sfcdt

laatste zinnen (104)

laatste zinnen_104

Het was een fraaie milde zomeravond toen men hem meelevend en verbaasd begroef, en op zijn graf ontstond een heel mooi groen tapijt van gras.

Gottfried Keller, Groene Heinrich, vertaald door Peter Kaaij (2016)

mene mene tekel ufarsin (3)

literatuur_lijnen_sfcdt_3

Miklόs Bánffy (1873-1950), Geteld, geteld, vertaald door Rebekka Hermán Mostert, Veen, 2016

Men rook bloed, men wilde een rel.

Alles wat hij droeg, was elegant, maar slecht gesneden, alsof hij wilde zeggen : ik heb lak aan de mode, en zelfs zo ben ik nog een grotere heer dan menig ander hier aanwezig.

We compliceren alles met nobele bedoelingen, uit medelijden of om iets anders moois of waardevols waar we in geloven, want zo zijn we opgevoed, maar dat is allemaal vreemd en slecht, want het heeft niets te maken met de stem van de natuur. We laten ons leiden door wat mensen bedacht hebben, oude priesters en filosofen in hun studeerkamer. Wat op deze manier tot stand komt, kan trouwens toch niet blijven bestaan. Het kan geen standhouden, want het kan niets verdragen.

Nooit eerder werden er zulke banale dingen gezegd. Maar de ruimte tussen hen in zinderde van een onzichtbare toverstroom die hen bedekte, afschermde, verhulde, en het was alsof zij de enigen waren in een oase te midden van de woestijn. En wat er ook over hun lippen kwam, en wat ze ook tegen elkaar zeiden, het betekende helemaal niets. Het betekende slechts één ding: Jij! Jij! Jij!

Toen greep een vreselijke schrik haar opeens bij de keel. Ze wist nog niet eens waarom, maar de ontzetting joeg over haar heen en maakte dat ze onmiddellijk overeind ging zitten om met haar armen om haar knieën geklemd bij zinnen te komen.

Het was niemand duidelijk, en dat werd het ook hierna nooit meer.

Hij werd als een autoriteit beschouwd op het gebied van erekwesties. Het liefst hield hij zich uitsluitend met duels bezig, en niet met de wezen. […] Met zijn wipneus, zijn ronde gezicht en enorme snorbouwsel deed hij denken aan een oude kater die ergens een worst had gegapt.

[…], de enige vreugde die de goden de mensen gegeven hadden!

Ik denk, zei hij, dat wij elkaar geestelijk en economisch moeten naderen. We moeten onze gemeenschappelijke belangen opzoeken, en alles benadrukken waar eensgezindheid over bestaat. De rest komt daarna vanzelf, als we eerst maar een wederzijds vertrouwen hebben.

Geen slechte man, deze graaf, zei hij bij zichzelf, geen slechte man, integendeel, het is een prima kerel, maar hij heeft geen idee van het echte leven! God, het is net een kind! …

O, dit was een heel belangrijke, veeleisende en veelzijdige betrekking.

[…] haar decolleté was zo luchtig dat het leek alsof haar jurk ieder ogenblik van haar borsten kon zakken.

Achter ons ligt het onherbergzame, koude, genadeloze leven vol bedreigingen en boosaardigheid, dacht Lászlό, en voor ons ligt het genot, het eten dat met kennis van zaken moet worden genoten, rijkelijk vloeiende drank, die ons in een roes brengt, schoonheid, licht en geuren, een bos rozen, een rozig vrouwenlichaam, alles wat ons de meedogenloosheid van het leven doet vergeten, en de dood, die zich misschien achter onze ruggen schuilhoudt in het duister van de kille kamer.

[…], alsof ze allemaal wilden vergeten wat er in het donker op hen loerde.

Het was verrukkelijk om in dit geloof te leven, zoals de vromen zich voorbereiden op de hemel, niet vandaag, niet morgen, misschien pas overmorgen of daarna, maar het duurt niet lang meer, en ook al duurt het wél lang, dan is er altijd nog dit samenleven in deze bekoorlijke, bezwerende atmosfeer vol onuitgesproken woorden, de lucht vol flonkering om hen heen, hen samen omarmend vol vonkende sterren.

Hij hoorde de oeverloze haatpleidooien aan die de eerste twee ochtenden werden voorgedragen, de chauvinistische frasen waarmee de sprekers elkaar probeerden te overtroeven.

[…]; dat paste bij zijn kritische karakter dat hem ver bij de anderen vandaan hield.

Hij had graag gezien dat zijn partijgenoten zich fatsoenlijker, Europeser, regeringsbekwamer gedroegen. Maar het lawaai werd slechts langzaam minder.

Zijn woorden waren weloverwogen en streng en ze zouden zelfs droog hebben geklonken als daarachter niet de levendigheid van zijn diepste overtuiging resoneerde, die zijn objectief klinkende zinnen van temperament voorzag.

Zij beschouwden iedere tegenspraak als een vijandige daad. Deze driftige gemoedsgesteldheid leidde ertoe dat ze later, toen ze aan de macht kwamen, […].

Andere onderwerpen kwamen nauwelijks aan de orde. Niemand was geïnteresseerd in de gebeurtenissen buiten de grenzen, […].

Zijn zwarte frak verdween in het duister van de nacht.

Ja, deze dieren waren uiterst beschaafd.

Ik ben niet verdrietig, echt niet, antwoordde ze ontkennend, en ze logenstrafte haar woorden meteen door eraan toe te voegen: De mensen zijn zo slecht! Geschrokken zweeg ze.

[…] en ze lachte schalks, haar glimlach was vol blijdschap en overwinning, en haar lach klonk zacht en wulps, als het kirren van een zomertortel.

[…] maar de stralende vreugde die haar tot die tijd vervuld had, was uit haar hart verdwenen.

Een leider kiezen en hem door dik en dun steunen, om niet voortdurend in dubio te staan en in iedere kring als een vreemdeling te worden beschouwd. Dit afzijdige bestaan was een onzinnige en overbodige houding voor een beginneling in de politiek. […] Wie de rechtmatigheid van tegenargumenten probeert af te wegen, is verdacht, want het beginsel van ‘audiatur et altera pars’, hoor en wederhoor, is geen politieke leus.

Deze vrouwen waren de heldhaftige bloemen der natie, ontoegeeflijk en rotsvast overtuigd van hun gelijk.

En fatsoen. Eindelijk fatsoen, van top tot teen.

Hij stond niet stil bij hun ellende, hij zag deze ene ijzingwekkende geschiedenis als een samenspel van uitzonderlijke factoren, waar tirannie gepaard ging met ongehoorde wreedheid.

Liegen was nog veel erger, als er al een rangorde was in deze verschrikkelijke dingen.

Dit hier – kijkt u maar – dit is net het leven! Van een afstand lijkt het een bos bloemen … maar dichtbij zie je dat het allemaal voddig papier is … en hij begon zacht en bitter te lachen.

[…] en zodra de Turkse dreiging aan het begin van de achttiende eeuw niet langer bestond, werden de vestingmuren vervangen door bloembedden.

Lijsters riepen elkaar. Si-si-si klonk het onrustige gekijf van meesjes die de dunste takjes op eetbare inhoud onderzochten, en het geluid van merels die elkaar riepen terwijl ze duikvluchten in het gras maakten, en vlakbij het gepiep van een rietgors en een klapekster. Verderop was ergens het geklepper van nachtegalen te horen. De stilte werd niet verstoord, maar juist nog ongerepter door deze veelheid aan geluiden.

Die ouwe beul moet uit de Burg verjaagd worden, Schluss!

Jawel, de wet, die hebben we nodig, jazeker! merkte hij opeens op. Je hebt overal wetten, zelfs in de woestijn. Als daar iemand een vrouw schaakt, kan hij zich vrijkopen met twee schapen, maar als hij iets waardevols steelt, bijvoorbeeld een kameel, dan wordt hij zonder pardon opgehangen.

Hij kreeg er geen spijt van. Het was een cynische, boeiende, vreemde man, […].

Wat hij hen zo smakelijk voorloog, werd met smaak verslonden.

Het werd steeds duidelijker dat de hele politiek op een dood spoor was beland waar niemand meer zonder gezichtsverlies vanaf kwam.

Tot dan toe had hij altijd in een gecultiveerde omgeving geleefd. Nu hing hij de wildeman uit, een bijzonder vermakelijk idee. Om nog authentieker te zijn liet hij het scheren maar achterwege.

Voorwaarts! … Zo zegt u dat toch? … Natuurlijk, dat is veel decoratiever, veel schilderachtiger! Maar wij zijn, met permissie, slechts grauwe, bescheiden, moderne mensen!

Mijnheer, ik kan hier niets aan doen, zei hij ten slotte. Tegenwoordig is alles politiek, hetzij vanuit de regering, hetzij vanuit het comitaat. […] Ik zet mijn baan op het spel, want wat ik ook doe, de regering of de oppositie ziet overal politieke daden in … […] Wat werd alles verschrikkelijk ondermijnd door de partijpolitiek!

[…], zijn woorden kwamen tot leven als vurige vonken uit de broodoven van zijn verlangen en vormden zich tot glinsterende, bewonderende zinnen.

De meest gehoorde mening was echter dat er binnen afzienbare tijd een dictatuur zou worden gevestigd.

Maar het respect voor het formele recht was in die tijd zo streng en alom aanwezig, zo allesbepalend, dat er na een ogenblik van twijfel een goedkeurend gebrom uit de zaal opsteeg.

Er gingen twee onbeweeglijke dagen voorbij zonder noemenswaardig voorval. Na die twee dagen werden de gebeurtenissen echter in beroering gebracht door de grootste dramaturg van allemaal, de hand van het lot […].

Maar het ging niet anders, en het kόn ook niet anders gaan, want ieder individu wordt geleid door zijn eigen aanleg, neigingen en tekortkomingen, doen en laten. De eerste onbelangrijk lijkende stap leidt ons met onbarmhartige consequentie zonder onderbreking verder op het pad van onze bestemming, totdat het noodlot op een onverwacht moment toeslaat, als in een Griekse tragedie.

Hier dacht hij even na. Nu moest er nog een treffende, warme zin achteraan, daar hielden meisjes van.

De bedompte salon van tante Lizinka was een slapende vulkaan, een ware Solfatara, van waaruit giftige gassen de omgeving verziekten.

De kwestie raasde als een reusachtige storm door de stad, een storm in een glas water, dat wel, maar een ware orkaan voor degene wier wereld enkel uit een glas water bestond. De kleine Dinόra verdronk erin. Tante Lizinka […] was veranderd in een slijkspuwende moddervulkaan die iedereen besmeurde.

Het leven … dat was niets.

Verklikkers liepen af en aan, leiders zaten in donkere hoekjes te overleggen, niemand wist waarover, maar iedereen werd beheerst door een onrustig en onheilspellend gevoel.

Alle coalitiepartijen spraken van overwinning en triomf, iedereen wist met zekerheid dat de poorten van het Eldorado die dag geopend waren. […] en zo konden de coalitiepartijen in alle kiesdistricten ongestoord beginnen met het verdelen van de mandaten, en omdat de kiezers hier niet over beslisten, werd er achter gesloten deuren onderhandeld tussen de voormalige strijdmakkers.

Nu werd de balans opgemaakt. De nabijheid van een beslissende keuze riep angst op, de angst van het keerpunt, op de drempel van grote gebeurtenissen. Het verleden kwam voorbij, het verleden dat ongetwijfeld zou verzinken aan de poort van de onzekere toekomst die nu openging …

Vraag me niet om te willen leven …

mene mene tekel ufarsin (2)

literatuur_lijnen_sfcdt_2

Miklόs Bánffy (1873-1950), Geteld, geteld, vertaald door Rebekka Hermán Mostert, Veen, 2016

Hij zag dat de mode van die dagen wel erg diep uitgesneden avondjurken voorschreef.

Heel goed. Tegenwoordig is dat de beste keuze! Je kunt maar beter nergens actief aan meedoen. Blijf wel op de hoogte, hou je ogen en oren open. Alles in de gaten houden, mensen en dingen. En sluit je nergens bij aan. Deze wereld blijft niet lang overeind!

Wat er voor in de plaats moet komen? […] Grondwettelijkheid uiteraard. Het recht van de statistiek; De cijfers spreken voor zich.

[…] en zo observeerde hij de nieuwe golf van vergadertechnische obstructies en hoorde hij de ontelbare redevoeringen geërgerd aan. Hij vond de argumentaties buitengewoon onbenullig, evenals de holle leuzen uit het idioom van de tegenpartij, om niet te spreken van de misselijkmakende kunstmatige opwinding, de onechte verbazing en het onophoudelijke rumoer, allemaal ten dienste van partijbelangen en partijgrillen. Wanstaltig vond hij alle geveinsde misverstanden en de bestudeerde verontwaardiging van de oppositie, ongeacht alle redelijke argumenten […].

Alles benaderen vanuit de statistiek, alle beslissingen op cijfers en getallen baseren, natuurlijk, niets was eenvoudiger! Aan een bureau kun je binnen een uur alles oplossen. Of in puin doen vallen. Ja, alles kon simpelweg opgelost worden, als mensen apparaten waren, allemaal van hetzelfde type, en als er niet duizenden uiteenlopende unieke eigenschappen, doelen, hartstochten en tradities bestonden. Als eeuwenlang onderwijs en ontwikkeling op allerhande gebied niet de duizenden vormen van loyaliteit en ontrouw tegenover de staat hadden voortgebracht.

U zit hier net als de Denker van Rodin, precies zo!, klonk opeens een lachende vrouwenstem.

Er werd discreet geapplaudisseerd. Zoals dat goed gezelschap betaamt.

Zo kon hij niet leven, de onzekerheid was moordend! Haastig doorkruiste hij keer op keer zijn kamer, het ijsberen werd bijna rennen, soms liep hij bijna tegen een stoel aan, en opeens voelde hij zich beklemd en verschrikkelijk opgesloten in de ruime kamer.

[…] en haar de vraag te stellen die bulderend weergalmde in zijn hart.

Maar zo, met de kale bomen, de kaalgebrande akkers, het schier eindeloze schilderachtige landschap, alles bedekt en getemperd door een mistige sluier die het geheel een geheimzinnig aanzien gaf, zo sprak alles van troosteloze vergankelijkheid, en de jongeman voelde dat de natuur hierin haar uitdrukking gaf aan haar verdriet en verweesdheid.

Heel nieuwsoortige en ongenadige muziek was dit, de pijn was tastbaar en eindeloos veel krachtiger dan andere kamermuziek waarin het gezucht van droeve zoete mineuren klonk.

Zo gaat dat met mensen die een klap op hun hoofd hebben gekregen – ze lopen zonder nadenken de oude route, want alleen hun benen herinneren zich nog wat er moet gebeuren. Geruisloos sloot hij de deuren van de kleine salon, heel langzaam en met feilloze zelfdiscipline. Weggejaagd! Ik word weggejaagd! Ik word er simpelweg uitgegooid! dreunde het almaar door zijn hoofd.

Hij had een fenomenale pen, en hoewel Balίnt bij het lezen van diens teksten objectief probeerde te blijven, kon hij nauwelijks iets inbrengen tegen de geniale argumentatie en de onmatige, maar reusachtige kracht van zijn woorden.

En hij begon weer aan een van de bombastische zelfbewierokende litanieën die zijn redevoeringen kenmerkten.

Moest hij zich bij dit rapalje voegen? Moest hij zijn naam te grabbel gooien in dit gezelschap?

Een mens kan tenslotte niet altijd op zichzelf zijn, iedereen heeft een weerklank nodig, iemand om mee te praten, al was het maar een eenvoudige echo.

Maar het ging helemaal niet van een leien dakje.

[…] dat de samenwerkende oppositie met furieuze demagogie flonkerende beloften deed over een onafhankelijk douanegebied, een nationale bank en een eigen leger – verworvenheden waar alleen de grootste dromers in geloofden – , dat alles schiep een sfeer die niet in bedwang kon worden gehouden door de tot nog toe machtige organisatie van de regeringspartij.

Het waren interessante tijden van stilte voor de storm.

De nieuwe mode kwam ook ter sprake: zou men boa’s of omslagdoeken dragen, zouden de jonge meisjes beter tule, mule of mousseline onder hun rokken kunnen dragen. Nog maar nauwelijks waren ze aan deze belangwekkende onderwerpen begonnen of […]

[…] om ten slotte zijn zorg uit te spreken over al die brave lieden die tot nu toe in dienst van de overheid waren geweest en die nu beducht moesten zijn voor wraak. Ze hadden geen keus! Ze moesten de overheid wel dienen! En nu werd hun positie hun ondergang, […].

En eindeloze stilte.

Maar mijnheer, wat er allemaal gepraat wordt, dat kan een mens toch niet geloven, en die mocani [het Roemeense volk] hier in de bergen zijn behoorlijk onnozel!

De coalitie die nu de meerderheid vormde, leefde in een overwinningsroes en schalde van de daken dat ze tot geen enkel compromis bereid was. […] Wat de oorzaak ook was, of de toonaangevende politici geen vat meer hadden op hun achterban, of dat de gematigde en koningsgezinde Andrássy toch ook enige nationale eisen stelde, feit was dat er een gevaarlijke patstelling ontstond. De voormalige oppositie bleek nu gehinderd te worden door haar eigen leuzen, waarmee ze als oppositie vooral populaire verlangens verwoordde, maar die nu onbruikbaar bleken als parool voor een regeringspartij.

Gelukkige nieuwe mensen. Ze straalden allemaal een reusachtige zelfverzekerdheid uit. Allen geloofden dat ze op de drempel van een duizelingwekkende carrière stonden. Ze voelden zich als eindexamenkandidaten na hun laatste examen, enkele dagen levend in de zalige veronderstelling dat ze nu alles wisten wat er te weten viel en dat ze morgen of op zijn laatst overmorgen de hele wereld in hun zak staken!

mene mene tekel ufarsin (1)

literatuur_lijnen_sfcdt_1

Miklόs Bánffy (1873-1950), Geteld, geteld, vertaald door Rebekka Hermán Mostert, Veen, 2016

Een Hongaarse roman, in 1934 verschenen. We lezen een andere zijde dan die die Robert Musil in zijn roman De man zonder eigenschappen gekozen heeft. Het standpunt van de aristocratie die grotendeels blind blijft, niet ziet wat er aan het veranderen is, zich staande houdt. Zoals Lev Tolstoi kan Miklόs Bánffy de exemplarische  personages vermenselijken, maar hij toont ook aan hoe emoties (en dus relaties) klassegebonden zijn en onbegrijpelijk worden voor een andere klasse.

Er is de afschuwelijke Jodenhaat, niet de haat van de nazi’s (nog niet, maar we voelen ze komen), maar de haat van de Übermensch tegenover het ongedierte. Er is geen menselijke categorie. In zinnen lees je hoe de meest rechtse en mensonwaardige ideologie het huidige politiek-correcte denken ontmoet. Over de roman hangt een wolk van onrust, onzekerheid, de lezer ervaart de angst – die hij kent van zijn eigen leven.

Er is de onverschilligheid tegenover de ander, hij die dient, hij en zij die knecht en meid zijn. Een figuur, een artistiekeling, wordt min of meer sympathiserend beschreven. Zijn onverschilligheid tegenover een verkrachting die op nauwelijks enkele meters van hem gebeurt, is onthutsend. Zo staat een boer te kijken op zijn konijnen.

De roman is in 2012 in Nederlandse vertaling verschenen, in 2016 is er een derde druk gekomen. Voor een onbekende schrijver, voor een kloef van 670 bladzijden een waar succes. Maar dit boek, Geteld, geteld, is slechts het eerste deel van een trilogie. Er is geen vervolg op dit werk aangekondigd. Hoe onbegrijpelijk dit is, daar wil ik het niet meer over hebben, alleen dit: een uitgeverij die met twee (terechte) subsidies van het Nederlands Letterenfonds is geholpen, zou wel wat meer daadkracht aan de dag mogen leggen.

Zeker, een roman in de traditie van de 19de eeuw, maar met moderne inzichten reeds, met een nieuw levensgevoel al bijna, een geest die de vorm soms tegenwerkt en de vorm die een geest wil modelleren – de geest ontsnapt door de ironie. Zinnen opsporen die tonen welke crisis gaande is.

Een ‘oude roman’ bevat levenswijsheid, de auteur is niet bang om algemeen-menselijke wetten te stellen, soms aforisme-achtig, soms genadeloos scherp. Er gaat een troost vanuit, maar ook een appèl aan wat moet, aan wat menselijk is. Niet de chaos moet verbeeld worden, de chaos moet overstegen worden. Zo overstijgen realistische romans de realiteit duizendvoudiger dan de realistische romans – u moet zelf de tijdsaanduiding toevoegen.

Een politiek systeem dat vergaat onder het juridisme, waar eerkwesties dood en leven bepalen, waar het duel een normale zaak is maar wel gereduceerd wordt tot een belachelijk ‘aanraken’, waar vertegenwoordigers alleen zichzelf kennen, waar politici vervreemd zijn en zichzelf bedienen, waar het systeem door en door vermolmd is en waar men met blinde ogen het nazistisch beeld oproept – zoals vandaag dus. En toch niet hetzelfde, maar de menselijke waan, dwaasheid, arrogantie veranderen van vorm en inhoud en zijn naar vorm en inhoud toch gelijk. Als de domheid regeert, dan zal de domheid zegevieren. Hoe een individu die het al bij al toch goed meent, door een systeem vermorzeld wordt – de doem in een tijd, op een plaats te moeten leven. Of is het de domheid van de macht die we lezen, de macht die steeds hetzelfde is, uit op wraak, uit op geld, steun zoekend bij andere dommeriken, ach, noem hem Erdogan, noem hem Trump, noem haar May, laat me niet een binnenlandse vijand met naam moeten noemen, potentaten. Hoe klein hun gebied ook is, niet creativiteit is hun kenmerk, maar steeds weer dezelfde domme kracht: vernietig de ander, dan ben ik groot.

Een boek waarvoor het woord fresco bestaat: politiek, maatschappij, individuen, groepen, anderen, natuur: alles wordt in de vuist van de schrijver gebald, hij is heerser, hij laat zijn poppen dansen in een strikt ritme, het gezelschap stelt hij zelf samen, onontkoombaar op weg naar het einde.
[…] en ze eisten van alles en op allerlei niveaus : er moest een volledig eigen Hongaarse strijdmacht komen, of ten minste Hongaars gesproken militaire commando’s, maar op zijn minst toch wel sabelkwasten in de Hongaarse driekleur.

Het kostte pijnlijk veel zelfdiscipline om zich niets meer aan te trekken van andermans meningen.

[…] toen hij dit alles de revue liet passeren in langzame, opeenvolgende gedachten zoals beperkte mensen plegen te doen.

Met de wijsheid van mensen die enkel op hun instinct kunnen  vertrouwen, had hij nog diezelfde dag vastgesteld dat hij op de sympathie van Judith Milόth mocht rekenen, […].

En er was stilte, onpeilbare stilte.

De volgende dag al was alles anders! Alles wat hij gezegd had, was helemaal anders, alsof het maar een verhaaltje was geweest, zomaar, verhaaltjes!

[…], had oom Louis zijn eigen kamers succesvol beschermd tegen de stilistische dweepzucht van zijn echtgenote. Hij was gehecht aan zijn gebruikelijke comfort en gaf geen sikkepit om de heersende mode.

[…] en de ophef hierover is bijna onbegrijpelijk, tenzij iemand zich achteraf verdiept in het kunstmatige wereldje dat mijlenver van de realiteit van het dagelijks leven stond en vervuld was van juridische frasen en haatdragende retoriek waar de meeste Hongaren in die tijd door beheerst werden.

[…] en er klonk een duistere profetie: ‘Als het land nu niet tot bezinning komt … volgt straks de ontnuchtering en het ontwaken na de bittere ervaring van een grote nationale ramp!’

Hij voelde plotseling een hevige weerstand tegen dit alles. Wrang en teleurgesteld verliet hij de zaal.

In die tijd was dat zeer ongebruikelijk, men droeg hoogstens een monocle of in het ergste geval een nauwelijks zichtbaar lorgnet. Maar een bril!? Dat was een regelrechte provocatie. Dit was een uiting van soberheid, pretentieloosheid, werkmansgeest en een moderne wereldbeschouwing. Ook zijn bewegingen onderschreven dit. Hij liep enigszins log, boers en zijn donkerblauwe kleding was volledig gespeend van elke opzichtigheid.

[…] maar het ergst van al was het hoogmoedige gedrag van het bedienend personeel op het kasteel. Hun minachting was voelbaar wanneer hij als enige in een ruimte verbleef : in zijn aanwezigheid bleven ze niet als starre beelden staan, maar gingen ze gewoon zitten en praatten ze zelfs met elkaar, […].

Deze vormweelde en materiële overdaad gaf een uitzinnige en onrustige indruk die echter opgeheven werd door het gulzig neergolvende licht uit de kandelaars  op tafel en de lampen aan het plafond waardoor het geheel vereenvoudigd werd tot een schitterend geheel.

O! Jij schijnheil! lachte Magda hem toe, en in haar stem klonk de blijdschap van een jong meisje dat iets ondeugends zegt, waar ze eigenlijk niets van mag weten.

een niet te vertellen sprookje

In een ver land in een ver verleden met mensen, enfin, toen er nog geen civilisatie was. Alle gelijkenissen met de werkelijkheid zijn geheel toevallig en door de auteur uiterst ongewenst. Zoals Vuile Mong het zong: Het is Jean-Pierre. Altijd.

Moe, verzadigd en welgedaan, maar vooral gelouterd, men rijdt op de terugweg, men rijdt over bergen, men rijdt door waterwegen, men rijdt door de huizen, men fluit, men boert, men jubelt. Verschillende auto’s na elkaar, met elkaar verbonden door de nieuwste technologie, de stad staat voor niets, is bekend in al de omstreken om haar vooruitstrevendheid, alle auto’s zijn uitgerust en beveiligd tegen hackers en ethiek.

T : Er is maar 1 woord voor.
X : Eén woord, dat is weinig voor jou. En wat mag dat zijn?
T : Gelouterd, ik voel me gelouterd. Het is precies dat ik naar Lourdes geweest ben, wel wat zwaar op de maag, maar dat lost zich vanzelf op.
F : Maar natuurlijk, gelijk al de rest.
T : Ik vind dat allemaal toch geen slechte zaak. We gaan de boel opkuisen en anders organiseren. Het is goed dat het gebeurt is, we hebben onze moed getoond. Er waren ook veel kameraden die op een postje zaten te wachten maar we hadden niets meer, je kunt niet blijven vzw’s schrappen, andere oprichten, die schrappen en de oorspronkelijke weer oprichten, aan alles komt een eind en dat kost ook geld hé.
F : Maar het blijft wel in de familie hé.
T : Ja, het is waar. Maar luister. Als we een cumulverbod instellen, niet een totaal hé, een hoofdambt en hier en daar nog een jobke, laat ons zeggen 3, dan kunnen we toch veel meer mensen bedienen, ons netwerk wordt groter, ons draagvlak breder, de afhankelijkheid aan de aperij groeit en als we de volgende keer er niet bij zijn zijn we er toch bij.
F : Ja, maar de mensen kennen ons en ze zullen niet op ons stemmen.
T : Kom kom, de mensen hebben geen memorie. Ten andere, we kunnen toch ook koppels inzetten. De een heeft een politiek mandaat, de ander is sterk in grond, nog een ander in pr, weer een ander in geldzaken, enzovoort. We moeten de namen niet noemen hé, het netwerk, de relaties die zijn belangrijk. We moeten ons verfijnen, doubleren en verdrievuldigen.
F : Ja, dat is waar. Maar het geld hé, de mensen klappen toch vooral van het geld.
T : Ja, ’t is waar. De dommeriken. Het gaat ons niet om het geld, wat zouden we daarmee doen? Driedubbel zacht wc-papier kopen? Wij gebruiken ander papier hé? Maar als we nu een verhoging zouden invoeren, de mensen gaan dat verstaan, langs de ene kant wat minder en langs de andere kant wat meer, dat gaat wel weer marcheren. Er zijn toch nog onkostenvergoedingen mogelijk, belastingvrij, een forfait hier en een forfait daar, we kunnen mekaar toch bonnetjes geven en voor overnachting in Cannes hebben we ons adres, of twee.
F : Drie.
T : Ah, da’s goed nieuws. Het is dus gelukt? Proficiat. Ik moet het niet weten, hé.
F : Merci, ’t is niet echt in Cannes, er iets buiten, er komen minder mensen daar.
T : Gij zijt een klein crapuulke hé, ik heb dat graag, zo kan ik doen dat ik schone handen heb.
F : Maar toch, dat geld, in deze tijden? Een gewone mens heeft niet zo veel hé, wij hebben er zelf voor gezorgd.
T : Tuttut, luister. We doen een geste. We hebben ons hoofdambt en nog een beetje anders en met het minste doen we een gift. Aan bijvoorbeeld een ziekenhuis of een sociale instelling of een bouwmaatschappij, you name it,  daarmee verplichten we hen aan ons en wie weet vragen ze ons ook in het bestuur. Zeker weten. Ten andere, veel van die verenigingen hebben geen expertise in huis, wij gaan daarvoor zorgen, wij hebben ze zelf benoemd en we weten ook waarom. Veel van die sociale en andere instellingen gaan zich professionaliseren, ze moeten hier een huizeke verkopen, daar een kotje bijbouwen. Ze hebben een  computer nodig, meubels, behangsel, ze willen een feestje geven. Awel, wij kennen veel mensen en wij zijn ook de politiek. Wij gaan hen helpen. Het is interessant om te weten wat zij gaan doen, wij kunnen dat dan ook doen. Peins een keer op de zonnepanelenactie, ze weten nog niet dat wij daarachter zitten. En die velo’s, hetzelfde. We moeten dat uitbreiden naar waspoeder. En appels. De politiek, dat is voor de tv. Het is wat daaronder zit, daar gebeurt het. En laat dat onbetaald zijn, dat verdient zichzelf wel weer, het is een kwestie van schuiven hé. De een doet iets voor een ander en dat betalen houden we daarbuiten.
F : En ondertussen zijn wij overal thuis. Het huis is van ons. Maar de grote fout vroeger is geweest dat ze die structuur in de politiek gestoken hebben. Wij doen dat nevens de politiek, de politiek heeft daar niets meer mee te maken. Als de wereld een kotje is, dan hebben wij een bunker. En we gaan verder daarvoor subsidies aanvragen en als we dat dan in een NV steken, met daaronder een vzw, en we steken dat in een constellatie van gelijksoortige zaken dan kunnen we niet alleen …
T : Mi amigo! 

Het koor in de andere auto’s : VIVA SICILIA !!

vzwasbl – voluski zimouziani wolkemorsenki azemath samsamen belisame lateruit / asblvzw – azemath samsamen belisame lateruit voluski zimouziani wolkemorsenki

hun reëel socialisme

Gezien de omstandigheden, er zijn te veel ambtenaren die gesproken hebben, te veel simpelen van geest die de diefstallen beu zijn, te veel burgers die een republikeinse moraal hebben, er zijn ook nog socialisten die gemeld hebben dat dit toch niet past. Uitzonderlijk komt het Politburo van de beide socialistische partijen samen, verenigd, geassocieerd. Als blijk van het bewustzijn van de ernst van de situatie, zijn er vandaag geen boterkoeken, maar wel pistolets met zalm, gedrenkt in champagne, op een bedje van bladerdeeg en gelardeerd met enige korrels kaviaar met een rode toets van kerstomaat. Iedereen krijgt een bonnetje om nadien op de Grote Markt, La Grande Place, een avondmaal te nuttigen, met voorgerecht, nagerecht, drank inbegrepen en voor moeder thuis een doosje pralines. Voor de mannen thuis een dasspeld, met een steen speciaal geslepen door de Cubaanse vrienden die toch niets anders te doen hebben. Er is niets.

C : Genoeg, het is genoeg.
D : Oui, ça suffit.
W : Pour maintenant.
V : Ze lachen met ons. (Geladen stilte) Dat is niet schoon.
S : Dat is niet skoon.
O : Morguen ist werr un dagk. We zullen kijken. Maar wij hebben ook kinderen. Enfants. En emoties. En ze hebben het al zo lastig zonder ons en met ons. We mogen toch iets doen voor hen? Wat zou dat anders kunnen doen?
C : Kameraden, er moet iets gebeuren.
Koor : Ja, Oui. Pourquoi?
O : Maar wat is de probleem? Ik bekrijp niet. Er zijn tok nok dachlozen? We hebben ze tok niet opkeketen?
C : Ik stel voor
T : Hela niet te rap hé, weet jij dat wij niet anders doen? Hoe zouden wij anders kunnen werken?
C : Euh, wa? Allé?
T : En natuurlijk, wij doen dat ook, gelijk onze broederkens en zusterkens, of anders zit de oppositie in al onze papieren te kijken. En het volk! Het zijn andere tijden hé. Luister, we gaan zo vooruit en natuurlijk de prijs is voor ons marktconform.
O : Et voilà, et voilà, c’est un grand homme qui a compris.
D : Mais oui, mais pourquoi zo openlijk ?
T : Niets open, on a demandé les oppositions de nous retravailler et compromisser et voilà comme ça. Luister. We moeten onze macht niet laten breken hé. Ik geef een voorbeeld. Een exemple. Een OCMW-voorzitter verkoopt alle gronden, alle huizen en al het bezit, een beetje stad is rijk, dat is van eeuwen ver, erfenissen die niet verdeeld geraken, zaken die we toegejuicht hebben, schenkingen voor de arme mensen, een schilderijtje hier en een beeldeke daar. Enfin, de stad was rijk. Maar niemand weet dat en als iemand het weet roepen we uit: de grijze generatie! De veroudering! Iedereen comprit dat.
O : Sûrement, moi aussi.
T : Met dat geld zetten we serviceflats, maar volgens de normen van de sociale woningen hé, gelijk dat de echte stamboekers het weten, onze normen dus, dit betekent alles iets minder en iets meer voor ons. Niet voor ons hé! De Partij! Wij zijn de Partei hé.
O : C’est un grand homme qui peut parler comme ça.
T : En heel dat gedoe steken wij in een vzw waar iedereen verenigd is, maar wij natuurlijk meer, wij zijn dat gewend, wij verenigen ons in alles. Dus, komt dat allemaal ten goede aan de partij. Dus aan ons. En wij verdelen een beetje, iets voor de caloten, iets voor de zwarten en iets voor de blauwen. En wij trekken aan de touwtjes. Wij zijn het brein! Iedereen zegt dus van de stad, maar ’t is niet waar, ’t is van ons. Dat is een vzw, en soms een nv, of iets anders. Als het maar rijdt voor ons, is het rijdt.
O : Mais oui, nous ne sommes pas Johnny Holiday hein ? Hein ?
D : Et kroen? Vert?
T : Die zijn te dom, dat kunnen we hen niet aandoen. Ten andere, die zijn ook wij hé. Ze zitten op onze boot.
C : Dus allez, ik heb gezegd dat de vzw’s allemaal moeten afgeschaft worden en jullie zeggen nu…
T : Voor sommigen komt de leeftijd toch laat hé?
C : Maar wat kunnen we dan doen?
T : Een traantje plengen en voortdoen, tiens.
D : Mais, moi, je pense
O : Trop tard, trop tard.
D : Nous devons, we moeten
O : Mieten ? Voor het mieten ies het parade passé.
C : Maar we moeten toch iets doen voor de mensen ?
T : Maar de mensen dat zijn ook wij! Wij hebben het ook lastig hé. Ik stel voor dat we een minuut stilte houden voor onze kameraden die op het veld van eer gesneuveld zijn en die we niet zullen vergeten en zullen eren tot in lengte van dagen. Ook als het vroeg donker is hé. Graptje, gasten, graptje. Altijd zo serieus gulder. Allé, nu zwijgen en we denken aan I en zijn papegaai.
O : Zwijken? Eén minuut? C’est langhk!

Na 21,5 seconden:

M : Alors, j’ai décidé…
D : Mais, c’est moi
M : Que pensez-vous d’un autre nom ?
C : Schitterend ! Subliem ! Ik had er ook aan gedacht maar nog niet gezegd !
T : Ik ken een klein bureautje, een startup zogezegd, in een verlaten gebouw van ons, enfin van de stad, ik ken een paar gasten, enfin meisjes van dat groeptje en we zouden
O : Ah non. Non. Non. C’est parbleu pour les flamands ? Non, c’est pour nous tous ! Alors, bruxellois !
M : Camerades, kameradski ! Serieus zijn hé. Ik stel voor dat we geen verdoezeling meer gebruiken, dat we zeggen waar het op staat, de mensen willen transparantie, klaarheid, helderheid, duidelijkheid en we moeten een halt toeroepen aan het populisme.
W : Maar populisme is het volk hé.
C : Ja, populo, populare, pombloere, poepeloere, ah nee, dat laatste is geen goede verbuiging, zeker?
M : Ook de waarheid, we moeten denken aan onze toekomst en van het volk. Daarom we gebruiken de naam zoals we zijn en ik stel voor dat we een internationale solidariteitsactie in het leven roepen onder de naam wie we zijn: vzwasbl.
W : Wablief? Ik ga me toch weer niet snijden bij het scheren van wat ik allemaal op de radio hoor?
O : Ah non. Non. Non. C’est : Asblvzw.
M : Er is wel nog een probleem. Un petit problème. Wat moet dit allemaal betekenen? Waarvoor staan wij nu eigenlijk? We moeten toch iets van een program hebben voor later, op de congressen en de gazetten. We moeten creatief zijn
T : Enfin, dat bureautje zou
M : en voor elke letter iets serieus vinden om alzo de mensen te zeggen dat we ze serieus nemen en dat we ons leven zullen beteren voor hen. En ook voor ons. Maar anders.
T : Ja, weet je wat, ik heb een sms naar dat bureautje gestuurd en ze hebben een sit-in in de etalage van de pop-up geïnstalleerd en voilà hier is het voorstel.
O : Déjà?
T : Naturellement, nous sommes des flamands! Nous sommes tous des flamands nationaux! Stille werkers als het stil moet zijn en luide voor het volk, dat ze ons horen hé. Leute en pleute.
M : Et ça signifie ? Je popel.
T : Een momentje, ik ga eerst mijn zakdoek nemen, ik ben bewogen en nu kan ik mijn toestel lezen, ik heb die gasten ook al direct een antwoord gestuurd. Zeg, voor die factuur die ik zal sturen, is dat nog steeds Kosterlaan? Avenue quoi? Op die factuur zal mijn rekening staan, enfin van mijn NV, maar ik zal dat dan wel doorstorten hé. Dat komt allemaal in orde. En nu luister. Ah nee, wacht. Er is ook nog een basislijn, ik zal daarvoor een aparte factuur sturen, dat is een extra hé, dat begrijp je, ik zal het voor een prijzeke doen, gelijk dat wij zeggen, onder kameraden hé. Hier zie, spat jullie oren open:
Voluski zimouziani wolkemorsenki azemath samsamen belisame lateruit. Wacht met klappen, geen applaus. En de baslijn is: C’est nous – ’t Is wij / Pour nous quand-même / Door ons – Voor uwij
Koor : Nous sommes plat achterovergevallen.
O : C’est très intéressant, c’est peut-être un peu trop chic mais c’est quand-même aussi un peu bobo, c’est pour mon chéri, tu comprends ? (Knipoogt naar W.)
D : Oui, c’est pour tous.
T : Dat gaat Dewever mogen uitleggen, hé, hij zal meer dan 1 woordenboek nodig hebben.
O : Zijn Citatenboek van Verschueren, ’t zal er deze keer niet instaan.
M : Maar misschien was dat woord, ik weet niet, of saucisse of misschien toch socialement of socsocsoc comme toktoktok gewenst, ik stel maar voor hé.
T : Allé gasten, niet flauw doen hé, wie van jullie weet wat dat socialisme betekent? We noemden ons vroeger alzo, maar wie geloofde dat?
Koor lacht smakelijk, knikt bevestigend en van de grap slaan ze op elkaars schouders. O. legt haar hand op W.’s knieën, vrolijk knijpend.
M : Oui, c’est démodé, c’est comme Frank a dit, c’est passé, nous sommes l’avenir.
O : On dit (hikkend van het lachen) : socialisme! En Flamand! Socialisme! En Français! Socialisme ! On rigole hein! Pour la vitrine, oui ! Nous sommes dès maintenant comme nous sommes: Azemath samsamen belisame lateruit voluski zimouziani wolkemorsenki.

En luid scanderend (Voluski zimouziani wolkemorsenki azemath samsamen belisame lateruit / Azemath samsamen belisame lateruit voluski zimouziani wolkemorsenki) trekken ze naar de Grote Markt alwaar hen een smakelijke, eenvoudige, voedzame maaltijd wacht.

O: Tiens, mon I, vous aussi ici, ah, avec ton beau porte-monnaie, je vois. La jolie ! Venez ! Avec nous. Alles is veranderd dès maintenant ! Et nos problèmes foutchi ! Comme samsamsalebim.
I : Bim, bam, beieren, nous sommes des eieren !

En iedereen, draaiend met de handen in de lucht: Bim bam beieren, vivement nous-mêmes!

banden (42b)

Een vervolg van sfcdt-banden 42, met enige hulp van Paul Claes.

Romeinse sarcofaag, midden 2de helft na (British Museum) : de foto is niet groot genoeg om het echt goed te zien maar er is een kleine pisser rechts onderaan te zien, de sarcofaag toont Bacchus en Ariadne, de foto is slechts de rechterhelft van het tafereel

banden_de pisser 2_01_romeinse sarkofaag_midden 2de eeuw na

Hercules mingens, Romeins, 1ste eeuw voor

banden_de pisser 2_02_hercules mingens_1ste eeuw voor

Anoniem, Afrikaans beeld

banden_de pisser 2_03_Afrikaans-beeld-trommel

Anoniem, Sacristie van de Santa Maria del Fiore (Firenze)

banden_de pisser 2_04_florence_sacristie_santa maria del fiore

Anoniem, Drolerie, Morgan library, New York

banden_de pisser 2_05_morgan library new york

Jeroen Bosch, De marskramer (detail), 1493

banden_de pisser 2_06_jeroen bosch_de marskramer

Giulio Romano, Putto (sala di Psyche, Palazzo del Te, Mantua), 1ste helft 16de eeuw

banden_de pisser 2_07_giulio romano_putto, palazzo del te mantua

Titiaan, Bacchanaal van de Andriërs (Prado, Madrid), 1519

banden_de pisser 2_08_titiaan_bacchanaal

Lorenzo Lotto, Venus en Cupido, 1530

banden_de pisser 2_09_lorenzo lotto

Hans Baldung Grien, Sileen en putti, omstreeks 1520

banden_de pisser 2_10_hans baldung grien_sileen en putti, 1520 omstr

Hans Baldung Grien, Wildpferde (2/3), 1534 (past hier niet, doch ook dit: in beelden is niet altijd duidelijk of er geëjaculeerd of gepist wordt, schilders en tekenaars doen soms hun best om de ambivalentie te bewaren, zo is op de 1ste prent in deze reeks een ‘voyeur’ aanwezig, zoals dit op meer menselijke schilderijen soms ook gebeurt (zie bij François Bouchet waar een gluurder door het raam gluurt) – de stoutmoedigheid erend)

banden_de pisser 2_11_hans baldung grien_wilde paarden_1534

Pieter Bruegel, Spreekwoorden – Pissen tegen de maan, 1558

banden_de pisser 2_11d_bruegel_spreekwoorden_1558_pissen tegen de maan

Pieter Bruegel, Kinderspelen, 1560

banden_de pisser 2_11b_pieter bruegel_de kinderspelen_1560

banden_de pisser 2_11c_pieter bruegel_de kinderspelen_1560_detail

Jacobo Zucchi, Het gouden tijdperk, 1575

Pieter Brueghel de Jonge, De kindermoord te Bethlehem, 1586-1590

Hendrick Goltzius, Homo bulla, 1590

banden_de pisser 2_15_hendrick goltzius_homo bulla_1590

Jean Goujon, Fontaine des Innocents (Paris), 16de eeuw

banden_de pisser 2_16_fontaine des innocents_paris

Fontaine d’Amboise (Clermond Ferrand), 16de eeuw

banden_de pisser 2_17_fontaine-d-amboise_clermont-ferrand

Guido Reni, Putto, 16de eeuw

banden_de pisser 2_18_guido reni

Anoniem, naar Maarten van Cleve, Trouwfeest in het dorp, 16de eeuw

banden_de pisser 2_19a_naar maarten van cleve_trouwfeest in het dorp_16de eeuwbanden_de pisser 2_19b_naar maarten van cleve_trouwfeest in het dorp_16de eeuw_detail 1banden_de pisser 2_19c_naar maarten van cleve_trouwfeest in het dorp_16de eeuw_detail 2

Denijs Van Alsloot – Hendrick De Clerck, De lente, 1612 (pissen of masturberen ?, zie ook Jeroen Bosch, De marskramer)

Cornelis van Poelenburgh, Scène pastorale avec un pisseur parmi les ruines, 1621-1623

Rembrandt, Ganymedes, 1635

banden_de pisser 2_22_rembrandt_ganymedes

Pieter-Paul Rubens, Het pelsken, 1635 (foto KUL, restauratie toont rechts een ‘verborgen beeld’)

banden_de pisser 2_23_rubens_het pelsken_kul

Eustache Le Sueur, Poliphilo in het badhuis met nymphen, 1636-1637

banden_de pisser 2_24_Eustache Le Sueur, Poliphilo at the Nymphs' Bath, 1636-1637

David Teniers II, De rokers, 1633

Teniers II, David, 1610-1690; The Smokers

David Teniers II, De roker, 1645

banden_de pisser 2_26_david teniers_de roker_1645

Pieter Brueghel de Jongere, Pissen tegen de maan, 16de-17de eeuw

banden_de pisser 2_27_bruegel de jongere_pissen tegen de maan

Pieter Brueghel de Jongere, Kermis met theater en processie, omstreeks 1637

Pieter Brueghel de Jongere, Huwelijksdans, 16de-17de eeuw

banden_de pisser 2_29_pieter brueghel ii_huwelijksdans_16de eeuw

Jan Brueghel II, Satire op de tulpengekte, 1640

banden_de pisser 2_30_bruegel de jongere_satire op de tulpomanie

Luca Giordano, Batsheba, 17de eeuw

banden_de pisser 2_33_luca giordano_bathseba_1634-1705

Louis de Moni, Herbergscène, naar David II Teniers, 18de eeuw

banden_de pisser 2_34_louis de moni, naar David II Teniers

Giuseppe Maria Crespi, Scena di cortile (Landelijke scène), 1710-1715

banden_de pisser 2_35_giuseppe maria crespi, scena di cortile 1710-1715

François Boucher, La toilette intime, 1760

banden_de pisser 2_36_francois boucher_1760_la toilette intime

Jean-Jacques Lequeu, Ah ! Elle s’écoute, circa 1790

banden_de pisser 2_37_j.j. lequeu

Frans Masereel, Mon livre d’heures, 1919

banden_de pisser 2_38_Frans_Masereel_(1919)_mon livre d'heures

Pablo Picasso, Les Baigneurs (derde van links), 1956

banden_de pisser 2_39_pablo picasso_the bathers_the fountain man(3de van links)

Peter Greenaway, The draughtsman’s contract, 1982

banden_de pisser 2_40_peter greenaway_the draughtsman's contract

Ironimus, Thomas Bernhard und Austria, 1988, (Die Presse)

banden_de pisser 2_41_ironimus_thomas bernhard_1988_die presse

Dino Battaglia, Georg Büchner – Woyzeck, 1990

banden_de pisser 2_42_georg büchner_woyzeck_dino battaglia_1990

Pierre et Gilles, Pisseur

banden_de pisser_2_43_pierre et gilles

Toen ik die boog daar had geürineerd
en ik het zonlicht er in ving, prees ik intens,
ver van de wijsheid, die mij was geleerd:
Wat schoon kristal is er toch in de mens!
En in extase voor het lieflijke geluid:
Welk een muziek gaat van de mens toch uit!

Pierre Kemp, “De la musique avant toute chose”

‘[…]
tot Eros langs komt op de brug.
Hij pist op ons en op de vissen in de maan van het water.’

Hugo Claus, Steeds IV, Steeds, 1990 (zie Bruegel)

laatste zinnen (103)

laatste zinnen_103

Ik sluit mijn ogen om te slapen.

Marlene van Niekerk, Agaat, vertaald door Riet de Jong-Goossens (2006)

j.b.w.p.

j b w p het leven van johan-polak-koen hilberding

Met verbijstering lees je deze zin: ‘De biografie J.B.W.P. : het leven van Johan Polak (Van Oorschot, 2017), geschreven door Koen Hilberdink is een prul’.

De uitgever Johan Polak heeft een mythische naam bij een deel van de letterkundige republiek in Nederland en Vlaanderen: eindelijk iemand die het vuige geld voor cultuur, hoge cultuur, reserveerde en ons die prachtige boeken gaf en een paar prachtige winkels opende en in stand hield. Dit is waar maar evenzeer eenzijdig. Wie dit zegt, begrijpt zichzelf niet: als iemand als Polak zoveel eigen geld in die klassiekers moest steken, betekent dit dat die literaire republiek te weinig van die boeken kocht om de reeks zelfstandig te houden, zelfbedruipend te maken. Als een cultuur van eenlingen moet afhangen, is er geen sprake van civilisatie.

Koen Hilberdink beschrijft het leven, daarom is dit een biografie, van Johan Polak: zijn rijke afkomst, zijn oorlogsjaren die ingrijpend waren om een levenslange herinnering te bewaren, niet alleen aan de nazibeesten maar het gevaar van de ‘normale’ medeburger te vrezen – elke lafaard is een collaborateur, het antisemitisme heeft zich vermomd in een antizionisme, het bestaan van ‘de Jood’ is nog steeds een doorn in het oog van de ander, zoals de geschiedenis bewezen heeft en nog niet geëindigd is. Polak erkent zijn homoseksualiteit, door en met zijn geld zal hij een aantal organisaties steunen die voor de normalisering van de seksualiteit zullen ijveren. Hij is iemand die de emancipatie gefinancierd heeft – maar niet te ver, niet te veel. Er wordt beschreven hoe hij zich wil inwringen in de literaire scene, hij mist de vernieuwing, die heeft hij een leven lang versmaad, zijn literaire smaak, kennis en inzicht kunnen betwijfeld worden, hij ontmoet Geert van Oorschot en pikt van hem enige ideeën. Hij wordt verliefd op Rob van Gennep (de liefde is niet wederkerig) en ze beginnen samen een uitgeverij. Ondertussen koopt hij seks en vriendjes. Langzaam groeit het fonds van wat geworden is Athenaeum – Polak & Van Gennep, Polak geeft nog meer geld uit en hij sterft vroeg maar verwacht, de familieziekte is het hart.

Koen Hilberdink beschrijft vooral de seksuele kant van de uitgever, de namen die hij noemt, wilde ik niet weten. Toch is hij nog beschroomd: de verhalen die de ronde doen, zijn scabreuzer dan wat de biograaf neerschrijft. Hij schetst een beeld van de homoscene maar op een eenzijdige manier, vanuit het standpunt van Polak zelf. Een goede biografie neemt het tijdskader mee en schetst een beeld van de levensruimte. Toch is dit deel van het boek ook schrijnend: een rijke man die seks moet kopen, die geen affectie geeft of krijgt, die verliefd wordt op de verkeerde personen en die het grootste deel van zijn  fortuin verbrast heeft aan onnozele vriendjes – de grote cultuurminnaar Polak had nog veel meer voor de cultuur kunnen doen als hij zijn geld verstandig beheerd had. En dat geldt ook voor de uitgeverij: tijdens zijn leven heeft hij al de uitgeverij moeten overlaten, die was te verlieslatend, wat men aantrof overtrof dan nog de vrees, hij heeft geen stichting nagelaten, ook de erfenis is verbrast.

De conclusie van Koen Hilberdink is dat de boekhandel en de uitgeverij ‘Johan onsterfelijk’ maken. Dit gaat in tegen wat voordien geschreven is en is bezijden de waarheid – onsterfelijkheid vergaat. Bovendien spoort dit niet met het cultuurpessimisme van Polak: alles vergaat.

De literaire smaak van Polak, daarover kan gediscussieerd worden. Zijn grote held was Leopold, daarnaast stonden Boutens en Bloem. Bloem? Die magere dichter van slechts enkele regels, Bloem die geen enkel ‘af’ gedicht geschreven heeft? Hem op dezelfde lijn plaatsen als Leopold? Bloem hoger schatten dan Adriaan Roland Holst? Wat is dit voor literaire smaak? Dat hij geen kwaliteit zag in de hedendaagse literatuur (hij heeft een enkele auteur als een genie naar voren geschoven, het genie heeft zich niet bewaarheid), zegt veel over de angst van Polak die slechts in de zekerheid van de canon een geborgenheid vond. Wat ook gemakzucht is.

De beste hoofdstukken in het boek zijn die over zijn Van Gennep-periode en de relatie met Van Oorschot – alhoewel Hilberdink niet kan schrijven dat Polak de ideeën van Van Oorschot schaamteloos overgenomen heeft – maar dat is zo omdat deze lezer ook de biografieën van de andere uitgevers gelezen heeft en daardoor enige context kan zien.

Deze biografie lijdt onder een gebrek aan inzicht en intelligentie, ook een sociologische visie ontbreekt. Wat Hilberdink een grote verdienste noemt, de uitgeverij, wordt slechts zeer gedeeltelijk ontgonnen – de boekhandel komt er beter vanaf, naar waarschijnlijkheid omdat hij veel van die mensen kende. Maar hoe is die reeks klassieken ontstaan? Wie bracht de titels en de auteurs aan? Gaf Polak vertaalopdrachten of kwam men met voorstellen? Hoe is die reeks Latijnse en Griekse auteurs ontstaan? De opdeling in reeksen (pseudopockets als ‘Kleine belletrie serie’ wordt nauwelijks vernoemd of in een kader geplaatst) heeft een doel gehad, maar welke, hoe is dat fonds onderverdeeld? Die intellectuele biografie interesseert de biograaf niet (of toch veel minder), het moet een chronique scandaleuse zijn, en dan nog één waar de auteur de indruk geeft meer te weten dan hij schrijft. Ook de handel wordt niet of nauwelijks ontgonnen: het zou interessant zijn om het culturele klimaat te begrijpen waarin Polak ageerde om te weten hoeveel boeken er effectief verkocht werden, hoeveel ze kostten, wat baten en winsten waren. De harde feiten dus, het cijferwerk. De boeken waren doorgaans slecht geredigeerd – wat was de wetenschappelijke verdienste van die boeken? Heeft Polak geld uit de uitgeverij genomen (hoe zat die wisselwerking huizen kopen-uitgeverij in elkaar) of er enkel geld ingestoken? Hoe hard was het verlies dat Polak geleden heeft als hij op het einde van zijn leven zelfs manuscripten van schrijvers moest verkopen – wat ondanks de hoge prijzen (soms) niet een leven of een handel kan bekostigen? Wat zijn dat allemaal voor zaken die niet geduid worden? Een leven wordt beoordeeld aan de hand van feiten, niet alleen via de reputatie die het personage al dan niet zelf gecreëerd heeft.

De bibliotheek van Polak had een mythische naam, vooral ook hier als chronique scandaleuse, boeken mochten niet aangeraakt worden, moesten strak in het gelid staan, verschillende exemplaren van eenzelfde titel waren aanwezig, de fetisjistische bibliofilie dus, niet de inhoudelijke, de boekwetenschappelijke kant. Na de dood van Polak werd zijn bibliotheek van oude drukken door Buynsters getaxeerd, Piet Buynsters die we kennen van zijn oeverloos, grondloos en inhoudsloos getater – wie is verantwoordelijk om zo’n expert aan te duiden?, en hij vond die bibliotheek grotendeels ‘teleurstellend’ – wat van Buynsters een late wraak was voor de minachting die Polak hem toedroeg: zijn  schrijven typeerde hij als ‘eindeloos gerekt’, ‘vervelend’. Ik sluit me aan. Aan dat soort beweringen hebben we weinig, waarom werden de veilingresultaten niet geanalyseerd, waarom werd het verstrooien van die bibliotheek niet in de biografie opgenomen?

Polak wordt als bibliofiel getypeerd maar in deze biografie komt dit nauwelijks naar voor: wat is voor hem bibliofilie en wat deed hij ermee? Het ‘hebben’ is namelijk geen bibliofilie maar verzamelzucht. Zijn samenwerking in de bibliofiele uitgeverij Astèr (waarover we het al eerder gehad hebben) wordt weliswaar vermeld maar slechts op een oppervlakkige manier. De rol van Ben Hosman in het leven van Polak wordt niet uit de doeken gedaan. Zoals wel meer biografieën is ook deze blind voor het werk van de anderen, terwijl de essentie van een uitgever juist de werkende contacten zijn.

Opvallend voor wie zo veel aandacht besteedt aan het relationele, is de mindere aandacht die besteed wordt aan de broer van Johan Polak, toch ook een erfgenaam met het vele geld; ook een stabiliserende factor geweest. Hilberdink schrijft dat deze op de begrafenis van Johan Polak kritisch was, maar welke kritiek hij gaf op zijn broer, mogen we blijkbaar niet weten. De relatie met Christine D’haen wordt als warm omschreven, maar inhoudelijk, wat was dat?

Johan Polak heeft een aantal boeken geschreven, een intellectuele analyse van dit gedachtengoed wordt niet gegeven, ja, er is de decadentie, er is het cultuurpessimisme maar wat was pose, wat echt, wat intellectueel al dan niet onderbouwd? – laat maar zijn, het moet lekker lekker lopen.

Deze biografie heeft geen nieuwe elementen opgeleverd, heeft de visie op Polak niet gewijzigd. Althans ik heb geen enkel nieuw element (in de betekenis van belangwekkend) gevonden: een samenraapsel van wat we al wisten en wat anderen al geschreven hebben. Het beeld dat Hilberdink nalaat is dat van een parvenu die zich overal met het geld van anderen heeft ingekocht (Polak heeft zelf geen geld ‘gemaakt’), een liederlijk leven geleefd heeft en  geld over de balken gegooid heeft (paarden van en voor anderen!). Is dit het leven van J.B.W.P. Polak geweest?

ochtendlijke dwalingen (2)

 

En dan verliezen, de orde, de mens, de lijn, de rede – van de almacht van de corruptie, de arrogantie van de domheid. En dit, de dichter Hans Lodeizen:

spinnewebben van
moeheid dragen over
grandioze zeeën zijn
ellendige hart, en toch
zal alles zo blijven