sfcdt

verzoening

charles_freger_wilder_mann__mechkari

Aan de vooravond van Paaszondag trekken de slagers uit Prilep (Macedonië) het kostuum van de mechkari aan. Het kostuum bestaat uit de vellen van de geiten en schapen die het vorig jaar geslacht zijn. Ze vragen mededogen aan de natuur om het doden van de dieren. De mechkari trekken van huis tot huis, drinken en dansen, tot ze in trance neervallen.

Charles Fréger, Wilder Mann, Kehrer, 2012²

3

goede vrijdag_sfcdt

Zeus, tu n’est plus qu’une statue!
Jéhovah, ton pétard est mouillé !
Galiléen, tu n’as pas vaincu !

Henri Vandeputte, Dictionnaire ajoutez un adjectif en ique, Société littéraire de France, 1922

12 mannen

Het is een monumentaal werk, bijna 4 meter hoog, 3 m breed. Het behoort tot de collectie van het Groeningemuseum in Brugge waar het slecht tentoongesteld wordt. Het schilderij staat op de grond maar zou in de hoogte gehangen moeten worden. Het is bedoeld als een fresco, het is een religieus werk, geen museumstuk. Gustave Van de Woestijne schilderde het in 1927, hij zou nog 20 jaar leven, zijn meesterwerk, ‘Onze-Lieve Vrouw van de 7 smarten’, had hij 2 jaar voordien geschilderd.

Centraal staat de tafel, of beter misschien het witte doek over de tafel, de reinheid, het smetteloze, de leugen van de godsdienst. Daarop ligt het brood dat gedeeld moet worden. Er is slechts 1 glas, ook daarover kunnen we ironisch doen, maar zo zijn we niet. Het brood en de wijn horen Christus toe: het is zijn lichaam en bloed. De tafel is verder leeg. Vooraan mogen er twee mannen hun handen op tafel leggen.

Niets klopt aan dit schilderij: de verhoudingen zijn zoek en het perspectief loopt mank. De oplopende vloer, de wijkende muren, de zwevende tafel, de al te grote hoofden en al te kleine lichamen, het tengere van Christus tegenover die Vlaamse koppen, de blikken die nergens naar staren. Alles klopt aan dit schilderij. De expressie van de gezichten maakt het gebeuren heilig, de tijdloosheid van hun staren maakt van het religieuze gebeuren een eeuwige gebeurtenis, de hoofden tonen dat het geloof in het hoofd zit, de handen zijn devoot en krachtig, de ogen zijn de spiegels van de ziel en de voeten van Christus die boven de grond lijken te zweven, kondigen reeds het belangrijkste geloofspunt aan: de verrijzenis.

Waar een ‘Laatste Avondmaal’ gewoonlijk een stil en rustig gebeuren is, is dit hier toch niet: er is wel degelijk stilte en ingetogenheid maar ook veel onrust. Dit komt door het expressieve, maar ook door de vreemde opstelling waarvoor geen ‘rationele’ verklaring mogelijk is. Al zijn het allemaal koppen, toch hebben ze ook een individualiteit, maar nauwelijks een naam. We kunnen de eerste apostel links onderaan als Judas identificeren, ros haar en al enigszins afgewend. Er is ook Johannes die rechts naast Christus zit, die duidelijk de jongste en de lieflijkste is. Zou de tweede figuur rechts Petrus kunnen zijn? Hij die Christus zal verlaten en nu al lijdt? Hij is de meest smartvolle figuur, de enige met de ogen dicht. Maar verder? De derde figuur links (van onderen geteld) is een zelfportret van de schilder. Oogt het tafereel op zichzelf rustig, de figuren zelf zijn dat niet. Het expressieve van de gezichten doet ons alle kanten uitkijken, zoals ook de ogen van de apostelen dat doen. Het linker- en het rechteroog kijken niet altijd in dezelfde richting. Het merkwaardige aan het portret van de schilder, zijn de zwarte ogen (zoals Léon Spilliaert ‘Carnegie’ portretteerde en zoals Gustave Van de Woestijne ook 1 oog van zijn ‘Onze-Lieve-Vrouw van de 7 smarten’ zwart schilderde). Als er handen geschilderd zijn dan ogen ze stil en gelaten maar de onrust zit in de handen zelf, zoals ze ook in de hoofden zit: het belangrijkste is dat wat de schilder niet schilderen kan: het innerlijk van de mens. Alle apostelen verwachten onheil. Daartegenover zit Christus, tenger als een jongeling, rustig. Ook hier een expressionisme in het gelaat (dat niet in het lichaam overgaat, maar in de handen weer tevoorschijn komt) maar de ogen zijn rustig. Christus kijkt niemand aan. Al zit iedereen dicht op elkaar gepakt, het lijkt alsof iedereen in zijn eigen wereld leeft: er is geen contact met de ander (ook dat verklaart de stilte), niemand praat, iedereen is in zichzelf verzonken.

De personages zijn gebeeldhouwd, in de paragone heeft de schilderkunst het weer gewonnen van de beeldhouwkunst: dit zijn beelden, ook al zien we nauwelijks gebogen ruggen, ze zijn er. De apostels worden hier geschilderd als de schaapherders in de stal waar Christus geboren werd. Het verbazingwekkende is dat de schilder de Christus niet radicaal anders heeft afgebeeld en toch een duidelijke breuk met de anderen kon tonen. Er is een contrast tussen het lijnmatige, de rechte lijn van de tafel en de vloer en het veelvormige van de gezichten – de schilder toont zich een menselijke schilder, de abstractie is hem (de mens) te vreemd. Het schilderij is daarmee een lofzang op het leven en het aardse, niet op de platoonse ideaalbeelden. Deze inhoudelijke contradictie (want er is wel degelijk ook onbewogenheid en een metafysica aanwezig) maakt het schilderij nog sterker, want onrustiger: niet alleen het beeld, niet alleen de anekdote, niet alleen de veelheid, ook de idee.

De stijl doet denken aan Maurice Denis, een schilder die veel belangrijker is dan men nu nog denkt en/of weet, is geïnspireerd op een geïdealiseerd Middeleeuwen met een flinke scheut orthodox Oosterse beelding. De muur refereert aan de gouden achtergrond van heiligen, een eredoek. Opvallend is dat Van de Woestijne geen aureolen schildert, het zijn ‘gewone’ figuren, creaturen. De heiligheid zit niet in het uiterlijk. Onmiskenbaar doet het schilderij ook denken aan Georges Rouault, maar de Vlaming is helderder, gebruikt de verf veel spaarzamer, is bedachtzamer en precieuzer. Toch is er eenzelfde soort katholicisme: niet het geloof van het pastoorke van Ars of van Bernadetje, het geloof dat mensen simpel houdt en een dwaze naïviteit uitstraalt maar een pascaliaans katholicisme dat met hevige gemoedsaandoeningen gepaard gaat, nooit gemakkelijk is maar het leven ook niet uit de weg gaat, integendeel, geconfronteerd met het moderne wil men niet wegvluchten in een idylle maar gaat men de confrontatie aan met inachtneming van een verleden.

De apostelen zitten aan de tafel zoals kleine kinderen aan een feesttafel zitten: het hoofd nauwelijks boven het tafelblad. Geknield, de bovenste apostelen rechtstaand. Zit Christus of staat hij? Hij staat zwevend. Men wacht. Men weet. De dood roept alreeds. De massa zal juichen, het verraad zal gebeuren.

Gustave Van de Woestijne, Het laatste avondmaal, 1927

laatste zinnen (97)

laatste zinnen_97

De nacht behoort toe aan wie is.

Julio Llamazares, De gele regen, vertaald door Francine Mendelaar en Danny Meynderts (oorspr. titel : La lluvia amarilla), 1990

3 zondige gedachten

zondige gedachten-het verraad van links

1. De aantrekkelijkheid van een oude partij als PVDA ligt in de radicaliteit, het simplisme, ook in het schuldgevoel van een generatie die ziet hoe slecht ze het gedaan heeft. Dat de maoïstische partij een conservatieve partij is, is te zien aan haar standpunten over consumptie en arbeid: het zogenaamde biefstukkensocialisme wordt verdergezet – terwijl een hedendaagse partij de concepten arbeid en vrije tijd zou moeten herdefiniëren. Er is géén visie op de nieuwe technologische wereld, er is géén visie op de rol van cultuur, intelligentie en wetenschap. Er is géén visie op een toekomstige maatschappij zonder de leugens van de stadsideologen. Er is geen visie op de bevrijding van de mens uit de kluisters van de winkels. Waar de vorige generatie een man op de maan zette, de Koude Oorlog in stand gehouden heeft; heeft de daaropvolgende de digitalisering in de wereld gebracht, de oorlogen geëxporteerd en een maatschappij gecreëerd die qua spektakelwaarde haar weerga niet kent. Ze heeft schulden gemaakt, ze heeft de staatsruif te eigen bate leeggeroofd (de subsidiëring komt welbewust de middenklasse ten goede), ze heeft de leugen als waarheid verkocht. Een generatie die enige jaren links geweest is maar dan verzeild geraakt is in de wereld van de reclame, de media, de ‘diensten’, de financiën, de overheid – en daarmee alle idealen overboord gezet heeft. Waar ze het geldkapitalisme moest bekampen, heeft ze gretig meegedaan met het ‘spelen op de beurs’ en als het spel verkeerd uitdraaide, moest de staat bijspringen. Nu is die generatie oud, nadert het pensioen en komt het schuldgevoel opspelen: wat hebben we met de waarheid van onze jeugdjaren gedaan? Wat hebben we onze kinderen aangedaan? De steden zijn onleefbaar, de lucht bevat slechts gif, de leugen van de recyclage is slechts een argument om nog meer te consumeren, de natuurbescherming is verworden tot een meisjessentiment, deze generatie heeft de mens vernederd tot hij nog slechts een klant was, een portemonnee die leeggeroofd moet worden, de cultuur en de wetenschap staan in dienst van het geld en de politiek, de politiek, ach – waar zijn de stakingen? waar de spandoeken, de slogans gebleven? Het spektakel gaat samen met de consumptie en het consumeren is de norm geworden, men kan even goed zeggen dat de verkrachting het nieuwe ideaal is. De gebalde vuist verbergt nauwelijks de geldbiljetten. Bij een glas zwaar paterbier is het genoeglijk de donkere man te spelen, te spelen met de gedachte ‘eigenlijk’ altijd goed geweest te zijn, ‘eigenlijk’ was men altijd links. Deze generatie heeft de cultuur, de natuur en de mens instrumenteel gemaakt, de waarde wordt uitgedrukt in geld en macht, de ethische mens wordt verdrongen. Het kritische analytische denken, de Wiener Kreis, de Frankfurter Schule, het russelliaans positivisme, alles vermalen tot grauwe as en het is deze generatie, schuldbewust, die de denkenden vervolgt. De heksenjacht van MacCarthy is geen kwalijk sprookje van lang geleden maar is vandaag en nu werkelijkheid gemaakt door de logebroeders, de logezusters, de bevrijdingstheologen, de pol-en-soccers, de buurthuiswerkers, de gewetensbezwaarden – van lang geleden. Het consumentisme is de ideologie die ze omarmd hebben, de uitzuiging van de aarde het reële gedrag. De trotskisten waren de voorhoede van de ‘linkse invasie’ in de kapitalistische bolwerken, het zijn de stadsideologen geworden, opgegaan in de stank van het kapitaal. Er is een schuldgevoel: al die jaren dan maar gestemd voor de SP.A – want we zijn toch links – of Groen – want we zijn toch onszelf – en nu blijkt dat men vooral gestemd heeft tégen de maatschappij. Niets werkt op menselijke maat, alles staat den dienste van het establishment, het geld regeert en de vrijheid is verzwonden. De efficiëntieleugen is de gerationaliseerde prietpraat om het woord commercialisering niet te moeten gebruiken – waarmee men tweemaal liegt: men liegt het rationele denken en men liegt het ascetisme. Er is geen tijd, er is geen cultuur, de zwendelaars hebben het voor het zeggen. Nu ziet deze generatie wat ‘een beetje drinkgeld’ betekent, dat detail is voor sommigen het toppunt, wat ze nog niet zien is de structuur die erachter steekt. Maar nu is het genoeg, we zijn links, echt links, nu stemmen we voor de maoïsten. Een andere Bende van Vier.
De decente mens zoekt zich een hol om te sterven.

2. Onze jongens in Mosoel konden er echt niets aan doen – het was voor iedereen slecht weer.

3. We horen het steeds weer: de politiek primeert, het is plots een allesdodend principe geworden. Het primaat van de politiek slaat alles en niets kan daar tegenin gebracht worden. Kan ? Nee, mag. Uit de mond van de nationalisten, socialisten, liberalen, groenen en gelen is het enigszins verdacht om dit te horen, althans voor de gewone mens. De politiek heeft zichzelf verbrand, week na week doet ze aan zelfbezinning en zal ze de uitwassen bol- en witwassen en toch: aan de primauteit van de politiek wordt niet geraakt. Anders geformuleerd: het establishment zegt het volk te moeten zwijgen, het hoofd te buigen voor de wil van de politiek, niet de wil van de politiek echter, wel die van de partijen, de bunkers, niet die van de partijen echter, wel die van het kapitaal, het geld, niet die van het kapitalisme echter, wel en vooral, de domheid, de incompetentie die nu aan de macht is en de incompetenten macht geeft.
De politiek staat voor hen gelijk aan de Gemeinschaft, het logge lichaam bezit de macht, dus de waarheid. De primauteit van de politiek wordt begrepen als ‘wij eerst’, het is een oproep om de ketters te vermoorden. Het is een oproep tot dictatuur: er is nog slechts de systeemwaarheid, dit is de waarheid van de macht, het geweer, de brute kracht, de massa. De vergissing is echter dat die politieci geen onderscheid maken tussen politiek enerzijds, hun politiek, en anderzijds grondwet, morele regels en goed bestuur. Politiek is verworden tot een belachelijk machtsspel dat slechts het kortetermijndenken viert, de afscherming van het eigen speelveld. De grondwet echter, vrijheid van mening, van spreken en van drukpers (niet alleen dus het abstracte maar ook de praktijk, de uitoefening van de vrijheid in het dagelijkse leven), die heeft de primauteit, niet het dagelijks gezemel van partijen die slechts voor hun overleven de macht naar zich toegetrokken hebben. Het individu moet zijn geweten volgen, Antigone. Anti-bourgeois. De wetten van het land verbieden nu het onverdoofd slachten, maar dit gaat in tegen de religieuze voorschriften. Deze mogen dwaas zijn, sommigen geloven erin, zoals sommigen ook in bloed en bodem geloven of in de toekomst. Er wordt gezegd dat de wetten van het land altijd voorgaan, dat ze het primaat bezitten. Voor een religieus is dit onzin: het geweten gaat voor op de wetten van het land, de voorschriften van de god zijn belangrijker dan een man of vrouw die na een verkiezing aan de kant geschoven kan worden. Toch is de hele kwestie redelijk onbegrijpelijk: gedood wordt het dier toch, gemarteld wordt de medemens toch, gedreven tot de sprong wordt de opgejaagde wel. Had men maar de nu al vergeten Jordy B. gevolgd. Onder het mom van integratie verenigen de reactionairen zich om de grondwet zelf af te schaffen, om de mensenrechten om te buigen naar een reactionair anti-humaan beleid. Zij, de weldenkende klasse, die de lucht verpest met barbecuegepeuzel, eet geen worsten van de dieren, maar van de supermarkt, net zoals de onderdelen van haar elektronica geen grondstoffen uit Afrika zijn maar gewoon aan een kamerplant hangen te bungelen. Het vlees is ontdaan van het leven en geabstraheerd – terwijl de wreedheid tot de natuur behoort. De laïciteit wordt met verkeerde vrienden opgezadeld. De verdedigers van de vrijheid worden opgeofferd op het altaar van het gouden kalf, het kiesvee, en de kern van het modernisme, de ontvoogding van het individu en het denken, gaat in gas op. De scheiding van kerk en staat is echter iets anders dan een wet over het onverdoofd slachten. Dit grondwetsartikel stelt dat de staat niet tussenkomt in religieuze aangelegenheden (wat ze in België wél doet) en dat de religie slechts een persoonlijke beleving kan zijn – wat in België niet aangemoedigd wordt. De godsdiensten worden in stand gehouden door de religieuze partijen, i.c. CD&V en die partijen die, met de godsdienst als bondgenoot, de vrije burger willen vernietigen. Die partijen die de 5de colonne geïnstalleerd hebben en voor wie iedereen kiesvee is. De retorische truc die de fanatici uithalen is om de neutraliteit als laïciteit te benoemen en van deze een ideologie te maken die staat naast het islamisme, integrisme en zwarte orthodoxie. Het zijn zij die van Verlichtingsfundamentalisme spreken. De balk en de splinter. Het is het verraad van links, het verraad van de intellectuelen.

En een extra. Met een gewichtige, trage stem sprak het meisje mij vermanend toe, nadien een oude vrouw: het is vandaag een speciale dag. De oude man bromde, jaja. Het was Slow Art Day. Mensen kijken, o barbaarse schande, niet langer dan 17 seconden (gemiddeld!) naar een kunstwerk! Prutsers! Gemiddeld deed ik er 9 seconden over en nog was het mij te veel.

des avonds

hölderlin_sfcdt

Ehmals und jetzt

In jüngern Tagen war ich des Morgens froh,
Des Abends weint ich; jetzt, da ich älter bin,
Beginn ich zweiflend meinen Tag, doch
Heilig und heiter ist mir sein Ende.

Friedrich Hölderlin

(in de vertaling van Ad ten Besten: Vroeger en nu. In vroeger dagen was ik des ochtends blij, / des avonds treurd’ik, – thans, nu ik ouder ben, / begin ik twijflend aan mijn dag, maar / heilig en helder is mij zijn einde.)

9 april 1553

rabelais_lasne 17de eeuw

9 april 1553, Rabelais, de grote humanist, sterft. Het is verleidelijk om met hem een tak van het modernisme te zien sterven, de fakkel van de modernisering van de Westerse maatschappij kwam in protestantse handen. De Katholieke Kerk werd veracht, geminacht, misprezen voor het geld, de smerige zaakjes, de corrumpering van maatschappij en geesten. De idee werd alleen nog als een abstractie gezien, niet meer het lillende vlees, de geur van zweet en uitscheiding. Het ascetische werd verward met het schrale. Beter misschien: een terughoudendheid werd verward met een afzijdigheid.

Toch is het met Rabelais dat het levendige, het goddeloze, het vreugdevolle gestorven is – een ruimte waar lichaam en geest als een tweespan de mens voorttrok. Misschien is dat wat we nu nog in de marges van het denken ontwaren, het meest waardevolle wat verloren gegaan is. De vreugde van het denken, de vreugde van de vrijheid. Wanneer ik over dit uitspreek, bekijkt men mij alsof ik een voorhistorisch wezen ben. Vrijheid? Denken? In de 18de eeuw is er in de marge van de Verlichting een poging geweest om een antisysteemdenken te denken – die poging is mislukt. In de 19de eeuw vond in de rafelige randen van het socialisme een gelijkaardig streven plaats – allen zijn gestorven, er is niets overgebleven. Misschien kan het ooit, ergens – maar dit lichaam zal het niet meer meemaken.

“Doe wat ge wilt:
want vrije, weldenkende mensen, die een goede opvoeding hebben genoten en omgaan met fatsoenlijke mensen, hebben van nature een neiging en een drang die hen altijd duwt in de richting van de deugde en hen afhoudt van de ondeugd. Die neiging noemen ze hun ‘eergevoel’. Wanneer die mensen in een verachtelijke staat van onderworpenheid en dwang worden onderdrukt en geknecht, dan verwringt zich die edele neiging, waardoor ze zonder meer de deugd navolgden, om het juk der dienstbaarheid aan die deugd af te werpen en te verbreken; want we doen altijd dingen die verboden zijn, en we willen altijd dat wat ons wordt geweigerd.”

(Gargantua, Hoofdstuk LVII)

beeld: François Rabelais door Michel Lasne

caninus, liber vi

caninus

Bij Caninus, de historicus van de nadagen van het Romeinse Rijk, lezen we (Liber VI, r. 332-665):

‘Het was in die dagen dat Caesar zijn troepen wilde reorganiseren, het ene project na het andere bleek te groot gezien, werkte niet en ondanks de propaganda kwamen de pestplekken overal bloot te liggen. Zoals latere filosofen zullen zeggen: ‘een oorlog ontketenen is de beste manier om het eigen volk te onderdrukken.’

De nabije bevelhebbers waren gemakkelijk te manipuleren, de buitengewesten waren moeilijker onder controle te krijgen. Nu zijn persoonlijk gouden paleis in gebruik genomen was, had hij tijd om nieuwe spelletjes te beginnen. Onder het motto ‘Rechte Romeinse Regels’ werd de politiek van de godengelijke waarheid overal opgedrongen. De waarheid was één en, de waarheid was Caesar. De leugen had Rome reeds vergiftigd, nu de wereld. Daartoe stelde hij onder zijn rechtstreeks bevel twee generaals aan die verregaande bevoegdheden kregen. Zoals de geschiedenis het bewees kregen ze te verregaande bevoegdheden.

Sylvanus Janus was door Caesar persoonlijk aangeworven, hij had hem in een vorig leven diensten bewezen die nu vergoed moesten worden. Sylvanus Janus kreeg landgoederen, een veestapel en in het hoofdstedelijk paleis een suite met persoonlijk dienstpersoneel. Ook mocht hij zich uit de keizerlijke garde een schandknaap kiezen. Maximus Gulanus, bijgenaamd ‘de bruutzak’, was door Caesar gekozen om zijn onbeschaamdheid, grofheid, ambitiezucht, botheid. Hij sliep waar de varkens sliepen, hij at uit de trog van de beesten, hij dronk als een slurfbeest, hem ontbrak waardigheid. Al wist Caesar dat Maximus Gulanus door de senatoren uitgelachen werd, hij kon geen behoorlijke zin uitspreken, zijn Latijn was doorspekt met boertige uitdrukkingen en verkeerde woorden, de klanken die uit die grofgebekte muil vlogen stonken als koeien die een hele winter op stal gestaan hadden, waar de wind geen vrij spel had en de stank tot in de beenderen van de beesten was doorgedrongen, hij vond het plezant om in te gaan tegen de Romeinse moraal en idealen.

In de noordelijke gewesten was Lucius Agnus het hoofd van het Tweede Legioen. Hij had bij zijn manschappen een goede naam verworven. Hij was moedig, rechtvaardig, oprecht en stond dag en nacht klaar voor het welzijn van zijn troepen. Iedereen werd op tijd betaald, kreeg eten en drinken, de strijdoefeningen gebeurden in optimale omstandigheden. Alhoewel Lucius Agnus tot de bezettende macht behoorde, was hij mild voor de barbaren. Hij strafte niet nodeloos, de penningen die betaald moesten worden, waren niet onmatig, het barbaarse leven kon verdergezet worden zoals de barbaren het wensten. Op die manier was het gewest rijk en welvarend geworden, een gewest waar het goed leven was. De weiden waren groen en sappig, de schapen mekkerden en hadden een rijke kroost. De stoffen die geweven werden, hadden een roemruchte kwaliteit.

Caesar, steeds wantrouwig en in het besef van zijn nu voor iedereen zichtbare tanende vermogens, zag in de welvaart van dat land en het welzijn van de manschappen en de barbaren de opstand gloren, een opstand die hij de kop wilde inslaan. Niet alleen de opstand, al zijn fouten waren zichtbaar gemaakt, nu moest hij de aandacht verleggen. Sommige generaals vermoedden dat er geen opstand was, dat de slechtheid zich een verwoestende stroom bloed wenste. Hij vreesde het – later zo genoemde – ‘onmachtige bondgenootschap der goeden’, tirannen vrezen de zwakheid van de waarheidsgetrouwe Romein.

Daartoe zond hij de beide door hem zelf aangestelde generaals naar het buitengewest met de opdracht alle zogenaamde opstandelingen te doden. Beiden wisten  dat ze niet naar Rome konden terugkeren vooraleer alle opstandelingen, ook de toekomstige, gedood waren. Dat was de grote fout van Caesar. Door twee honden bij elkaar te zetten, kreeg hij een derde hond, een hond boven honden die in elkaars wreedheid een verbondenheid zagen en elkaar opjutten om nog meer wreedheid te tonen. Bloed vraagt bloed. Een druppel bloed verzinkt in een ton bloed.

Sylvanus Janus deed het met de glimlach, Maximus Gulanus met de hem gekende bruutheid. Beiden waren effectief als de wurgslang. Dood en verderf hingen als strontvliegen rond hen, de geur van de stal was hun parfum, de dieren vluchtten weg, roofvogels vlogen angstig weg, waar zij kwamen verduisterde de lucht, as en schroot achter zich latend. Als de rook niet recht omhoog schoot, moest het volgende buitengewest boeten. Gulanus beval zijn manschappen te blazen en te roepen.

Lucius Agnus, de milde bevelhebber van het Tweede Legioen, had meer geluk dan Sylvanus Janus en Maximus Gulanus konden verdragen. Jupiter en Mars waren hem gunstig gezind, Hera nam hem in haar armen. Aangekomen hoorden de uitgezonden Caesarlijke generaals dat Lucius Agnus aan kanker gestorven was, hij ontglipte hun moordenaarshanden. Eerst knarsten hun tanden, verwrongen zich hun handen, kraakten hun vingers. Maximus Gulanus die zijn brute kracht niet kon aanwenden, installeerde zich in het paleis en vrat zich verder vol, altijd al gelijkend op een dubbele paddenstoel, bol vooraan, bol achteraan, verving de strijd door een feestelijke vreetpartij. Sylvanus Janus besloot met een glimlach, het uitgesproken woord toonde de koude bitterheid om de eigen kilheid, doordrenkt van gif en haat waren dat lichaam en die geest: ‘Wat wij niet zelf doen, doet men voor ons’.

Beiden triomfeerden, bevalen hun knechten de vreugdevuren te doen branden en wensten zichzelf en hun dodende reputatie een vrolijk bestaan. Caesar kreeg in zijn gouden paleis het bericht door een bode aangereikt, las het niet, keek in de spiegel, schikte zijn haar, strooide as op zijn hoofd, vertoonde zich aan het volk dat, zoals verwacht goedkeurend mompelde, haastte zich naar binnen, knipoogde naar zichzelf, veegde de as van zijn hoofd, keek in de spiegel, schikte zijn haar.  Zo ver was het gekomen met de Romeinse rechtsregels, de ooit zo verheven moraal nu vermalen tot zand.

De manschappen treurden om Lucius Agnus, hun milde bevelhebber. De boeren treurden om Lucius Agnus, hun rechtvaardige heerser. De kinderen zongen treurliederen om hun goede vader. De nacht verduisterde, geen sterren blonken, de maan schaamde zich, de zon verkilde bij het zien van de drie beesten.

Zo trokken Sylvanus Janus en Maximus Gulanus op naar het Derde Legioen, ze hadden instructies gekregen ook daar de bevelhebber te liquideren. Ook hij had te veel plaatselijk succes en dwarsboomde aldus de smerige plannen van Caesar – die, in het besef van zijn verminderde vermogens, zijn leugens die nu al te zichtbaar geworden waren, de beslissingen die alleen maar ellende veroorzaakt hadden – het hele rijk aan de bevelhebber van Hades wilde verkwanselen. Maar niet vooraleer hij het goede had uitgeschakeld. Had laten uitschakelen.

Het vervolg van de geschiedenis zal, zoals iedereen weet, tonen dat voor wie bloed aan de handen heeft, bij wie het bloed de moraal heeft weggespoeld, bij wie het moorden slechts maar moorden is,  niemand veilig is. Caesar werd verscheurd door die honden die hij zelf had aangesteld en de brute dictatuur werd verdergezet. Het schip van het Romeinse Rijk werd verder zonder intelligentie en cultuur de woeste zee opgestuurd. Kinderen kregen geen onderwijs, dichters werden vervolgd, filosofen tot zelfmoord gedwongen, mannen werden verkracht, vrouwen tot het binnenplein veroordeeld. De barbaren konden stapvoets binnenkomen. Hun paarden triomfeerden, hun schilden werden niet vuil, de vaandels wapperden recht en fier. Geen strijd werd geleverd. Er was geen weerstand. Het Romeinse Rijk, ooit zo geprezen door dichters en denkers, om zijn welvaart, welzijn, verdraagzaamheid, moed en praktische zin, werd vernietigd en nooit meer kwamen de dagen van weleer terug, ja, bleven een bron van schaamte voor hen die zich niet verzet hadden. Alle levenden treurden nu om hun leven. Het waren de doden die gelukkig waren.’

zij, wij – en een mens

sfcdt_zij, wij en ik

De foto dateert ergens uit de jaren dertig, 1933-1934 misschien, een stad of dorp ergens in Deutschland – of elders, de plaats is onbelangrijk. Het tafereel zit vol mannen, och wel duizend – metaforisch begrepen, het ganse volk van bloed en bodem. Ze lijken wel op elkaar gestapeld te zijn – ach, ga weg, donkere gedachten. Er is 1 vrouw, onderaan, de derde naast, hoe heet die man ook alweer, ach ja, Adolf Hitler, de man van de treinen, de stipte treinen!, de autowegen, de Volkswagen, Bekaertdraad. Ze kijkt met, hoe kan het ook anders, met verlegen, bedeesde, verliefde ogen naar die man die toch niets zegt. Zo’n hoge moraal hij heeft en toch kijkt ook hij naar omhoog, naar het volk! Naar ons! Het levende deel van de Gemeinschaft! Wij de verbondenen, schouder aan schouder, een muur van uniformen, van mannen!

Van de mannen zijn er alle soorten, oud en jong, dik en dun, lang en kort, uniform en zelfs open kraag, u ziet, het volk bevat alle tendensen en is verenigd. Later, later zal men een oordeel vellen over hen en niet veel later zal men hen doen navolgen en men zal zichzelf op de borst slaan, wij democraten. De man met de snor zegt niets en toch kijkt iedereen vol verwachting en in vertrouwen naar hem. Kijk naar die ogen: groot, bewonderend. Nee, die man is niet hard en gevoelloos. Zie toch hoe die volwassen mannen kijken naar dat zwijgend godswonder. Het zit daar passief, rustig, zeker van zichzelf. Een communicantenprentje.

Zijn handen liggen op tafel, de rechter- omvat de linkerhand, er is geen agressie aanwezig, de handen rusten zoals die van een werkmens na een dag hard werken kunnen losgelaten worden. De tafel is een genoeglijke keukentafel, een mooi, modern kleedje, subtiele deconstructie. Wie wil kan de hoekjes samenvoegen tot een nieuw figuurtje, kindjes vinden dit amusant. Op de tafel, raadselachtig, staan twee kopjes, ongetwijfeld voor koffie, ach ja, de man naast Adolf Hitler is ook een beroemde man, het gaat om twee mannen. Beiden zijn een kop koffie aangeboden. Er ligt een lange lepel op de tafel, er staat een zout- en pepervat op de tafel, zou de grote man een eitje geoffreerd zijn? Zou er iets van het geel in zijn mondhoeken achtergebleven zijn? Is dat een kepie die daar op tafel ligt? De blik van de kijker gaat van beneden naar boven, de tafel is in het midden van de foto geplaatst, links en rechts mensen, mensen! – wie durft dit woord vandaag nog te zeggen? – en de blik wordt langzaam en waardig getrokken naar de armband van die jonge, degoutante man met zijn open en minzame glimlach, de knoken kraken reeds. Het lijkt nu wel alsof de foto gemonteerd is, de mensen geschikt.

Onder die mensenmassa, wat staat daar? Een rij stoelen rond de tafel (de vrouw zit op een laag bankje, of nee, zij zit op haar knieën, er is geen plaats voor een stoel) de tweede rij staat recht, maar lichtjes gebogen, zo kan ook de derde rij nog recht staan. En dan, dan zijn er banken, kasten, stellages, hoger! Hoger!

Dit is een keukentafereel, vredig, vreedzaam. Men komt samen om te kouten, over het werk, de vrouw, het weer en de koeien die zo moeilijk gemolken worden. Dan gaat het over de anderen, de boeken, de gedachten, de kunst, het verderf. Met een simpel, laf gebaar kan de hand dit alles van tafel vegen. Oh, de toekomst, dat men daar niet aan gedacht heeft: dat het moorden ook kan, zonder een oorlog te ontketenen.

Is de foto in de vroege jaren dertig genomen, hoe oud zijn die mannen? Alle leeftijden, 18 jaar, 20 jaar, dertig, sommigen naderen de veertig, een enkel zal ouder zijn. Hoevelen zullen 10 jaar later nog in leven zijn? Hoe oud zijn die mannen echt geworden? En wie van hen zal in die laatste levensdagen gedacht hebben aan dat genoeglijk samenzijn en die goedlachse fotograaf die iedereen op de foto kon krijgen.

Maar elk samenzijn kent een Judas, elke bijeenkomst een outsider, altijd en alles wordt verstoord door die ene, die Jood, die vreemdeling, ook al zijn het kinderen van ons, duivels zijn het, valse broeders, verraders van de goede zaak. Onze Zaak!

Er is er één die boven de grote leider uittroont, hij heeft zich uit de groep gewrongen, hem zullen ze niet alleen zijn hoofd mogen tonen in dat laffe moeras, hij wil zich bevrijden en dat hij daarvoor aan de kant moet staan, ja dat begrijpt hij zelf ook wel.

Zelfs een geënsceneerde foto kan de vrijheid niet volledig verdringen.

Hij heeft een witte blouse moeten aantrekken deze ochtend toen zijn moeder hem met blijde ogen wekte, hem gauwgauw in een teil waste, sluiks naar zijn ding daar keek en mompelde dat hij ook al een man aan het worden is, en dat hij een grote toekomst voor zich zal hebben als hij luistert naar zijn Mutti en die Gröβte. Hij, zoals steeds, onwennig met nieuwe kleren, waarom willen moeders altijd dat ongemakkelijke, dat wriemelen in zijn haar, laat het toch rechtop lopen, ze plakt er weer haar speeksel in, niet verwonderlijk dat het altijd gewassen moet worden.

En nu staat hij daar, met zijn linkerhand houdt hij zich vast, nee, hij zal niet vallen, zoals hij ook op de speelplaats hangt te kijken naar het gewemel en hoe hij in de klas op de laatste rij zit. Hij kijkt omlaag naar die man, zijn ogen zijn niet open en blij, maar laatdunkend en ongelovig-minachtend. Zijn mond gesloten, nee geen krul van een lach, geen glimlach, geen vrolijkheid. Hij lacht niet. Hij weet intuïtief dat de lach, dat soort beate lach, de lach van het moorden is, dat de schoftmedeplichtigen zich zo voordoen. Hij is een straatschoffie, hij is de cultuur, het waardevolle, de discontinuïteit. Ze zullen hem verwijten niet loyaal te zijn.

Ooit zal men zeggen: ‘Het volk stond achter hem. Het steunde het nieuwe regime.’ Nee, niet het volk, wij, zij die zich wij noemen.

Mond, ja ook de neus is wat opgetrokken en ruikt al de stank van het branden, en zijn ogen en dat hele lichaam tonen wat een mens moet zijn, nee, wat een mens is: achterdochtig, niet gelovig, argwanend tegen die grote woorden die al de smeerlapperij zelf zijn. De anderen, de enthousiastelingen, de anderen, die wij, dat zijn de varkens.

2017:
« nous ouvriers, nous n’avons pas d’immunité ouvrière » (Philippe Poutou)
« c’est déjà tellement difficile de parler » (Christine Angot)

niets kan ons overkomen

benoit doppagne_de tijd

Zie ze schrijden, zie hoe die armen bewegen, ook al is de foto van Benoit Doppagne (die in De Tijd van 4 februari 2017 verschenen is) een stilstaand beeld. Er moet veel wind zijn in de fabriekshal, het lichaam van de eerste man wat voorovergebogen. Maar ook niet zo veel wind dat de ogen naar de grond zijn neergeslagen. De ogen van de koning zijn rond en donker omrand, oh, de zorgen om het land, Marie, een mens weet niet wat dat is. Nee, toch de blik ver vooruit, de fotograaf heeft de einder, de toekomst niet gefotografeerd en dus blijven wij in het ongewisse. Misschien zal de koning der Belgen alleen maar het licht doven.

Hij schrijdt vooruit, de helm op het hoofd, hij is een krijger zoals ook zijn voorgangers dat niet waren. Hij is een man van alle gelegenheden (‘Je kunt daarmee onder de mensen komen.’), de helm draagt hij als hij arbeider is ; het kostuum is voor het establishment. Hij is koning, hij is het al, altijd en overal. Zijn linkerhand is bijna tot een vuist gebald, nu toch zacht en week. De rechterhand vraagt een ander handje.  Niet zoals de anderen is hij een naamkaartje opgespeld, hij draagt een pochette, zoals de mannen het vroeger deden, toen hun ijdelheid nog met confectie versierd mocht worden. Zijn broekspijpen zijn iets te kort, maar hier komt hem dat te pas, zijn broek zal niet nat worden. Maar daar had men zich al op voorzien: de rode loper werd hem uitgerold, vakkundig vastgekleefd met gele lijmband, ja, zo kun je er niet naast lopen, alles is duidelijk en er mag niet getwijfeld worden. Zij die hem begeleiden kennen hun vak nog niet echt, het zijn zeker en vast Walen: men loopt niet naast een koning maar achter hem, minstens een meter. De koning kijkt vooruit, zijn begeleider spreekt uit, achter hem, met klare, duidelijke stem, wat de koning ziet.

De koning is ons voorbeeld. Hij is actief en ernstig. Zonder hem geen economie, geen vernieuwing, geen sociaal pact, geen leven en geen aarde. Hij is bij ons.

De man met het reddersvestje loopt met de handen op de rug, hij is er precies gerust in, hij heeft ongetwijfeld veel geld op zak, hij stapt ook naast de loper en toch wel te dicht bij de koning, zijn majesteit. Nee, dit is niet lopen, hij wandelt zoals hij op zondagochtend met zijn hond door de velden wandelen gaat. Zijn helm is iets te klein, die van de koning iets te groot. Kon de ceremoniemeester niet eerst de maten opvragen?

In het midden van de grote Heeren loopt de baas van het Luikse ArcelorMittal, Matthieu Jehl. Hij is trots, hoog bezoek en geen vuiltje op de grond, alles is schoongemaakt, weggeblazen. Links voor hen, rechts voor ons, staat daar wat in de weg, maar gelukkig, niemand kijkt en wel vooruit. Hij heeft een modieuze baard (al is het de mode van een paar modes her). Zijn das is iets te oud voor zo’n man, die we toch zonder das zouden mogen verwachten. Hij zal instructies gekregen hebben. Wat hij hier presenteert is niet niets: het staal van de toekomst. Ja, de man van staal, zo ziet de koning eruit. Ah, de connecties tussen Gent en Luik, in de eerste stad wordt het staal warm geproduceerd, in Luik wordt het getoekomstialiseerd wat toch al vandaag is, ‘verzinkt’ waardoor het staal niet meer kan oxyderen en daardoor beter gemanipuleerd kan worden, er is minder staal nodig. Hoihoi! Was dat ook maar mogelijk met het geld: het is er en plots is het er niet meer. Voor de goede zaak! Onze zaak!

Achter de top loopt een tweede groepje, het lijken wel anarchisten te zijn. Men doet daar zelfs geen moeite meer om op het tapijt te lopen, men gaat maar vooruit zonder na te denken. Er is van alles, de clichés-rijke man met een vierkant hoofd en afhangende wangen, er zijn de halve hoofden en de bruine blinkende schoenen. Hier hebben we de mannen die werken.

Waar de koning vroeger de rust zelve was, hij zat op zijn troon en het volk (d.i. iedereen die geen koning was) kwam naar hem toe, al dan niet gebukt, is hij nu de doener. Vroeger : de koning ontving. Hij deed niets, hij gaf opdrachten, nee, men deed al wat gevraagd zou kunnen worden. Theodor Veblen schreef in 1899 The theory of the leisure class : an economic study of institutions, waarin hij de maatschappij bekritiseerde/beschreef door de werkende klasse tegenover de niet-werkende klasse te stellen; de eerste voedde de tweede, de tweede buitte de eerste uit. Hoe armzalig deze beschrijving en voorspelling! De wereld is gekeerd: de topklasse werkt voor het volk. Gelukkig wordt ze daarvoor correct, marktconform betaald. Een eerlijke prijs. Het management is nu moe, uitgebuit, krijgt zenuwaanvallen, moet op het werk beziggehouden worden want anders verveelt het zich. De nietsdoende klasse van Veblen is de actieve klasse geworden die de nietsdoende onderklasse in leven moet houden. Ze wordt stilgehouden met geld, veel geld, ze koopt dingen, overbodige dingen, ze is gelukkig want  verdoofd. De arbeidende klasse moet nog slechts controleren, kwaliteitsbewaking, het zijn de bollebozen die voor hen werken. Het werk is voor hen een spel, een doen alsof. De priesterlijke klasse.

Rechts op de foto zien we twee arbeiders die er niet als arbeider uitzien. Hun pak is proper, er is geen vuiltje te bespeuren. Ze hebben hetzelfde noodvestje aan als de man links op de foto. De een heeft de armen gekruist en staat lichtjes achteruit, de benen wat uit elkaar, stevig. De ander is iets groter en lijkt wat aan te leunen bij de kleinere, iets door de knieën gezakt, de armen op de rug. Beiden hebben een bril op, nu het attribuut van de arbeidersklasse. Ze kijken, zij staan stil, bezien hoe de wereld rond hen draait. Ze weten echter, daar, naast hen, staat een product. Nee, ook dat is niet meer van hen. « Dites, Julien, ça marche, hein. Tu connais ce type-là ? » – « Ah, la jeunesse, mon vieux, l’avenir! C’est peut-être le nouveau chinois. » – « De Pékin ?»