sfcdt

het gestolde: ‘de sculptura’ van philip van isacker

philip van isacker_amélie bakker

De titel is een verwijzing naar, een eerbetoon aan, tevens een zich meten met de traditie. Met zijn boek De sculptura : beschouwingen over beeldhouwkunst verwijst Philip Van Isacker naar het standaardwerk van de grote theoreticus Leon Battista Alberti, De pittura, een werk uit 1435, geschreven voor de leek. (Maar ook de titel herneemt van Pomponio Gaurico, 1504.) Zoals Battista een leerboek voor het schilderen schreef (zowel een handboek als een introductie), zo schreef Van Isacker een studieboek voor de hedendaagse amateur en kunstenaar waarin hij de beeldhouwkunst niet zozeer verdedigt maar wel uitlegt. Als theoreticus en als kunstenaar houdt hij zich aan het driemanschap translatio, imitatio en aemulatio : het nadoen, het opnieuw scheppen, het overtreffen van de meester. Hij doet dit met dit boek, hij doet dit met zijn eigen oeuvre. De ambitie van Van Isacker is groot en terecht, de lezer, die ook toeschouwer is en daarmee denker wordt, wordt intellectueel deelgenoot gemaakt: inzicht en vreugde.

Het boek heeft een opvallende lay-out gekregen, die is van Amélie Bakker, het is uitgegeven (2016) door de Grafische cel van Sint-Lukas, die zich nu Luca School of Arts noemt. De tekst is gezet uit een kloeke letter, een bold, de bladspiegel is daardoor gevuld zonder overladen te zijn. De foto’s zijn zwart-wit afgedrukt en geven toch alle nodige informatie. Enerzijds is het boek door de lay-out een echt kunstboek, verzorgd, opvallend, esthetisch aantrekkelijk, uitzonderlijk; anderzijds is het boek aangenaam lezend, informatief, traag en daardoor ernstig. De bijschriften bij de foto’s zijn op een apart blad gezet, ook deze in een groot font, de fotobladzijden behouden aldus hun eigen esthetiek. De paginanummers zijn bovenaan afgedrukt en niet in het midden van het blad gezet, alleen dit al is een intelligentieproef; in de bovenmarge worden de hoofdstuktitels herhaald. Door de vormgeving is dit een boek dat je met plezier weer uit de kast haalt en op een instructieve manier je geheugen aan het werk zet. (Het is jammer dat de redactie dan zo slordig is gebeurd.) Van een hedendaags boek over kunst verwacht je dat de prenten direct bij de tekst staan, wat technisch mogelijk geworden is, is algauw evident. Dat gebeurt hier echter niet én het is geenszins storend, integendeel de normaliteit zelve. Dit komt omdat er een consequente keuze gemaakt is en vanaf het begin volgehouden wordt: enerzijds de statige tekst die op zichzelf staat, anderzijds het beeldmateriaal dat een eigen verhaal vertelt maar waartussen toch wisselwerkingen mogelijk zijn. Consequentie vanaf het begin, jawel. Ook tot het einde? Nee, want op de laatste tekstbladzijde is er een beeld afgedrukt, midden in de tekst, als ware het een beeldvoetnoot, als wilde de vormgever duidelijk maken wat ze eerder gedaan heeft en het nu daarom anders doet. Wat een intelligente vormgeving mogelijk is! Want op dezelfde bladzijde wordt zowel een gedicht als een beeld van Michelangelo getoond. De voetnoot is een orgelpunt geworden.

Hoe in de hedendaagse beeldhouwkunst de menselijke figuur nog vormgeven, is de kernvraag van het werk van Philip Van Isacker (net zoals in de schilderkunst, hoe nog een lijn te tekenen de kernvraag is). Hij bekijkt daartoe de geschiedenis – hoe is het zover gekomen – en de hedendaagse praktijk. Hij is bijzonder gul tegenover zijn voorgangers en zijn tijdgenoten. Wie het werk van Jan De Cock op een intelligente en onbevooroordeelde manier kan analyseren, heeft bij mij uiteraard een winstpunt gemaakt. Enerzijds is dit boek een geschiedenis van de beeldhouwkunst, anderzijds ook een introductie tot het werk van Philip Van Isacker zelf. Het is een merkwaardige kwaliteit om op een persoonlijke manier een objectiviteit te tonen. De werkwijze is ‘bevrijdend’: hij kijkt naar het werk zelf en niet zozeer naar de stijlgroep, -periode, of godbetert de afkomst of het land. Hij laat op een intelligente manier zien welk probleem de kunstenaar wilde oplossen en hoe hij dit aanpakte. Er is dus veel techniciteit maar niet op een hermetisch-technische wijze: hij toont welke begrippen we nodig hebben om de beeldhouwkunst te begrijpen en hij toont aan hoe de ene kunstenaar op de andere reageert, of beter hoe de oplossing van het ene probleem de beginpositie van een ander kunstwerk is en hoe dit verder geproblematiseerd en ontwikkeld wordt. De kunst als een intellectuele houding, en dit i.t.t. tot de leugen van de ‘ervaring’ die door de zogenaamde cultuurbemiddelaars tot norm verheven is, een filosofisch begrip dat door laffe dommeriken gestolen is om eigen siersel te kunnen worden.

Philip Van Isacker keert ook op een andere manier naar het werk zelf terug door de woorden (geschriften) van de kunstenaars te lezen en ernstig te nemen. Hij legt zo de interne structuur (als gevolg van een noodzaak) van een werk bloot, toont ons de logica van de oplossing. Hij maakt daarbij uiteraard geen onderscheid tussen figuratief en niet-figuratief, integendeel, hij toont ons ook de abstracte momenten in bijvoorbeeld de barokke beelden van Bernini en maakt aldus duidelijk dat het abstracte géén breuk is met de geschiedenis. Hij beschrijft de individuele werken alsof ze elk op zich de volledige kunstgeschiedenis omvatten, beginnen en eindigen. Elk werk krijgt een afzonderlijk aura en is tegelijkertijd een nederig moment, want opgenomen in de universele geschiedenis van de menselijke geest. Men zou dit zelfs een terugkeer van de hegeliaanse geest kunnen noemen, maar dan wel zonder de teleologie erbij te nemen: in elk kunstwerk opnieuw ontstaat, wordt en eindigt de mens.

Dat De sculptura een verdediging is van de beeldhouwkunst komt tot uiting in haast terloopse zijbemerkingen (en is daardoor des te effectiever). Zo bijvoorbeeld, n.a.v. ‘One and three chairs’ van Joseph Kosuth: ‘[…] de mogelijkheden van de beeldhouwkunst om via een geconcentreerd beeld tot interpreterend denken aan te zetten. Het toont aan dat de beeldhouwkunst de kunst van het resumeren is, het naar de essentie graven tot men niet meer verder kan en men op de kern stuit. De taal is met haar discursieve eigenschappen het communicatiefste medium, de muziek gaat verder dan de taal op het emotionele vlak, de beeldhouwkunst op het fundamentele vlak.’ Het parti pris van Philip Van Isacker wordt hier aangeraakt: van de schilderkunst is geen sprake.

Maar het werk is ook een algemene verdediging van de cultuur: ‘zie hoe groot de mogelijkheden zijn, zie de verscheiden wegen, zie de menigvuldige probleemstellingen, zie de vluchtwegen’ – en dit alles tegen het moordend handelen van de zogenaamde cultuurdragers.

Beeldhouwkunst wordt terecht breed genomen, alhoewel het tragisch is dat het beeldhouwen zelf naar de marge van de kunstbeoefening gedreven is en meer verwantschap met de kitsch toont dan met een waarachtig streven naar inzicht.

Het gecondenseerde, het resumé van de werkelijkheid, dat is waar het in de beeldhouwkunst om draait, een gestold moment – en daarbij is de graad van materialisatie onbelangrijk: niet steen, brons of goud is noodzakelijk maar de kracht van de visie, de intelligentie van het oog. Zo spreekt Philip Van Isacker: ‘een geresumeerd beeld van hun werkelijkheid’, ‘een gebalde en niet-discursieve visie op de werkelijkheid’, ‘haar rol vervullen van het resumeren van een visie, zelfs al gebeurt dat niet in een gecomprimeerd ding’, ‘waar de taal dit met haar discursieve mogelijkheden om de werkelijkheid te analyseren nooit op dezelfde compacte manier zou kunnen’, ‘de idee als een synthese van esthetische perfectie’, ‘het legt nog een andere eigenschap van de beeldhouwkunst bloot die het gevolg is van het onpersoonlijke en kernachtige, namelijk de mogelijkheid tot openheid’, ‘het beeld als tijdloos, immobiel object’.

En om terug te keren naar de problematiek van de menselijke figuur: ‘Omdat het lichaam met meer dan alleen zuiver lichamelijkheid te maken heeft, maar met het menselijke in het algemeen.’ Op basis van dit inzicht wordt de conceptuele kunst (met alle verdiensten) een hopeloze poging genoemd : het menselijke gaat samen met materialiteit. En zoals Van Isacker ook impliciet meegeeft, met het gemaakte beeld.

laatste zinnen (110)

laatste zinnen_110

Ik ben tevreden. Ik heb een paar zaken die voorheen duister waren of slecht geformuleerd tot klaarheid gebracht, maar – en dat zal een vraag blijven – voor wie?

Gerrit Krol, Het gemillimeterde hoofd, 1967

aankondiging 22. ‘het relaas : een roman een document’

het relaas_22

22.
La causa a l’effetto inclina e cede,
onde dall’arte èvinta la natura.

23.
Inmiddels op de redactie van De Scheldebode. Een journalist krijgt de opdracht uit te zoeken wat het sartseutisme inhoudt, wetende dat maffia nooit een alleenstaand geval is, maar medeplichtigen nodig heeft.
De journalist is verdwaald in het schone Vlaanderland, de wiegende weiden als zeeën zo deinend, de grazige koeien zo vetgemest genoegzaam, de varkens florerend in de varkensmoraal. Hij heeft een filière ontdekt, het moest geheim blijven maar in dit land is niets geheim, alles mag open en bloot gebeuren, geen valstrikken, geen smeerlapperij maar schoonheid, schoonheid en Vlaams.
Hij komt terecht aan het sterfbed van een oud moederke, en hij vertelt haar in bedekte woorden wat haar zoon allemaal uitgestoken heeft, oh, hij is maar een meeloper, een uitvoerder, probeert hij te vergoelijken. Zelf doet hij niets, te dom is hij om enigszins creatief te zijn, een meeloper, een conformist, een burgermannetje, een probeersel, een mislukt creatuur. De lafheid van de commerçant.

‘Oh Here God, heb ik dat gebaard? Zo’n beest? Dat monster?’, roept ze vertwijfeld uit. ‘O wee, de dag dat ik benaderd ben, vervloekt de dag dat hij geboren werd! Verdoemd zal hij zijn tot in het derde geslacht! Vergaan moet hij in zijn eigen drek! O nee, heren, red hem, red hem van de dood.’ En onmachtig wenend, valt haar rechterhand op het gebloemde laken, die hand die hem zovele malen getroost en gestreeld heeft, die hand die nu zo gerimpeld machteloos neerhangt, die gezwoegd heeft, emmers water uit de put getrokken heeft, dagenlang geschuurd heeft, wekenlang gestreken met een heet ijzer dat op de kachel stond op te warmen, ja ook in de zomer. In haar linkeroog bengelt een dikke traan. De journalist, een vreemde voor haar, neemt haar hand en streelt, met zijn schone zakdoek droogt hij haar ogen.
‘Maor meniere, toch en ik kenne joe nie, en gie ziet gie zo goed voar mien, in contrarie tot dien anderen, die allene moa mien geld wil. Ge denkt toch niet dat ik in de helle ga komen omdat ik dat smeerlapke, die hypocriet, die verderveling gekweekt heb? Oh, had ik hem maar niet zo verwend, had ik de kolenschop maar kapot geslagen op zijn rug. Och Here God, Moeder Gods, Saint-Antoine, help mij, help mij, uit de nood, of de jager schiet mij dood.’
De journalist, we noemen hem Bartje Bleut, sust en gluurt naar haar lege borsten, heimweet naar urine: ‘Natuurlijk niet, mevrouwtje, een moeder kan toch niet verantwoordelijk zijn voor haar zoon’.
‘Dat heb ik hem ook geleerd’, zegt het oude vrouwtje, haar neus optrekkend, ‘neem nooit verantwoordelijkheid op maar loop met de glorie weg. Laat anderen het werk doen en steek de pluimen in uw ga, op uw hoofd. De mensen weten toch niet wie wat gedaan heeft. Op het gepaste moment moet je een stap naar voren zetten en iedereen zal je zien, mijn schone, grote zoon.’
Op dat moment, verduistert de kamer, de journalist, och, we noemen hem Seule, krijgt rillingen over de rug, hij trekt schielijk zijn hand terug en hij voelt een koude door de lucht snijden. Is daar een kat, of is dat een Turkse tortel, vraagt hij zich vol angst af.

Het is de donder.

Zeus heeft zijn bliksem op aarde gestort, hij laat de trommels rommelen, de lichtflitsen gaan aan en uit, hij jubelt, hij voelt zich op een dansvloer, hij roept Hera, samen staan ze in Kreta te heupwiegen, Hera overdrijft weer, Zeus roept en zijn adem is tot in het Westvlaamse dorp te voelen, ijzig koud geworden vanover de bergen want afgekoeld door het vieze Vlaamse water, de lucht die zuur is van het vele fijne stof, hij verzamelt als in een windzak alle Vlaamse vuiligheden, niet alleen van de lucht maar ook van de mensen zelf, de zak weegt door en valt bijna op de aarde neer, zo zwaar heeft de adem van Zeus het nog nooit gehad. Vlaamse middenstanders! De Italiaanse maffialeden zijn misdienaars daarbij vergeleken. Vlaanderen is het learning centre van de 21ste eeuw! Hera roept hem, maar Zeus is plots Jupiter geworden. Boven hem zweeft zijn adelaar, hij fluit en als een arend van de 21ste eeuw vliegt hij uit, onderwijl verzamelt hij vogels, bijt hun koppen af en spuugt die tot op het sterfbed van het oud vrouwtje, dat schooit om wat water, een verfrissing na al dat vuur van de bliksem. Hier, het bloed, ziehier mijn lichaam. Het geschenk der goden, de echte. Geen metaforen meer! Geen symbolen! Het crapuul kent alleen maar de eigen uitwerpselen. Hier, roept Jupiter. Daar, bevestigt Hera. Voor alle vondelingen van Ameland, voor alle Kasper Hausers die door jullie soort verdoemd zijn. Daar, jubelt Hera, en ment haar vurig paard, dat draait op zijn achterpoten en als Banco schiet het weg. Daar zoekt Hera de verdorven zoon op. Ze strooit zand in zijn ogen, zijn hersenen te vol reeds van het afwaswater, en door de kristallen, zeshoekig, ziet hij wat gebeurt met zijn moederke – en zo ziet hij zijn eigen toekomst. Ik kom eraan, roept hij. Hera lacht hem uit, in de put, in de put, roept ze. Een engelenschaar komt uit de hemel gedaald, hemelse muziek vervult haar oren, trompetten schallen van vreugde, een handharmonium een tuin van klanken, de zoetgevooisde stemmen van de engelen veranderen in een gruwelijk geschreeuw, de muziek wordt pannengeklets: dat nooit, dat nooit, hier, roepen ze, ze zwaaien met hun handen en wenen, niet bij ons, niet bij hen, zelfs de duivels zullen dat addergebroed niet verdragen. Geen hel, geen vagevuur, geen hemel, geen Styx, geen voor- of nageborchte, geen maagden, geen wit van het niets. Het bruin van de beerput!

Daar ontvangt ze het bloed, het bloed van laffe vogels die gaan vliegen zijn en geen verantwoordelijkheid opgenomen hebben. Daar wordt in haar gezicht de ingewanden, die reeds stinken en verdorven zijn, van ontelbare vogels, runderen, kamelen en olifantenstronten gegooid. Hera roept: Heks, heks die een duivelskind op de wereld gezet heeft. Boeten moet ze, Zeus, boete! Boete! Het is Bernadetje niet. Dat ventje zal zijn moeder gebruiken om zijn smeerlapperijen uit te halen; hij zal medelijden opwekken met een zoon, hijzelve, die zijn moederke verloren heeft, och gottekes toch, zodat men hem niet openlijk zal bekritiseren. Hij zal zeggen dat hij het o zo lastig heeft. De huichelaar. Zeus, roept ze, Zeus, sla haar maar ook hem, sla hem in zijn gebroed, laat slangen uit hun kelen ontsnappen, laat de stank van drek uit hun darmen opstijgen, laat hun ogen zwemmen in de pis.

Zeus werpt zich weer in de strijd, aangemoedigd door de vurige woorden van Hera die eindelijk eens haar man in de teugels heeft en hij die eindelijk de bevelen van Hera kan opvolgen, Eros is verdwenen en Hera werkt op dit moment al haar jaloezieën uit, te meer daar er in de sterfkamer van het oud vrouwke, geen jaloezieën noch gordijnen te bespeuren zijn.

Hera somt alles op wat die zoon gedaan heeft en met haar zienersblik ziet ze ook wat hij nog zal doen, de vloek van het oud moederke, verdubbelt ze nu, nee, zo hebben ze de mensen niet willen maken, het zijn de duivels die het op aarde hebben overgenomen.

Op dat moment roept Zeus de kobolden uit de onderwereld, de duivels uit de hel (weer werd er door het goddelijke establishment een compromis in een achterkamer gesloten), de djinns worden opgetrommeld, de oni verzameld, de trollen verleid, de saters achter de hand gehouden, de demonen als een kudde schapen bij elkaar gedreven. In een triomftocht, een ware ensoriaanse fanfare trekt men op door Vlaamse steden alwaar de mensen niet verwonderd zijn maar naar hun binnenzak grijpen en denken dat hun ziel op de dool geraakt is. Ze juichen die zo vreemde en toch zo nabije stoet toe en moedigen hem aan: ja, roepen ze, haal die heks en verdoem die heksenzoon. De heks van Maldegem verzet zich, een heks is geen heks, roept ze en ze slaat haar benen uit elkaar, ze wipt naar boven en toont haar fluosportschoenen, haar puntmuts valt op de grond. Djinn Ahmed raapt hem op en zet hem op zijn eigen hoofd. Oecumene, krijst hij, kukeleku.

De stoet marcheert verder, ik ken ze de heren van fatsoen, ik zal ze nooit vergeten, ik ken ze de hoeren van het geld, ik zal ze nooit vergeven, en als een golf gaan de kreten, de uitroepen van de kop naar de staart, de vreugde is groot, eindelijk had men werk, eindelijk werd de slechtheid bevochten, eindelijk zou het kwaad het kwaad met kwaad vergelden, de heks moest dood opdat haar zoon vervloekt zou kunnen worden. Daar dragen ze een pispot, daar een kakpot, ginder een boschiaanse kakstoel, ginder een wc-borstel waarmee zijn anus zal doorboord worden.

Vlaanderen viert feest!

Daar komen de kinderen aangedanst, de meisjes in een wit kleed, de jongens in een zwarte broek en een bloedrood hemd, ze hebben linten bij zich, we zullen de smeerlappen ophangen, we zullen de moordenaars doden, de vijanden van het volk, de verdelgers van het verstand, hoe gruwelijk was dat om te horen, die wrede, maar terechte zinnen!, uit de mond van onschuldige kinderen waarvan sommige met armen of benen in het gips ronddrentelden, gevallen waren ze van trappen, speeltuigen en afgetuigd door het Vlaamse kwaad, betaald met Vlaams zweet.

Daar treedt Mars naar voren.

Kom mee, de maan, kom mee planten, sterren en zie hoe het kwaad verdelgd wordt, hoe de bokken de woestijn in gedreven worden. O jubel, goede zielen, jubel en zie de zwarte rook omhoog krinkelen, de dag des wraaks is aangebroken!

24.
(Ondertussen: de uitgeverij)
Femke, Liesje en Joke zitten te wachten. Ze zijn lid van de communicatie-afdeling. Ze praten, ze kwebbelen, ze wiebelen. Communiceren en collaboreren, duidelijk is het niet. Wie bedriegen? Gerda komt binnen op haar rode pumps. Haar billen kortgerokt, haar boezem rimpelend bloot. De vriendelijkheid van het serpent. Meisjes willen Gerda worden.
Gerda opent de vergadering. Jullie hebben huiswerk gekregen. En gemaakt, juichen de meisjes gezamenlijk. Laat horen, Liesje, jij begint. Wel euh, ik dacht, misschien kunnen we auteurslezingen organiseren, zo wat interactief, we kunnen een scherm en zo plaatsen en filmpjes draaien en dan zegt de auteur iets en dan gaan wij rond met wijn en koekjes en… Goed Liesje, zeer innovatief. En jij, Femke? Ho, ik heb megagedacht en gebrainstormd en bedisseld. Het boek dat uitkomt heeft een rare titel, Het relaas, is het nu een roman of een document. Ah ja, dat is niet duidelijk. Er staat relaas, er staat document, er staat roman. Maar zo kunnen we vragen of de lezers wel interesse hebben naar een relaas en samengevoegd met de titel van de uitgeverij komen we tot iets nieuws dat 1 en 1 niet drie maar vier is, ja, dat is raar, ik weet het ook dat we het anders geleerd zijn maar we zijn toch creatief genoeg om daar een evenement van te maken en dan kunnen we dat beleven en hangen we dat wagonnetje aan een locomotief. Mooi Femke, misschien kunnen we ook clowns vragen, nee, twee clowns, wat denk je? Joke, bij de les blijven hé, ik weet dat je liefdesverdriet hebt maar je hebt je status zelf verandert dus na gedane zaak komt er geen keer. Heb je tussen je tranen een parel gevonden? (Joke hijgend) Wel, euh, euh, ik heb wat in de boeken zitten kijken en ook in het verleden ben ik gedoken en ik dacht misschien kunnen we badges maken en folders en ook banners en dat hangen we dan op over de straten en als er per straat 50 mensen passeren dan zijn dat 50 potentiële kopers van dat boek hé! Dat is echt wel veel. Ik heb zo eens gekeken in welke straten we dat allemaal zouden kunnen hangen, en ik reken niet op een doodlopende straat hé en ik ben moeten stoppen met tellen, want veel dat dat zijn en veel! Maar de return is grandioos groot en mensen gaan er veel over spreken en we gaan verkopen, veel verkopen, het zal zijn gelijk, ja gelijk, gelijk, ik kan er gelijk niet opkomen. Meisjes, zegt Gerda, ik zie dat jullie de problemen met dat boek begrijpen. Dat is goed, maar we zijn op de verkeerde weg beland. Dat boek is iets anders dan normaal. Het is ook de vraag of die auteur wel toonbaar is, ik heb daar rare verhalen over gehoord, ik begrijp hem misschien maar ja, wij zijn van een andere branche en wij moeten het anders doen. De meisjes knikken heftig, de knoopjes van de blouses worden losgeknoopt, de voetjes in de laarzen geschoven, dan wat wiebelen en klaar voor de strijd. Liesje vraagt: Maar Gerda, is dat allemaal waar wat daar staat? Gerda: Het ziet er naar uit, ik heb zelfs horen zeggen dat hij niet alles weet, dat het nog veel erger is. Liesje: Maar dan is het wel megaerg hé. En omdat hij dat weet hebben ze hem willen vermoorden? Femke: Brrr, het lijkt wel een maffiafilm uit Italië te zijn. Dat is spannend! Misschien moeten we vragen dat de schrijver zijn baard laat groeien, maar hij moet hem wel wassen hé! Kunnen we misschien een parfummerk als sponsor zoeken? Meisjes! Luister, als we nu eens een aantal thema’s, motieven, lijnen uit dat boek zouden halen en daar creatief mee zouden omspringen, je kent dat hé. Creative city, creative busy, creative licky. Ah, zegt Femke, weet je wat mij intrigeert, het sartseutisme. Ik heb zo iemand gekend, echt een beest, misschien is het wel dezelfde, tijdens elke vergadering moest hij wegsluipen om met zijn hoofd in de piscines van de mannen te gaan hangen. (De anderen gezamenlijk EEEEh.) En dan kwam hij weer binnen met een rood hoofd en een geurtje, hij was echt verslaafd hé. En weet je wat hij kreeg voor zijn verjaardag? Twee flessen pis! (De anderen gezamenlijk HaHaHa.) Wel ja, laten we dat eens uitwerken, we gaan een strategie opbouwen, een parcours uittekenen, we leggen doelen en middelen vast, we zijn serieus en toch weer niet. Targets! roepen de meisjes gezamenlijk uit en gooien de armen in de lucht. Het okselhaar van Liesje is wel echt bruin en authentiek. Ja, lekker sartseuten, spelen met het niets en toch doen alsof we serieus zijn. Da’s gelijk het epibreren. Meisjes, we zullen planmatig werken. We zullen woorden zoeken, een beetje Engels, maar niet te Engels want we moeten het nog zelf begrijpen hé. Best een combinatie van Engels en Nederlands. Dan zullen we onszelf op de markt zetten. Door ons op te blazen. YesIS, roepen de meisjes verheugd uit, plots klinkt er geklik vanonder de tafel: de knieën worden tegen elkaar geslagen. En weet je wat, we zullen een speciale actie ondernemen. Het sartseutisme wil zeggen dat er niets is en dat men toch probeert zich interessant te maken, grootspraak, bluf. Piqueurisme, roept Liesje. Een valse paus, roept Femke. De smeerlap, mompelt Joke (ze denkt aan haar beertje dat nu op een jonger meisje zit te scharrelen). We gaan een actie lanceren, de kopers van de eerste 100 boeken zullen een geschenk krijgen. Ik stel voor een ballon. Met een belofte van eeuwigheid, zegt Liesje. Met gouden stippen, zegt Femke (Gerda denkt, juist, het goud van de pis die hij adoreert, de valsaard). En een strik errond, mompelt Joke (ze denkt aan haar eigen nekband). En we zullen ervoor zorgen dat elke ballon al doorgeprikt is: de sartseuterie kan zelfs de eigen lucht niet behouden! Maar, waarschuwt Liesje, dat zal veel werk geven. Met een grote return, juicht Femke. En ik zal het weer mogen doen, weet Joke. Joke, jij zult de ballonnen kopen, opblazen, doorprikken en met een strik versieren, schuift Gerda door. Joke knikt, gij zegt het. Maar welnee, zegt Gerda die een sartseutmoment krijgt, dat is het juist, we hebben het boek niet in de finesse begrepen. We zullen zeggen dat de eerste 100 kopers een geschenk zullen krijgen maar niemand zal een geschenk krijgen. Dat is het ware sartseutisme, het doet niets zelf en laat een ander werken, dat is de sartseutige manier, er is niemendal, nikske resultaat. Boven Liesje verschijnt een lamp. Maar we kunnen natuurlijk wel op Facebook een foto plaatsen van een winnares, ik bijvoorbeeld, die wél een geschenk krijgt. Ik zou graag een schone collier hebben voor de trouw van mijn ex-schoonzuster met haar nieuw lief. Boven Femke verschijnt een grotere lamp: En op Twitter en dan tweet ik naar Trump en Beyoncé en Lotje Vanmaele en zij zullen dat retweeten en dan zullen er veel, veel boeken verkocht worden. We gaan niet genoeg papier en letters hebben! Joke besluit: En ik zal weer het licht mogen uitdoen, zeker? Joke, schenk ons eens een kopje koffie in, besluit Gerda triomfantelijk. De sartseuterie gesartseut.

25.
‘Sol per sfogare il core’
– afgrijselijk en licht, helder en luister, kelder en zolder.

26.
Te zeggen:
‘Geklaard, getrokken, geschreven.’
‘Zedelijk verdorven, zoals alle Kopfmenschen.’
‘Een deprimerend tijdsdocument.’
‘We hadden Serry de opdracht moeten geven.’
‘Volgens mij is dit literatuur.’
‘De ‘Inleiding tot de sartseuterie’ is in haar horreur een sterk staaltje waarheid maar geen humor.’
‘Duister, onontwarbaar geraaskal.’

27.
De waarheid? Ondergronds.
Tegen het huichelen en de kwaadaardigheid: de volkse grollen.
Tegen het charcuterieboek van de leugen: de feiten.
De moraal? De laatste zin.

28.
Ni dieu, ni maître
Ni maçon, ni curé
Ni spic, ni span
Een samizdatuitgave.

29.
Een document met personages zonder naam, en toch herkenbaar.
Een roman zonder fantasie, en toch de feiten.

enigma, gedachte

sfcdt_philip van isacker_dan van severen

Nu het Roger Raveelmuseum overgenomen is door de Provincie Oost-Vlaanderen is het beleid vergaand veranderd. Er is een tentoonstelling te zien van Dan Van Severen en Philip Van Isacker, de relatie met Raveel is onduidelijk. Zo krijgt de weduwe toch nog haar gelijk in haar ongelijk: het actieve museum laat Raveel vallen.

Over Van Severen wordt altijd gezegd dat zijn werk steeds puurder en uitgepuurder werd, dat hij evolueerde naar het niets. In het begin van zijn schilderscarrière kon je spreken van een abstract expressionisme, veel lijnen, in allerlei richtingen, de kleur bewerkt. Ondanks de drukte en de veelte, was er ook een beheersing van de middelen en het lawaai van het werk. Later tendeerde hij naar eenvoud, kloosteresthetiek, de terughoudendheid van de cisterciënzers. Hij trok lijnen, al dan niet zich kruisend, de potloodstreep is nog te zien, een nauwelijks beroerd oppervlak. Ook bij deze schilderijen zie je al sterk het verval: het wit van het canvas wordt vuil, grijszwart – binnen enkele decennia is de grafiet opgegaan in het stof. Maar dat Van Severen soberder werd is niet helemaal correct. Ook dat is op de expositie na te gaan.

sfcdt_dan van severen_handen

Het onderwerp vereenvoudigde zich weliswaar, het gebaar werd eigenlijk belangrijker, de stilte van een lijn. Het expressieve is aanwezig gebleven maar heeft zich verlegd: van het onderwerp naar de materie. Van Severen tekende op zwaar, handgeschept papier, bijna sculpturaal, de potloodlijn wrong zich in het papier als een mot in een beddenlaken om daar uit het zicht te verdwijnen. Daardoor krijgen die zogezegd eenvoudige lijnen een bijna bombastische achtergrond, of beter, een drager. De eenvoud schreeuwt de eenvoud uit en is dan natuurlijk niet meer sober en puur. De tekeningen evolueerden naar een minimalistische beeldhouwkunst, waar de lijn geen ononderbroken lijn was, maar waar de korrel van het grafiet getoond moest worden.

Een aanvulling uit het ongerijmde. Hugo Claus heeft slechts eenmaal samengewerkt met een zogezegd abstracte kunstenaar, Dan Van Severen dus, voor zijn dichtbundel Antiphon (1978, Galerie S65, Aalst) dat op de tentoonstelling te zien is. In die etsen toont de beeldende kunstenaar niet het uitgepuurde maar het expressieve. Er is abstractie maar niet ontdaan van betekenis, integendeel, de abstractie wordt beladen met een inhoud en een emotie die zindert, niet teruggetrokken is. Hugo Claus herkende dit; het werk van Dan Van Severen is niet in zichzelf verzonken maar een vraag, een open hand.

Philip Van Isacker is een beeldhouwer, en net als Van Severen een leraar geweest aan het Sint-Lucasinstituut in Gent. Al eerder alhier.

sfcdt_philip van isacker_gedraaide en vooroverbuigende torso_1995

In het museum toont Van Isacker beelden en tekeningen. Het verrassende hierbij is dat ook zijn tekeningen als beelden kunnen gelden. Hij maakt bewegingen met de hand, bijna, misschien, gedachtenloos, hij neemt als ‘voorbeeld’ het werk van Van Severen (althans, zo beschrijft hij het in de kleine ‘bezoekersgids’), de lijnen zijn vloeiend als een wateroppervlak dat met de hand beroerd wordt maar ze zijn ook de plooien van de gotische en barokke beeldhouwkunst. Er is veel beroering, beroezing zelfs, maar binnen de grenzen van het werk dat door bedachtzaamheid beheerst wordt.

sfcdt_philip van isacker_de jongleur_a_2005

Dit werk staat buiten deze vulgaire tijd, er is intelligentie, die zich niet schaamt, aanwezig én aan het werk. Meer nog dan de beelden hebben de tekeningen tijd en ruimte nodig om te spreken, om betekenis te krijgen.

sfcdt_philip van isacker_filosofensteen_2015-2017

Veel titels van het werk worden ‘zonder eigenschappen’ genoemd, wat een verwijzing is naar Robert Musil, maar evengoed naar de gewoonte om werken als ‘zonder titel’ te benoemen. Nemen we het recente beeld ‘Sculptuur zonder eigenschappen (filosofensteen)’, op de foto is de bijna volledige sokkel te zien (in de gids is de sokkel zelfs niet afgebeeld), ik vermoed dat beeld en sokkel 1 geheel moeten zijn. De filosofensteen is een andere benaming voor ‘de steen der wijzen’, of dan toch de alchemisten. Zij dachten dat de lapis philosophorum hen het eeuwige leven (en dus de grondslag van de zingeving) zou kunnen verschaffen. De steen was tevens ook een transformatiemiddel om metalen in goud te veranderen. Van Isacker beschouwt het beeldhouwen als een alchimistische activiteit: het nederige materiaal (want ook goud is op aarde geënt) wordt getransformeerd tot een bezield ding. In tegenstelling tot de alchemie is deze ruwe, onbehouwen en onbehulpzame steen geen eindproduct maar nog steeds in statu nascendi – zonder eigenschappen, dus nog te maken. De steen is als de torso of de arm: een ding, een deel, een bewustmaking van het leven, het gaan naar het geheel.

Philip Van Isacker werkt graag met was en dit materiaal verwijst ook naar Joseph Beuys, maar ik beschuldig Van Isacker niet van enig sjamanisme, daarvoor is hij te rationeel. In de filosofensteen van Van Isacker kunnen we een gedrongen figuur zien, de golem. Vanuit een iets andere positie een uil. Toch is de afbeelding niet het belangrijkste maar wel hoe die figuur daar gedrongen staat, geboetseerd is door mensenhanden en zo enigmatisch als een gedachte blijft.

sfcdt_philip van isacker_chambres d'amis_1986-2017

Op de binnenkoer van het museum is zijn bekende werk, dat ter gelegenheid van Chambres d’amis (1986) gemaakt is, opnieuw gerealiseerd: een afgeknotte pyramide van leem wordt aan weer en wind blootgesteld en erodeert. Het leven dat vliedt.

raoul de keyser, aangenaam

raoul de keyser_het niets aangevuld met weinig_1971

Mudel! Duvel! Poedel! Kudel! Hudel! Dumel! Vudel! Doepel! Waar haalt men het? O, zo.
Beleid! We moeten beleid maken! Maar hoe? Hoe? We moeten in de gazet komen! Hoe?
We kunnen misschien een tentoonstelling maken?
Wablieft? Een tentoonstelling? En hoe zou dat moeten? Zo maar een kunstenaar bellen zeker? Kunstenaars hebben geen telefoon! En die oude zijn dood!
Wacht, ik weet iets. We gaan van naam veranderen. Museum dat is zoiets oubolligs, iets voor mensen, iets van cultuur en beschaving, dat is niet meer van deze tijd, we moeten dat verdoezelen. En we moeten klinken, anderen hebben dat ook gedaan en zie hoeveel succes ze hebben. Het Moma! En Wij Het Mudel!

En zo kunnen we niet meer naar het Museum van Deinze en de Leiestreek gaan maar moeten we ons begeven naar het Mudel alwaar nu lange rijen staan vol ongenadige bezoekers, en toen wij daar waren, werd de beeldentuin ook nog gebruikt voor een privé-trouwfeest. Alles is te koop, alles moet kapot.

Gelukkig is er een nieuw beleid in het museum, een eerste tentoonstelling over het werk ‘Het niets aangenaam gevuld met weinig’ (1971) van Raoul De Keyser. Zo zou het altijd moeten gaan: een museum koopt een werk en verantwoordt deze aankoop met een kleine documentaire tentoonstelling, op deze manier is er een democratisering van het beleid én de kennis bezig (niet is het omgekeerd: vragen aan het volk of men een werk mag kopen) en tevens een inzichtelijk maken van een museale werking. Het aangekochte werk is niet meteen het meest plastische van De Keyser maar het is een terechte museumaanwinst. Geen meesterwerk, wel een cruciaal schilderij.

Er is een kleine catalogus voorzien, de kleuren zijn echter te vaal om rdk-kleuren  te zijn, een digitale druk is niet altijd een goed idee. De tekst van Steven Jacobs is vermoeid, weinig inventief, men moet aanvaarden dat een auteur soms over zijn onderwerp uitgeschreven raakt. Of nog: dat een onderwerp uitgeput raakt.

Het werk dat door het museum aangekocht is, heeft een groot formaat, bijna 2 op 2 meter. Een egaal wit vlak, nauwelijks bewerkt maar na nog geen halve eeuw al behoorlijk vuil geworden, het Vlaamse vuile, fijne stof, de witheid van het wit is daardoor al gebroken. Het veld verwijst naar de Amerikaanse schilderkunst, de verzelfstandiging van de kleur. Men ziet op dat ‘niets’ een vorm in blauw, daarbinnen een gele zone. Een voetbalkous, welke ploeg doet niet ter zake, is afgebeeld.

Tegelijkertijd is dit de infiltratie van het gewone leven in de kunst én een abstrahering van een voorwerp tot een inhoudsloos ding, geen betekenis. De anekdote is niet langer een verhaaltje, maar een motief. Het blijft echter de bevestiging van het dagelijkse leven, niet in het heroïsche of het authentieke (zoals boeren en krijgers afgebeeld worden), er is geen actie of activiteit te zien, er is een rest, een artefact. Bovendien is er slechts 1 kous te zien, waar we normaal gezien 2 kousen zouden mogen verwachten. Wie het schilderij bekijkt kan een droogdraad ontwaren maar dit is geen noodzakelijk gegeven, de vorm kan even goed op de grond gelegen hebben.

De abstrahering en de ontdoelmatiging hebben een tegengesteld effect, normaal gezien zou het ding van alle persoonlijkheid ontdaan moeten zijn. Maar omdat de kous prominent geplaatst wordt op het vlak krijgt het plots de status van een portret en dus is het een superpersoonlijkheid geworden, de moeite waard gezien te worden. Doordat er slechts 1 kous wordt afgebeeld, is er daarbij ook een sentimentalisering in gang geschoten (en dus voorbij de bedoeling van het schilderij gekomen, er is minder afstand dan bedoeld), de eenzaamheid van de kous, de veldslag die verloren is, de kous die misschien wel verloren is (in het tumult, in de wasmachine), of dan toch hersteld moet worden.

raoul de keyser_de voetbalkousen van jan h_1967_foto hilde d'haeyere

Het is jammer dat de tentoonstelling niet ingegaan is op de relatie Raoul De Keyser en Jan Hoet (de schilder heeft immers gelijkaardige kousen van de latere conservator geschilderd), noch dat er duidelijkheid gegeven is over de herkomst van dit werk. Er is een plastische betekenis mogelijk, ook een sociologische is nodig. En wat is het ‘niets’ en wat het ‘weinig’?

Beeld:
Raoul De Keyser, Het niets aangevuld met weinig, 1971, foto Peter Cox
Raoul De Keyser, De voetbalkousen van Jan H., 1967, foto Hilde D’haeyere

‘op zekere dag zijn ze gekomen, de beulen …’

29 juli 1890_doodsbrief vincent van gogh_sfcdt

Op 24 juli 1890 schreef Vincent van Gogh aan zijn broer Theo wat zou blijken zijn laatste brief te zijn: ‘Ik voor mij wijd me met al mijn aandacht aan mijn doeken. Ik probeer het even goed te doen als bepaalde schilders die ik graag mocht en zeer heb bewonderd.’ Toch is dit geen afscheid, hij heeft zijn leven toen niet overschouwd, er waren nog projecten, er was geen zelfmoord.

Antonin Artaud, in Van Gogh, de zelfmoordenaar door de maatschappij, ik gebruik de Nederlandse vertaling van Jules Dister uit 1987 (De Dolle Hond, 2002), spreekt van een door de maatschappij gedode, met als grote schuldige Dr. Gachet. Misschien is dit alles kort door de bocht en is er meer sprake van een samenloop van omstandigheden, een ten einde komen van vele wegen, en een dwaas toeval, geen noodzaak. Het geschrift van Artaud hebben we aan die raadselachtige dood te danken. Artaud behoort in de reeks grote schelders, goede velters. Er is een groot inzicht in het geweld van de maatschappij (herinner u: structureel geweld) waartegen enkel ander geweld kan komen te staan om dat inherente geweld zichtbaar te maken. Dat is wat de Westerse marxisten van de R.A.F. gedaan hebben, dat is wat de islamisten nu doen. De uiterste consequentie van een systeem ontmaskeren. Het is misschien een lastig inzicht, maar het gaat wel verder dan het pastoraal moraliseren van deze intellectueel minderwaardige tijd.

Zo schreef Antonin Artaud dat dit leven verstikt wordt ‘in bewuste leugenachtigheid en ingekankerde hypocrisie, in lafhartige verachting voor alles wat karakter toont, in de acceptatie van een orde die slechts bestaat bij de gratie van barbaars onrecht, in de georganiseerde misdaad kortom.’ Dat die georganiseerd is, wordt voor de zoveelste maal aangetoond met de inherente schandalen van de Belgische politiek. Men heeft symbolisch enkele leden geroyeerd, maar ze bleven toch op hun plaats zitten, en wie is er uit afkeer uit die partijen gestapt? Niemand. Men trekt de kop in de schouders, schuifelt nog enige weken langs de huizen om in de septemberzon, als een nieuwe A.C., herboren en moreel ontwaakt, de gebruikelijke taken op te nemen.

Artaud legt de grootsheid van Van Gogh in zijn visie: het platvloerse leidt tot de mythe (en niet omgekeerd), dit is een radicaal materialistisch inzicht: het zijn de dingen die leven en doen leven. De realiteit is prioritair, niet de praatjes, de ideologie – dit laatste is door Marx ontmaskerd als het gebed van de macht. Dokter Gachet (en met hem de hele bourgeoismaatschappij die tot vandaag heerst, overheerst en vernietigt) staat voor het doden van de intelligentie, het inzicht en het voelen. Van Gogh die het zwarte in de kleur voelde. De maatschappij die hem zijn ik afnam. De afgrond is het denken te doordenken tot waar er geen denken meer is. En dàt denken door het zichtbaar te maken met verf. (Thomas Bernhard, Samuel Beckett.) Wat zag Van Gogh? De eeuwige materie, de beweging die ons voedt. Er is niets angstaanjagends aan waren er niet de knellingen van de ander, de volgevreten bourgeois. Zo wordt de geglobaliseerde wereld een verhevigde maatschappij, een kooi boven een kooi.

Even is weer het subversieve lucretiaanse denken aan de oppervlakte gekomen, de gedachte dat het leven en niets dan het leven, in die verfstreken die als atomen opgelost worden in het niets en door het genie van de schilder samengebonden worden niet tot een beeld maar tot een inzicht, een feit. Want dit is wat de macht doet en oplegt: zich afkeren van het leven – en dus van de cultuur en de civilisatie. Zie jullie zichzelf bedienende cultuurdragers.

‘Er zijn van die dagen waarop alles zo uitzichtloos is dat het hart, als door een klap met een bamboestok op het hoofd, getroffen wordt door het besef dat het niet meer verder kan.’

laatste zinnen (109)

laatste zinnen_109

Buiten de stellige wetenschappen, weten wij niets met zekerheid, en al wat wij waarnemen, is zus of zóó, volgens onze opvatting of zienswijze. We kunnen alleen trachten wáár te zijn en dit hebben we dan ook beproefd.
Met personen hebben wij ons niet meer ingelaten dan zulks voor de Geschiedenis en voor ons betoog noodig was, daar het ons niet te doen was om personen af te breken of op te hemelen, maar wel om een leerboek te schrijven voor de werkende klasse, waaraan zij, onzes erachtens, groote behoefte heeft.

Paul De Witte, De geschiedenis van Vooruit en de Gentsche socialistische werkersbeweging sinds 1870, Gent, 1898

valse schijn – de pop, bolesław prus (4)

sfcdt_gedachtenis

Bolesław Prus, De pop, vertaald door Karol Lesman (Veen, 2015) :

[…] want je moet altijd enigszins uit de hoogte doen tegenover je meerderen en onderdanig vriendelijk zijn voor je minderen …

[…] en hij vertelde me dingen die mij er definitief van hebben overtuigd dat de slechteriken vroeg of laat moeten worden gestraft, de goeden beloond en dat er zelfs in het meest versteende hart een vonkje geweten sluimert.

[…] doch de rijpere dames die geen enkele andere deugd in hem konden ontdekken noemden hem in elk geval : poëtisch.

Hij is een ongeneeslijke dromer die zijn gezonde verstand voor altijd kwijt is. Op fatale wijze is hij onderweg naar zijn materiële en morele ondergang, zoals jullie allemaal en heel dat systeem van jullie.

En waar is dat nu, dat nieuwe systeem?

In breinen die uit de Joodse massa zijn voortgesproten, maar die zijn opgeklommen naar de toppen van de beschaving. Maak kennis met Heine, Börne, Lassalle, Marx, Rothschild, Bleichröder en u zult de nieuwe wegen van de wereld leren kennen. Het zijn Joden die die wegen hebben geëffend: die verachte, vervolgde, maar lijdzame en geniale Joden.

Een mens kijkt om zich heen, denkt, overweegt, en uiteindelijk ziet hij af van zijn illusies, omdat hij ervan overtuigd is geraakt dat het illusies zijn …

De samenleving is als kokend water : wat gisteren op de bodem lag, borrelt vandaag naar boven … En zakt morgen weer naar de bodem, […].

Ziedaar de logica van simpele zielen! dacht Wokulski. Minachting voor misdaad, compassie met tegenspoed.

Op hetzelfde moment werd hij aangegrepen door een leed waarvoor de menselijke taal geen woord meer had. Een vermoeide gedachte, een schrijnend gevoel, een verbrijzelde wil, het hele bestaan kwelde hem … En plotseling voelde hij al geen verlangen meer, alleen nog honger en lust om te sterven.

Ik zal je nooit vergeten, hoewel … Ik had liever niet meer geleefd.

Als je zo iemand tegenkomt, red hem dan niet … Als iemand uit eigen wil met zijn onrecht voor het aanschijn van God wil staan, hou hem dan niet tegen …

Daarnaast is hij tegenover klanten onderdanig en graven, ja zelfs baronnen zou hij aan de slippen gaan hangen. Maar naar zijn ondergeschikten is hij een echt nijlpaard: voortdurend stampt hij briesend de mensen op hun tenen.

Hij herinnerde zich dat tot de guillotine veroordeelden hun tijd het draaglijkst doorkwamen door naar tekeningen te kijken… En sindsdien besteedde hij hele dagen door naar tekeningen te kijken …

Ze hebben ons zand in de ogen gestrooid met hun grootsheid, ze hebben hun deugden aangeprezen, zij hebben ons bevolen hun idealen te koesteren … Maar vandaag de dag, zeg nu zelf, wat zijn die idealen en deugden waard, waar is hun grootsheid die op jouw zak moest teren … ?

Kennelijk ontfermt God zich over idioten.

Idealen zijn beschilderde kribben waarin geschilderd hooi ligt, dat niet in staat is welke honger dan ook te stillen…!

Van de zomer ga ik naar Oostende, in de herfst naar Parijs en deze winter naar Nice …

Deze lieden weten evenveel van wetenschap als een gans van logaritmen.

Je kunt beter niet leven dan zo leven …

Grandes dames zijn veel appetijtelijker dan kamermeisjes. Vrouwelijkheid wint enorm door chic en intelligentie en vooral door trots.

Mevrouw, ik begrijp een vrouw die zich uit liefde geeft of zich uit armoede te koop aanbiedt. Maar voor het begrijpen van geestelijke prostitutie die nodeloos en kil wordt bedreven, met behoud van de schijn van deugdzaamheid, daarvoor mis ik ten enenmale een zintuig.

En het zou me dan ook niet verbazen als ik nog een keer de boel flink op stelten zal zetten en al mijn rekeningen met de wereld vereffen…

Politiek is dom ! […] Het is zelfs nog erger dan misleiding, want ze beroven de mensen van hun hart.

En toch valt het leven niet mee op deze wereld. Soms denk ik bij mezelf : bestaat er eigenlijk wel een plan volgens welk de hele mensheid een betere toekomst tegemoet gaat, of is alles het werk van het toeval en gaat de mensheid gewoon daarheen waar de grootste kracht haar naartoe duwt …  Als de goeden het voor het zeggen hebben, zal de wereld naar het goede neigen, en is het galgenaas sterker, dan neigt ze naar het kwade. Maar het eindstation van de slechteriken én de goeden is een handvol as.

Als verstand zou neerkomen op denken aan inkomsten, dan waren de mensen tot op vandaag apen gebleven …

Het was om bang van te worden, zoveel eerlijke mensen als er bij ons verpieterden.

Hoe zij heengaan … Hoe zij heengaan …

valse schijn – de pop, bolesław prus (3)

sfcdt_gedachtenis_rood_3

Bolesław Prus, De pop, vertaald door Karol Lesman (Veen, 2015) :

Hij wist dat de dood zich niet op dappere mensen stortte ; die gaat alleen als een dolle hond voor hen staan en kijkt met groene ogen of ze niet met hun ogen knipperen.

De afgeleefde en ook nog eens zeer nerveuze jongeman daarentegen wrong zich in allerlei bochten, als een duif onder de blik van een brilslang.

Luister. Al splijt de aarde onder mijn voeten open … snap je ? … Al valt de hemel op mijn hoofd, ik ga me niet terugtrekken, snap je … ? Voor zo’n geluk ben ik bereid mijn leven te geven.

Als het nodig is, nemen de meest aristocratische dames modderbaden, maar je amuseren in de modder, dat kon alleen een waanzinnige.

[…] en juffrouw Izabela vond boeren bijvoorbeeld zelfs grappig vanwege hun andere taal en logica.

Als Wokulski nu in haar ziel had kunnen kijken, zou hij met angst in het hart zijn gevlucht en voor eens en altijd van zijn waanzin genezen zijn.

Ach, die lieve naasten en die samenleving, die nooit voor mij heeft gezorgd en allerlei hindernissen voor mij heeft opgeworpen, en nog steeds om offers van mijn kant vraagt …

[…] en stenen naar passerende Joden gooiden.

[…] zoals de allermooiste leeuw weerzinwekkend is voor een koe of een adelaar voor een gans.

Werken voor geluk, dat kan ik me nog voorstellen, maar werken voor een fictie die zich ‘samenleving’ of ‘beroemd zijn’ noemt, daar zou ik nooit aan beginnen. Laat de samenleving aan zichzelf denken en laat roem …

Kijkend naar het spel van haar fysionomie moest Wokulski denken aan het wonderbaarlijke golven van het noorderlicht en die merkwaardige melodieën zonder tonen en woorden die soms in de menselijke ziel opklinken als echo’s van een betere wereld.

Het was een van die momenten waarop de natuur haar grootse krachten inhoudt en haar aloude inspanningen opschort om het geluk van nietige wezens des te sterker te laten uitkomen.

Maar zich realiserend hoe er op dit moment in de christelijke wereld woede, onrechtvaardigheid en onverdraagzaamheid jegens Joden heersten […].

Als ik Onze-Lieve-Heer was geweest, dacht hij, zou ik de helft van de julihitte voor december bewaren …

[…] ik ben niet zo naïef als de mensen wel denken. Ik heb veel in mijn leven gezien en ik ben tot de conclusie gekomen dat wij al te veel hart en ziel steken in het spel dat liefde heet!

Een leeghoofd, een bankroetier … zoals zij allemaal trouwens, […].

De liefde is in de ogen van de natuur en, zo je wilt, zelfs van God iets gewoons. Maar jullie domme, op lang en breed gestorven en begraven Romeinse opvattingen, pauselijke belangen, troubadours, ascetisme, kastenstelsel en meer van dit soort flauwekul gebaseerde beschaving heeft van een natuurlijk gevoel … weet je wat gemaakt … ? Een zenuwziekte! Jullie zogenaamde ridderlijk-kerkelijk-romantische liefde is in feite een walgelijke ruilhandel, gebaseerd op bedriegerij die zeer terecht gewroken wordt met levenslange galeistraf, ook wel het huwelijk genoemd …

Zelfs onder de dieren kom je niet zulke gemene beesten tegen als mensen.

Ik zou me verhangen, zei hij, als ik een week lang door de stad zou moeten slenteren. Die drukte, de hitte, dat stof … ! Varkens kunnen leven zoals jullie, dit is niks voor mensen.

Ik weet nog goed hoe op een avond tijdens een drukbezochte vergadering van jonge en oudere mensen bij ons allen de tranen in de ogen stonden, toen meneer Leon vertelde over die volmaaktere wereld, waarin geen plaats zou zijn voor armoede, domheid en onrecht.

Ik weet, zei hij, dat ik een zwijn ben. Maar … nog altijd het minste van allen die hier bij jullie publiek aanzien genieten.

Trouwens, Klein, een jonge vent, zou het nog hoog in de bol kunnen krijgen, als hij merkt dat ouderen hem om informatie vragen.

Maar aan de andere kant werkte haar huilen zo op mijn zenuwen dat als ik me niet op de tweede verdieping had bevonden, ik waarschijnlijk uit het raam was gesprongen.

De politiek kent nog maar één deuntje : aanhoudende onzekerheid …

De wereld is een soort amateurtoneel: dus is het onfatsoenlijk om de hoofdrol te ambiëren en een bijrol te weigeren. Uiteindelijk is elke rol goed als je hem maar met een zeker kunstgevoel speelt en hem niet al te serieus opvat.

Mensen stonden hem tegen : […].

Hij liep verder terwijl hij de sombere gedachten die als een zwerm vleermuizen boven hem hingen van zich af probeerde te slaan. Hij liep en was bang om te kijken; het kwam hem voor dat hij op dit van weelde en vrolijkheid bruisende pad als een vertrapte kever was die zijn ingewanden achter zich aan sleepte.

Later kwam de gedachte bij hem op: waaraan heb ik mijn krachten en mijn leven verspild?

De enige werkelijkheid die niet teleurstelt en niet liegt, is volgens mij de dood …

U komt hier terug op het moment dat er niets meer over is van uw oude illusies …

Een bijzonder land, waar al heel lang twee totaal verschillende volkeren naast elkaar leven: de aristocratie en het gepeupel. De een zegt een edele bloem te zijn die het recht heeft de sappen uit klei en compost te zuigen, terwijl de ander όf deze ongebreidelde pretenties beaamt, όf niet de kracht heeft tegen dit onrecht te protesteren.

[…] zijn zieke hart zweeg en voor het eerst sinds lange tijd heersten er vertroosting en stilte in hem.

Als hem de vraag was gesteld: wat is het platteland, dan zou hij hebben geantwoord: stilte.

Wel, veel wordt verklaard met goed kijken.

In mijn wereld hebben varens en mos evengoed het recht om naar de zon te kijken als dennenbomen of … paddenstoelen.

[…] als men hem had gevraagd wat het voor hem voor dagen waren geweest, zou hij ongetwijfeld hebben geantwoord dat ze een droom van geluk waren, een van die perioden in zijn leven waarvoor de natuur misschien wel de mens op aarde had geroepen.

Met zo eentje die met een hoofddoek op loopt, ga ik niet trouwen en eentje met een hoed wil mij vast niet …

[… het] schilderij van de Slag bij Tannenberg (het is een groot en majestueus schilderij geworden, je zou het alleen niet moeten laten zien aan soldaten die zelf aan veldslagen hebben deelgenomen), […].

[…] wilt u wel geloven dat voor mensen zoals wij een raam soms de rol vervult van theater, concertzaal en kennissen? Want waar moeten we anders nog naar kijken?

Bestaat er wel enige logica in deze wereld ? Als ik toch Onze-Lieve-Heer was geweest… Maar waarom loze onzin uitkramen?

Op de wereld bestaat geen enkele orde, geen enkele gerechtigheid, er is slechts strijd. Zolang in die strijd de goeden zegevieren, gaat het goed, maar doen de slechteriken dat, dan gaat het slecht; maar dat er een bepaalde macht zou bestaan die alleen de goeden in bescherming neemt, kun je je beter maar helemaal niet inbeelden … De mensen zijn als bladeren die de wind opjaagt: werpt hij ze op het grasveld, dan liggen ze op het grasveld, gooit hij ze in de modder, dan liggen ze in de modder …

valse schijn – de pop, bolesław prus (2)

sfcdt_gedachtenis_blauw_2

Bolesław Prus, De pop, vertaald door Karol Lesman (Veen, 2015) :

Wat is het leven toch dom … ! We jagen op deze aardbol een visioen na dat ieder van ons in zijn hart draagt en pas als het zich daaruit heeft bevrijd, zien we in dat het waanzin is geweest …

Hij voelde een vreemde leegte in zijn ziel en helemaal op de bodem iets als een druppel brandend bitter. Geen enkele kracht, geen enkel verlangen, niets, slechts dat ene druppeltje, zo klein dat je het niet eens zien kon en zo bitter dat je er de hele wereld mee kon vergiftigen.

Elke vogel daarboven en ieder mens hier op aarde heeft het idee dat hij de richting op gaat die hij wil. En pas als iemand terzijde staat, ziet hij dat ze allemaal worden voortgestuwd door een fatale stroming die sterker is dan hun vermoedens en verlangens. Misschien wel diezelfde die de streep vonken doet opstijgen die in de nacht door een locomotief in de lucht worden geblazen…

Dat je zelfmoordenaars niet moet tegenwerken, antwoordde de dokter.

[…] en dacht : wat zijn ze toch gelukkig, al die lui in wie honger enkel apathie opwekt en wier enige lijden de kou is. En hoe gemakkelijk zijn ze gelukkig te maken … ! Zelfs met mijn bescheiden vermogen zou ik zo een paar duizend gezinnen erbovenop kunnen helpen.

En pas toen een enorme persoonlijke pijn zijn ziel had doorploegd en geëgd, was op deze met eigen bloed vruchtbaar gemaakte en met voor de wereld onzichtbare tranen besprenkelde aarde een bijzondere plant opgekomen: algeheel medelijden dat alles omvatte: mens, dier, zelfs voorwerpen die men levenloos placht te noemen.

Gelukkig zij die stil zijn … Gelukkig zij die bezwaard zijn.

Diep ontroerd keek Wokulski naar de in de kerkelijke schemer gehulde menigte die met zo’n geduldig geloof al sinds achttien eeuwen wachtte op het inlossen van goddelijke beloftes.

Waarom zouden de verheven beloftes van Christus niet vervuld kunnen worden, al was het maar door zulke ongelovigen als ik, aangezien de vromen zich met iets anders bezighouden … ?

Het ontbrak ook niet aan fantastische kozakken gekleed in zo ruime broeken dat het leek of hun heren er hun ambitie in hadden opgeslagen.

Volgens mij is het behoorlijk in de geest van de burger om consumenten goedkopere waar te leveren en het monopolie van de fabrikanten te breken, die overigens in die zin iets met ons gemeen hebben dat ze onze consumenten en arbeiders uitbuiten.

Alleen het verdriet is niet weg, het zit er nog, ik zeg het je, het is nog even vers […].

Wie weet is de dood wel het kwaad zoals de mensen zich dat voorstellen. En voor het eerst hunkerde hij naar een diepe, droomloze slaap die niet verstoord zou worden door enig verlangen, zelfs niet door hoop.

Lang leve Hongarije … ! Ik zou ook wel lang willen leven … mompelde Kratochwil.

Maar wat zal ik hier mijn meningen uitdragen ; laat de loop der gebeurtenissen namens mij spreken.

Een vreemde man! Haalt hij zich een of ander geniaal plan in zijn hoofd, voert hij het in hoofdlijnen uit, maar vervolgens bekommert hij zich volstrekt niet om de details.

Over het algemeen merk ik, misschien sinds een jaar, dat de antipathie jegens de belijders van het mozaïsche geloof toeneemt ; […]. Als ik dit hoor, denk ik weleens dat er langzamerhand een geestelijke, als de nacht zo donkere duisternis over de mensheid aan het vallen is.

Maar heeft ooit iemand een verweer gevonden tegen insinuaties, grimassen en blikken …?

Nu heb ik begrepen dat ik als Jood alleen gehaat wordt door christenen, maar als gedoopte Jood zou ik in de ogen van zowel christenen als Joden weerzinwekkend zijn.

De nacht valt, een nacht gedurende welke alles grauw is en verdacht!

Ik durf zelfs te beweren dat ik enige sympathie begon op te brengen voor het socialisme en de socialisten. Maar waarom per se een revolutie maken als de mensen er ook zonder revolutie gemeenschappelijke vrouwen op na houden ?

[…] (het moet wel een schrijver zijn geweest, want hij was lang aan het woord en sprak onzinnige praat) […]

Hij had het gevoel dat het rijtuig niet over de straatstenen reed maar over zijn hersenen.

Samenkomsten organiseren, ondernemerschap stimuleren en lijden, almaar lijden onder de ongelukkige toestand van het land, dat waren in zijn ogen de plichten van de burger. Maar als hem ooit de vraag zou zijn gesteld: hebt u weleens een boom geplant waarvan de schaduw de mensen en de aarde kan beschutten tegen de hitte ? Of hebt u ooit een steen van de weg gehaald die de hoeven van een paard beschadigt? Dan zou hij zich oprecht verbaasd hebben getoond.

[…] … maar het ontbreekt hen aan energie … ! Een ziekte van de wil, meneer, de hele klasse is erdoor aangetast …

Nog even en er is geen plaats meer voor mij op deze arde … ! fluisterde hij.

Dit herenhuis echter oogde veel geler dan alle andere en op een tentoonstelling van gele voorwerpen (die we vast nog weleens mee zullen maken) zou het zeker de eerste prijs hebben gekregen.

Aangezien de kruik een amarantkleur had, het gezicht van de nimf geel was, haar borsten groen en haar benen blauw, mocht je aannemen dat de nimf tegenover een raam van gekleurd glas stond.

Bij ons is het verstand voortdurend aan het werk en daarom hebben de Joden verstand en daarom, voelt u zich niet beledigd, zullen zij de hele wereld veroveren. Bij jullie komt alles tot stand door die koorts van het hart en door oorlog, bij ons alleen door wijsheid en geduld.

Soms ontwaakte in hem het gezonde verstand ; dan werd hij overmeesterd door woede en afkeer van zichzelf.

De ochtenduren sleepten zich voort alsof ze door een span ossen getrokken werden.

Pessimisme nam bezit van hem. De vrouwen kwamen hem lelijk voor, hun kleurige kleding wild, hun koketterie weerzinwekkend. De mensen waren dom, de menigte ordinair, de muziek lawaaiig.

Heel aardige lui, die heren van de aristocratie … – Naar de hel met ze … ! En naar de hel met u allemaal en uw domme conventies!