos, Nuremberg Kroniek, 15de eeuw

Herakleitos – Demokritos, Andrea Alciato, Emblemata Liber, eerste helft 16de eeuw

banden_herakleitos_demokritos_emblemata_1ste-helft-16de-eeuw_-jpg

Demokritos, Diego Velázquez, 1630

banden_demokritos_diego-velasquez

Demokritos, of Rembrandt lachend, Rembrandt, 1628

banden_demokritos_rembrandt

Herakleitos, Abraham Janssens, 16de eeuw

banden_herakleitos_abraham-janssens

Herakleitos – Demokritos, Charles-Antoine Coypel, 1746

banden_herakleitos_demokritos_charles-antoine-coypel_

Herakleitos – Demokritos, Cornelis Stangerus, 17de eeuw

banden_herakleitos_demokritos_cornelis-stangerus_

Herakleitos – Demokritos, Crispijn van de Passe (1574-1637)

banden_herakleitos_demokritos_crispijn-de-passe-de-oudere_

De omgekeerde wereld, Crispijn van de Passe (1574-1637)

Opnamedatum: 2011

Herakleitos – Demokritos, Dirck van Baburen (1595-1624)

banden_herakleitos_demokritos_dirck-van-baburen_

Herakleitos – Demokritos, ets Wenceslas Hollar, naar J. van Vliet, naar Rembrandt (1607-1677)

banden_herakleitos_demokritos_ets-van-w-hollar_naar-j-van-vliet_naar-rembrandt

Herakleitos – Demokritos, Giuseppe Maria Crespi (1665-1747)

banden_herakleitos_demokritos_giuseppe-maria-crespi_

Herakleitos – Demokritos, Hendrick Terbrugghen (1588-1629)

banden_herakleitos_demokritos_hendrick-terbrugghen_

Herakleitos – Demokritos, Hendrick Terbrugghen, 1628 (1588-1629)

banden_herakleitos_demokritos_hendrick-terbrugghen_1628

Herakleitos – Demokritos, Jacob de Gheyn (II of III, 17de eeuw)

banden_herakleitos_demokritos_jacob-de-gheyn_

Herakleitos – Demokritos, Jacques Jordaens (1593-1678)

banden_herakleitos_demokritos_jacques-jordaens_

Herakleitos – Demokritos, Jan Tengnagel (1584-1635)

banden_herakleitos_demokritos_jan-tengnagel_

Herakleitos – Demokritos, Jan van Bijlert (1597-1671)

banden_herakleitos_demokritos_jan-van-bijlert_

Herakleitos – Demokritos, Johannes Moreelse, 1630

banden_herakleitos_demokritos_moreelse_

Herakleitos – Demokritos, Peter Paul Rubens, 1635

banden_herakleitos_demokritos_rubens_

Herakleitos – Demokritos (Vallalodid-versie), Peter Paul Rubens, 1603

banden_herakleitos_demokritos_rubens_valladodid

Herakleitos, José de Ribera (1591-1652)

banden_herakleitos_jose-de-ribera

La civilisation du rire, Alain Vaillant, CNRS-éditions, 2016

banden_demokritos_alain-vaillant

Se retirer du monde, Dix-huitième siècle, n° 48, 2016

banden_herakleitos_se-retirer-du-monde

… en daarbovenop nog een schandaal (een sovjet-anekdote) … maar overwonnen!

homo-homini-lupus_georges-rouault_1944-1948

(Onderstaande brief (of is het een artikel? een grap?) werd gepubliceerd in de Engelstalige Pravda. Een onderzoeker heeft voor ons deze brief (of is het een artikel?) vertaald en ons ter publicatie aangeboden. We hebben het origineel niet in handen gehad, noch de Russische, noch de Engelstalige Pravda. Naar de onzin die in deze tekst (is het een artikel, is het een brief? of toch een grap? Hopelijk niets leerzaams!) staat, kunnen we moeilijk aannemen dat dit ernstig is. Eerder lijkt het ons een literaire fantasie te zijn, iets wat door een Sieckegheest verzonnen en verzonden is, een onbenul die zichzelf interessant wilde maken. Gelukkig hebben woorden geen enkele betekenis en zien we dit als een luchthartige fantasie, zeer geschikt voor een zondagachternoen, merkwaardig genoeg hebben we dit donderdagnacht ontvangen. Wat is de bedoeling? Het is toch niet om te lachen?  Alles hieromtrent is dus duister en onzeker. Wij doen echter een beroep op het gezond inschattingsvermogen en dito verstand van onze lezers om dit alles correct in te schatten ! Pour le plaisir de penser et de fabuler. Seulement!)


(Noot van de redactie: De brief is verward, onsamenhangend maar getuigt toch van een schone mens die het beste voorheeft met de roemrijke Sovjetstaat en zijn Grote, Ene Leider, ook uit de Provincie. De redactie heeft besloten om deze tekst (want is het een brief of een artikel?) van een naïeve, onschuldige, idealistische Russische ziel te publiceren, ondanks de onzinnige verwijzingen naar god en enkele obscure figuren die nooit bestaan kunnen of zullen hebben, of misschien zijn het door de brief- of artikelschrijver gekende dorpsfiguren die rond de dorpspomp staan te drinken, omdat ondanks de verwardheid er misschien toch een les in te vinden is voor andere Plaatselijke Leiders. Lenin zei in zijn beroemde toespraak van 22 januari 1924: ‘Ook onder het volk zijn er goede mensen.’ Kameraden: Lenin zei het! Zelf! Honderd procent!)

Kameraden,

Het is mij een genoegen u kond te doen van de heldhaftige daden van onze plaatselijke C.C.R.*, geleid door onze grote Plaatselijke Leider.

Het grote Sovjetrijk wordt ten onrechte geteisterd door allerlei financiële en andere schandalen. Die wel zogezegd en zogenaamd zijn, in werkelijkheid toch de naam van onze Grote Leider besmeuren. Maar in de provincie zijn er nog andere schandalen! Laat mij getuigen van een Held van onzen tijd.

Hier liep een gedrocht rond, cynisch, humoristisch en al te scherpzinnig. Een filosoof! In deze tijd! Een idealist, een humanist, een viezentist, een renegaat uit de school van de landverrader en volksvijand Alexander Herzen, een nihilist! Het wapen van de misdaad was zijn tong, zijn pen. Hij was gelijk en hij had grappig! De Heer heeft ons geen hersenen gegeven om het Gezag te betwijfelen! De Heer heeft ons hersenen gegeven om te begrijpen dat de Leider voor ons denkt. Onze grote Plaatselijke Leider heeft hem de das omgedaan. Hulde aan onze grote Plaatselijke Vervangende Leider!

Een ambtenaar-pennenlikker die steeds bleef zeuren over hetzelfde, haalde steeds maar weer nieuwe feiten aan, ja, voor hem was de werkelijkheid een feit. Onze Grote Plaatselijke Leider heeft hem willen diets maken, deze haalde er ook de Plaatselijke Tamboer bij, dat dit niet correct is: het is onze Allergrootste Leider die de wereld ziet. Hij is de Onderwijzer die ons zegt wat we mogen en kunnen weten. In zijn goedertierenheid heeft Vadertje Leider voor ons beslist! De Grote Plaatselijke Leider, om maar één voorbeeld te geven van zijn grote, zeer grote toegevendheid en onverschrokken belangeloosheid, heeft zelfs een speciale reis naar de Madonna van Ostakerjana afgelast, om de ambtenaar voldoende in te lichten en voor te propageren wat de drijfveren zijn en dat er helemaal niets onwettigs gebeurd is, niets onwettigs, niets legaals, ja, daar zijn we allemaal kapot van geweest.

Sneu is dat die ambtenaar maar bleef herhalen dat de C.C.** haar eigen doeleinden moest volgen. Hij, en lach niet, hij  zei dat werkelijk, zei dat de Centrale de mensen cultuur moest geven, de mensen moesten groter worden, de C.C. moest de culturele en intellectuele verscheidenheid tonen, maar waar eindigt dat?,  een sober beleid moest voeren, efficiënte en gedegen werkmethodes moest volgen, de productiemiddelen moesten bovendien volgens hem technologisch verantwoord en hedendaags zijn (maar hij zei nooit wat hedendaags betekent! Wij zijn hedendaags, onze rokken zijn al 15 cm langer en onze broeken vijf centimeter korter dan tien jaar geleden! Wat wil hij dan nog meer? Zo ziet u maar: die cynici zijn alleen maar negatief, ze juichen niet, ze dragen geen uniform en verachten de waardige, waarachtige en waarlijke kentekens die door de Tsaar en de Sovjetrepubliek zijn uitgereikt), dat de Raad ook eens andere mensen dan de eigen vriendjes en vriendinnen moest uitnodigen, dat besloten vertoningen toch niet meer van deze  tijd zijn, dat dat ook geldt voor geldverspilling (maar hij leefde zelf! en elk leven is toch een verspilling? Het is absurd! Absurd! Straks komt, naast de Tsaar en de Sovjets, ook nog Christus tevoorschijn en ja waarom niet Gorbatsjov en Heidegger, neem ook maar Wagner erbij, het is absurd! absurd!), hij zei dat reizen niet meer van deze tijd zijn maar het zijn juist de reisgidsen die veel verkocht worden!

Kameraden,  ziet u nu hoe onzinnig dit alles is en hoe de Westerse propaganda onze beste zielen vergiftigd heeft? En altijd sprak hij over de kinderen van Tsjoekebezen die geen diploma hebben, zij die in een kooi gevangen zitten en bevrijd moeten worden door hen de wereld te tonen, maar hij begrijpt niet dat onze Grote Leider hen ‘dode zielen’ genoemd heeft. Overbodig! Wegwerpwater! Niet naar kijken! Aflopen! Hij zei, luidop en in gezelschap, kameraden, er zijn getuigen, getuigen!, we hebben ze zelf in de kelders zien rondzwemmen, die de woorden herhaalden, letterlijk en voor honderd procent, niets illegaals, die hij uitsprak (openlijk!) dat het een schande is dat er nog een vierde wereld bestaat die gedepriveerd is van de menselijke civilisatie, die geen weet heeft van wat er mogelijk is en die in de straten loopt te dwalen. Maar de Grote Leider heeft gezegd dat verveling een troef is, dat verveling juist positief is voor de Mensheid, voor de Zon en voor de Aarde. Het zout van het varken! Overschot is intern en determinatief noodzakelijk om van een rijke maaltijd te kunnen spreken! Dat schreef onze Grote Leider in zijn boek***. Hij is onze Opvoeder! Hij heeft ons het Licht en de Vrede en de Rust gebracht! Kleinburgerlijke opvoeding en antirevolutionaire propaganda, dat wilde de ambtenaar verspreiden!

Kameraden, de onwetendheid is in onze contreien nog zeer groot. Het is een grote schande dat de ontevredenheid en de kritische zin aangewakkerd worden door onmaatschappelijke elementen. We moeten ze vernietigen! We moeten meer Grote Plaatselijke Leiders hebben – ook al is er maar plaats voor Eén Grote Leider! –  die de schandalen onder de grond kunnen steken. Hulde aan het Licht dat schijnt over de Karpaten! Hulde aan de Motor van de Maatschappelijke Vooruitgang! Op naar de Toekomst. Start! En up!

Kameraden. Aan dit schandaal is een einde gekomen, dankzij de Grote Plaatselijke Leider. De ambtenaar is roemloos gestorven, verbitterd en in armoede achtergelaten. We hebben hem gevonden aan een oude, versteende olijfboom, verhangen. Een Judas zonder zilverlingen! Zo vernietigt de kritische geest zichzelf. Dank de grote Plaatselijke Leider! Hulde en Roem voor dezen Held van onzen tijd!

De C.C.R. feest en drinkt in naam van het volk! Leve de Sovjets! Leve de Staat! Leve ons en onze Grote, Ene en Roemvolle Leider!

Hiermede,
D. Joerovskaja (Pravda, 7 februari 1979)

(* C.C.R. : Culturele Centrale Raad (noot van de redactie)
** C.C. : Culturele Raad (noot van de redactie)
*** Briefschrijver (brief? artikel? klucht?) bedoelt het klassieke werk van onze Grote Leider: De geschiedenis van de roemrijke Sovjets, verlucht met enige anekdotes, recepten (waaronder de geliefde salami), het verhaal van de wraak van de berin, en tevens enkele gedichten ter verheffing van het geliefde volk en de verklaring van het ontstaan van het geldsysteem, de moraal en het ongelijk van de antirevolutionaire en burgerlijke wijsbegeerte zoals geleerd door de kolonialistische en imperialistische Grieken en Romeinen, tevens een wederlegging van alle godsdienstige en andere wanen, aangevuld met een epistemologische conclusie over waarheid en leugen en los toegevoegd een strategisch plan hoe de tegenstander te verdelgen (Verzamelde werken, deel XIV) waar men het citaat op pagina 666 kan vinden. (noot van de redactie)

Beeld: Georges Rouault, Homo homini lupus, 1944-1948

met leegte leegte bekampen

elisabeth-tonnard_the-empty-field

Het kernwoord van deze tijd is het gemeen. Het gemeen heeft de wereld in handen genomen en het gemeen kent enkel de vernietingingsvreugde. In de politiek is dit al te duidelijk. De democratische instellingen waren al overgenomen door het achterbaks gemeen voor wie enkel geld en macht belangrijk zijn – de generatie Clinton en verzin u zelf maar de plaatselijke namen, de patsers, de grote muilen, de geldzakken en hun onderdanig vee. Men heeft zich verborgen onder de deftigheid van het kostuum, de hippe bril en de vlotte klederdracht, de losse haren, een discrete tatoeage. Het kenmerk was de achterbakse leugen: men zegt voor het volk te werken, maar men wil behoren tot het geld en de macht – waarbij het tweede belangrijker is dan het eerste. Men is een leeg vat, men moet gevuld worden.

Voor hen is en was alles een spel – niet de vreugde van het spel, maar het cynisme van de slechtheid, niet het cynisme van de denker. Kijk nu naar Trump, hoe hij zijn lippen op elkaar perst, zo staan kleine jongens in een cowboykostuum op de foto: ik ben gewichtig, ik ben gevaarlijk, vervaarlijk. Hou van mij, is de wanhopige kreet. ‘Trust me.’ Het gemeen is steeds letterlijk. In een normale taal en in een normale samenleving spreekt men in metaforen om de woorden een beeld te geven. Trump doet dit ook / Trump doet dit niet, het is het kenmerk van de domheid te denken dat een metafoor ook letterlijk moet zijn en bovendien ook zo uitgevoerd moet worden. Wat zich links noemde, dacht: Trump spreekt in metaforen, het zal wel meevallen. En plots ziet men van de verdediger van de antifeiten dat de feiten toch de feiten zijn, zoals een kogel een kogel is. Het toont het failliet van de menselijkheid aan: het culturele wordt niet meer begrepen en alles wordt plat als een doodgestampte luis. Want ook de zogezegde oppositie denkt hetzelfde, maar anders, met mildere woorden – toch zijn ook die van het volk gestolen. (Trump heeft de financiële wereld weer de vrije teugel gegeven, zoals de Clintons dat al eerder gedaan hebben. Het is de grote Obama geweest die getracht heeft die wolven aan banden te leggen – ooit zal men begrijpen dat Obama geen partij achter zich had, dat de Clintons hem zijn overwinning nooit vergeven hebben, de Democratische Partij heeft hem al evenveel tegengewerkt als de Republikeinse.) Dit toont aan dat cultuur en moraal het verloren hebben van wat genoemd wordt de 21ste eeuw, de eeuw die de laatste is.

Het verschil tussen dit gemeen en het vroegere gemeen is de terughoudendheid: nu is men open en bloot anti-politiek, anti-cultuur, anti-humanisme, anti-maatschappij, anti-vrijheid, anti-denken, anti-kunst. De jungle staat open en wordt uitgebreid tot alles en iedereen. De jungle is het nieuwe paradijs. Thomas Hobbes was een schoolkind. Het is hypocrisie als het gemeen dat de macht in bezit had, nu verontwaardigd is over Trump. Men blijft beste maatjes met Erdogan en men droomt van een eigen dictatuur. Niet langer de doeleinden, de zaak zelf, zijn belangrijk – wat moet gestimuleerd worden is het geld, de macht, de invloed – maar vooral het netwerk: men moet zichzelf goed voelen en het netwerk is de beste bescherming om de maatschappij uit te sluiten. In de praktijk doet men aan racisme en discrimineert men iedereen die niet tot het kringetje van de geleiden behoort. De geleiden? Ja, de geleiden die een dag tegen discriminatie nodig hebben, een niet-alcoholische maand-campagne moeten volgen, een dag tegen hartzeer georganiseerd krijgen: ze worden geleid door reclamebureaus. Wanneer geld en moralisme samengaan, krijgen we de heerschappij van de onvrijheid, de beteugeling. De geleiden kunnen en dit wordt nu gecensureerd.

Ezra Pound kon zelfs zijn eigen gelijk niet bevroeden, zo groot is het. Er is geen intelligentie, men neemt niet de moeite zich te verantwoorden, het intellectueel bestaan is verdacht, de werkelijkheid bestaat niet. Wat overblijft is het eigen lege ik, verbonden als het is door ijle draden met andere lege dozen. Men zegt ‘van de 21ste eeuw’ te zijn en zie, alle discussie wordt opgelost in de zerpe lucht van het niet-bestaan. Al gebruikt men woorden, het anti-intellectualisme blinkt in de ogen van de hyena’s en dus leven we in een fascisme.

Men zegt over corruptie dat dit ‘niet meer van deze tijd is’ – net alsof graaizucht, anti-boekcultuur, anti-kunst wel ooit ‘van de tijd’ geweest zijn – de ergste corruptie is het corrumperen van de geest. Corruptie heeft nog nooit tot de moraal behoort, is steeds anti-mens geweest. Dat er in Vlaanderen ook intercommunales bestaan, o wat een verrassing. De schone Vlaamse ziel die zo schoon rood kleurt, wordt besmeurd en het zijn zij die weten, spreken en denken die op de brandstapel moeten belanden. En al diegenen die wisten, zwegen en uitvoerden zullen plots van kamp gewisseld zijn en zullen zich dan de nieuwe schone Vlaamse Rode Ridder tonen. Van de 21ste eeuw. Maar hun macht en wandaden zijn gebaseerd op die corruptie, hun woorden gecorrumpeerd, het geweten buitengedragen. Het bewijs dat cultuur en moraal uit de publieke ruimte verdreven zijn. Men spreekt van het algemeen belang: het land, de provincie, de stad. Nationalisme, provincialisme, citisme: de vlag van de gecensureerd. Dat er hard gewerkt wordt, dat dit alles ten goede komt. Maar geloof niet: het gaat om stalpolitiek en kuiperij. Dat investeringen xxxx xxx xxxxxxxx xxx xxx xxxxxxxx xxxx  gecensureerd van al die gasten die daardoor geen onderwijs en geen opvoeding meer kunnen krijgen.

Nee, u hoeft niet het werkje Leegte, leegte die ademt : het typografisch wit in de moderne poëzie van Yra Van Dijk te lezen, immers al te oppervlakkig, al te zeer besmet van ‘ons-kent-ons’, al te halfslachtig en niet begrijpend wat boekcultuur is.

Elisabeth Tonnard noemt het een tussendoorboek, An empty field (2017), maar weer is het standpunt belangrijk, vergaand en vooral verfijnd intelligent. Hoe moeten de Trumps, de Erdogans door de culturele wereld bekampt worden? De een zet ze in hun onderbroek, nog effectiever dan naakt, de ander beschimpt, een derde loopt weg, een vierde echter:

Is boekcultuur een metaforische, dan neemt Elisabeth Tonnard in en met dit boek het letterlijke van Donald Trump (en zijn bandieten, hier en nu) op de letter. Als de woorden enkel zichzelf zijn, dan worden ze ook zo begrepen. Tonnard schreef een ‘gesprek’, een monoloog, een redevoering van Trump uit en dan blijkt letterlijk, juist door het letterlijke, dat dit voos gepraat is, geen inhoud heeft en vooral ook geen stijl. Trump sprak op 21 januari 2017 CIA-functionarissen toe. Tonnard schreef de tekst uit en maakt zo, ‘in zijn  eigen woorden’, van de president een clown, een nietszeggende commerçant, een dwaze prediker.

De woorden zijn 1 zaak, maar Elisabeth Tonnard staat een aantal treden hoger dan Kenneth Goldsmith, bij haar is er geen sprake van een louter weergeven, de kunst van het kopiëren is te weinig. Zij stelt de leegte van de bladzijde tegenover de leegte van de woorden. Die leegte die door Laurence Sterne en Stéphane Mallarmé tot voor de één een speelse ruimte en voor de ander tot een heilige ruimte gedecreteerd werd. Tonnard maakt die metaforische leegte een letterlijke leegte: daarmee neemt ze Donald Trump en zijn maatjes hier en nu te grazen – maar begrijpen zullen ze het niet. Het boek is een perfecte spiegel en daarmee een efficiënt wapen. De titel is An empty field en, deze woorden werden ook door Trump uitgesproken, wat voor hem de leugen van de media was: er was wel plenty volk op straat om de nieuwe president te huldigen. Het stramien van Trump’s toespraken is steeds dezelfde: het is de herhaling van de belofte door de onderdrukker, morgen zal de hemel zegevieren en wij, wij zullen bij het betreden van de 21ste-eeuwse gebouwen met goud besprenkeld worden.

Als de burgers de macht van het establishment (dat wat was en dat wat is en dat wat komt) willen overnemen dan moet eerst en vooral de cultuur heroverd worden – en er moet gedacht worden tégen de tijd om ín de tijd te zijn.