sfcdt

juni, jaloers

Д Hedendaagse clichés 22a: We erkennen dit leed.
22b. Wij.
22c. We koken met verse producten.
22d. We doen het voor u.

Д Nieuwe sukkelaars, 4: Pascale Platel: ‘Wie of wat zie je als je in de spiegel kijkt?’, wordt haar gevraagd.
“Hangt af van het moment, maar ik verplicht mezelf altijd om overtuigd ‘ik zie je graag’ tegen mezelf te zeggen.” (De Morgen, 22 mei 2021)

Д Nieuwe sukkelaars, 5: Katrin Van de Water heeft zich opgegeven voor de rubriek ‘Mijn geld’, een reeks in DS (29 mei 2021), een andere vorm van exhibitionisme. O, wat heeft ze het lastig en o, wat heeft ze al niet bereikt en o, hoe ze de zaakjes laat opknappen.
Katrin is 45 jaar, zocht zich een man maar niemand voldeed en dan liet ze zich in Spanje een kind zetten, dat is nu 2 jaar geleden en olalla, mama! Katrin is businesscoach, vandaar. Zelf coach zijnde, heeft ze
– een businesscoach – die haar uitdaagt
– een gezondheidscoach
– een fashion coach
– een financieel adviseur
– een klusjesman
– een poetshulp
– ‘iemand die drie uur per week voor haar kookt’.
Daarnaast bezit ze zes appartementen en ze verdient per maand, zegt ze, 2.300 euro – maar daarnaast nog ‘een serieuze som passief inkomen’ waar geen bedrag op gezet moet worden. Een onzelfstandig kind van 45 jaar dat een kind in haar eentje opvoedt – zo’n prestatie mag wel in de gazet gezet worden.
Deze ‘mens’ is niet een ‘merk’, ze is een bedrijf: ze wordt gemaximaliseerd, haar tijd moet efficiënt besteed worden; tijd waaraan geen geld verbonden is, bestaat uit verloren momenten, quality time is een van buiten uit opgelegde norm, een kind is een investering voor mama, niet alleen voor de toekomst maar ook nu, kijk een geldwolf kan ook gevoelens hebben, kom dus gerust bij mij zodat ik u nog meer kan uitzuigen, doelmatigheid en opbrengst staan centraal, van zichzelf heeft ze een product gemaakt, wat Karl Marx een koopwaar noemde, waaruit alle menselijkheid gezogen wordt.

Д Nieuwe sukkelaars, 6: Wim Opbrouck, o, maar dat is een authentieke mens, hij ziet er zo Vlomsch uit en hij is dik en hij spreekt dialect, dat is écht, hij behoort tot de creatieve, d.i. de mensenreddende sector. Toch heeft hij een persoonlijke manager, haar naam is Tania Berkovitch en ze smeedt haar ijzer wanneer het heet is. Op het gepaste moment iets of een mens in de markt zetten, wat merchandising errond, een podcast en een, kom, zeg het maar, misschien wel een boek, voor de foto zich niet scheren (Wim Opbrouck) en zij doet alsof ze geen zakenvrouw is. Het is voor de menschen dat we het doen. En dus, daar ligt die plas water, de Noordzee, een nieuwe bron om geld te verdienen, te sentimentaliseren en voorgoed, voorgoed, voorbij.

Д Kom wonen in het groen, roepen de makelaars uit. Ze bedoelen: ‘wonen waar het vroeger groen was’.

Д ‘Zelfs wildvreemden mag je knuffelen’ lees je in de zaterdagkrant. De schrik slaat je om het hart – zelfs buiten ben je niet meer veilig.

Д Zijn het de sociale media of is het het ongehoorde exhibitionisme dat oorzaak is van veel ellende? Al die ‘mediafiguren’ die hun ziel (of wat zij daarmee bedoelen) blootgeven om zich sympathiek te maken, het is daarom de taak van de bevolking, elke dag carnaval, om die onzin te doorprikken, die ideologische dwang te ontmaskeren, dat zichzelf als een merk in de markt zetten belachelijk te maken – dan toch een goed woord voor de sociale media. Vandaar de pogingen van het establishment om het spreken te doen vervolgen.

Д Sam De Wilde in DSL, 29 mei 2021: ‘[…] een bijwijlen heerlijk bombastisch bouwwerk dat ondanks de buitensporige erotiek toch vooral voor literaire orgasmes zorgt.’ Opdracht: speur de logica op.

Д Wat ooit vrolijk ‘een bonte menigte’ genoemd werd, is nu een opgelegde diversiteit geworden.

Д In De Morgen van 02/06/2021, een opinie van Freddy Mortier, logelid, ‘professor’ zonder geschriften, een verheerlijker van Wagner: ‘De VB-Vlaming zit liefst op zondag blank, heteroseksueel, getrouwd, monogaam in de kerk.’
– het Vlaams Blok zou tijdens verkiezingen 25% kunnen halen (tegen de volgende verkiezingen kan dit wel 30% worden), in 2017 (en dit zal nu nog minder zijn) was 9,42 % van de bevolking praktiserend katholiek, de kerk heeft met het Vlaams Blok niets te maken (integendeel: de katholieke kerk werd en wordt nog steeds met la Belgique verbonden), het aloude Vlaanderen is zelfs voor het Vlaams Blok geen kwestie, als we de cijfers ernstig nemen dan zouden er bij de overige partijen zeker geen praktiserende katholieken kunnen zitten: het is de professor zelf die met achterhaalde ‘observaties’ afkomt
– zolang ‘deskundigen’ zich met aloude, voorbijgelopen beweringen bedwelmen, bezwijkt de waarheid en wordt de vijand, het rechtse Vlaanderen van kapitaal, kerk, moskee en loge, het establishment, niet aangepakt. Men strooit zand in de ogen van de bevolking omdat men zelf niet denken kan en wil. En omdat men geen strategie heeft – heimelijk wil men de onvrijheid en de verknechting voor de bevolking, als het establishment maar kan doen wat het wil – overtuigingen spelen op dat niveau geen rol.

Д Een meisje van 14 jaar is uit het leven gestapt, na een verkrachting op een kerkhof in Gent, de beelden werden door ‘de bende van het Van Beverenplein’ verspreid. Even voor haar wanhoopsdaad had het meisje contact gezocht maar geen hulp werd geboden – immers, ook dankzij Frank Vandenbroucke, moet alles efficiënt georganiseerd zijn, dit wil in de praktijk zeggen dat alles ondermaats moet blijven, want onderbemand. Dat is fout 1 van de maatschappij. Fout 2 is natuurlijk die bende, de aanpak in Gent is traditioneel geen aanpak, maar alles wordt in watten gelegd, alles dichtgehouden want het merk Gent moet gevrijwaard blijven van smetten, zodat niemand, tenzij de leugen, gebaat is. De ideologie van het citisme is immers dat het niet alleen goed leven is in de stad Gent maar dat ook de Gentenaars (vroegers sprak men van inwoners – een duidelijke regressieve taalverandering) goed en bijzonder goed zijn. In de buurt zorgde die bende al lang voor overlast, de overheid en de jeugdwerkers en de straatwerkers en de hoekwerkers en de sociaal bureauwerkers, deden allemaal samen meer dan één oog dicht. Dat is fout 2. De hypocrisie is dan dat op een wake voor het meisje de burgemeester Matthias De Clercq en de premier Alexander De Croo minutenlang staan te applaudisseren ‘om het meisje te eren’ – applaus? Eren? Boven al die fouten staat deze hypocrisie: zij die de wanorde installeren, tot de gevestigde orde behoren worden nooit tot de orde geroepen.
Dat het om een ‘bende’ gaat, is niet zo uitzonderlijk maar een traditie: de bende van het Van Beverenplein tegen die van Malem: zo was het al van vóór Wereldoorlog II. Bij de enen spreekt men van een vriendengroep (Reuzegom), bij anderen van een bende.

Д Van een expert-paus gesproken, dat is Dirk Van Damme ongetwijfeld – als kabinetschef van de toenmalige minister van onderwijs, Frank Vandenbroucke, heeft hij het onderwijs mismeesterd, nu N-VA aan de macht is, prijst hij de N-VA minister Weyts – conclusie: Van Damme is al altijd een rechtse wolf geweest en dat hij nu nog steeds géén verantwoordelijkheid opneemt voor zijn misprijzen van de bevolking, mag hem en zijn partij zwaar aangerekend worden.
Volgens zijn (achteraf-)analyse was en de inspectie de schuldige voor de achteruitgang van het onderwijs, terwijl de inspecteurs slechts de blaffende honden van het beleid zijn.
Van Damme is hét voorbeeld van die rechtsen die de sociaal-democratie als een persoonlijke kruiwagen gebruikt hebben, na zijn pensioen zal hij nu, goed betaald en met geen kennis van zaken, ‘op een hoog niveau’ in Amerika gaan nadenken. Had hij maar nagedacht wanneer hij moest nadenken.
In DS (5 juni 2021) wordt hij geïnterviewd. In het begin zegt hij dat men in Vlaanderen ‘heel goed [is] in de identificatie van individuen […], maar erg slecht om dat voor grote groepen te doen. Dat is nochtans het doel.’ – dat is natuurlijk niet het doel: onderwijs is altijd een individuele zaak. Op het einde van het interview zegt hij het omgekeerde (zelf bewijzend hoe krom hij ‘denkt’): volgens hem heeft de corona-periode het onderwijs geen kwaad gedaan, buiten ‘Die groep van misschien 30, 40 procent [sic, een verschil van 10 procent – zie daar hoe men aan wetenschap doet] moet je individueel detecteren en met goede tutoring helpen.’ – ‘die groep’ (anders gezegd: ‘dat soort’) bestaat uit mensen die het moeilijk hebben, arm zijn, de zin van onderwijs niet snappen of niet willen begrijpen, moedwillig hun kinderen van onderwijs weghouden, spijbelende kinderen, mensen die aangespoord moeten worden, die de noodzaak concreet getoond moeten worden, die moet je dus individueel begeleiden. Dirk Van Damme heeft dat in zijn loopbaan steeds belet – liever stippelde hij een ideologische lijn uit, wetende dat hij zo het onderwijs inhoudelijk én organisatorisch kapot kon maken (de reorganisatie van de scholen in groepen, centralistisch geleid, is gebeurd onder het neoliberaal geloofsartikel van efficiëntie (besparingen : geld) – de derde weg van de aloude liberaal Frank Vandenbroucke, het schoothondje van Margaret Thatcher. En ook op het einde vermeldt Van Damme, wat hij eerder kapot gemaakt heeft: de kwaliteit van het onderwijs hangt af van de kwaliteit van de leerkracht – dus weer de individuele kracht. Het probleem is dat daarmee de democratisering van het onderwijs niet opgelost is: wat heb je met uitstekende leerkrachten als zoveel jongeren die in potentie kracht konden hebben niet tot in de scholen, de hogescholen of de universiteit geraken? De democratisering van de maatschappij gebeurt niet door het onderwijs, gebeurt in de maatschappij zelf, het onderwijs is slechts een middel en soms een lapmiddel, en voor experten-bedriegers een ‘schone opbrengst’.

Д Wat te denken van Joe Biden? Een minimumbelasting (waarschijnlijk landend op 15%) voor multinationals – dat is meer dan sociaal-democratie; dat alles maakt van Conner Lonner Wonner Rousseau nog meer een schertsfiguur.

Д Ook geluisterd naar de Koningin Elisabeth-wedstrijd voor piano en je geërgerd aan de domme commentaren, dat vissen naar sentimentele verhaaltjes, dat oppervlakkig kirren? En dan dat geklaag over corona en die uitzonderlijkheid en de lege zaal – net alsof muzikanten nooit in een studio spelen, net alsof cd-opnames altijd in concertzalen gebeuren – het sentimenteel sociale als de constante Klara-leugen. Maar dan! Die muziek! Dat tsjingeltangel, dat blikken spektakel, dat geweld – als tegenwicht legde je het gesnater het zwijgen op en beluisterde je Satie – dat wedstrijdgedoe heeft veel klaterlawaai vandoen, nog versentimentaliseerd door het ‘commentaar’, maar heeft weinig met muziek te maken.

Д De beschaving van deze eeuw. Een minister in functie, Ben Weyts, van de partij Nieuwe Varkens, schiet op ballonnen, op die ballonnen zijn de gezichten van oppositieleden gedrukt, o.a. van de al even rechtse Kristof Calvo (Groen) – ‘het is maar om te lachen’, verweert de minister van Dierenwelzijn zich – toch is en blijft dit militarisme en een verheerlijking van geweld, Jürgen C. als objectieve bondgenoot.
Weyts is niet alleen de minister die oppositieleden wil doodschieten (of beter gezegd: anderen de klus laat klaren), ook van onderwijs én van sport. In die laatste hoedanigheid heeft hij de vechtsporten kickboksen en muaythai aan de Vlaamse sporttakkenlijst toegevoegd, typische sportbeoefening voor de ‘hardwerkende Vlaam’, waardoor deze centra van geweld geld toegeschoven krijgen.
Het geweld komt eerst als een alledaagse werkelijkheid binnen, iets om ’s avonds te doen, met vrouw en kinderen, om daarna gelegitimeerd overdag beoefend te worden – de Nieuwe Vlaamse Varkens, N-VA, zorgt niet alleen voor geschut, ook het wild zal door hen verzameld én aangeboden worden.

Д De ideologie van de media. In de Vlaamse media wordt Georges-Louis Bouchez steevast weggezet als een onnozelaar, een ambetanterik, een dwaas en een saboteur – terwijl zijn standpunten verre van extremistisch zijn en hij meer dan eens zijn slag thuishaalt – hij stelt de zaken op scherp, hij heeft duidelijke meningen en een maatschappij-opvatting.  Hij is zowat de enige in de politiek die het normale van de lekenstaat verdedigt. Dat men het daarmee oneens kan zijn, moge duidelijk wezen, vergeleken met de kinderen Rousseau en De Wever is hij een intellectueel.

Д De Nationale Loterij, nota bene geleid en in dienst van socialisten, zal een ‘ethisch comité’ oprichten, genoemd de ‘Hoge Raad voor Ethiek’. Donald Trump richt een ‘Hoge Raad voor Vrije Journalistiek’ op en Conner Lonner Wonner Rousseau de ‘Hoge Raad op zoek naar het Socialisme of Iets Dat er Op Trekt en dat vooral de eigen Famiglia dient Maar Zelf voorgesteld wordt als Toffe Peer’.

Д Fatsoenlijk zou zijn als de woke-cultuur fascistisch genoemd wordt, en niet links of emancipatorisch of progressief – het zoveelste voorbeeld van een neergang van gedachtengoed, de achteruitgang van een cultuur. Als het rationalisme en het materialisme ontkend worden, dan kan de ‘woke’-cultuur niet links zijn

Д Het oorlogspad en Zaïre Krieger die ‘De heuvel’ van Amanda Gorman zal vertalen: ‘‘Uit haar gedichten, journalistieke en activistische werk spreekt een roep om rechtvaardigheid en liefde […].’ – ‘Wel heb ik vertrouwen in de samenwerking en mijn liefde voor spoken word, waardoor ik mijn hart en ziel zal leggen in deze klus.’ – vertalen is een ‘klus’ – tot zover de rechtvaardigheid en de liefde, het hart en de ziel. Tussen patatten en soep – viva boma.

Д Daar staat hij nu, de oude hoer. Frank Vandenbroucke profileerde zichzelf als de enige, werkelijk de enige, die nog voor de zorgsector zorgde en daarom moest iedereen nog steeds binnen blijven, niet verroeren en vooral, als engelen, zijn lof en die van zijn meester, zingen. Nu de ‘corona-cijfers’ de goede kant uitgaan, zwijgt hij (maar niet uit schaamte, wel uit wrok en kleinzieligheid: zijn lafheid en angst blootgelegd) en tracht zijn meester andere onderwerpen naar voren te schuiven en die andere onderwerpen zijn, zoals van de oude hoer: repressie. Als men de zwakken maar kan tergen. De neoliberale agressie.

Д Het is niet toevallig dat men de sociale media aan banden wil leggen – de economische structuren worden in vraag gesteld (milieu, rechtvaardigheid, al te grote winsten, Noord en Zuid) en dus moet de kritiek aan banden gelegd worden. De politici als schoothondjes én als kettinghonden die de bevolking wel zullen doen zwijgen – is het nog niet direct, dan wel dreigend. De nationalist-liberaal Vincent Van Quickenborne die als een witte ridder de strijd aanbindt met de eigen bevolking en weet wat hij aanricht – en het daarom ook doet. Enerzijds de activisten-fascisten, anderzijds het establishment, tussen hamer en aambeeld.

Д Dus : minister van leefmilieu Zuhal Demir wil dat de waarheid over de PFOS-vervuiling in Zwijndrecht en omstreken, boven komt, de vervuiling volledig in kaart gebracht, de verantwoordelijken benoemd. Onmiddellijk is daar komiek Bart Somers, de rechtsnationalistische liberaal (dat dit niet kan, is hem en zijn partij een zorg), het hondje van Sihame El K., om Demir aan het kruis te nagelen en ook tante Hilde Crevits is daar, ongehoord noemt ze het: een minister die zorgt voor de bevolking en het milieu, Crevits heeft, als marionet van de Boerenbond en als mensvijandige politicus, natuurlijk menig aardappeltje te schillen met Demir: die laatste lijkt wel een echt beleid te voeren ! Schande ! Wat bewijzen Somers en Crevits?
De regering regeert tegen de bevolking.
De regering dekt zichzelf toe.
De regering is er niet voor het welzijn, de welvaart en de waarheid.
De regering is er voor zichzelf.

Д Voor de eerste maal hoorde ik Romelu Lukaku op de radio spreken (maar dat ligt aan mij). Hij spreekt beter en beter Nederlands dan de gebroeders De Wever.

Д Onder vuur ligt hij, het meestertje van Antwerpen, de grondvervuiling rond Zwijndrecht en omstreken brengt hem in het nauw. En op facebook plaatst Bart De Wever daarom een foto van zichzelf en een vondeling, die ‘een tijd geleden’ in de vondelingenschuif gelegd werd en waarvan De Wever tijdelijke voogd is. Timing is alles.
En daarom komt de komiek Bart Somers, de marionet van Sihame El K. op voor Tomorrowland en komt tante Hilde Crevits op voor ‘de mensen’ die willen trouwen, tante nonneke wil dansen.
De bevolking kijkt toe en spuugt haar minachting uit. En zal braaf gaan stemmen, of niet stemmen – en alles blijft hetzelfde.

Д Er is iets raars gebeurd met het spaargeld. Iedereen moest vroeger sparen voor de slechte tijden die zouden komen, die konden individueel of collectief zijn. Spaargeld betekende een appeltje voor de dorst, iedereen besefte: na vette jaren komen magere. Dat geld werd dan ook daarvoor gebruikt, met spijt maar daarvoor diende het.
De corona-tijd heeft het andere duidelijk gemaakt – spaargeld dient helemaal niet voor barre tijden, spaargeld dient om te consumeren, een vakantiereis te betalen, een te duur huis. Wie veel geld op zijn rekening heeft staan, al dan niet legaal, komt toch bij de overheid uit: geef want het zijn barre tijden die geen barre tijden zijn.

Д Het gelijk van Trump: het corona-virus dan toch ontsnapt uit een Chinees lab.

Д Dom, dommer, domst; erg, erger, ergst; activist, activist-fascist, gemeenschapsactivist (zo noemt Guled Mire zich).

Д Telkens Jan Denys van Bureau Randstad zich laat fêteren, zich in de media voordoend als wetenschapper en socioloog, ideoloog zijnde, verbeter ik Bureau Ranzige Stad.

Д Opdracht.
Jullie hebben het nieuws i.v.m. PFOS en PFAS gevolgd. Maak nu een vergelijking tussen Ovam en Cul & Con, officieel Cultuurconnect – en toon aan hoe deze instellingen onder het adagium ‘We doen niet wat we moeten doen’ werken – relativeer het woord werken. Wie nog tijd over heeft, mag een oplossing uitwerken – maar kom niet af met een commissie die zal opgericht worden. Gebruik niet het woord remediëring.

mijn kleine congo van louis paul boon (4)

Naar het einde van De Kapellekensbaan, ‘Weer is het een van die glorierijke avonden’ (p. 341), de vrienden zijn bij elkaar. Er wordt gepraat en geluisterd naar de radio, mossieu colson staat te trappelen om een plaat op te leggen, maar welke plaat? Het stukje is ‘Blues for yesterday’ getiteld. Boon slaagt er steeds in om in enkele zinnen een kakofonie te laten klinken, de een zegt dit, de ander dat, er is een veelheid aan stemmen die allemaal naast en door elkaar lopen – zijn teksten vibreren – en toch kan hij helder schrijven, kunnen de lijnen gevolgd worden – Boon is een realistisch schrijver, in die zin dat het orale, het spreken, de basisvorm van leven is en dit schijnbaar moeiteloos overzet in een geschreven vorm, hij slaagt er in om mensen evenwaardig naast elkaar te plaatsen en toch geeft hij de één een grotere stem dan een ander, niet in de overtuigingskracht van het spreken, maar wel in het aanwijzen.

De kantieke schoolmeester praat over de snelheid van de huidige tijd (toen! – het kenmerk van de mens is dat hij niet weet in welke ellende hij leeft) en men begrijpt geen mensen meer ‘gelijk … gelijk – en hij ziet daar op uw schoorsteenmantel bouddha zitten – gelijk die mens daar, zegt hij.’ De boeddha als zinnebeeld van de zittende, roerloze, niet-arbeidende mens (waarmee we nu weer verzeild geraakt zijn in de kleine reeks ‘de siekegheest van louis paul boon’, maar alles hangt aan elkaar). En terwijl hij aan het vertellen is (‘en worden de grootsteden verschroeide vlakten’ – een ‘surrealistisch’ beeld), laat Boon ons weten dat het een ‘fonoplaat van louis armstrong’ is, (zo bouwt hij zijn ‘hoekjes’ op, informatie in pakketjes, een draad weven), en nog wat heen en weer-gebabbel (maar toch vooral een moraliseren: zit men te klagen over de huidige tijd, (abstract niveau), wordt er verteld van mensen ‘in de straat’ die juist hetzelfde doen (concreet) – de balk en de splinter, gij en ik – het kwaad zit niet dààr.

In ‘De particuliere aard’ (p. 121) illustreert Boon  de hypocriete moraal van de ‘ultramarxisten’: ‘de heer knots, de ultramarxistische minister, is woensdagochtend te 11.30 uit congo op het vliegveld van melsbroeck aangekomen … de reis van de minister was van particuliere aard … bij zijn aankomst werd de heer knots begroet door de heer knoker, minister van koloniën en leden van zijn cabinet.’ De ‘linkse’ minister kan zowel Camille Huysmans, Achille Van Acker als Paul-Henri Spaak (alle drie eerste minister) geweest zijn, al naargelang het tijdstip van schrijven, er waren echter ook andere ‘socialistische ministers’ – specialisten van de Kongolese onafhankelijkheidsstrijd kunnen over de echte namen uitsluitsel geven. Robert Godding was de liberale minister van koloniën (hoe ‘slecht Boon ook schrijft, dit woord is correct geschreven waar een gangbare foute een dubbele e is, de spellingsafwijkingen zijn bij Boon een strategie – en het oeuvre van Boon een knots tegen de dommekop van taal- en spellingmoordenaars als Dominiek Sandra en Anneke Neijt, idioten die denken dat taal een schuif is waar alles ordentelijk in geborgen ligt, de taal willen vereenvoudigen om het volk te verdommen – haal taal weg uit de handen van ‘taalkundigen’, levensonkundigen) van 1945 tot 1947 (een korte onderbreking, ingevuld door … Lode Craeybeckx), de katholiek Pierre Wigny van 1947-1950. De verontwaardiging van Boon is natuurlijk dat een rode minister de koloniale politiek steunt, in stand houdt én op zogezegd particuliere wijze de kolonie gaat bezoeken, particulier wil zeggen: ‘wij doen wat wij willen, de bevolking in België of Congo heeft daar niets mee te maken’, de roden behoren tot het establishment. En daar begint mossieu colson te fulmineren: gij dwaze Boon, weet je dan niet dat links en rechts niet bestaan, dat de tegenstelling tussen kapitalisten en proletariërs vals is, ‘dat iedereen een vijand kan zijn van iedereen, een wild dier, een heimelijk dier, een in de stilte van de nacht heen en weer sluipend dier, dat zich in hinderlaag legt en gekleed loopt gelijk de wolf in schapenvacht…’ – iedereen is zijn eigen vijand en verwonder er u dan niet over dat de roden zogezegde roden zijn, een weinig communistische gedachte. ‘hoezo, ge dacht dat ge niet meespelen mocht omdat een ultramarxist de congo en de union minière du haute katanga niet mag zien? Neen neen, daarom is het niet. Het is alleen omdat er een verschil bestaat tussen een ultramarxist die minister is, en er een particuliere aard op nahoudt … en een schrijver die ja dan neen een marxist mag zijn, maar die er nooit een particuliere aard wil of kan of zal op nahouden, t.t.z. er geen ogenblik aan denkt de ogen te sluiten, maar alles zou verwerken tot een boek: mijn kleine congo.’ – waarmee Boon zegt: er is een verschil tussen mensen: wie minister is, is een Hooger Wezen, – ‘macht corrumpeert’ is daarmee bewezen. De ‘roden’ sluiten hun ogen voor onrecht en corruptie en zijn daardoor medeverantwoordelijk. Boon daarentegen zou, zoals Multatuli, niet de ogen sluiten en alles opschrijven. De schrijver is toch vooral verontwaardigd over ‘de particuliere aard’ – de fundamentele onbetrouwbaarheid en leugenachtigheid van de machthebbers, hun neerkijken op het ‘gewone volk’, hun zogezegde uitverkorenheid, die rest van de metafysische aanwezigheid van een godheid in het lichaam van een leider. Dat voor geld en macht alle principes opzij geschoven worden, dat de zwarte of de blanke kleine man steeds weer de dupe is van het geweld der Hooge Heeren.

Achiel Van Acker en Louis Paul Boon

In het fragment ‘De doos van Pandorra’ [sic] (p. 306) wordt Ondine beschreven als ‘een welig groeiende plant in het oerwoud, en zij moest de haar omringende planten doden om te kunnen blijven leven’ – het oerwoud als een dodende oerkracht, waar slechts het recht van de sterkste geldt, het doden van de anderen is een thema bij Louis Paul Boon en doet hier denken aan het veronderstelde kannibalisme (zoals de eerste christenen en later de Joden daarvan beticht werden).

Het stuk ‘Bekoring van Antonius en Tolfpoets’ (p. 311). In het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel is er een tentoonstelling met als thema de bekoring van  Antonius, een prijs ingesteld door een filmmaatschappij. En Boon vat alles samen: ‘Antonius is er een moderne in 3 gesplitste mens, een griek, een neger in een zwart dal, een jood met zonder bijbel.’ – de Griek is al een vooraankondiging van Marcus Aurelius … Antoninus: de rede, de beheersing. De neger is dan het gevoel, de passie; de jood het geloof of de geschiedenis? In de vele Antonius-schilderijen zijn verschillende visies te zien, maar de kantieke schoolmeester wil dat Boon het eeuwige van de mens vastlegt en dus moet hij alles met elkaar verbinden, de synthese maken.

Op het einde van de 1ste illegale roman van Boontje (zoals zijn vrouw een ‘illegaal breiwerk’ (307) heeft, ‘illegaal’ – omdat de belastingen het niet weten mogen, omdat er gewerkt wordt tégen de maatschappelijke norm in), het stuk ‘Kanker’, p. 377, maakt Boon een balans van zijn boek op: de mens is ‘dat beetje kanker, lichamelijke en geestelijke kanker’ waarvoor hij medelijden dient te hebben, zelf doet hij er cynisch over. Dat medelijden echter, en hier toont hij zich een ware materialistische filosoof, laat hem toch toe te denken dat er geen sprake is van ‘misdaden’ maar van ‘gevolgen van hersenen’ – de mens is zijn hersenen, iedereen handelt naar beste weten en dat weten wordt gevormd door hersenen, hormonen en klieren – de mens handelt zoals hij handelen moet – hier bereikt Boon niet alleen het diepste inzicht in de moraal, hij is ook een stoïcijn die de wereld aanvaardt zoals ze is: men draagt het eigen leven en verdraagt het leven van anderen. Boon beseft dat het mededogen geen zin heeft: er zijn er die zich in de hoek laten drummen en er zijn er die overheersen – een ongehoord fatalisme, ongehoord omdat het Westen dit niet verdraagt. Maar toch gaat de moraal verder: wie inzicht heeft in de werkelijkheid, ontwikkelt een medelijden voor hen die moeten moorden en branden, die slechts manager kunnen zijn, politicus moeten zijn, activist spelen en komt Boon tot de paradox dat de waarheid niet gezegd mag worden want men zal die misbruiken: ‘En tschoonste van het spel: dat ge hen niet moogt laten merken hoe ge van een eindeloos medelijden voor hen zijt doordrongen, want dan zouden zij pas voor goed triomferen … en plus daarbij dat ge niet schrijven moogt dat er in de grond misschien wel verschillende mensenrassen zijn: want dan zouden ze uw gedachte uitbuiten, en hun ras als het Hoogste ras aanzien, het ras dat het zoontje van johan janssens onder hun hiel moet verpletteren.’ – ras moet hier in de betekenis van de rassenleer begrepen worden maar ook als ‘een soort mensen’ (onderdrukkers en onderdrukten). Er is een vorm van politiek correct denken omdat het denken door de macht misbruikt wordt – de tragiek van het naoorlogse Westen.

In het allerlaatste stukje van De Kapellekensbaan, ‘De roman van de oude bultkarkas’, p. 380, spreekt deze van zijn moeder, arm, schoon en wees die ‘door het armenhuis uitbesteed [werd] bij de boeren gelijk dat toen ging’ – zoals door Georges Eekhoud in zijn Les sorciers de Borght beschreven is: de gewone mens is een grondstof voor de machthebbers, een gewone mens heeft geen gevoelens of verlangens, is een ding. Blank of zwart heeft geen belang – er zijn andere mechanismen aan het werk.

mijn kleine congo van louis paul boon (3)

Maar wat met de zwarten? Men moet een onderscheid maken tussen de Afrikaanse en de Amerikaanse zwarten. Deze laatsten hebben Europa de jazz ‘gegeven’, die zo jammerlijk gedegenereerde vrijheidsmuziek die tot warenhuismuzak verworden is. We noemen slechts De jazzspeler en andere verhalen (1928) van Maurice Roelants (tekeningen van Henri Ramah) en wat de naoorlogse generatie betreft, is er uiteraard Willy Roggeman die op ‘musicologische’ wijze over jazz geschreven heeft, zonder de sociale en morele problematiek te verwaarlozen. De adem van de jazz (1961), zijn debuut, en later Jazzologie, in 2 delen (1965).

(In 1969 verscheen nog Free en andere jazz-essays, niet op de foto.) Daarnaast was er het thema van de discriminatie (en de problematiek van de doodstraf), daar is de bundel Dood hout (1955) van Albert Bontridder, met een voorwoord van Louis Paul Boon en tekeningen van Corneille, een uitstekend voorbeeld van. Er is een verontwaardiging over discriminatie en racisme, achteraan de bundel verklaart Bontridder zich betreffende het onderwerp: ‘De neger Willie Mac Gee, chauffeur, 37 jaar oud, vader van vier kinderen, stierf tien minuten na middernacht op de electrische stoel van de staat Mississippi, in uitvoering van het vonnis dat hem schuldig verklaarde aan de verkrachting van een blanke vrouw.
Honderden blanken, die voor de gevangenis van Laurel samenschoolden begroetten met blijde kreten het nieuws van de executie. Dit boek werd met schaamte geschreven tot aandenken van Willie Mac Gee.’

Bontridder maakt hier een duidelijk onderscheid tussen negers en blanken, vooral het leedvermaak en de vreugde van de blanken stuit hem tegen de borst. De doodstraf, Bontridder was een voorvechter van de mensenrechten, was en is uiteraard een barbaarse straf, maar soms ook een genadige, zoals Gerrit Krol zich tegen de goegemeente verweerde. (Corneille, die de tekeningen leverde, is echter, als een van de weinigen, wel naar Afrika getrokken en heeft daarover geschreven.) Men zou kunnen denken, gezien het verleden van België, dat de Belgische intellectuelen over Congo verontwaardigd zouden zijn – dit is veel minder het geval. De Amerikaanse neger was hen nabijer dan de Afrikaanse, die voor hem vreemd gebleven is. Wat was van Afrika geweten? De kunst (hun religieuze voorwerpen) en de verhalen van paters en nonnen, het kannibalisme en het primitivisme (dat via de kunst toch nog een positieve connotatie kreeg). – er was geen connectie, terwijl die er voor de Amerikaanse zwarten wél was. Ook zij behoorden tot de bevrijders van het nazistisch juk – Alfred Döblin, Alexanderplatz. De Amerikaanse maatschappij werd in tijdschriften getoond – ook de wantoestanden, de sociale fotografie. Afrika is, door de onzichtbaarheid, een mythe gebleven, het verleden van het Westen, Rimbaud die zich verloor, Conrad die de Congo beschreef als was het het onderbewuste van de Europeaan. En er waren de antropologen die het continent als verledenloos beschouwden, de gebruiken en rituelen beschreven, weliswaar in ernst, maar er ontbrak een gemeenschappelijkheid tussen Europa en Afrika ( men vergat de Griekse filosofie, Dido, Augustinus). De zwarte Afrikaan bleef een vreemde – het land, de grondstoffen, de natuur waren belangrijker, konden gekend worden. De zwarte werd, zoals de arbeider in het Westen, een instrument, zoals de bevolking een grondstof was.

Wat is de zwarte in de verbeelding van Louis Paul Boon? We lezen zijn De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren, resp. verschenen in 1953 en 1956, we gebruiken de ‘Werkuitgaven’ van resp. 1994 en 1995 – met die lelijke omslagen van Sieb Posthuma en met die meer dan onnozele ‘nawoorden’ van Kris Humbeeck en Bart Vanegeren – hoe men Boon kan maltraiteren, dat is in het kort en vriendelijk gezegd hun wandaad, hoe ze Boon hyperromantiseren en zichzelf vóór de auteur plaatsen, niet Boon lezen maar hem lezen in functie van hun eigen ideologie, hoe ze niet kunnen nadenken en maar leuteren, hun eigen woorden volgend als het slijmspoor van hun eigen pretentie, hoe ze hun tegenstrijdigheden als dogma’s etaleren, hoe ze niet redeneren kunnen en denken leutig te zijn, Aalst is carnaval en voor jezuïeten is alles toegelaten. Beide ‘auteurs’ staan te voettrappelen en noemen de eeuwige twijfel van Boon zijn grote kenmerk – als er iemand was die niet twijfelde, dan wel Boon (zie o.a. het getuigenis van Albert Bontridder én de boeken van Louis Paul Boon zelf). Ze beweren dat Boon zich niet resigneerde, maar dan hebben ze Zomer te Ter-Muren niet gelezen of begrepen, men werkt immers aan de Universiteit Antwerpen, de Boon-studie bestaat niet.

De zwarte is de blanke, de naoorlogse generatie herkende in de zwarte zijn eigen aliënatie, de vreemdheid van de maatschappij, de marginaliteit – de Afrikaanse zwarte leefde niet in een geïndustrialiseerde wereld van vervreemding en dreiging – zijn dreiging was die van de godsdienst, die in Europa verlaten was (zelfs de christelijke god is geciviliseerd geraakt). Het christelijke van de Amerikaanse zwarten maakte een verbinding met Europa mogelijk – de Bijbelse connotaties, al werden die anders begrepen, maakten het mogelijk om te begrijpen – bij de Afrikaanse zwarten ontbrak elke context. In de Afrikaanse zwarte werd het wilde, het niet-rationele gewaardeerd, het ‘authentieke’, het onbedorvene, inderdaad nog steeds ‘de goede wilde’ – maar die waardering van gisteren is vandaag een misprijzen geworden, terwijl we vandaag in een nog minder rationele maatschappij leven dan in die van direct na Wereldoorlog II.

‘Deep river’ is een hoekje in De Kapellekensbaan (p. 208) waarin Boon mossieu colson laat opdraven, die verontwaardigd over het lot van bessie smith wil spreken, (als was hij Homeros), maar hij weet niet meer wat hij moet zeggen ‘tot hij eensklaps met rauwe wanklanken een negerzang uit zijn kloten slaat : o wat hangen er vreemde vruchten aan de bomen in zuid-amerika!’. Deze halve zin bevat veel: er zijn de wanklanken die met het negergezang geassocieerd worden (zo noemde men ook de muziek van Schönberg), ‘uit zijn kloten slaan’ is niet echt een operaterm – wat men in operamiddens authentiek en doorleefd noemt, is burgertruttengereutel en er zijn de vruchten van Billie Holiday, de prenten van Goya gelijk. De rauwheid verwijst naar het niet-rationele (wat iets anders is dan het niet-intelligente of niet-intellectuele) – het rationele werd in de naoorlogse periode in alle opzichten gewantrouwd en bekritiseerd – niet alleen om de oorlog, ook om de ‘atoomsplitsing’ – het surrealisme was daar een voorbeeld van (Boon had belangstelling voor deze kunststroming) en de ongeregeldheid van zijn zinsbouw, de grammatica, het juiste woord (en zelfs de namen die door elkaar heen gebruikt werden) zijn een gevolg van die kritiek op het rationele: de kloof tussen kunst (cultuur) en wereld is die van vrijheid tegenover ordening – het tweeluik van Boon is in zijn kern daarvan een illustratie – er is geen (of toch geen traditionele) ordening (de concatenatie is een verborgen ordening), verhaallijnen lopen tegen elkaar in, er komen ‘ongeregelde’ passages voor en het begin is geen begin (de 19de eeuw wordt uitgebreid naar de Reinaert en naar het verhaal van Jan de Lichte), er is geen einde (want het einde wordt teruggebracht naar de tijd van Ondine, is het heden dat, zie, nu al voorbij is) en Boon spreekt daar al over de toekomst en het midden is voor de oppervlakkige lezer een poel.

Het leven van Bessie Smith wordt verhaald, er is verontwaardiging, haar leven krijgt een parallel in de jodenvervolging: ‘bessie smith was een negerin wier ziel heen en weer werd geschud gelijk een stofvod tussen de katoenplantages en de gasovens der amerikaanse voorsteden…’. Weer heb je zo’n typisch booniaans beeld: een stofvod is nog minder dan een stuk stof, een plastisch beeld én toepasselijk want verbonden met de katoenpluk. Boon verbindt Bessie Smith niet met de arbeidersbeweging, wel met de georganiseerde moord op de joden.

Bessie Smith verkommert in Amerika, ‘terwijl die ziel eigenlijk had moeten openblommen gelijk een wilde plant in haar eigen land: afrika en tis daarom dat zij deep river zong … want voor haar was de jordaan, die diepe rivier welke de joden van het beloofde land scheidde, eigenlijk de atlantische oceaan die de negers van zuid-amerika van afrika scheidt…’, de vergelijking met de Joden wordt verder gezet, de gelijkenis is een veroordeling. ‘Openblommen’ is een gezelliaans woord. Daarna verwart Boon Bessie Smith met Billie Holiday: ‘en het is daarom dat zij zong: o wat hangen er vreemde vruchten aan de bomen in zuid-amerika, doelend op haar broers en zusters die er gelyncht werden …’ (het ‘o’ doet onwillekeurig denken aan ‘Jantje zag eens pruimen hangen, / o! als eieren zo groot.’ van Hiëronymus van Alphen.) – ‘broers en zusters’ is een typisch zwarte, religieuze uitdrukking, niet wat aangenaam klinkt in onze oren.

Mossieu colson vertelt verder over de dood van Bessie Smith, hoe ze naar een optreden reed, hoe de auto slipte, hoe het bloed uit een ader stroomde, men in een ziekenhuis geweigerd werd omdat ‘het niet was toegestaan om negerinnen te aanvaarden’, en dat Bessie Smith uiteindelijk leeggevloeid was en stierf. Van deze passage maakte Boon een bluessong, een bezwerende herhaling van zinnen en woorden, een ritmiek die overgaat in een klaagzang,  zo eindigt de alinea met ‘o wat vloeien er wondere flessen leeg in amerika’ – de fles is een variant op het beeld van Maria als ‘vat’, de ‘o’ een herhaling en een klank, een klagen. Typisch boonians is om dit tragisch verhaal te keren, het leeglopen van de fles doet zijn vrouw denken aan ‘de goot van ons achtergebouwtje’ dat kloekkloek zegt.

Is dit verhaal tragisch, het is toch misschien een ideologisch verhaal: ‘The circumstances surrounding the singer’s death are mysterious. We know that Smith was gravely injured—her arm was nearly severed—in the accident. After that, some people say, the doctor at the scene ignored her while he tended to the bumps and scrapes of a white couple that was in a nearby fender-bender. Other sources say that Smith bled to death while her ambulance drove around in search of a hospital that would treat black patients. (Edward Albee based his 1959 play “The Death of Bessie Smith” on this version of events.)  Most historians now agree that the stories are apocryphal: Smith did make it to the hospital, but her injuries were so severe that it made no difference. ‘

Helemaal naar het einde van het boek, p. 366-367, de roman loopt tot p. 380, komt er een correctie in het stukje ‘Het leven buiten het leven’. De titel verwijst naar het verlangen van Boon om op de buiten te gaan wonen, de Kapellekensbaan te verlaten, en johan janssens die hem verwittigt: ‘wie eenmaal buiten het leven heeft geleefd, die keert nooit meer tot het leven terug…’ – deze zinsnede staat niet apart maar is een uitdrukking van de toenemende vervreemding van Boon, niet alleen van de wereld, maar ook van de eigen straat – zie verder. Dit ‘hoekje’ is een babbelhoekje, het is zondag, men is buiten gaan wandelen, de vrienden komen bij elkaar en plots zegt tolfpoets: ‘ik heb al dikwijls een inwendig plezier gehad als ik aan uw boek denk: ge hebt daar ergens iets geschreven over de negerzangeres bessie smith … en ge hebt ter illustratie een lied van haar gegeven … welnu dat was een vergissing: het was een lied van marian anderson.’ En alhoewel Boon schrijft dat hij zich vergist heeft, kan ook dit opgenomen worden in zijn amalgaam van naamswisselingen. Dat blijft verder onbesproken, maar de vrouw van Boon geeft een vernietigend commentaar door een eigen ervaring te vertellen: hoe ze zich vergiste in een weesmeisje waarvan ze dacht dat ze Leona heette, maar ze heette Maria. ‘en ook voegde ze er aan toe, een beetje bitter en weemoedig: zo gaat het, voor andere mensen is het ene weesmeisje het andere weesmeisje.’ – ‘racisme’ herleidt het individu tot een gemeenschappelijk kenmerk, ‘je kunt ze niet uit elkaar houden’, ‘ze trekken allemaal op elkaar’ – de blik die afgesneden wordt.

Maar hoe zit het dan met dat lied? Boon zegt immers niet over welk lied hij het heeft, ‘Deep river’ of ‘Strange fruit’? ‘Deep river’, een anonieme gospelsong, werd door Anderson in 1923 opgenomen, in 1957 zong ze op de inauguratieplechtigheid van Dwight D. Eisenhower.

banden (77)

° Volgens, Adam Hochschild, King Leopold’s ghost : a story of greed, terror and heroism in colonial Africa (1998) zou Léopold II « Je suis le souverain d’un petit pays et de petites gens. » gezegd hebben.
Volgens andere bronnen was het « Il n’y a pas de petits États; il n’y a que de petits esprits. ». Gemeenzaam is dit de gevleugelde uitspraak geworden : « […] petit pays, petites gens, petit esprit… », de koning, maakt men ons wijs, mompelde deze woorden op zijn sterfbed (1909). Van horen zeggen.

° « […] petits plaisirs, petite poésie et petites gens. »

Charles Maurras over Ernest Renan, Anthinéa : d’Athènes à Florence  (lettre VII), 1901

mijn kleine congo van louis paul boon (2)

Wie spreekt, heeft gelijk. Als Louis Paul Boon het over de communisten had, stelde hij zichzelf voor als een slachtoffer, hij die het goed meende, en de communisten, de partij, de ijzervreters. De communisten, de redactie en de partij, hadden natuurlijk wel gelijk: Boon was geen communist, al was hij links en vertolkte hij het standpunt van de onderste laag van de maatschappij, hij deed het op de verkeerde wijze, nl. niet-communistisch (klein)burgerlijk. Hij was, en nu steigeren de encyclieken, te veel een estheet. Hij richtte zich op de bovenbouw en niet op de onderbouw, de economische structuur en de gang naar het communisme via een voorhoede – hij was een ongelovige gelovige – hij geloofde wel degelijk in de ‘eenheid’ van mens en wereld, althans daar verlangde hij naar en dat dacht hij verwezenlijkt te zien in zijn reservaat (en/of ergens in het verleden). Boon was zelfs géén renegaat, hij is op de redactie van De Roode Vaan, en later Front, verzeild geraakt, een dwaalgast. Rosa Michaut (1914-1983), die zelf in De Roode Vaan onder de schuilnaam Kwajongen publiceerde, schreef daarover: ‘Lowie’s politieke kijk op dingen kon ons niet altijd bekoren. Gelijk bv. zijn overtuiging dat de mensen niet te veranderen zijn en enkel in staat hun verdrukkers in te wisselen voor verdrukkers van een andere kleur. Wij kregen er lange gezichten van. Het leek ons zoveel als: ‘lieve jongens, kuis de spade maar af en ga naar huis met de duiven spelen.’ En over het ontslag van Boon en enkele anderen: ‘Er werd toen gefluisterd: besparen doe je best met een loopjongen af te danken en nog een direkteur méér te benoemen.’ – waarmee Michaut het gelijk van Boon bewees. Het cynische is daarbij dat Boon in de jaren na De Roode Vaan omwille van zijn ‘communistisch verleden’ nauwelijks kon overleven: ‘Als ik aan Lowie denk, dan denk ik aan de donkere jaren na de Rode Vaan, toen hij doodgezwegen werd en in een hardnekkige quarantaine gehouden wegens zijn “verleden”. Het was een tijd van 12 stielen en 13 ongelukken, van ontbering en uitzichtloosheid; zijn zoontje op school gepest om zijn vader die slechte (lees: zedeloze) boeken schreef, zijn vrouwtje ziek van zoveel hatelijkheden en vereenzaming.’ (Citaten uit L.P. Boon, brochure n.a.v. de première van de tentoonstelling van de ‘karboontjes’, Temse, 23-25 januari 1981, Masereelfonds).

Hierbij aansluitend: zo werd ook Gerard Walschap en zijn gezin door de katholieken geteisterd – zoals de politiek correcte activisten-fascisten dit vandaag doen. En als we naar de stijl van Michaut kijken, die van Nico Rost erbij nemen, dan zien we een gemeenschappelijke stijl – een intelligente parlando, geen algemeen Nederlands maar ook geen tussentaal of dialect, geen stadhuistaal, geen volkscafétaal – en we kunnen betreuren dat deze taalstroom (deze levende lavamassa) zich niet doorgezet heeft – tenzij misschien bij Pol Hoste.

Louis Paul Boon was in dit land een eenling, wat zou hij in Congo gedaan hebben? Het martelaarschap opnemen? Zoals hier zou hij daar buiten gegooid worden. In Congo had men geen vrijbuiters, oncontroleerbare sujets vandoen, men wilde brave mensen, jakinikkers, het is pas wanneer men daar aangekomen was, dat men het beest, in dienst van het Beest, mocht uithangen.

We mogen Boon als voorbeeld nemen om te spreken over ‘de stem van de bevolking’. In het romanfragment over Ondine (we spreken van een fragment, veel correcter zou zijn om Boon als een feuilletonist te zien, een schrijver in de traditie van Victor Hugo (Les misérables, bijvoorbeeld), ‘De 2de dag van mei’ getiteld, daar zijn de socialen en steken de ogen van Ondine uit, de ‘loters’ (d.i. lotelingen) zingen hun lied ‘vivat leopold, hij mag ons kloten kussen’ (p. 181) – sommigen denken nog steeds dat Leopold II de grote koning van en voor het Belgische volk was. Het lompenproletariaat heeft altijd minachting gehad voor de macht – en voor de dienstknechten van de macht: de intellectuelen.

Johan Janssens wordt in de literatuur als een afsplitsing van Louis Paul Boon zelf gezien, net zoals andere personages, maar de journalist toch iets meer. In het stukje ‘De dichter een wegwijzer en een profeet?’ (p. 119) is misschien toch ook Jan Walravens verborgen. Johan Janssens gaat naar het Flageyplein ‘om er in de radio de maatschappelijke verhoudingen uiteen te zetten van de dichter tot de massa …’ – een typisch Walravens-onderwerp. Johan Janssens’ reactie op zijn eigen rede is echter niet-walravensiaans, maar booniaans, met een vergelijking die onovertroffen is, nogmaals de poëticale kracht van Boon illustrerend: ‘En de morgen daarop zit ik, johan janssens, achter de kachel met mijn verkreukelde radiorede – de roeping van de dichter ten overstaan van de massa – met verwarde haren, met bevende handen die een sigaret roken [alhoewel dit beeld niet echt geslaagd is, jv] en een kop koffie vasthouden om mijn vuile smaak te kunnen wegspoelen … en ik zie mezelf zitten als een willoos wrak op de congostroom … als een nutteloze dichter over het schone en verhevene in een lelijke en naar de afgrond rennende beschaving.’ (p. 119). Het beeld is duidelijk, het wrak is bijna homeriaans, de dichter wil het schone, het culturele, maar de maatschappij wil hem niet: de kloof tussen cultuur en wereld is te groot – deze kloof wordt plastisch duidelijk gemaakt door de congo-stroom te vernoemen: breed, machtig, verslindend, woest en vooral te midden van een oerwoud (Brussel, een oerwoud gepubliceerd in De Roode Vaan) – om de hypertechnologische en koele wereld aan te duiden, gebruikt Boon het beeld van het oerwoud, uiterst vruchtbaar, maar chaotisch en onoverzichtelijk, niet-menselijk zoals de stad gelijk. Het oerwoud, en misschien bedoelt Boon wel het Europese, Germaanse oerbos, als zinnebeeld voor het mensvijandige – de jungle, niet van Disney.

In het daaropvolgende ‘hoekje’, de roman als kettingbrief, (we slaan de Ondine-episode over), ‘Boontje werd niet verwittigd’ (p. 120), herneemt Boon dat beeld van de Congostroom en dat doet hem denken aan wat hij op de laatste bladzijde van het eerste deel geschreven had, een sollicitatie voor Congo. Maar de directeur antwoordt hem, zoals directeurs antwoorden: ‘dat hij uw aanvraag om journalist te worden, aan de zender van leopoldsville, had overgemaakt aan de bevoegde diensten.’ (p. 120) – en ondertussen blijft de radio maar herhalen dat men mensen voor de Congo nodig heeft die ‘gezond zijn en belg’. De vrouw van boontje had het bericht dat men naar Congo wilde trekken, blijkbaar al aan haar ouders verteld, die ‘vroegen haar of ze zot werd: naar congo!’. Maar ze verweert zich – het argument van moeder op dochter: ‘[…] en omdat Zij nu te ter-muren zijn geboren en er alzijnleven hebben geleefd, en er godsvruchtelijk in de heer ontslapen en begraven zullen worden, eisen ze van ons hetzelfde en peinzen ze dat ge zot wordt.’ – naar Congo trekken was een manier om zich aan de knellende banden te onttrekken – wat Congo was en wat men daar zou doen, zou wel een zaak voor later worden, de sprong in het onbekende, uit je comfortzone treden – deze hedendaagse nepuitdrukkingen kan men op die ‘trekkers’ toepassen: de grote stap van de biechtkamer naar de wereld. Niet het koloniale systeem wilde men in praktijk brengen, men wilde hier weg. Geen ideologie, maar bevrijding. En de vrouw van Boontje besluit: ‘ik geloof dat we zot worden.’ – zot om te vertrekken én om hier te blijven. Wie wilde leven in België, moet de kooi en het uitzichtloze aanvaraden.

En dan valt de hemel neer, zoals steeds in België, het land van de zwarte magie, de vriendenclubs en niemand die iets weet of gedaan heeft: ‘Maar almeteens hoordet ge zeggen, de duivel mag weten van wie, dat alles reeds geschoteld en gelepeld was: de journalisten voor zender leopoldsville waren reeds ter bestemming aangekomen … tschijnt, zei die zegger, dat er eigenlijk niet voldoende candidaten waren, want de meesten in belgië houden er niet van om naar ter-leopoldsville te trekken als ze in ter-muren werden geboren, en tevens is er hier precies geen overvloed aan goede journalisten: […].’ (p. 121). Boon alludeert op de honkvastheid der Belgen en op het feit (nog steeds) dat er niet zo veel goede journalisten zijn, hoe dom om ze dan ook naar congo te sturen. En wat had men dus gedaan? Een gemakkelijk examen uitgeschreven zodat allen aanvaard werden die aanvaard mochten worden. Wat typisch Belgisch is: men schrijft een examen uit om zo een schijn van wettelijkheid en objectiviteit te geven, in werkelijkheid zijn de examens schertsvertoningen die politieke benoemingen moeten maskeren. De Belgische ziekte (wat ten onrechte als racisme of discriminatie benoemd wordt): de ons-kent-ons-ziekte.

Natuurlijk : ‘Zij waren allen aanvaard, maar wie niet verwittigd werd was boontje en zijn medeplichtige, de dagbladschrijver johan janssens. Och, dat was wel te peinzen, johan janssens, of veronderstelt ge misschien dat men in congo ultramarxistische journalisten kan gebruiken?’

Tot zover het Congolese avontuur van Louis Paul Boon – de confrontatie met de Belgische werkelijkheid.

mijn kleine congo van louis paul boon (1)

Dit is de toestand van Louis Paul Boon (we schrijven het kwade decennium 1940-1950) : hij is een schrijver, zonder veel succes of weerklank, in ieder geval zo voelt hij het aan, de hemel bestormen wil hij, maar in Vlaanderen hangt de lucht laag. Hij is gehuwd en heeft een zoon, wil de kost verdienen, een deftig loon ontvangen, en dat lukt hem niet. Hij is een buitenstaander, hij volgt niet de partijlijn. De toestand in de wereld is al even erg, na de barbaarse praktijken van de nazi’s, is daar nu de dreiging van de overwinnaars, de atoomsplitsing is dat vreemde dat de mens zelf zal splitsen. Er is in Vlaanderen geen intellectueel-cultureel klimaat waarin hij kan gedijen, er zijn vriendenclubs waar er een pint gedronken kan worden, maar veel meer is dat toch niet. De vriendenclub valt uit elkaar. Boon is geen gelovige, geen encycliek, het land wordt door Kerk, Kazerne en Kapitaal geregeerd (– zo ook Congo, Kongo). Als ongelovige tussen de gelovige communisten is hij al evenzeer een vreemde eend – hij vindt geen aansluiting bij de wereld, geen ideologie kan hem ontvangen – zijn scherp verstand maakt het hem onmogelijk te geloven in de praatjes van de machthebbers en van diegenen die machthebber zullen (willen) spelen. Hij is gedoemd. Er is geen hoop: de situatie is geblokkeerd, beter de situaties (Situations, Les temps modernes) bevatten geen opening, geen oplossing, het land is dicht gebetonneerd, er zijn geen hoeken meer waar men schuilen kan en de ambitie van Boon is te groot voor die tijd en mens.

De Kapellekensbaan, of de 1ste illegale roman van Boontje, zoals de volledige titel luidt, verscheen in 1953. Op het einde van Zomer te Ter-Muren, neemt Boon echter op: ‘Aanvang van ‘De Kapellekensbaan’: september 1942 [,] einde van ‘Zomer te Ter-Muren’ october 1953’, het tweeluik is dus een oorlogsroman én een roman van de wederopbouw, een schrijf- en denkproces van 11 jaar (en zelfs langer want de periode vóór 1942 behoort eveneens tot de vormingsjaren). Als het eerste deel van het tweeluik verscheen, was het tweede deel al geschreven – zo frustrerend was het. Het woord ‘illegaal’ heeft geen connotatie met de illegaliteit van de oorlogsjaren – het illegale is dat wat de maatschappij niet wil, het schrijverswerk van Louis Paul Boon gaat in tégen de maatschappij, hij is het tegenovergestelde van een activist-fascist.

Wat doet vandaag een Libiër die wil schrijven en denken, vrij wil zijn? Wat doet een Kongolees, een Turk, een Rus – geconfronteerd met de terreur van het land waar hij woont, de terreur waarvoor hij zich medeverantwoordelijk voelt (de macht slaagt er in de gewone mensen schuldig te doen voelen)? Wat doet een vrouw die door het islamisme onderdrukt wordt, verplicht is haar eigen lichaam te haten? Ontsnappen – vandaag wil men naar het Westen trekken – gelegitimeerde wegen – en wordt men met een erger islamisme geconfronteerd. Wat wilde Boon, zoals zovele andere Belgen? Emigreren. Al vroeg in De Kapellekensbaan (1994, p. 78) schrijft Boon het stukje ‘Mijn kleine Congo’ – van de vele verwijzingen naar boeken, verwijst Boon ook naar zijn eigen oeuvre – de zelfreflectie van het modernisme – hier is dit uiteraard Mijn kleine oorlog (1947). Boon en zijn vrouw ‘met haar zenuwen’ zitten bij elkaar, hij is moedeloos, ook omdat zijn personages van hun neus maken, Boon had geschreven dat ze niet bestonden, het steekt hem al tegen en hij vraagt zich af of het niet beter zou zijn ‘het hier af [te] stappen, en naar congo [te] gaan?’. Dit is niet een spontane opwelling, of een gedachte zoals iedereen die wel heeft en het zal afstappen – we weten dat Boon hier gebleven is, maar was hij gegaan, dan was hij nog meer zijn voorbeeld Multatuli gevolgd.

Op de radio was er elke middag een oproep te horen: ‘dat men journalisten nodig heeft voor de zender van leopoldsville …’. Dat moet de NIR geweest zijn en de directeur was toen Jan Boon, deze had Louis Paul Boon blijkbaar gevraagd ‘humoristische sketchen’ te schrijven in plaats van te werken aan De Kapellekensbaan – Boon schreef terug: ‘dat ge graag naar congo zoudt gaan: doe een woordje voor mij ten beste.’ Even later springt Johan Janssens binnen en ook hij wil naar Congo vertrekken ‘en ge voegt aan uw brief naar de radio een p.s. bij: doe ook een woordje ten beste voor de dichter en dagbladschrijver johan janssens’. (Jan Boon was geen familie, bovendien een katholiek, misschien bedoelde Louis Paul Boon met ‘directeur’ iemand anders, Raymond Brulez bijvoorbeeld, die in die jaren adjunct-directeur-generaal was, of misschien B. Van Kerkhoven die directeur van de ‘gesproken uitzendingen’ was – er zou nagegaan moeten worden wanneer – zeker was hij dat eind jaren 50 – maar toen was het tweeluik al grotendeels geschreven). (Bedoelt Boon met zijn ‘humoristische sketchen’ de luisterspelen die hij in de jaren 50 voor de NIR geschreven heeft en die in 1991 in Radio actief verzameld werden?) Daarna verschijnt ‘uw jongen’ ‘alover de kapellekensbaan naar huis gelopen en in de congo is het 10 maanden heet en 2 maanden onweer, zegt hij: we hebben het op school geleerd.’ De meteorologische berichten zijn belangrijk – men (de schrijver zelf) zegt dat het in de boeken van Louis Paul Boon altijd regent.

Dat opent perspectieven: ‘Ha, en johan janssens geeft u in zijn hoedanigheid van dagbladschrijver een klop op uw kop: eindelijk gaat er eens door een belg een boek over belgisch-congo geschreven worden … en terwijl gij dat doet onder titel ‘mijn kleine congo’ zal ik hoekjes schrijven … hoekjes schrijven – en hij slaat een zotte pirouette en valt door het zoldergat – hoekjes schrijven over de zwarte kunst van de zwarten en de witte uranium van de witten, roept hij nog van uit het gat.’ (Boon schrijft wel degelijk ‘onder titel’ – wat een gewoonte was van hem en door de kramiekredacteurs van Het literatuur- en kunstkritische werk I. De Roode Vaan (Boon-studies 2, 1994) verbeterd werd als ‘onder [de] titel’ (deze zogenaamde verbetering had ik gisteren uit terechte minachting niet opgenomen). Dat johan janssens een pirouette maakte, wat een wonder is me dat! De vreugde van het weggaan moet dus wel zeer groot geweest zijn – de laatste zin van het stukje is belangrijk. Boon had een interesse in magie, maar op een oppervlakkige manier, niet zoals Hugo Claus dat had als een intellectueel-hermetische zienswijze. Het uranium waarvan sprake is dé bron voor de angsten van Boon (c.s.) – de dreiging van een atoomoorlog was toen reëel of werd toch zo aangevoeld, Hiroshima en Nagasaki lijken voor ons het einde van de oorlog geweest te zijn, toentertijd ervoer men dat als het begin van een nieuwe oorlog met nieuwe middelen, de Koude Oorlog was in de eerste plaats een Angstoorlog. Er was een akkoord tussen de USA, het VK en België over het uranium in de Shinkolobwemijn, bezit van de Union Minière du Haut Katanga in Belgisch-Congo. Uranium werd en wordt gebruikt om kernwapens te maken. Naar Congo gaan betekent voor Boon dus over twee werelden te kunnen schrijven: die van de zwarten en die van de witten. We lezen de traditionele tweedeling: de oude, voorbijgestreefde magische kunsten tegenover de blanke kenniswetenschap – beide kennisvormen betoveren en vernietigen. Boon spreekt van zwarten en witten, dat doet hij niet uit bange ideologische overwegingen: hij toont een plastisch contrast.

Het daaropvolgend hoekje in De Kapellekensbaan is ‘Een nieuwe wereld’ getiteld. Johan Janssens komt afgestormd ‘met een stuk gazet in de hand, en [hij] roept […] het een door het ander: het uranium-geestesleven, de kleine congo, een nieuwe wereld! En als hij buiten adem bij u blijft staan kan hij niets zeggen, maar wijst zijn linkerhand naar het stuk gazet in zijn rechterhand: opmerkenswaardig is het dat de openbare mening zich in belgië noch om de congo noch om de uraniumschatten bekommert: […].’

Daarna volgt een stuk dat zo gedetailleerd is, de machtsverhoudingen zo concreet beschrijft dat we wel zeker mogen zijn dat ook dit ‘hoekje’ overgeschreven is. ‘Het stuk gazet’ moet dus inderdaad ergens te vinden zijn, een aanwijzing is in ieder geval het woord ‘erschuttering’ dat Boon gebruikt. Deze passage werd eerder gepubliceerd in De Vlaamse Gids, jrg. 33, 1949, voor de rubriek ‘Geniaal… maar met te korte beentjes : schrijvers die hun eigen werk in de weg staan’ en daar spreekt Boon van een Zwitserse gazet (Delpher of Helveticat geeft geen uitsluitsel) en bij Boon kan Zwitsers ook Duits of Frans zijn.

In dit stuk geeft Boon de visie weer van een buitenlandse mogendheid die zich verbaast over de Belgische politiek en bevolking – wat deze laatste eerst betreft: de bevolking is ten opzichte van de Congolese politiek onverschillig – wat de activisten-fascisten ook mogen beweren, dit is helaas wel een waarheid: de Congo-politiek was een Brusselse, Franstalige kwestie en had niets te maken met het leven van gewone mensen – het bank- en financieringswezen was een beest dat hoog boven de hoofden van de bevolking zweefde. Het kolonialisme was een abstract gegeven, maar géén ideologie, zoals men nu ten onrechte beweert. Het standbeeld van Leopold II in Oostende is daarvoor een uitmuntend voorbeeld. In het midden prijkt Leopold II (die voor een groot deel van de bevolking nooit ‘onze koning’ geweest is), links de zwarten maar rechts de vissersbevolking die de koning zogezegd vereert – de vissers behoorden tot het arme deel van de bevolking, en net zoals de zwarten hadden zij geen enkele reden om de koning en zijn financiers te loven of te danken. Het is niet omdat een beeld in de publieke ruimte staat dat het in het publieke hart is opgenomen – en toch behoort het beeld tot de leefwereld: de ideologie van de onderdrukking verbeeld, Stockholm-syndroom. In een linkse visie is dit beeld uiterst correct: bovenaan staat de macht en onderaan de bevolking, zwart of blank, blank en zwart, die uitgebuit wordt, en als het nodig is vermoord. Zoals men vandaag nog steeds doet, het stakingsrecht is in België, met steun van de derde weg-sociaal-fascisten, uitgehold en wie nu op straat komt, wordt als een misdadiger, d.i. als schietvee, behandeld. (En wat kan een gewone mens anders doen dan op straat amok maken?) In 1887 kwamen in Oostende vissers in opstand, in 1892 maakte Ensor de prent ‘De gendarmes’ – vooraan de schijnheiligheid van de non. Volksmensen worden altijd uitgebuit, er zijn altijd volksmensen die in dienst van de macht staan. (Komt daarbij dat de Congo een exclusief domein van en voor de Kerk was, het was de kleine burgerij die in Congo– zoals we kunnen lezen bij Boon – een ontsnappingsmogelijkheid zag.)

Boon citeert, plagieert, parafraseert, wat men maar wil. Boon (d.i. de Zwitserse krant) maakt een vergelijking met Nederland, daar is de Indonesische kwestie een maatschappelijke kwestie én zijn er persoonlijke contacten, daarentegen ‘is de congo voor de belgen immer nog een vreemd Ver land …’. De winsten uit Congo gaan ‘naar belgische aandeelhouders […] : door het uranium is nu de congo nog meer in zijn bron van deviezen en dividenden, in zijn rijkdom en mogelijkheden, een Privaateigendom.’

Daardoor is er een sociaal onevenwicht gegroeid: ‘de congo heeft door haar nieuwe groevenstad en de intensieve recrutering van arbeidskrachten haar sociaal evenwicht verloren: sociale crisissen dreigen: schietpartijen in lubumbashi op het gebied der union minière, en in maart 44 de revolte van congotroepen in luluaburg en masisi… het zijn de bedrieglijke symptomen van een diepere erschuttering: 30.000 blanken die voor het grootste deel Geen belgen zijn, leven hier naast 14 millioen zwarten: van deze blanken zijn gewoonlijk de belgen, beambten officieren en vertegenwoordigers der grote trusten, na 7 jaren zonder europees verlof, tropenmoe… en een afrikaanse elite heeft men niet weten te vormen, daar de negers dadelijk aan hun vroegere hoofdmannen gehoorzamen als zij geen bevelen meer ontvangen van de grote vennootschappen: zo heeft de congo op dit ogenblik door zijn ertsen en energiebronnen, in het gezonde en hooggelegen kantanga, de gelegenheid een nieuwe geweldige markt op te richten, nieuwe levensmogelijkheden aan millioenen te brengen, nieuwe industrieën uit de grond te stampen: een Nieuwe wereld! Maar belgië noch zijn congo vangen zelf iets met hun rijkdom aan: belgië verzaakt aan de atoomnavorsing, aan ware industriële ontwikkeling van de congo, het uraniumhoudende erts gaat uitsluitend naar de atoomfabrieken van de u.s.a. en hoe minder daarover gesproken wordt hoe liever men dat heeft in het ministerie van koloniën, op de place royale en in de directie van de union minière.

En nog staat de vinger van johan janssens zwijgend naar dat stuk gazet gericht, en stamelt hij: een nieuwe wereld, levensmogelijkheden voor millioenen… een boek een roman een meesterwerk ligt daar te wachten om ontgonnen te worden… neen, om geschreven te worden.’ In De Vlaamse Gids wordt in de laatste alinea nogmaals naar de buitenlandse bron verwezen: ‘dat stuk zwitserse gazet’.

Er is de atoomdreiging – dit is de ‘roman van het huidige leven’ – en die komt bovenop de traditionele uitbuiting van ‘de gewone mens’, nu en hier, zie Jan de Lichte, zie Pieter Daens, zie de Congo. Het uranium van Congo wordt, met binnenlandse arbeidskrachten, ontgonnen, niet voor de Belgen maar voor de Amerikanen. Met de winsten die gemaakt worden, heeft België niets gedaan voor België (historisch gezien is dit niet correct, België heeft minstens een deel van het geld gebruikt om kernenergie te ontwikkelen), maar ook niet voor congo: de winsten zijn dood geld gebleven. Waar Boon in eigen land stof genoeg vond om macht en machtsmisbruik, corruptie en diefstal aan te klagen, wat zou hij al niet in Congo gedaan kunnen hebben! Boon schrijft vanuit het standpunt van de schrijver, dat Boon veel stof gevonden zou hebben in de Congo om zijn boeken te vullen, het onrecht te bestrijden, lijjkt hem een gepaste opdracht te zijn (hij solliciteerde voor journalist) – maar dit alles blijft, zoals het is en niet anders kan – vanuit het standpunt van de schrijver, niet van de Congolees – al wil de schrijver het de Congolees aangedane onrecht aanklagen, in de eerste plaats wil hij het kapitalisme bestrijden en in de tweede plaats het vaderland, België dat Boon bedroog, zoals het land de Congolese bevolking bedroog. Een vergelijkbaar punt is er wanneer het gaat over de peperbus: de schrijver is vol mededogen voor wat we nu een exhibitionist noemen, hoe hij slachtoffer van zijn driften is en daardoor een maatschappelijke paria, hoe hij met constante angst moet leven – niet gaat het over de meisjes zelf. Toch kan men het mededogen van Boon niet minimaliseren. Er is in de literatuurbeschouwing valsheid en hypocrisie binnengebracht.

louis paul boon en karl kraus en nico rost – een toevoeging

Erik de Smedt reageerde gisteren op wat ik gisteren schreef:

‘De kantieke schoolmeester bekent (Boon bekent) dat hij het boek van Kraus niet gelezen heeft, maar wel vond hij er iets over ‘in een zeer oud tijdschrift’ (dbnl.org geeft geen uitsluitsel; een ‘zeer oud’ tijdschrift is echter ook overdreven, ten hoogste 30 jaar oud, Die letzten Tage zijn in 1918 verschenen, Zomer te Ter-Muren in 1956) en ‘de criticus die er over sprak noemde het een zeer eenzijdig boek’ – het verhaal dat daarna volgt, moet dus ook in dat tijdschrift gestaan hebben – Boon vermeldt de vindplaats, ‘het 38ste tafereel van het 4de bedrijf’ (in de Werke des Jahrhunderts in einem Band van Suhrkamp Verlag, 1986, p. 536-537).’

 – hij gaf ook de bron aan, gezocht via Delpher.

Dat ik mensen zo laat werken, wat een schande. Zelf daarom verder zoekend, vond ik in Het literatuur- en kunstkritische werk I. De Roode Vaan (Boon-studies 2, 1994) in een stuk van 19 juli 1946 een ‘Boeckenspieghel’ van Louis Paul Boon (‘Boeckenspieghel’ is een van die vele historiserende woorden van Boon, twijfelend tussen ironie en ernst) (in De Kapellekensbaan, editie 1994, p. 70, is een stukje ‘De Boeckenspieghel’ getiteld waarin Boon schrijft dat hij ‘ondertekend heb met de schuilnaam van boeckenspieghel … omdat ik het niet ‘alweer een uil’ zou moeten genoemd hebben’ – een sneer naar Raymond Herreman en zijn ‘Boekuiltjes’ – samen gebracht is dit ‘Uilenspiegel’), getiteld ‘Uit de boeken : Karl Kraus’ en dat begint met: ‘In een der laatste nummers van De Vrije Katheder schrijft Nico Rost over Karl Kraus onder titel “De Tragedie van het isolement”.’ Het stuk van Boon is verwarrend, het eindigt met een aanhalingsteken maar waar staat het eerste aanhalingsteken? In deze heruitgave eindigt het stuk met ‘[]’ – wat daarvan de zin is, ontgaat me helemaal. De redacteurs van deze Boon-studie maken niet duidelijk hoe het zit. Dit is niet onbelangrijk omdat we op deze manier niet weten wat Boon citeert en wat hij parafraseert.

Boon vervolgt: ‘Tijdens zijn leven berucht en gevreesd, hoewel hartstochtelijk vereerd door enkelen, begint de figuur van Kraus zich thans duidelijk af te tekenen.’

Nico Rost begint zo: ‘Tijdens zijn leven vooral beducht en gevreesd, hoewel tevens hartstochtelijk vereerd door vele bewonderaars, waartoe Oskar Kokoschka, Adolf Loos en Peter Altenberg behoorden, begint de figuur van Karl Kraus zich thans – tien jaren na zijn dood – duidelijker af te tekenen.’

Nico Rost vervolgt met Kraus te schetsen als een journalist die aanklaagt hoe de taal door andere journalisten mishandeld werd daarna Kraus als lyricus. Het moge duidelijk zijn dat Boon weinig op heeft met die ‘taalzuiverheid’ en het lyrische is ook niet aan hem besteed (alhoewel zijn proza doorspekt is met lyrische beelden) en dus neemt Boon van die passage niets over. Rost gaat dan over op zijn maatschappelijke kritiek: ‘Hij was een bijzonder fel criticus der moderne maatschappelijke toestanden, zag duidelijk dat hetgeen het kapitalisme ‘vooruitgang’ noemt, in werkelijkheid te vaak slechts een streven naar macht, winst of rijkdom betekent, en ontmaskerde daardoor de hieruit voortspruitende corruptie en wan-cultuur met niets en niemand ontziende scherpte.’

Boon maakt daarvan: ‘‘Hij was een bijzonder fel criticus der moderne maatschappelijke toestanden, zag duidelijk dat hetgeen het kapitalisme ‘vooruitgang’ noemt, in werkelijkheid te vaak slechts een streven naar macht, winst of rijkdom betekent, en ontmaskerde daardoor de corruptie en wan-cultuur met niets en niemand ontziende scherpte.’ – Boon schrapt dus ‘hieruit voortspruitende’ en neemt al het andere over. Grappig, maar niet grappig, is dat de ‘redacteurs van deze ‘Boon-studie’ meenden ‘wan-cultuur’, zoals het in De Roode Vaan stond, te moeten verbeteren als weer zo’n Boon-fout. Boon nam echter de schrijfwijze van Nico Rost over, hij schreef ‘wan-cultuur’ – het streepje is belangrijk om typografisch te beklemtonen: de wan-orde. De Boon-studies hebben niet zozeer te lijden onder kantieke schoolmeesters, wel onder kramieken.

Boon vervolgt: ‘Voor Karl Kraus betekende het kapitalisme dan ook het einde, de ondergang der mensheit.’ – dit laatste door de redactie terecht verbeterd naar ‘mensheid’. En dezelfde zin vinden we ook bij Nico Rost terug.

Boon begint een nieuwe alinea: ‘De consequenties van deze opvatting zijn natuurlijk geweest dat hij de moderne techniek, de pers en andere instellingen voor de ‘ondergang’ verantwoordelijk stelde, en vijand nr. 1 niet in het kapitalistisch systeem ontwaarde, doch in sommige onderdelen er van, vooral in de pers, die voor hem de oorzaak van alle kwaad was.’ – en deze passage is letterlijk van Nico Rost overgenomen, met uitzondering van  de schrijfwijze ‘ervan’.

Boon vervolgt door Nico Rost te volgen, maar hier wijzigt hij wel iets: ‘Dat Kraus bij een dergelijke zienswijze niet de liefde van het volk voor de waarheid voelde, behoeft het nader te worden verklaard?’.

Bij Rost staat: ‘Dat Kraus bij een dergelijke zienswijze buitengewoon hoogmoedig was en als gevolg van deze hoogmoed niet de liefde van het volk voor de waarheid voelde en niet begrijpen kon, dat deze liefde uiteindelijk al wat ze haatte zal vernietigen – , behoeft het nader te worden verklaard?’

Boon zat toentertijd in moeilijkheden: hij schreef in een blad voor en van communisten maar hij volgde niet de partijlijn, die de arbeider verheerlijkte: hij wilde de arbeider opvoeden naar een modernistische denk- en leefwijze (wat hijzelf echter ook niet helemaal wilde), de arbeidersklasse moest ook maar eens de paardenbril afleggen. Dat Nico Rost de kritiek van Kraus hoogmoedig noemt, is juist een argument van de communisten (en wetende dat Nico Rost altijd en overal een dubbelzinnige rol gespeeld heeft, was hij nu een spion of een dubbelspion?) dat tégen Boon werd uitgespeeld – Boon schrapt in de tekst van Nico Rost wat hem niet zint, zoals zijn hoofdredacteur ongetwijfeld ook in zíjn teksten geschrapt heeft. Daarbij moet ook gezegd worden dat Kraus géén marxistisch standpunt innam – kritiek op de pers is slechts kritiek op de bovenbouw, is zich bezighouden met anekdoten, voorbijgaand aan de structurele fouten van het kapitalisme.

Hierbij is echter belangrijk dat Boon een passage van Nico Rost niet overneemt, maar die gedachte wel zal gebruiken in Zomer te Ter-Muren en in de mond van de kantieke schoolmeester zal leggen, het kapitalisme is een voorwaarde voor het betere. Bij Nico Rost luidt het zo: ‘Hier krijgt de ideologie van Karl Kraus, krijgt zijn literair oeuvre echter als het ware een breuk. Hij bleek namelijk niet in staat, in hetgeen hij met zijn aan Swift en Voltaire geschoold talent critiseerde, te zien als een historisch onvermijdelijke periode in de ontwikkeling der maatschappij, die op de duur voor andere, hogere vormen plaats zal maken.’ – Rost vertolkt hier de traditionele marxistische geschiedenisopvatting: het kapitalisme is een noodzakelijk stadium in de gang naar socialisme en communisme. Rost verheerlijkt de liefde van het volk voor de waarheid, en Boon volgt hem daarin maar wij weten wel beter.

Boon gaat verder (ik neem hier in brokken en stukken de volledige tekst van Boon over, het is aan de lezer om het stuk uit deze poel, dit moeras, deze zee, te reconstrueren): ‘De titels van sommige zijner werken: Untergang der welt [Welt] durch schwarze Magie, Die letzten Tage der Menschheit bewijzen dat zijn critiek der tegenwoordige maatschappij in een diep pessimisme zonder hoop op een betere toekomst doodliep. Karl Kraus’ omvangrijk pamflet tegen de oorlog was het enige werk van literaire betekenis, dat tijdens de eerste wereldoorlog zoowel in Duitsland als in Oostenrijk tegen de oorlog werd geschreven. Dit zal steeds zijn historische verdienste blijven.” – en daarmee eindigt het stukje van Boon.

Nico Rost had geschreven: ‘De titels van sommige zijner werken: Untergang der Welt durch schwarze Magie, Die letzten Tage der Menschheit en andere bewijzen dat zijn critiek der tegenwoordige maatschappij in een diep pessimisme zonder hoop op een betere toekomst doodliep – Kraus is dan ook steeds in de negatie blijven steken.’ Deze laatste zin komt niet voor in De Roode Vaan maar is wel de kern van het stuk in Zomer te Ter-Muren.

Boon eindigt met: ‘Karl Kraus’ omvangrijk pamflet tegen de oorlog was het enige werk van literaire betekenis, dat tijdens de eerste wereldoorlog zoowel in Duitsland als in Oostenrijk tegen de oorlog werd geschreven. Dit zal steeds zijn historische verdienste blijven.”

Rost eindigt uitgebreider maar de zinnen van Boon zijn Nico Rost-zinnen: ‘‘Karl Kraus’ omvangrijk pamflet tegen de oorlog was het enige werk van literaire betekenis, dat tijdens de eerste wereldoorlog zowel in Duitsland als in Oostenrijk tegen de oorlog werd geschreven. Hij was de enige schrijver van naam en formaat, die luide geprotesteerd heeft. Dit gedaan te hebben in een tijd, waarin alle andere – Gerhard Hauptmann zowel als Alfred Kerr, Richard Dehmel zowel als Emil Ludwig hun chauvinistische oorlogsgedichten schreven, zal steeds zijn historische verdienste blijven.” – Boon schrapte dus de namen, die voor een Belgisch arbeiderspubliek weinig zin hadden. Boon heeft duidelijk geplagieerd en in sommige zinnen Rost valselijk geparafraseerd. Dat ‘De Vrije Katheder ‘een zeer oud tijdschrift’ zou zijn is een mythomanie.

De passage die Boon beschreef in Zomer te Ter-Muren – de enige goede mens in Die letzten Tage …, de soldaat die een verworpene een sneeuwbal tegen de mond houdt, is eveneens in dit artikel van Nico Rost te vinden. Meer: ook hier neemt Boon de tekst van Rost grotendeels ongewijzigd over, hij verandert weliswaar iets, maar niets fundamenteel en de kleurrijke woorden die hij gebruikt zijn die van Nico Rost.

Ik citeer de passage bij Rost volledig: ‘»Die letzten Tage der Menschheit« is – hoe zou het anders kunnen zijn bij een auteur als Kraus – een hoogst eenzijdig boek. In dit werk, een reeks taferelen, waarin meer dan 500 personen optreden, vinden we slechts één goed mens. In het 38e tafereel van het vierde bedrijf geschiedt namelijk het volgende: Een soldaat, die door zijn compagnie-chef bij een koude van 30 graden onder nul eerst aan een boom wort vastgebonden en daarna half dood in een vochtig stinkend gat gesmeten, verlangt te drinken. Hierop zegt een zijner kameraden, die hem bewaken moet: ‘Dat kan geen mens uithouden! Ik zal een sneeuwbal tegen zijn mond houden.’ Dit is de enige maal, dat een trek van menselijkheid geschilderd wordt in deze tragedie van 743 pagina’s; waarin alle klassen en standen der maatschappij – van straathoer tot keizer – ten tonele worden gebracht. Eén zin van menselijkheid en van medelijden, van medevoelen – de rest: domheid en corruptie, bedrog en redelijke [of zedelijke?, jv] verwildering, leugen en holle hoogmoed; overal: omkoopbare politici, onbekwame officieren, zwaar-verdienende oorlogs-industriëlen met hun grote aanhang. Kraus schilderde ons in dit werk niet één exemplaar van dit type, doch vaak tien en twintig en meer. In geen geval mag de lezer denken, dat hij een uitzondering schilderde – ze zijn allen zo en daarom voert hij van elke soort talrijke exemplaren ten tonele.’

Boon: ‘’in deze reeksen van taferelen, waarin meer dan 500 personen optreden, winden we slechts één goed mens: in het 38ste tafereel van het 4de bedrijf gebeurt namelijk het volgende: een soldaat wordt door zijn compagnie-chef bij een koude van 30 graden onder nul eerst aan een boom vastgebonden, en daarna halfdood in een stinkend gat gesmeten … en als hij smeekt om eens te mogen drinken, dan zegt een zijner kameraden die hem bewaken moet: dat kan geen mens uithouden, ik zal hem een sneeuwbal tegen zijn mond houden. en dat is de enige keer dat een trek van menselijkheid wordt geschilderd in een tragedie van 743 bladzijden … 743 bladzijden waarin alle klassestanden van de maatschappij worden ten tonele gevoerd … van straathoer tot keizer … één zin van menselijkheid en medevoelen, tussen een rest die slechts domheid en corruptie weergeeft, slechts bedrog en verwildering, slechts leugen en op niets gebaseerde hoogmoed … één enkele menselijke soldaat, tussen een leger van onbekwame officieren, omkoopbare politici, van fortuinen verzamelende oorlogsindustriëlen. En kraus schilderde in deze laatste dagen der mensheid niet 1 type, doch 20 en meer, want in geen geval mocht de lezer denken dat hij een uitzondering schilderde: zo zijn ze allen, en daarom voerde hij er van elke soort talrijke exemplaren ten tonele.’

Het artikel van Nico Rost lag dus naast Boon toen hij dit schreef. De lezer heeft gezien hoe het correcte ‘klassen en standen’ van Nico Rost bij Boon verbasterd werd tot ‘klassestanden’ – door te letten op dit soort ‘details’ worden plagiërende schilders ontmaskerd.

louis paul boon en karl kraus – wat tevens kan gelden als de siekegheest van louis paul boon (1)

Niet alleen De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren behoren tot de ondergangsliteratuur, het hele oeuvre van Louis Paul Boon is niet anders dan een zucht en een smart om de teloorgang van het leven van de mens en dat dat leven zich steeds weer zou vernieuwen is misschien een troostende of een esthetisch-filosofische gedachte, dat dit leven toch vergaat is een werkelijkheid, de lelijkheid van die neergang een smet bovendien.

Karl Kraus stierf op 12 juni 1936.

Het zou een mooi project zijn mocht een team van vertalers, bijvoorbeeld rond Eric de Smedt, elke dag een scène uit Die letzten Tage der Menschheit : Tragödie in fünf Akte, mit Vorspiel und Epilog (1919) vertalen en publiceren, een ander team zoekt (maar veel en lang moet men niet zoeken) een bijbehorend actueel feit, artikel of boek – alle tijden zijn laatste tijden. (Maarten Vonder heeft een opera naar het werk van Kraus (1988) gemaakt, maar dit is niet wat wij bedoelen.)

Boon vermeldt Kraus in Zomer te Ter-Muren : het 2de boek over de Kapellekensbaan,  een eerste maal in het hoekje ‘De laatste dagen der mensheid’ (p. 68, editie 1995). N.a.v. de canon werd gezegd dat De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren één boek zijn, dat is onjuist, zoals de officiële ondertitel van Zomer aanduidt, maar ook inhoudelijk mag men spreken van twee boeken (Boon heeft overigens ook twee fysiek aparte boeken gepubliceerd – wat sommige experts lijken te betwijfelen).

Boon verwijst in zijn boeken naar schrijvers en (vooral) naar schilders, niet zozeer naar een specifiek werk, een bepaalde passage of een gedachte maar veeleer om een geestesgesteldheid, een sfeer op te roepen – Goya en Bosch bijvoorbeeld om hun wrang realisme, hun cultuurkritiek, het tonen van de mens in zijn afschuwwekkendheid. Het boek Zomer kan, naast het vele andere, gelezen worden als het afscheid van de vrienden, al zijn ze er nog, als marionetten, afsplitsingen of verhevigingen, een na een vertrekken ze en de schrijver blijft achter, al zoekt ook hij zich een weide om daar een huis neer te zetten. De neergang is het zich settelen, terwijl de schrijver wanhopig op zoek is naar zekerheid. Zoals de Max Havelaar van Multatuli is het tweeluik van Boon een pleidooi pro domo, een zelfverdediging, een pleiten voor het bestaan van een mens zoals Boon, iemand die werkt en werkt en werkt en geen geld verdient, vrouw en kind niet kan geven wat ze nodig hebben, werken voor en in een maatschappij die dat werken afstoot.

Samen met de kantieke schoolmeester, op weg naar de zogezegde villa van tolfpoets en de weide van de kantieke schoolmeester zelf, wordt Boon de oren gewassen, zijn werk is ‘de tragedie van het isolement’ (p. 68 – ik laat de verdere verwijzingen naar de bladzijden nu achterwege, het staat daar en op p. 69). En het doet de schoolmeester denken aan ‘karl kraus, die gestorven is in juni van tjaar 36, en die evenals gij, naar het mij toeschijnt, een kunstenaar was die niet geloofde in de historische ontwikkeling, in de krachten der toekomst zal ik zo maar zeggen.’ – en of de schoolmeester het goed gezien heeft. Het eeuwige rad is voor Boon het levenssymbool, niet het rad der seizoenen, maar wel dat van opgang en neergang van elke idee, de op- en neergang van het goede, wie vandaag slachtoffer is, is morgen onderdrukker; wie vandaag onderaan staat, zal morgen bovenaan staan en dubbel zo erg zijn, de stroper wordt boswachter en is erger dan een ‘gewone’ boswachter. Boon beschrijft dit zeer duidelijk in zijn verhaal over Ondine en haar dochter Mariette, niet alleen in hun publieke levenswandel, het manipuleren van de ander, net zoals Ondine sliep met haar broer Valeer, zo slaapt Mariette met haar broer Maurice – waarbij het goede en het slechte bij Boon altijd ambivalent zijn – de Isengrimus benijdt toch ook de Reinaert.

Spreekt Boon in algemene termen over andere schrijvers en hun boeken, dan is hij in dit stuk veel concreter en vertelt hij een scène uit het boek van Kraus, hij doet dit waarheidsgetrouw en redelijk gedetailleerd. De kantieke schoolmeester vervolgt: net zoals Kraus krijgt Boon geen eenheid in zijn denken: hij bekritiseert de wantoestanden maar ziet niet in (en hier is de schoolmeester een echte marxist: het kapitalisme is een noodzakelijkheid in de weg naar het communisme) hoe deze ellende ‘een historisch onvermijdelijke periode in de ontwikkeling der maatschappij’ is, ‘die op de duur voor andere hogere vormen zal plaats maken’ – de kritiek mondt dus uit in een poging de wereld te verbeteren en de verbetering wat te versnellen – het is niet omdat de ellende onvermijdelijk is, dat die corruptie niet mag aangeklaagd worden, het is precies dat optimisme dat zowel Kraus als Boon ontbeert: een verbetering is een verslechtering en altijd zal men wel iets vinden om gelijk te krijgen – terwijl het tweeluik van Boon ook wel een verslag is van de verbetering van de leefomstandigheden van de mens : welvaart en welzijn gaan samen, de valse en leugenachtige romantiek van arme mensen die solidair en goed zijn, is echter ook niet aan Boon besteed – de goede arbeider, laat ons niet lachen. Overigens bestaat ook hierover een misvatting: Boon schrijft niet zozeer over de arbeidersklasse, het proletariaat, maar wel over het lompenproletariaat, de in marxiaanse bewoordingen niet-bewuste klasse. Het conflict tussen communisten en anarchisten situeert zich hier: Marx stelde zijn ‘hoop’ op de bewustmaking van de arbeidersklasse, rationeel en doordacht moest het proletariaat de wereld veroveren, daarvoor was een voorhoede noodzakelijk – betrouw niet op de massa. Bakoenin geloofde niet in die verburgerlijking en verdedigde de lompendragers, zij die zich niet bewust waren en wilden zijn van hun belangen – getransponeerd naar deze tijd is de arbeidersklasse geëvolueerd naar een materiële kleinburgerij maar heeft het, regressief, het bewustzijn van de onderklassen overgenomen – men ageert tégen de eigen belangen in én men denkt en spreekt niet zoals de voormannen het zich bedacht hadden: o ergernis, de bevolking denkt niet zoals we willen dat het denkt en zie, wat wij allemaal al gedaan hebben – het lompenproletariaat is de niet-ideologische klasse, de klasse die zich niets laat wijsmaken – zo verwarrend is de wereld, het lompenproletariaat heeft gelijk en geen gelijk.

Deze lompenproletariaatsmoraal is in de filosofie te vinden bij bijvoorbeeld Julien Offray de La Mettrie of bij Max Stirner, in de schilderkunst bij Francis Picabia en zelfs bij Pablo Picasso, want ondanks zijn lidmaatschap van de communistische partij wist men toch niet goed wat men aan hem had. Deze moraal kan positief geformuleerd worden als een autonoom, onafhankelijk denken maar kan ook negatief gezien worden als een destructief nihilisme (en nee, Nietzsche, deze mislukte zoon van Heidegger, behoorde niet tot deze groep).

De booniaanse logica is de stilstand: uit dat proletariaat zouden voorvechters moeten opkomen, niet langer lijdzaam ondergaan, maar die leiders zullen op hun beurt hun eigen klasse verraden – er is dus geen oplossing. Toch wel: op het einde van Zomer zal Boon Marcus Aurelius gelezen hebben en met hem zal hij zeggen dat alles betrekkelijk is en dat men zich in het eigen reservaat moet terugtrekken. Het reservaat bij Boon is ook de weide, is de aloude hortus conclusus, de tuin van Voltaire, het symposion van Platoon, het convivium religiosum van Erasmus, de bunker van Velter. Het lompenproletariaat staat in dezelfde positie als de vrije kunstenaar: een reserve, een overschot. Boon is, volgens de kantieke schoolmeester, zoals Kraus, ‘in de negatie blijven steken’. Wat zowel voor Kraus als voor Boon niet helemaal waar is, we moeten niet onnozel doen en spreken over het zonnetje en het bijtje, maar toch: voor beiden was de cultuur een positieve pool, voor Boon was ongetwijfeld het begrip jeugd dat evenzeer – het positieve belemmert echter het fundamenteel pessimisme niet. Het gevoel kleurt steeds de ratio.

De kantieke schoolmeester bekent (Boon bekent) dat hij het boek van Kraus niet gelezen heeft, maar wel vond hij er iets over ‘in een zeer oud tijdschrift’ (dbnl.org geeft geen uitsluitsel; een ‘zeer oud’ tijdschrift is echter ook overdreven, ten hoogste 30 jaar oud, Die letzten Tage zijn in 1918 verschenen, Zomer te Ter-Muren in 1956) en ‘de criticus die er over sprak noemde het een zeer eenzijdig boek’ – het verhaal dat daarna volgt, moet dus ook in dat tijdschrift gestaan hebben – Boon vermeldt de vindplaats, ‘het 38ste tafereel van het 4de bedrijf’ (in de Werke des Jahrhunderts in einem Band van Suhrkamp Verlag, 1986, p. 536-537). In heel dat boek, vervolgt de schoolmeester, vindt men slechts één goede mens en in wat bestaat zijn goedheid? Een soldaat wordt bij min 30 graden aan een boom vastgebonden, dan in een vochtige put geworpen, hij smeekt om iets te kunnen drinken, een medesoldaat houdt hem een sneeuwbal voor de mond: ‘En dat is de enige keer dat een trek van menselijkheid wordt geschilderd in een tragedie van 743 bladzijden …’ – het geschetste tafereel is uiteraard en evenzeer een Goya-tafereel, Goya, die andere leermeester van het pessimisme.

Bij Kraus: » Der zweite [Soldat] : Zwei sind schon tot. Thomas, den er bei ebensolcher Kälte gezwungen hat, sich nackt auszuziehen, und Müller, der krank auf Wache mußte. Noch fünf andere hat er – (Man hört Stöhnen; Es klingt wie >Durst!<) Ach was – das halte ein anderer aus! Ich will ihm ein Schneeball an den Mund halten. «. Dat alles belet niet dat de soldaat sterft, Boon vertelt de rest van het verhaal niet: de compagniecommandant komt erbij en noemt de dode ‘Mistvieh’, die dan ook als een stuk vee uit de put getrokken wordt – Karl Kraus bekritiseert het militarisme én de persoonlijke verantwoordelijkheid, die sadisme is.

Kraus staat Boon dichtbij, niet alleen in een levens- en denkhouding, maar ook in literaire techniek: alle personages bij Karl Kraus, alle types, zijn allegorieën van de corruptie en de domheid, afsplitsingen van de hoogmoed en de leugen, zoals alle personages bij Louis Paul Boon allegorieën zijn van de ene mens die leven wil (ja, ook Kramiek behoort tot het universum van Boon, al is hij negatief, hij bestaat): ‘zo zijn ze allen, en daarom voerde hij [Kraus] er van elke soort talrijke exemplaren ten tonele.’, zegt de schoolmeester.

Op het einde van het stukje identificeert de schoolmeester Kraus met Boon (die uiteraard ook de schoolmeester is) want zich moet behouden voor de verbittering: ‘dat kraus zich in zijn verbittering heeft opgesloten, dat hij de weide van de kantieke schoolmeester en de zogezegde villa van tolfpoets heeft opgezocht, om er te gaan wonen Buiten het leven: dat hij de tragedie van het isolement heeft beleefd, en geen hoop heeft laten doorschemeren op een betere wereld.’ We zien hier nog een andere techniek van Boon: heel veel stukken hebben een rondo-figuur: waar ze beginnen, daar eindigen ze ook. En wat eveneens tot die techniek behoort is de concatenatio (het boek is dus geen ‘kuip mortel’), het stuk over Kraus is ‘De laatste dagen der mensheid’ getiteld, het volgende stuk heet ‘De laatste dagen van Ondine?’, soms is die keten in de titel te vinden, titel die soms het onderwerp aanduidt, soms in de beschreven plaats of de handeling, soms zijn het woorden en dus gedachten.

Het stuk over Karl Kraus is echter niet geëindigd, het gaat, in de woorden van de kantieke schoolmeester, wel degelijk verder, zo niet in hoopgevende zin, dan toch in reële en hij verwoordt de materialistische, lucretiaanse visie : leven en dood horen bij elkaar. ‘Want waar ge ook niets dan ontreddering rondom u ziet : het zijn de doodgewone tekenen van herfst en winter en dood, het zijn slechts rottende bladeren die mest moeten worden en voedsel moeten garen voor een nieuwe komende lente. Het zijn niet de laatste dagen van De mensheid, maar de laatste dagen van een bepaalde soort van mensheid.’ Hier spreekt de rede die weet dat vooruitgang wel degelijk mogelijk is, de grondhouding is een negatief emotionele en beide standpunten botsen – het is de verdienste van Boon geweest dat hij dit conflict op dusdanige, ingewikkelde wijze heeft getoond.

Later in het boek, herhaalt Boon deze gedachte van zowel pessimisme als optimisme. In het stukje ‘De keizer komt!’ (p. 343-344) gaat het nu over ‘meneerke brys’ en ‘andreus mottebol’ die ‘johan janssens’ is die boontje is en niet is. De keizer uit de titel is de Japanse keizer waarvoor mensen buigen, zoals men buigt en gebogen heeft voor ‘leiders, verleiders en misleiders’ (de opsomming is een gelijkschakeling, geen onderscheiden soorten): ‘Want de menigten, die van in de vroegste eeuwen tot op deze laatste dagen der mensheid in sprookjes wensten te geloven, lieten zich graag wijsmaken […].’ – er zijn géén uitverkorenen: Mozes, de Egyptische farao’s, de paus en de keizer van Japan zijn sprookjesfiguren – als het volk niet langer in hen gelooft, zijn het ledenpoppen. Dat de massa in hen gelooft is omdat ‘elk menselijk instinct in hen op een dwaalspoor werd gebracht’ – weer zo’n onopvallende zin die een hele filosofie omvat: de mens heeft behoefte om geleid te worden, die behoefte werd misbruikt; de mens heeft behoefte om de ander goed te bejegenen, die behoefte werd misbruikt, enz. De maatschappelijke structuren zijn een emanatie van de menselijke behoeften, een antwoord op een nood – de macht heeft dit echter steeds weer misbruikt en zo de mens doen verdwalen : de kritische moraal mag dus niet gericht worden op de behoefte van de massa aan leiderschap, wel op het misbruik van de machthebbers – de corruptie aan de kop moet aangepakt worden. Als sprekend voorbeeld (naast andere): de soldaat bezit het menselijk instinct te strijden en moeilijkheden te overwinnen, maar men heeft hem laten ‘moorden en branden en roven’. Bewondering is op zichzelf niet verkeerd, zoals sport dat ook niet is, en zelfs groepsgevoel niet – maar telkens weer worden deze menselijke gevoelens én ideeën misbruikt en omgebogen naar het negatieve, vandaag gecommercialiseerd. ‘Een hiro-hito wordt hysterisch begroet, maar een gandhi wordt neergekogeld, een george bernard shaw wordt als een oude zot aangezien, en een einstein laat men tot de ganzen praten’ – Gandhi, Shaw en Einstein zijn prominente pacifisten, geen systeemmakers of -volgers, geen leiders-verleiders-misleiders.

Beeld: Oskar Kokoschka, Karl Kraus II, 1925 – Karl Kraus teruggetrokken in de natuur

wim cuyvers, of de dingen die gedaan moeten worden

Architectuur is de oorlog tegen de mens en de menselijke maat. Dat er geleefd kan worden in gebouwde huizen is één van de vele waangedachten die men heeft – men denkt zo omdat de werkelijkheid zo is, een menselijke architectuur lijkt onmogelijk te zijn. Constant bouwde een stad voor zijn homo ludens, een poging het moderne (het bewegen) te vatten en terug te geven aan de wereld. Le Corbusier bouwde een stad in Chandigarh, wie ooit foto’s daarvan gezien heeft, weet hoe armzalig we hier wonen. Niet voor niets is architectuur met de macht verbonden – alle grote projecten zijn er gekomen door corruptie, deze heeft stenen nodig. Verrijst er in een stad een ‘voetbaltempel’ (let op het woord tempel) of een landmark – weet dat de bevolking bedrogen en bestolen is. In Antwerpen wordt het stelende en onderdrukkende kapitalisme gevierd, ‘Nieuw Zuid’ als een nieuw miljoenenkwartier. Daar bouwen ook Robbrecht en Daem een appartementsgebouw, de architecten die zich via de cultuur een gezicht gekocht hebben, daarvoor de cultuur misbruikt hebben, en de geldelijke vruchten gretig plukken – en niets teruggeven. In een advertentie wordt over dat nieuw gebouw gezegd: ‘Robbrecht en Daem Architecten brengen vleugje oosters op Nieuw Zuid’, dat gebouw bezit bovendien ‘een diepe gloed en een aardse uitstraling, ze willen ‘een warme cocon creëren’, over dat gebouw zegt Robbrecht zelf: ‘De plooiing van de gevels, met een caleidoscopische veelkantigheid, schept beweeglijkheid.’ – ook moeder schept de soep. Robbrecht en Daem zijn geen uitzondering, bij hen valt de leugen des te meer op omdat ze zich een cultureel cachet, een waarmerk, gestolen hebben en door de cultuurleugen te hanteren, vernietigen ze de cultuur zelf – want maken haar verdacht.

Waar moet de mens gehuisd worden? – dit is de centrale vraag van Wim Cuyvers. Le Corbusier vertrekt van de modulor, de mens, en ontwierp op die basis zijn gebouwen (hedendaagse mistecten vertrekken van een portefeuille). Cuyvers gaat een stap verder en betwijfelt de noodzaak van het gebouw. Een huis is een huid, niet een emanatie van een economie, een tentoonstelling van opeenvolgend bedrog, een uitstalling van onhebbelijkheden en misdaden, een aanval op het oog en de rede. Niet het huis, de private ruimte, staat centraal, wel daar waar mensen zijn, en dikwijls zijn ze waar de ‘bedenkers’ het niet willen, aan de rafelranden van de maatschappij, in de verborgen hoeken. Die onderscheiden zich nog van de non-plaatsen, een bank op een parking, een tafel nabij een benzinestation, een vuilnisbak die een herkenningspunt wordt. ‘Verloren hoeken’, de ‘laatste hoek’ – Louis Paul Boon-plaatsen – waar je geen gevestigden zult ontmoeten (tenzij met een omhoog gezette kraag en een deukhoed op en voor de schaamte).

Die plaatsen ontvangen mensen, niet de mensen die zich tonen. Het merkwaardige is dat juist daar mensen hun privé-schaamte afleggen en die ruimte als een verlengstuk van zichzelf beschouwen – vandaar ook de vuiligheid die men daar kan aantreffen. Deze ‘onzuivere’ ruimtes interesseren Cuyvers omdat de mens in de plaats van de macht treedt, de machthebbers aan de kant geschoven zijn – hij keert dus de wereld om: niet daar waar Robbrecht en Daem verschijnen, bestaat de wereld, maar daar waar de stad (of het dorp) rafels vertoont (de achterkant van de maatschappij waar in barre omstandigheden geleefd moet worden) – het ‘echte leven’ is het menselijke leven, niet dat van glitter, dikhuidigheid en pretentieuze namaak. Een stad is geen verzameling van ‘interessante’ gebouwen, maar van ruimtes die door het financieel wezen onaangeraakt zijn, is een verzameling van ‘gemene plaatsen’ – plekken die van niemand en van iedereen zijn, plekken waar men zaken kan doen die noch in de publieke noch in de private ruimte ‘mogelijk’ zijn. Cuyvers interesseert zich niet voor het gebouw als resultaat, als eindstadium, maar wel hoe de mens zich in de ruimte begeeft, waar hij rustpunten plaatst – die handelingen zijn de kern waarrond gebouwen (en steden) gebouwd kunnen worden.

Cuyvers vertelt verhalen, vreemde verhalen, die ons doen beseffen dat de mens eerst en vooral een lichaam is – wie het eigen lichaam niet kent of waardeert, verdient geen huis. Hij onderzoekt (om dat hatelijke woord maar eens te gebruiken) hoe mensen leven, niet hoe ze zouden moeten leven – zijn verhalen monden niet uit in een manifest, de schrijver daarentegen trekt zich terug : hoe te sterven?: onder een gestreken, linnen doek. Dit is geen autobiografisch schrijven, toch is dit door en door autobiografisch. De wereld bestaat uit ‘zij’ en ‘de kleine’ of de man : ‘zij’ onderdrukken, sturen het kind naar gestichten, de man wordt door de maatschappij naar de rand verwezen – steeds is hij ‘de ander’ – niet rimbaudiaans te begrijpen. De taak van een architect is het de verschoppeling een plaats te geven – de verschoppeling is immers de verhevigde mens (Samuel Beckett), een gebouw moet de mens behouden voor zichzelf, niet moet hij een ander worden of zich presenteren – een ruimte kan kaal en streng zijn, moet niets bevatten – wel moet de mens zich kunnen bewegen, moet hij kunnen ademen.

De handelingen en de dingen worden zorgzaam geschreven, aandacht staat daarbij centraal, stilte en rust zijn de omgevingsfactoren – plots zitten we in een utopie: de mens leeft en heeft geen opdracht, tenzij zichzelf te zijn – dan komt de architectuur (meer in het algemeen de cultuur en de beschaving) in dienst van de mens te staan – niet de wereld moet vooruitgaan, de mens moet. Aandacht staat gelijk aan bewustzijn, begrip – een raadselachtige zin, toch perfect verwoord: ‘Op school leert de kleine niets, maar het is op weg van en naar de school dat de kleine het huis begrepen heeft.’ (p. 116). Net zoals het leven moet een gebouw tijdloos zijn, evidentie bevatten – het individuele leven is sterfelijk, het leven zelf is dat niet, zo moet ook een constructie zijn: niet moeten we weten wie de architect geweest is: de kwaliteit toont zichzelf en is voldoende. Cuyvers hoort niet thuis in deze wereld, hij had moeten leven in een cisterciënzerklooster, tussen de quakers, te midden van filosofen. Niet de mens moet een ruimte geven, de ruimte moet de mens ontvangen en hem zo bergen.
‘Ik bleef me afvragen waarom de mensen aanvaard hebben om hun leven door te brengen in dat soort van gebouwen.’ (p. 202)
‘Je kan niet geloven hoe fel je in een ziekenhuis wel naar buitenlucht kan verlangen.’ (p. 208)
‘[…] zoals je het plezierig kan vinden dat een winkeljuffrouw weet hoe ze pasgeld moet teruggeven.’ (p. 209)
‘Maak de ruimte alsof de vrouw van je leven elk ogenblik kan binnenkomen’, […]. (p. 229)

Wim Cuyvers, L’autre : twaalf korte verhalen, Frans Masereel Cenrtum, 2020

10 details

Meester van de Heilige [dus Lezende] Familie van Sint-Anna, circa 1500