sfcdt

grievende

12-05-2018_graf christine d'haen_campo santo

Gij gaat in raadslen …

Gij gaat in raadslen. Uw beeld verschijnt mij
gekleed in aether, volmaakt en ver.
Grievende en nimmer verzoenlijke ster,
wentelt gij nader en dan verdwijnt gij.

Uit waanzin om u in u verborgen,
wend ik mij af: mijn mond smaakt as.
Zie, onze sluimer breekt door als glas
in de bittere hand van den wintermorgen.

Christine D’haen, Miroirs : gedichten vanaf 1946, Querido, 2002, p. 28

Beeld: het graf van Christine D’haen en haar man op het Campo Santo te Gent, mei 2018

Advertenties

banden (42c)

Gillis Mostaert (1528-1598), Sint-Joriskermis

banden_de pisser 4_pieter ii brueghel_bruiloftsdans in open lucht_detail

Pieter II Breughel (1564-1638), Bruiloftsdans in open lucht

banden_de pisser 4_david teniers II_dorpsfeest_detail

David Teniers II (1610-1690), Dorpsfeest (onduidelijke foto, man op rug, naast vrouw in deuropening)

banden_de pisser 4_jan vanriet_3 illustraties bij onvoltooid verleden van hugo claus

Jan Vanriet, Pisseuse III, IV en VI, voor Onvoltooid verleden (De Morgen, 1997) van Hugo Claus

banden_de pisser 4_richard phillips_negation of the universe_2001

Richard Phillips, Negation of the universe, 2001

banden_de pisser 4_maria roosen

Maria Roosen, Zonder titel, 1994 (editie op 100 exemplaren)

banden_de pisser 4_bussa (ray washio) titel taschon

Ray Washio Bussa, Taschon, s.a. (kunstenaarsboek in 10 exemplaren)

banden_de pisser 3_james ensor_ets 1889

James Ensor, De kermis bij de molen, 1889 (ets, zie rechtsonder)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

J. van den Aveele, titelpagina Alle de geestige werken van Mr. F. Rabelais, 1682

banden_de pisser 4_ben vautier_1963_uriner

Ben Vautier, Uriner, 1962

banden_de pisser 4_ets 1622_het voorhout in den haag

Anoniem, Het Voorhout in Den Haag, 1622 (zie rechts, man tegen muur)

Georg Baselitz, Priapos – Die große Nacht im Eimer, 1962-1963, 2 versies

banden_de pisser 4_georg baselitz_Die_große_Nacht_im_Eimer_remix

Georg Baselitz, Priapos – Die große Nacht im Eimer – remix, 2006

banden_de pisser 4_gillis claesz. de hondecoeter

Gillis Claesz. De Hondecoeter (1575?-1638), Landschap

banden_de-pisser-4_jan-rombouts.jpg

Jan Rombouts (1475?-1535) (pissende putto)

banden_de pisser 4_miséricorde_champfleury_histoire de la caricature au moyen âge

Anoniem, Miséricorde, uit Champfleury, Histoire de la caricature au Moyen âge

banden_de pisser 4_pieter de bloot (omgeving) 2de helft 17de eeuw_feestende boeren bij een hoeve_de vuyst veilingen

Pieter de Bloot (omgeving) (2de helft 17de eeuw), Feestende boeren bij een hoeve

banden_de pisser 4_putto pissatore_

 

Michelozzo (toegeschreven) (1396-1472), Putto pissatore

Hugo Claus, ‘Wat een gezeik’, zei zij en / zakte door de knieën en plaste.’, Een aap in Efese, 9, uit Wreed geluk, 1999

naast de pot gepist

10-05-2018_hoognodig_johan j mattelaer

In The evolution of beauty : how Darwin’s forgotten theory of mate choice shapes the animal world – and us stelt Richard O. Prum zich de vraag en geeft hij meteen ook het antwoord : ‘But why would female humans have evolved to prefer bigger, wider, and distinctively shaped penises? The answer, of course, is sexual pleasure, in all its many dimensions.’ Hij legt een verband met de ontwikkeling van de vrouwelijke borsten, even goed een simultaan proces van natuurlijke en seksuele selectie, gebaseerd op het zoeken naar schoonheid. Daardoor is het geen verrassing dat er iconologische verbanden zijn tussen de penis en de pissende man en de borstspuitende vrouw, de eerste geïdealiseerd tot held (maar zonder erectie) of geridiculiseerd tot zatlap, de tweede tot Maria lactans, figuren appellerend aan vruchtbaarheid en overvloed. Bacchus de keerzijde van Ceres.

Merkwaardig is de omslag van Hoognodig! : plassen in de kunst (AUP, 2018). De ondertitel maakt duidelijk dat het om pissende figuren gaat en toch is de gebruikte prent van Paul Lannoy een afbeelding van een man met een nood aan ‘grote boodschap’. Al gaan kakken en pissen samen, een meer passende illustratie had ook wel gekund. De auteur is Johan J. Mattelaer, uroloog op rust, de auteur van verschillende boeken over penissen en penisproblemen, verschenen bij wisselende uitgevers. De uitgever van Hoognodig! is AUP, deze letters staan voor Amsterdam University Press en het woord University wordt daarbij ijdel gebruikt. De teksten van Johan Mattelaer zijn gewoonlijk nauwelijks te lezen, te oppervlakkig, te slecht geformuleerd, te chaotisch. Men had kunnen verwachten dat de ‘universitaire pers’ enig redactiewerk verricht zou hebben. Niet zo, de tekst is niet geredigeerd, noch naar vorm, noch naar inhoud. Wat betekent het woord universiteit dan nog?

De beeldenrijkdom van de auteur is bijzonder groot, het boek is géén wetenschappelijk werk (noch iconologisch, noch iconografisch, noch cultuurhistorisch, noch sociologisch) maar een prentenboek, op die manier aangenaam en verrijkend maar daar zorgen niet de auteur en uitgever voor. Er is geen visie op de schaamtecultuur, er is geen idee over publiek en privé-domein, er is geen idee over metafysica en materialisme, over de ontwikkeling van het concept individualisme. De bijschriften zijn quasi gelijk aan de lopende tekst. De schilderijen, beelden, tekeningen worden niet verklaard, er wordt gezegd dat er een pisser te zien is – dat hadden we, gezien het onderwerp van het boek, ook kunnen verwachten. Er is een veelheid aan onderwerpen maar niet uitgewerkt, noch naar beelden noch naar inhoud. De Oosterse kunst heeft wel wat meer te bieden. De vormgeving van het boek is ouderwets, een opeenstapeling van beelden maar geen intelligente relatie tussen woord en beeld. De gekende Word-problemen i.v.m. interlinie worden in het boek gedemonstreerd. De onnozelheid van de vormgeving wordt benadrukt door de ‘creativiteit’ van de vormgever: de paginanummers worden op de linkerpagina gevolgd door, op de rechterpagina voorafgegaan door een rond haakje, dus 50) en (51. Is dit het woord universiteit waardig? Het boek bevat geen index, geen bibliografie.

Een staalkaart:

° Het Vlaams is volgens de auteur een taal naast het Nederlands.

° Simpele tikfouten worden gedrukt: ‘En hetaere plast […] voor ‘Een hetaere […]’.

° Herhalingen, herhalingen. ‘De Grieken en de Romeinen identificeerden Herakles, ofwel Hercules, met de Fenicische god Melqart.’ 6 regels verder: ‘Melqart werd met de Griekse held Herakles geïdentificeerd.’

° Onbedoelde grappen: ‘We kunnen dus stellen dat na de lieflijke amor bij de Romeinen, vanaf het midden van de 15de eeuw opnieuw naakte kinderen begonnen te plassen in de randen van de manuscripten, meestal in gezelschap van andere musicerende jongetjes.’ (Het woord ‘opnieuw’ maakt de zin ook feitelijk onjuist.)

° Er worden weetjes, biografische feiten zonder enige samenhang rondgestrooid, irrelevante ‘informatie’ wordt gegeven (irrelevant : met betrekking tot het onderwerp) waardoor men beseft dat de auteur teksten heeft overgeschreven zonder enige eigen inbreng of inzichten. Wat het belang is van biografische feiten over Zeghere van Male is onduidelijk. ‘Hij was tweemaal gehuwd en had 16 kinderen. Het boek werd samengesteld in 1542 […].’ Een uitgever dient zijn auteur te begeleiden, te beschermen en te vormen – hier is dit overduidelijk niet gebeurd.

° Dwaze formuleringen: ‘Bedevaarten waren in de Middeleeuwen sterk in de mode.’

° Dwaze opsommingen: ‘De Bijbel, het bestiarium, de hoofdzonden, duivels en fantasierijke monsters, spreuken : alles werd met veel fantasie en creativiteit uitgekapt.’

° De toevoegingen, en dan vooral het lidwoord, duiden op de vreemdheid van de canon voor de auteur: ‘François Rabelais, een Franse arts en auteur, […].’

° Het clichématige: ‘Carlo Saraceni was een Italiaanse barokschilder […]. Deze zoon van […]. Hij stond onder sterke invloed […]. Te Rome werd hij beïnvloed […].’

° Slecht gevormde zinnen: ‘Europa klom ‘al spelend’ op de rug van het schitterende dier en liep met haar de zee in met bestemming het eiland Kreta.’ ‘Teerlink schilderde een urinerende ram met olieverf op karton.’

° Dat de auteur overgenomen heeft uit andere (al dan niet anderstalige) werken wordt in details getoond. Hier spreekt hij van ‘de Bologna school’, daar van ‘de Bolognese School’ ; hij spreekt van Alde Manuce, de Franse versie van Aldus Manutius ; er wordt gesproken over ‘de schilders van het genre’ terwijl ‘genreschilders’ bedoeld zijn ; een ets van Chagall wordt ‘eau-forte’ genoemd ; wat zou een ‘middelmaatgraveur’ kunnen zijn?

° De kinderlijke verwondering van de auteur: ‘Een curieus detail is dat de meest linkse figuur een vergrootglas in de hand houdt waarmee hij naar Suzanna kijkt.’ Nergens wordt een poging gedaan de feiten te begrijpen. Er worden algemeenheden over de kunstenaars gedebiteerd, maar de werken zelf worden niet geanalyseerd.

° Het ratjetoe van weetjes leidt naar vermakelijke situaties: ‘De tachtig koperetsen van Simon Guillain tonen allerlei populaire beroepen en ambachten; Nummer 79 van de 80 toont een half ontblote jongeling die in een typische houding staat te plassen.’ (‘En wat wil jij later worden, Simon?’ – ‘Pisser!’)

° Populistische onzin: ‘In Vandersteens album De raap van Rubens, figureert Jordaens ook.’

° Typische tekstverwerkingsfouten als het herhalen van het onderwerp, worden klakkeloos overgenomen : ‘Hij genoot geen humanistische opleiding zoals Rubens, of trok hij nooit de Alpen over naar Italië, toch vervaardigde hij een substantieel aantal mythologische werken.’ Het woord ‘toch’ duidt de onkennis van de auteur aan. ‘Hij bezocht was vaak de Lafayette-baden, een homosauna.’

° Verkeerd woordgebruik: ‘Demsey beweert dat […]. Demsey beweert ook […]. ‘Beweren’ is een negatieve term en in deze context onjuist. Mattelaer citeert een auteur, hij corrigeert hem niet of geeft geen andere theorie weer. ‘voor een kleine menigte’. ‘[…] slaagt Brian Eno erin om door een smalle opening in de beveiliging op Duchamp’s Fontain te plassen!’. ‘Een wenk van wellust […].’

° Titiaan schilderde op De verering van Venus 55 putti. ‘Maar hierbij is er geen enkele die plast.’ Zo kun je nog 55555 schilderijen opsommen.

° Spellingsfouten. De ene keer: ‘Liefelijke’, de andere keer ‘lieflijke’; ‘referen’ i.p.v. ‘refereren’; ‘weids beeld’ waar een ‘wijds beeld’ correct is. ‘Standskraan’. Stassyns en Van Strytem zijn toch echt Koen Stassijns en Ivo Van Strijtem.

° Wonderlijkheden: ‘[…] en het is in Italië nog altijd de gewoonte de ongecontroleerde [sic] urine van een baby acqua santa te noemen.’

° Belgisch surrealisme: ‘Ook in het Museum voor Schone Kunsten te Brussel heeft men een herbergtafel die buiten staat en waar een man tegen het schuurtje plast.’

° Tellen: de ene keer is Adriaen Brouwer op 32-jarige leeftijd overleden, de andere keer op 33-jarige leeftijd. ° Niet gelezen boeken, of niet begrepen waarover het gaat: ‘Een laatste putti-verhaal, […], is Hypnerotomachia Poliphili, […]. Dat de auteur van Sabine Stuart de Chevalier het boek Discours philosophique sur les trois principes, animal, vegetal [sic] and [sic] mineral [sic], ou La clef du sanctuaire philosophique (1781) gelezen zou hebben, is onmogelijk en toch citeert hij haar.

° Beschrijvingen die niet kloppen: ‘terwijl de jonge, staande man zijn neus toeknijpt.’ De jongen kijkt toe en houdt zijn handen niet aan zijn neus. Op een prent van Rowlandson krijgt de koetsier géén erectie, wel staat hij vanop de koetsiersplaats te pissen.

° Onbegrip: ‘Ontgoocheld over zijn academische vorming in Italië besloot Paul Klee autodidact te worden en hij verfijnde zich in de satire.’ Over Charles Demuth: ‘[…] waar hij tot de stroming van de avant-garde wordt gerekend.’

° Verkeerde woorden: ‘lachwekkend werk’ waar de auteur ‘hilarisch’ bedoelt. ‘Door zijn bekenden wordt hij omschreven als een mens die op afstand leeft, […].’ – Door mensen die hem gekend hebben, bedoelt de auteur ; ‘retrospectieve’ voor ‘retrospectieve tentoonstelling’. ‘Bronnen en fonteinen duiden op stromend water.’

° Onnozelheden: James Ensor wordt genoemd ‘een soort Kamagurka, de hedendaagse Belgische cartoonist, ‘avant la lettre’.’

° Bladvulsel: de zogenaamde herkomst van graffiti.

° Pretentieuze raadselachtigheden: ‘Er is mij van dit schilderij een kopie [de auteur bedoelt ‘versie’] bekend waarop geen bruine maar een zwarte aap op de tulpen plast met erboven een begrafenisstoet.’ Mattelaer geeft geen titel, noch vindplaats en dat het zwart, donker wordend bruin kan zijn, komt niet bij hem op.

° Elkaar opvolgende zinnen hebben geen onderling verband: ‘Emanuel de Witte was een vrij eigenzinnig man. Zijn hele leven lang ging hij gebukt onder schulden.’

Schoenmaker, blijf bij uw leest.

Wat een verschil is dit gepruttel met wat Jean-Claude Lebensztejn in zijn Figures pissantes 1280-2014 (Editions Macula, 2016) geschreven heeft. Johan Mattelaer geeft slechts hier en daar een poging tot verklaring of duiding van de beelden. Hij beschrijft de beelden op een oppervlakkige, niet-begrijpende manier, ziet geen cultuurhistorische of sociologische verbanden, tenzij we enige algemeenheden en oppervlakkigheid als intellectuele bijdrage mogen bestempelen. Hij ziet niet het verband tussen pissen en masturberen, hij heeft geen kunsthistorische kennis en beziet de afbeeldingen dan ook verkeerd. De wilde paarden (Wildpferde, 1534) van Hans Baldung Grien, hier (banden 42b) al eerder getoond, gaat over hitsigheid, het ejaculerende paard is geen pissend paard ook al schrijft Mattelaer ‘waarbij de hengst op de voorgrond duidelijk aan het plassen is.’. Wat wij uit het taalgebruik kunnen concluderen, geldt ook inhoudelijk: er is geen visie, geen intelligentie die dingen samenbrengt, geen sprankeling die ideeën laat flonkeren, geen onverwachte beelden. Toch moet gezegd worden: wat een verzameling beelden, wat een rijkdom aan verscheidenheid, wat een vreugde te zien. Zowel Johan J. Mattelaer als Jean-Claude Lebensztejn zeggen dat hun verzameling niet dé collectie is: er is nog veel meer verborgen. Collectief zoeken en vinden.

het leven is het leven – de eindbalans van hans van pinxteren

09-05-2018_hans van pinxteren_hadewijch

Hij is een groot dichter, die ons een ruimte kan geven om te verblijven.

Droom, licht, zon, tijd, schaduw, nacht, raam, wind, stilte, spiegelend/blinkend, ziedaar kernbegrippen waarmee Hans van Pinxteren zijn oeuvre heeft opgebouwd, of toch van wat de dichter als blijvend beschouwt, zoals hij het heeft vastgelegd in Vogels, vlinders & andere vliegers (van Oorschot, 2017). Naast de wereld laat de dichter een fluisterende, benaderende stem horen, die boven en naast de tijd staat. Hij beschrijft kernmomenten van het menselijke leven, niet de grote gebeurtenissen wel die ogenblikken met een verhoogd bewustzijn, een weten dat het tijdelijke overstijgt.

Het eerste gedicht ‘Zonsopgang’ is een aarzelend (‘nee, veeleer’, ‘of liever nog’) beschrijven hoe de nacht door de morgen verdreven wordt, wat dit doet met de schaduwen, de schemerzone tussen donker en licht. Het aarzelen van het gedicht weerspiegelt het aarzelen van het gloren. Daarmee is de sfeer van het gedicht bepaalt. Toch is dit alles geen poëtische vlucht, de wereld van middel en doel blijft aanwezig op de achtergrond. De taak van de dichter bestaat erin om een ander waardenpatroon te tonen, dat van het menselijke, niet van het economische. Daardoor krijgt de poëzie een eeuwigheidswaarde, niet de macht of het geld zijn belangrijk, de ‘aanraking’ van en door het individu bepaalt de kwaliteit van een mensenleven. Dat leven is eenzaam, nauwelijks verbonden met een ander.

De droom heeft een ambigue status. Enerzijds is er een rationeel proces aan de gang (hoe chronologisch of ruimtelijk irrationeel dit ook moge zijn: de geest is aan het werk), anderzijds gebeurt dit onbewust, het ik wordt meegevoerd met processen die niet controleerbaar zijn. Het is precies die toestand, halfbewust, halfonbewust, die Hans van Pinxteren steeds weer laat terugkeren, exploreert en toont hoe dit waken/ontwaken het leven bepaalt. Het is het aanvaarden van dat wat van buiten onze grenzen naar ons toe komt. Die schemertoestand laat ook mogelijk dat het verleden werkt: de herinneringsbeelden, die altijd imperatieven zijn, herinneren aan wat gedaan moet worden, aan wat ons verbindt met anderen (het zijn doden die spreken). Het duister, het horen maar niet zien, laat dingen gebeuren zonder dat er uitleg gegeven moet worden, de dingen en gebeurtenissen verdwijnen letterlijk in het nachtzwart. De geluiden sterven weg en de stilte wordt hoor- en zichtbaar.

De natuur is een leerschool, zoals het leven zelf dat is. In het gedicht ‘Als het stil wordt’ staat de regel ‘het water spiegelt je wijsheid voor’. Water is aanraakbaar maar niet te grijpen. De spiegel is je eigen beeld dat in het water getekend staat, de wijsheid is nochtans niet die van jou, wel van het water. De spiegeling bevat jouw beeld en is niet. Toch spreekt het water over hoe te zijn (misschien niet ‘hoe te leven’). De diepte van het water staat tegenover de spiegeling (de oppervlakte): door het ondoorgrondelijke komt het wijsheidsdenken tevoorschijn. Daarvoor zijn nodig: stilte en roerloosheid. De dichter laat ons zien dat niet de vita activa het belangrijke is, slechts een nevenactiviteit is. De negatieve figuur Narcissus wordt hier gekeerd.

De verwondering kan daardoor ontstaan, er wordt afstand genomen, het denken en het voelen worden niet van elkaar gescheiden, een hogere bewustzijnsvorm kan in de plaats treden. Het leven van het kind is daarbij cruciaal, waar het horizontaal tijdsverloop nog niet bestaat: ‘Neem ik de tijd weer zoals ik die als kind neem’ (‘Barstjes in de vernis’), dan ziet de dichter hoe de hand van leidsman tot een craquelé wordt: niet het geheel wordt gezien, slechts een detail, één element, maar dit betekent alles (het deel is het geheel). De ervaring van de tijd: het kind tegenover de oude man. De herinnering heft de tijdsafstand op: de dichter wordt een kind, het kind is de man geworden. Dat verleden voedt de mens, haalt hem terug uit het actieve leven – er is geen sprake van kinderspel, het leven van het kind is ernstig en zwaar.

Het leven van de volwassene wordt een bewust leven, niet alleen neemt de dichter afstand van het gewoel, ook van zichzelf: hij objectiveert en ziet de ik als een ander. Deze verwarring wordt tegenover de natuur gezet, de natuur die steeds in beweging is en toch dezelfde blijft: ‘voor het raam wiegt / een tak in de wind’. (Het gedicht ‘Voor het raam’ herneemt deze situatie, bijvoorbeeld in de regels ‘in de donkere spiegelruit / wiegt een tak’.) Het ik en het natuurgebeuren hebben (schijnbaar) niets met elkaar te maken: wat er met de mens ook gebeurt, de seizoenen volgen elkaar op. De wind giert.

Een aantal gedichten wordt op een cirkelstructuur gedragen (hangt samen met de niet-lineaire tijdsopvatting), bijvoorbeeld ‘Korte metamorfose’ of ‘Vrij naar Tsjwang Tse’. Het spiegeleffect is daarop gebaseerd: vanuit het ik naar X en terug. In het eerste gedicht is dit de structuur tak – spiegel – wind – ik – spiegel – raam – wind. Ook de ruimte volgt deze structuur: buiten – binnen – buiten. In het gedicht ‘Vrij naar Tsjwang Tse’ is het de droom die de cirkel maakt: ik droom dat ik X was die droomde en in die droom ontpopte een vlinder die ‘ik’ wordt waarna een ontwaken volgt maar niet geweten wordt wie wie wakker gemaakt heeft en dan krijg je een meesterwending in de laatste strofe:

nee weten doe ik niets dan dat
een wijsgeer zijn geluk niet op kan als hij
in de droom vliegt van een vlinder in de wei

De filosoof bestaat in de droom van de vlinder. Ook het woord weten is belangrijk: na het niet-weten van de droom, blijft het weten even wetenloos, terwijl de verbeelding bestaat en zo het diepere weten vormt.

Een onvermoede verwantschap met Roland Jooris, niet in het minst door een somtijds Oosterse passiviteit: de scheiding tussen subject en object aanvaardend, het registreren van wat binnen en buiten gebeurt, zonder sentimentaliteit, moraliteit, bezitneming en waar toch een (of het) subject tevoorschijn komt, niet in een psychologie wel in een akt, bijvoorbeeld die van het tekenen of schrijven. Het gedicht ‘Vlinder van Hokusai’ citeer ik volledig:

Met welvende vleugels
tussen bloesemend groen

dwarrelend tweelingblad
in de voorjaarsstorm

kom van doorschijnend
porselein

stof nog of niets
dan in kleur gebracht
lijnenspel

waarmee volmaakte leegte
haar signatuur zet
op het tekenvel

De activiteit wordt verbonden met het niets, de leegte – het tegenovergestelde van de actieve wereld die wil tonen, toevoegen, verkopen. De warenwereld. De kunstenaar weet van een betere wereld. ‘Naakt schrijven / dat inzicht schenkt’ – de wereld wil geen inzicht, geen persoonlijke groei, geen menswording. Er is een gedicht in de reeks ‘Implosies in de stilte’ getiteld ‘Variatie op Hadewijch’. Er zijn vliertakken voor het raam, een spel met de wind, dit alles ‘komt uit een onbeperkt denken voort’ (het onbeperkte is, i.t.t. wat de economie beweert, niet eigen aan de economie maar aan de mystiek) en de natuur maakt de ik los, ‘verliezen mijn oude spinsels hun beklemming’, en nadert de ik. De dichter spreekt niet over wat dichter genaderd wordt, dat hoeft ook niet. Niet alleen de dichter weet, ook de lezer weet – daarom leest hij. Eenzelfde houding in het voorlaatste gedicht van de bundel, een Oosters, maar ook een Westers-mystiek gedicht: het weten in het niet-weten, het verloren lopen op het zelfgekozen pad, het einde dat er is.

Wat is

deze stilte
anders dan zien
dat er geen terug is

over het zelfgekozen pad

 

wat

deze leegte
anders dan zien
dat er geen pad meer is

de merel van hans van pinxteren

08-05-2018_hans van pinxteren_vogel

Het boek is (veel) beter dan de omslag. Vogels, vlinders & andere vliegers (van Oorschot, 2017) van Hans van Pinxteren is een compilatie van oud en nieuw werk. Net zoals Hans Sleutelaar wil hij zijn eigen oeuvre bepalen: hij heeft gesnoeid, hij heeft veranderd, hij heeft een nieuwe ordening opgedrongen: dit is wat blijven moet.

Het is onduidelijk wie in het gedicht ‘Adam ontwakend’ de ik is. De dichter of Eva, de natuur of de wereld. De ambiguïteit bepaalt voor een stuk de kwaliteit van het gedicht. Neem de eerste regels

Alsof de morgen nooit aanbrak
heb ik het licht zien worden

Het woord alsof leidt niet naar wat de lezer zou verwachten, hij staat plots alleen. De tijd staat stil, er is licht maar het moment verplettert elke toekomst. In de volgende regels beschrijft de dichter wat gebeurt, het eerste beeld is dat van God die naar Adam reikt, hem aanwijst en levend maakt. De ‘ik’ hoort merelgezang, de honing voor wat tijdens de nacht gebeurd is. De ‘wonden’ zijn misschien de liefdeswonden – het wijzen én het gezang maken de ik ontspannen, het leven maakt de nacht ongedaan, het tot elkaar komen van mens en natuur heft de nachtelijke eenzaamheid op.

terwijl zijn vinger naar de mijne reikte
heb ik de merel balsem horen gieten
in wonden door de nacht
mij toegebracht
trok de spanning uit mijn ledematen weg

08-05-2018_hans van pinxteren_De-schepping-van-Adam-Michelangelo

De balsem van de merel is genezend, heelt de kwetsuren. De troost van de kunst én van de natuur. Het resultaat van deze ontmoeting beschrijft Hans van Pinxteren in de derde strofe. Door de aanreiking en door de merel wordt de ‘ik’ bewogen, hij/zij maakt de droom van de ander waar, niet als een gehoorzamende volvoering, wel als een meer worden dan de ik was, het hoger op wordt beleden en uitgevoerd. Is de ‘ik’ een hij, dan gaat het om Adam – zoals de titel aanduidt, en is de vogel god’s gezant. De merel als engel. Is de ‘ik’ een zij, dan Eva en is wat haar overkomt de droom van Adam. Elke ochtend is een nieuw ontwaken, de balsem is elke dag, na elke nacht met nachtmerries, noodzakelijk. ‘Adam ontwakend’ kan metaforisch begrepen worden: de mens.

nu bij de fluistering van regen
zijn droom over mij kwam, aan mij ontsteeg
de vogel van wiens vleugels traag
de schaduwen in mij sloegen
werd ik bewogen al naar hij vloog

De stilte is belangrijk: het zingen van de merel en het fluisteren van de regen zijn geluiden die de stilte markeren, het geluid is geen lawaai, beklemtoont wat tussen de verschillende geluidsperiodes bestaat – niet toevallig is dit want Van Pinxteren heeft het gedicht 4’33” opgenomen, 2 regels en zonder John Cage te noemen, verwijst hij uiteraard naar zijn compositie uit 1952, de bekendste silent piece:

Wil je deelgenoot in de stilte worden
kun je het zwijgen aan van de componist

Van Pinxteren beklemtoont het uitdagende van de componist: kun je het zwijgen van de componist verdragen, ben je sterk genoeg om zelf te zwijgen en geen commentaar te moeten geven, kun je de intentie aanvaarden, de intentie die niet wil spelen, geen geluid wil maken, zich uit de wereld wil terugtrekken, kun je dit aan, dit zwijgen, deze stilte en de onbedoelde geluiden aanvaarden?

Het beeld van de vogel in het gedicht ‘Adam ontwakend’ die zijn vleugels, traag (weer een woord dat met stilte verband houdt), in de ik slaat, is een poëtische formulering van invloed hebben, de ander die in mij leeft en ik die leef zoals de ander het wenst waardoor er een eenheid ontstaat, het ik wordt opgeheven, bestaat zogezegd niet meer maar wordt verhevigd.

De poëzie van Hans van Pinxteren is tegelijkertijd zacht en hard. Ze is een fluisteren dat quasi ondoordringbaar is, hard als marmer, zacht als mijn hart. Er spreekt een menselijkheid in deze gedichten, die voorzichtig wil leven, anderen niet wil beknotten, bewust bestaat.

In het gedicht ‘Als de dag aanbreekt’ komen dezelfde motieven terug, weer is er het licht, een stilte, een nacht en een ontwaken, een omzetten van stilte naar lied (dus kunst), een beginnend leven, een werkzaam leven. Ook hier vervult de merel de functie van dagopener, de nacht die verlaten wordt, de droom die overgaat in het leven en toch nog de droom vertegenwoordigt. De zwarte kleur van de veren herinnert aan de nacht, de klanken van het lied aan de dag. In de merel zijn leven en dood verenigd. Het zingen van de vogel verdicht de dag, waarbij met het woord verdichten gespeeld wordt: dichter maken maar ook poëzie maken. De merel betovert de wereld. De ochtendnevel, het ochtendkleed van de natuur (‘de schemerende wade’) wordt omgevormd tot een lied. Het ontwaken van de dag.

Zingt de merel vόόr het licht?
de stem weeft draden
alsof de nacht zilver schiet

alsof zijn keel de dag verdicht
en hij de schemerende wade
omsmelt tot lied

De gedichten zijn gedachten die de wereld omschrijven, de woorden geven betekenis aan het woordloze. De pen van de dichter maakt de wereld levend, de stilte hoorbaar, de zachtheid aanwezig.

valse vogels

richard prum

De omslag van The evolution of beauty : how Darwin’s forgotten theory of mate choice shapes the animal world – and us (Doubleday, 2017) is van John Fontana en een bewijs hoe esthetisch niveau en intelligentie uit elkaar gegroeid zijn. Oh, ik weet het: er zullen mensen zijn die zeggen ‘leuk’, ‘vogelie’, ‘tsjip tsjip’ – maar moet ik met iedereen rekening houden? De vogels op de cover zijn geplaatst als muzieknoten, wat nauwelijks op de foto te zien is, is dat de vogels in reliëf gedrukt zijn, aan te voelen zijn. Een Amerikaanse manier die voor ons aan literette doet denken, stationslectuur, kitscherige aandachttrekkerij. Dat de vormgever de vogels op de letters doet zitten, maakt de zaak nog erger – al die verloren tijd.

Richard O. Prum heeft een populariserend werk geschreven maar de bedoeling en de werkwijze zijn wel degelijk wetenschappelijk – hij doet geen beroep op het sentiment van de lezer. Zijn argumenten zijn rationeel, wetenschappelijk, feitelijk, zijn hypothese is gedurfd en een uitnodiging tot verder onderzoek én weerlegging. Zijn ambitie is wel degelijk om de darwiniaanse theorie in ere te herstellen en met aanvullende bewijzen te komen, hij attaqueert daarvoor een groot deel van de wetenschappers. De vormgeving van de cover is daaraan tegengesteld, doet eerder denken aan een kinder- of liedjesboek dan aan een boek dat ernstig en onderbouwd is. De kloof tussen vorm en inhoud is daarmee groot en een belediging voor auteur en lezer.

07-05-2018_prum_maria carella

De typografie van het boek zelf is door Maria Carella opgebouwd en is gedegen, ietwat ouderwets en bescheiden, toch ook Amerikaans door het groter fontgebruik. Haar werk staat de lezer ten dienste, hij kan op een rustige manier lezen en aantekeningen maken. In haar tekst zijn tekeningen en schema’s opgenomen, de lezer moet geen onderzoekingswerk verrichten om de band tussen tekst en beeld te vinden en kan in de marges aantekeningen maken. Carella heeft het boek begrepen, Fontana is boek- en ideevijandig.

In 2017 verscheen bij Van Oorschot Vogels, vlinders & andere vliegers van Hans van Pinxteren. De status van dit boek is onduidelijk, de titelpagina bevat enkel de zonet genoemde titel, er is geen verduidelijking. Ook het colofon is sec en zegt niets over de inhoud. Er is een ‘verantwoording’ opgenomen: ‘De hier bijeengebrachte gedichten ontstonden tussen 1963 en 2017. Ze zijn grotendeels geselecteerd uit de bundels […].’ De tijdsaanduiding is breed, de woorden vaag (‘grotendeels’, ‘geselecteerd’). Er wordt niet vermeld welke gedichten uit welke bundel komen. In de 2017-bundel zijn ‘hoofdstuktitels’, ‘reekstitels’ opgenomen maar die komen niet overeen met de vroeger verschenen bundels. Er wordt ook gemeld dat de nieuwe bundel niet chronologisch geordend is. De lezer kan er dus naar gissen wat oud en nieuw werk is. Wel wordt gemeld dat alle gedichten nu een titel gekregen hebben, en dat ze in min of meerdere mate bewerkt zijn. Deze bloemlezing is een keuze van de auteur zelf: dat wat hij van zijn oeuvre nog belangrijk vindt. Hij beschouwt deze bundel als ‘nieuw’.

07-05-2018_hans van pinxteren_omslag 1

De omslag van Vogels, vlinders & andere vliegers is van Christoph Noordzij en een bewijs hoe esthetisch niveau en intelligentie uit elkaar gegroeid zijn. De bundel met oude en nieuwe gedichten van Hans van Pinxteren lijkt nu wel een kindernatuurboekje, de onnozelheid van de vogels die op letters zitten, is al te groot. Wie het boek omdraait kan zich nog meer ergeren,

07-05-2018_hans van pinxteren_omslag 2

daar zijn de twee mussen op de grond en op een barcode geland – die barcode een blijvende ergernis voor iemand met schone ogen. De vogeltjes roepen géén Jan Hanlo-echo op, integendeel ze zijn een sentimentele smet. Dit alles wordt nog erger als men weet dat van Pinxteren dichtbundels bij Athenaeum-Polak & Van Gennep heeft uitgegeven en waar de omslagen én het binnenwerk voldragen schoonheid, evenwicht, harmonie en intelligentie vormden. Te bedenken dat Gerrit Noordzij bestaan heeft!

07-05-2018_hans van pinxteren_omslag 3b

De omslagen bevestigden dat deze dichter de moeite waard is en een klassieke status beoogt. De omslag bij Van Oorschot vernedert auteur, lezer en literatuur, maakt van het boek een wegwerpproduct. Ook de letters dragen daartoe bij: de ene uitgeverij gebruikte statige letters, de ander sentimentele. Denkt de uitgever of diens commerciële wanbeheerder dat een omslag als dit een nieuw publiek zal aantrekken, dat kinderen deze gedichten als versjes zullen lezen? Wil de uitgever en zijn commerciële wanbeheerder dat een ernstig publiek dit soort gedrochten in huis wil halen, een smet voor huis en haard? Wie de papieren omslag eraf haalt, ziet de leugen bevestigd: vals ingebonden, een goedkope hardkartonnen bord. De lezer bedot en dus de auteur beledigd.

Een Japanse nachtegaal (p. 22), kraaien (29), meeuw (35), eend (36), vogels (39), eend (53), meeuw (69), aalscholver (69), vogel/arend [d.i. vlieger] (73), merel (74), merel (89), zwarte vogels (93), ganzen (98), spreeuwen (102), zwaan (102), meeuwen (105), zwanen (110). Vogels genoeg in het boek Vogels, vlinders & andere vliegers zou ik zeggen, maar geen mussen… Waarom zijn er dan wel vrouwelijke (!) mussen op de omslag afgebeeld? Omdat lezen en vorm niets meer met elkaar te maken willen hebben. Noch vormgever, noch uitgever (en trawanten) leest.

nu de dagen

sfcdt_bukowski

I inherit

the old guy next door died
last week,
he was 95 or 96,
I am not sure.
but I am now the oldest fart
in the neighbourhood.
when I bend over to
pick up the morning
paper
I think of heart attack
or when I swim in my
pool
alone
I think,
Jesus Christ,
they’ll come and
find me floating here
face down,
my 8 cats sitting on the
edge
licking and
scratching.
dying’s not bad,
it’s that little transition
from here to
there
that’s strange
like flicking in the light
switch
off.

I’m now the old fart
in the neighbourhood,
been working at it for
some time.
but now I have to work
in some new
moves:
I have to forget to zip up
all the way,
wear slippers instead of my
shoes,
hang my glasses around my
neck,
fart loudly in the
supermarket,
wear unmatched socks,
back my car into a
garbage can.
I must shorten my
stride, take small
mincing steps,
develop a squint,
bow my head and
ask, “what? What
did you say?”

I’ve got to get ready,
whiten my hair,
forget to
shave.
I want you to know me
when you see
me:
I’m now the old fart
in the neighbourhood
and you can’t tell me
a damn thing I don’t already
know,
respect your elders,
sonny, and get the
hell out of my
way!

Charles Bukowski

schoonheid schoonheid haar gezicht getoond – bis

prum

De natuur is geen zelflerend systeem, de natuur heeft geen doel en de natuur kent geen rechtlijnige weg. Wie ooit de moeite genomen heeft om een plant of een dier te bekijken, weet hoe ‘inefficiënt’ de natuur te werk gaat (dat intelligente mensen sterven is eveneens een natuurlijke dwaasheid), dat de natuur helemaal niet intelligent is en dat er wel heel veel met de klak naar gegooid wordt. De natuur zoals wij die kennen is een moment in de evolutie (en die evolutie leidt niet naar een punt omega). En dus kent de natuur ook heel veel dwaalwegen, er zijn soorten die uitsterven, er zijn soorten die zichzelf opheffen. Richard O. Prum spreekt in The evolution of beauty : how Darwin’s forgotten theory of mate choice shapes the animal world – and us (Doubleday, 2017) van decadentie: ‘Evolution can even be ‘decadent’, in the sense of its resulting in sexual ornaments that not only fail to signal anything about objective mate quality but actually lower the survival and fecundity of the signaler and the chooser.’

Toegevoegd moet dus worden bij de seksuele en natuurlijke selectie, die van de schoonheid – we moeten misschien de natuurfilosofie weer in ere herstellen: de schoonheid is een overlevingselement en de commerciële schoonheid is een combinatie van geldelijke doelmatigheid met ondergeschikte waarde en heeft dus niets met de natuur te maken, een aberratie, een decadentie.

Darwin stond voor het probleem van de diversiteit: wanneer men enkel de natuurlijke selectie als norm neemt, dan zou er eigenlijk slechts 1 soort mogen bestaan – de idee tot een dwaasheid uitgegroeid. Welke functie heeft de diversiteit, wat is de zin van het schone? De schone veren van een mannelijke vogel, zeggen ‘eigenlijk’ niets over zijn zaadkwaliteit, toch is het onmiskenbaar dat de ene vogel mooier dan de andere is en dat leeftijd van de kleuren af te leiden is. De dieren ontwikkelen een schoonheid voor zichzelf (niet voor de mens) en bezitten dus een esthetisch denken en een daarop gevestigd oordeelsvermogen. Maar omdat die evolutie van schoonheid geen doel dient, maar in zichzelf een reden vindt, noemt Prum dit een gevaarlijk idee, immers tegenovergesteld aan dat wat de mens lijkt te drijven – leden van het establishment in het onvrije Westen worden daarmee afgedaan als regelrechte schurken en onderdrukkers.

Dat de drijvende kracht achter dat schoonheidsstreven het vrouwelijk deel is, is een tweede gevaarlijk idee die ingaat tegen het machismo in de traditionele godsdiensten en ook daarom wordt Darwin door hen genegeerd (de uiterlijke schijn van de natuur bevestigt dit reeds: het zijn de mannetjes die zich aanstellen). De evolutie is arbitrair, de chaos regeert en de teugels zijn papieren leidsels. De natuur doet maar wat, er is trial and error, ze rotzooit maar wat an. De schoonheid lijkt echter wel een constante te zijn. Prum bestudeerde exotische vogels, de prieelvogel (de paradijsvogel) bijvoorbeeld, die alles verzamelt watt de kleur blauw heeft, om zo een vrouwtje te imponeren, het bouwsel in het midden van de foto, dient om haar te ontvangen. Wanneer ze niet wil paren, kan ze op een gemakkelijke manier weggaan: zij bepaalt wat er gebeurt. Zij beoordeelt ook het kunstwerk: van op afstand bekijkt ze het werk, pas wanneer er voor haar aantrekkelijkheid ontstaat, neemt ze contact op met de mannelijke vogel.

prum_Satin-Bower-Bird-Nest

De eenzijdige visie op Charles Darwin is er gekomen door Alfred Russel Wallace, die een vereenvoudigde theorie verkondigde, waar de schoonheid geen rol in speelde en de nadruk op de oorlog gelegd werd – de toestand kan weer vergeleken worden met Karl Marx en Friedrich Engels. Maar niet enkel de schoonheid werd in het verdomhoekje gedrongen, dat gold ook voor het plezier, en dan vooral het vrouwelijk genot, daarbovenop kwam de theorie van Sigmund Freud en de vrouwelijke seksualiteit heeft heel wat te duchten gekregen. Prum toont aan dat in de natuur de vrouwelijke autonomie een feit is, en dat verkrachting een geweldsdaad is – ook in de natuur – en ingaat tegen de algemene natuurwet. De verhalen over eenden zijn legendarisch, Prum toont echter aan dat dit niet ‘natuurlijk’ is: de vrouwelijke eenden worden wel degelijk verkracht. De vrouwelijke eenden hebben een anatomisch slot ontwikkeld en er zijn eenden die niet op een gewelddadige manier paren. ‘Female ducks teach us a great lesson about the unexpected power of female sexual autonomy. In the words of the Eurythmics and Aretha Franklin song, they teach us that ‘Sisters are doin’ it for themselves!’ By doing so, females together become the agents of choice and the guarantors of their own freedom of choice.’ Het recht op een eigen seksualiteit is dus niet enkel een politieke eis, maar ook een constituerend element in het functioneren en de ontwikkeling van de natuur.

Richard O. Prum geeft niet alleen een verslag van zijn bevindingen maar geeft ook enkele wetenschapsfilosofische opmerkingen: door de moeilijkheden te beschrijven die hij ondervond bij het publiceren (o, hoe herkenbaar …) toont hij aan hoe het establishment, de macht, het nieuwe denken tegenhoudt, nieuwe inzichten verdraait en de vooruitgang blokkeert. Hij toont aan hoe elke wetenschap een ‘nulmodel’ moet aanhouden en zonder deze mathematische basis nooit een resultaat kan bereiken. Zoals hij de biologie beschrijft, is die nauwelijks een wetenschap – dit wordt bevestigd door ‘natuurbewegingen’ die beweren de ‘natuur te moeten herstellen’ – maar waar nooit duidelijk gemaakt wordt of de ‘vorige’ situatie wel of niet ‘natuurlijk’ was.

Interessant is wanneer Prum beschrijft dat de co-evolutie van schoonheid en ‘seksualiteit’ elkaar in de weg kunnen zitten, hoe de schoonheid een decadentie kan worden en de leefkansen van de soort kan bedreigen, hoe de evolutie van de schoonheid kan leiden naar een hogere kost voor de dieren en waarbij die kost toch in stand gehouden wordt – omwille van de schoonheid zelf. ‘In other words, a handsome, reckless, die-young James Dean-type may leave more offspring than a quiet librarian who lives to be an octogenarian.’ Niet alleen de natuur verkijkt zich. Het besluit kan alleen maar zijn dat niet enkel natuurlijke selectie de organische vormen bepaalt, dat er ook andere determinanten aanwezig zijn. Schoonheid moet niet verstandig zijn. En uiterste schoonheid benadert decadentie, dit is dysfunctioneel, en daarom ook uitzonderlijk. Toch is ook dit weer ambigue: een soort ontwikkelde vleugels en kon daardoor vliegen (niet zoals nu nog altijd beweerd wordt dat een vogel of een insect vleugels heeft om te vliegen). Het schoonheidsverlangen (het streven) is een motor van evolutie.

Maar onder dat wat schoonheid genoemd wordt, werkt de vrouwelijke, seksuele autonomie: zij bepaalt hoe de mannetjes zich fysiek moeten ontwikkelen en hoe hun gedrag moet aangepast worden aan wat de vrouwtjes als gewenst gedrag beschouwen. Dit is een pacificerende evolutie, het intomen van mannelijk geweld t.v.v. weliswaar een eigenbelang maar 1 die het samenleven bevordert, niet vernietigt. Het pacifisme accordeert meer met de natuur dan gelijk welke oorlogshouding – en daarmee wordt het natuurlijk coöperatie-model van Kropotkin bevestigd. Het boek van Prum is dus nog veel belangrijker dan hij zelf beseft wanneer hij schrijft over het mannelijke sociale gedrag dat ontwikkeld wordt als gevolg van het esthetische streven. Om aan het schoonheidsverlangen van de vrouwtjes tegemoet te komen, willen mannetjes excelleren, ook hun schoonheidsgevoelens (beter: -inzichten) evolueren (ze komen tegemoet aan het vrouwelijk schoonheidsideaal en denken dat ze in vrijheid en naar eigen inzicht handelen). Hun praktijk wordt een esthetisch handelen. Bovendien kan dit alles op redelijk korte termijn gebeuren – we spreken niet van eeuwen. Er is geen enkele reden tot pessimisme: het modelleren is mogelijk, de maatschappij verbeteren naar de wensen van de vrede is niet enkel achtenswaardig maar noodzakelijk, de mens hoeft niet te blijven in zijn hedendaagse dierlijke toestand.

Het boek van Prum eindigt met een pleidooi voor een esthetische visie op het leven. Het emancipatiestreven van groepen is niet een poging om dominantie te verwerven maar een opeisen van keuzevrijheid, het niet in een kooi opgesloten moeten blijven. De verandering is essentieel, in culturele termen : de Metamorfosen van Ovidius is het werkelijke cultuurboek: ‘Another exciting implication of this aesthetic view of life is the realization that coevolutionary change is the fundamental feature underlying all aesthetic phenomena, including the human arts.’

Het menselijk streven naar humanisme, schoonheid, vrijheid en coöperatie is geen ‘afwijking’ van de Verlichting, is geen gevolg van ‘mei 68’ maar een natuurlijk streven waarmee de breuk tussen cultuur en natuur opgeheven wordt: de menselijke artefacten zijn natuurlijke elementen. Wat we vandaag in de culturele en politieke wereld meemaken, het centralisme (het uniformisme) en het ontkennen van schoonheid, is dus een vernietigingsdecadentie, een aberratie van de menselijke natuur.

beeld: Fabrice Dermience

schoonheid schoonheid haar gezicht getoond

richard prum

The survival of the fittest en onmiddellijk wordt de naam van Charles Darwin toegevoegd, dat de uitdrukking niet bij Darwin voorkomt is van geen tel, soms zijn door de auteur niet-gebruikte woorden efficiënter dan diens eigen woorden waarmee zijn ideeën vorm gegeven worden maar in dit geval is nog veel belangrijker wat er van zijn werk gemaakt is. De strijd in de natuur werd naar de mensenwereld overgeplaatst en het kapitalisme werd daardoor als een natuurvorm voorgesteld: mensen zijn niet anders dan de beesten – toch op dat vlak. Wat de mens van het dier onderscheidt, is dan niet de rede, de lach of de taal, maar wel het geld.

Het darwinisme, om Karl Marx te parafraseren (en hiermee wordt duidelijk gemaakt hoe de 21ste eeuw nog steeds worstelt met het denken van de 19de eeuw, dat er nog steeds geen nieuwe, realistische visie op natuur en mensenwereld is, zegt veel over de intellectuele capaciteiten van 20ste en 21ste eeuw – en al die experten en consulenten dan?), is niet wat Darwin zelf voor ogen had, zoals steeds is de oorsprongsdenker subtieler dan de navolgers. Waar die de evolutie als een strijd van de sterkste, gedreven door het seksuele instinct, zien (maar hoe kan dat: als er na zoveel eeuwen strijd nog altijd zwakke vogels geboren worden, nog altijd zoogdieren zijn die nauwelijks met hun kudde meekunnen, dat soorten zich niet aangepast hebben?), zag Darwin ook een schoonheid in de natuur die ‘functieloos’ was, geen determinant die de soort beveiligde of sterker maakte. Dit idee van Darwin is door de jaren heen verdoezeld en er is steeds 1 determinant overgebleven, niet toevallig passend in de kapitalistische, economisch-gedreven, ideologie waar efficiëntie, doelmatigheid en kostenbesparingen de geloofspunten zijn.

Richard O. Prum noemt dit het ‘werkelijk gevaarlijke idee’ van Darwin. The evolution of beauty : how Darwin’s forgotten theory of mate choice shapes the animal world – and us (Doubleday, 2017) is een weerlegging van het simplistisch, dus vulgair, darwinisme en een pleidooi om met andere ogen naar de wereld (en dus ook onszelf) te kijken: de schoonheid is er, heeft toch een doel (in zichzelf), maar is geen element dat dient om te overleven. Het boek zet veel ideeën op hun kop, is zelfs politiek bijzonder relevant, toont hoe godsdiensten achterhaald zijn en hoe de vrouwonvriendelijke houding niet alleen achterlijk maar ook tegengesteld is aan hoe de natuur werkt. De islam is daarmee effectief een achterlijk sociologisch conglomeraat van reactionaire opvattingen – dit doet niets af aan de reëel rijke cultuurtraditie – sinds enkele jaren, sinds de reactie aan de macht is, wordt alles moreel bejegend terwijl moraal slechts een tijdelijkheid bezet, het is ook daarom dat het Vlaamse Humanistisch Verbond, nu Freddy Mortier (vrijmetselaar, Richard Wagner bewonderaar, SP-A-lid en zoekend naar een plaatsje in de provincie, het politiek overbodige niveau maar waar veel geregeld wordt, en dus géén vrijdenker) daar aan het hoofd staat, meer dan vijftig jaar achteruit geworpen wordt. Mortier is een professor, als enige auteur, 1 boek over god geschreven heeft, een problematiek die sinds de Grieken intellectueel niet meer relevant is : er zijn al die eeuwen geen nieuwe elementen naar voren gebracht, steeds wordt hetzelfde herhaald en vanuit die overbodige intellectualiteit vindt hij dat de islam door het Westen moet omarmd, toegelaten en gesteund worden – weer een intermediair die in realiteit in de een vijfde colonne gekropen is. We zien hoe het establishment de maatschappij wurgt en het publieke denken versmoort. Te weinig intelligentie om het gedachtengoed van een maatschappij naar een hoger niveau te tillen.

Het gevaarlijke idee van Darwin is dat schoonheid de natuur regeert en dat vrouwen die schoonheid bepalen: het zijn de vrouwen die de mooiste mannetjes uitkiezen en zo de evolutie van de uiterlijke schoonheid bepalen. Schoonheid kent dus wel degelijk evolutie, zelfs vooruitgang. Het zingen van de merel dient niet enkel om nageslacht te krijgen, maar ook omwille van zichzelf, het zingen, de schoonheid, en daarmee samenhangend, het plezier te leven. Merkwaardig is dat dit een bevestiging is van wat de grote filosoof Max Stirner als een kernpunt van zijn denken uitwerkte: de dingen hebben in zichzelf een belang.

Het grote probleem waarop de filosoof Thomas Nagel wees in zijn artikel ‘What is it like to be a bat’ geldt niet alleen voor onze blik naar de natuur maar is het kernprobleem van elk denken dat zich met de mens bezighoudt: wat en wie is de ander, hoe kan ik weten wat de ander voelt, weet, meent – in de dagelijkse praktijk leven we het solipsisme en we doen alsof we sociale wezens zijn. Wat dit boek betreft: zien wij schoonheid en is die schoonheid ook observeerbaar voor de vogels, bijvoorbeeld, zien vogels de kleuren zoals wij ze zien? Prum toont aan hoe wij dit inderdaad kunnen veronderstellen, nl. door te kijken naar gelijkaardige evoluties en hoe andere, verwante organismen op een andere plaats geëvolueerd zijn. Om kennis op te doen, moeten we geïsoleerde groepen vinden en bestuderen.

Nog 1 van die grote bevestigingen is dat de auteur aantoont dat ‘natuurlijke instincten en verlangens’ niet natuurlijk zijn, dus geen vaststaande entiteiten zijn, maar zelf ook geëvolueerd zijn – de verlangens worden opgewekt doordat er voordien al iets gebeurd is. Het essentialisme is een denkfout. Er is dus sprake van een co-evolutie: de voorkeur voor het paren gaat samen met een uiterlijke vorm, beide hebben een eigen evolutie en daardoor is de verbluffende verscheidenheid ontstaan – zoals we nu weten leidt efficiëntie enkel tot eenvormige domheid en is wat een multiculturalisme genoemd wordt een terroristische vernietiging van menselijke en wereldlijke verscheidenheid. De subjectiviteit is m.a.w. dé manier om te overleven en wie subjectiviteit zegt, spreekt ook over vrijheid – en dus over individualisme. Het doelmatige gaat in tegen wat de natuur doet en is een ontkenning van wat evolutie en ontwikkeling betekenen.

een vijfde maand

03-05-2018_een vijfde maand

Meimorgen

Laat verder al de dagen als deze!
Dan is er niets meer wat ik nog begeer.
Ik denk aan niets, ik vraag me zelfs niet meer:
kan ik, een tweede maal, zo zalig wezen?

Straks komt het einde, ik kan het duidlijk lezen
in atmosfeer en licht, maar ik negeer
èn elke kwaal en èlk verouderd zeer:
zelfs als ik doodga, ben ik toch genezen.

De lucht is grijs, een korte regen valt,
de clivia’s en fuchsia’s staan buiten
en dampen geurend op het warm asfalt.

Zo gaat het lieve, daaglijks leven voort –
straks schijnt de zon – en duizend vogels fluiten
in al de kroegen van de Naamse Poort.

Jan Van Nijlen, Te laat voor deze wereld, 1957