sfcdt

Tag: republicanisme

hugo claus en de krokodillen (13)

4 gedichten.
Een nenia is een elegie en een elegie is in de Westeuropese literatuur een treurdicht geworden, soms is er troost aanwezig. Op het einde van de bundel De sporen (1993) nam Hugo Claus ‘Vijf nenia’s’ op (in de losbladige uitgave Gedichten 1948-2004 zijn dat er zes geworden), de eerste draagt de titel ‘Lumumba’, als we nenia ernstig nemen, treurt de dichter om de dood van Lumumba, er is een verbondenheid zou men denken – en men denkt juist, maar niet correct.

Lumumba wordt hier voorgesteld als een ledenpop, geen hagiografie dus, een slachtoffer. Nochtans had Claus weinig met klagende slachtoffers – zoals we weten is het klagen het kenmerk van de Vlaamse collaborateurs (maar in het algemeen van fascisten: de Ubermensch is een raar ding) en dat klagen is in de psychologie binnengedrongen zodat ze ook klagen over weer en wind, slachtoffer zijn van blank en zwart, man en vrouw, kind en ouderling, sneeuw en dooi. Maar ho, iets doen – daarvoor hebben ze een meester nodig, zie de huidige culturelen.

Hoe Patrice Lumumba (1925-1961) geboren is, wordt (in het gedicht) als een goed teken beschouwd: hij was een goede mens: hij schreide niet, hij was dus géén slachtoffer en had een goed geweten (dat hij bij zijn geboorte nog niet kon hebben maar zo beschreven lijkt hij een messias te zullen worden). De schrik van de voedster is de schrik voor een doodgeboren kind, in de geboorte ligt reeds de dood geborgen. Maar het niet-schreien is ook de schuldeloze geboorte van het kind tegenover de moeder: niet gescheurd, geen pijn, geen uitputting: alles vree en peis.

De voedster schrok toen je geboren werd
want je schreide niet,
het teken van een goed geweten.

In de tweede en derde strofe geeft Claus een overzicht van het leven maar hij doet dit (uiteraard) vanuit zichzelf, via Lumumba uit hij kritiek op het katholicisme, niet zozeer op het instituut Kerk als wel op de god zelf, de blanken worden hier albino’s genoemd (maar pas op: er zijn ook zwarte albino’s, in vroegere tijden, betere tijden zeggen de activisten-fascisten, werden die vermoord) – dat hij in Leuven studeerde (de missionarissen wilden een zwarte elite vormen) was toen normaal, Claus noemt dat nest, niet zoals Erasmus zwart, als wel ‘een bleke vesting’ – het bleke verwijst uiteraard naar de huidskleur en de kwaliteit van de universiteit en haar ideologie. Lumumba wordt rechtstreeks aangesproken, een beproefd middel om nabijheid te creëren, de dichter is met het lot van zijn onderwerp verbonden. De leugen van de Belgische eendracht : België zelf is al niet eendrachtig, wat zou het dan zijn met de kolonies?. Jezus wordt de god van de Albino’s genoemd, niet die van de zwarten – in de benaming zit de kritiek en het inzicht vervat, die liefde is niet mateloos en de laatste regel verwijst naar de propagandafilms over dat prachtige Congo , die parel aan de kroon van België:

Je studeerde in Leuven, een bleke vesting,
Je leerde er Eendracht maakt Macht.
De God van de Albino’s aan zijn kruis
zei dat zijn liefde mateloos was
ook in de verre technicolor-tropen.

Het studeren zelf is dus een valsheid geweest: de bleke universiteit kon Lumumba niets leren – een kritiek die ook vanuit de négritude geformuleerd werd. De derde strofe is een overzicht van ‘werken en leven van Lumumba’. Claus noemt hem een dief en een dromer – beide epitheta zijn positief bedoeld, men kan er Jean Genet bij halen en het surrealisme, maar uiteraard is het altijd geoorloofd om meesters en bedriegers te bestelen en Lumumba deed dit omdat hij een droom had – die droom is vrijheid. De naam werd in voetbalmiddens, altijd al een verzamelplaats geweest van debielen, politici en geld- en vastgoedmakelaars, een scheldwoord voor een zwarte die kan voetballen. Maar: Lumumba wees eveneens het eigen verleden af – zoals Hugo Claus en met hem een hele generatie gedaan had – en dat werd hem niet vergeven. Deze zin kan tweeërlei gelezen worden: dat werd hem niet vergeven door de Europeanen, een zwarte moet een zwarte blijven, maar ook niet door de Congolezen, een zwarte moet een zwarte blijven – het probleem van de authenticiteit, de négritude, dat metafysisch begrip dat nu zo actueel gemaakt is door de terroristen, maar intellectueel geen enkele betekeniswaarde heeft. Lumumba is het slachtoffer geworden van de binnenlandse krachten.

Bebrilde dief en dromer. Je naam werd
een scheldwoord op de Belgische voetbaltribunes.
Je wou het kind van je voorvaderen niet zijn,
de Oudste niet, en niet de Stichter,
dit werd je niet vergeven.
De stammen verkochten je aan Mobutu
voor een telefoonaansluiting,
een autonummerplaat, een girorekening.
De makelaars stapten in de modder,
op je naamloos kadaver.

De kritiek op het verraad van de stammen is dezelfde kritiek van Claus op de Belgische bevolking: men wil materiële dingen (die hier Europese dingen zijn), men wil vergaren, de droom van vrijheid is niet aan hen besteed – dit is de domheid die over de dommen regeert. Ontstellend nieuws: zwarten zijn mensen. Door het eigen volk vermoord, lijkt Claus te suggereren, de makelaars konden hun werk zonder Lumumba verder zetten. Mobutu had ook vervangen kunnen worden door Kasavubu, dan was dit misschien historisch correcter geweest. En in de laatste regels worden god en makelaars gelijk gesteld (we zien de ets van James Ensor voor ons):

De God van de Albino’s heeft zich
op jouw lijk gezet als op een toilet.

De gelijkenis met de eerste scène in Het leven en de werken van Leopold II is onvermijdelijk. Verstikking door pis en stront, het loden gewicht van de leugen en de hypocrisie, de dingen nemen de plaats in van de waarden – een telefoon in ruil voor vrijheid en waardigheid.

Maar in zijn laatste bundel, In geval van nood (2004), corrigeerde Claus zichzelf. Waar hij eerst een metafoor gebruikte, is in 2004 duidelijk geworden hoe Lumumba onder Belgische handen gestorven is (de zaak Lumumba en de zaak Lahaut) (van figuurlijk naar letterlijk) en door Belgische handen als lijk verminkt werd (lijkschennis is en was een zware misdaad, een grensoverschrijding, een immoraliteit), Claus klaagt aan, is verbijsterd over de wreedheid van het schenden – in die ene persoon-agent toont de blanke beschaving zich als iets wat niets met menselijkheid te maken heeft – onder de regels lees je ook: een dood poëtiseren is niet gepast. Ik citeer eerst de eerste twee strofen (waar Claus eerder God met een hoofdletter schreef is dit nu niet langer zo, nochtans schrijven de spellingregels voor dat God met een hoofdletter geschreven moet worden – het eeuwige ongemak van de intellectueel: nee, god is geen persoon en moet dus niet met een hoofdletter geschreven worden, de spellingbazen, katholieke vrijmetselaars uit Gent, buigen al te graag het hoofd voor het opperhoofd):

Lumumba’s gebit

‘Lumumba,
de god van de Albino’s heeft zich
op jouw lijk gezet als op een toilet’
schreef ik dertig jaar geleden in een gedicht
en nu pas komt aan het trage licht
hoe Lumumba vernietigd werd.
Hoe de Belgische politie-inspecteur Gerard Soete
het lijk bewerkte
met een zaag en zwavelzuur.
‘Tot er niets meer overbleef,’ zegt hij.

Niets overbleef? Hij wrikte twee vergulde
snijtanden los en bewaarde ze.
‘Als souvenir’ zegt hij. Toen hij tachtig werd
zwierde hij ze in de Noordzee.

Claus verwijst naar de werkelijkheid, een bijkomende beschuldiging is, maar dat schrijft Claus niet, Soete was een West-Vlaming, bovendien schrijver, rijkswachter en college-leraar geweest, in 1999 kwam zijn misdaad aan het licht. Soete heeft Lumumba niet vermoord, maar wel zijn lijk opgegraven, het lichaam werd in stukken gezaagd ‘met een beugelzaag’ en in zwavelzuur opgelost. Twee tanden uit het gebit getrokken. Dat van de Noordzee is niet zeker, er werden tanden (of 1 tand) teruggegeven aan de familie – de macabere katholieke relikwie-cultuur naar Afrika.

In de derde strofe geeft Claus commentaar – Soete wordt een ongeletterde genoemd, Claus heeft in de letterlijke betekenis van het woord ongelijk maar toch gelijk: als een beest, een woesteling, zonder cultuur of beschaving, Claus was ook een pacifist, het geweld wordt bij hem niet verheerlijkt, en werd Lumumba in de nenia rechtsreeks aangesproken, nu is het tot Soete dat de dichter zich richt, dreigend, voorspellend, een Cassandra, een engel des wraaks. Claus verwijst niet naar het Argonauten-verhaal van Ovidius, Metamorfosen, boek VII als wel naar het Griekse verhaal, Apollonios van Rhodos. Jason kan van koning Aietes het Gulden Vlies krijgen als hij o.a. de tanden van een draak in aarde kan begraven. Uit deze tanden zullen mannen groeien en Jason moet die met één arm doden – een onmogelijke opdracht. Jason slaagt. Claus verwijst naar dit verhaal, nogal letterlijk, maar de mannen zullen zich tijdens het slapen van Gerard Soete rond hem stellen, zullen hem een nachtmerrie zijn, zoals Claus zelf zoveel nachtmerries had – de herinnering aan de verminkte lijken –, dat iemand doelbewust een lijk kon verminken en verder leven, was voor Claus onbegrijpelijk.

Niets overbleef?
Soete, ongeletterde, vleeshouwende huurling,
denk aan de Argonauten
die in de Middellandse Zee zeilden
op zoek naar het Gulden Vlies.
Ze rukten de tanden uit de muil van de Draak
en zaaiden ze in het zand
en de tanden verwekten
honderd krijgers met bijlen en speren
en die hebben zich op een rij gezet.
En deze nachten komen zij krijsend naar je bed.

Het is opvallend dat Claus de dader centraal stelt, de uit tanden geboren mannen, zullen niet de opstand prediken of een revolutie uitvoeren, geen wraak nemen aan de zijde van de Congolezen, geen oorlog voeren – maar ‘slechts’ de nachten van Soete beheksen. Het siert Hugo Claus dat hij niet in naam van de Congolezen wil spreken, Claus als moraliste is anders dan de hedendaagse moraliserende activisten-fascisten, niet mogen we door het fascisme het woord moraal laten kapen.

In een nadere/andere lezing wordt Lumumba met het Gulden Vlies gelijkgesteld – al is ook dat een illusie. Claus is verbolgen over de misdaad van de Belg – niet over de gevolgen van de moord op Lumumba voor de Congolezen, dat was hij wel (min of meer) in het eerste Lumumba-gedicht. Was Lumumba niet gedood, dan niet de corruptie van Mobutu. De kritiek van Claus op de Congo-politiek van België gaat uiteraard verder dan die van het stuk Leopold II – in de eerste plaats omdat Claus een republikein was en dus voor geen monarch hoefde te buigen en in de tweede plaats omdat het over een staatsmacht gaat – maar dat betekent niet dat Claus een kenner van de gebruiken in Congo (of Afrika) was, als universalist zag en gebruikte hij de kunst van andere talen, culturen, maatschappijen, hij was echter niet zo dom om die gelijk te stellen of de pretentie te hebben die te kennen – aan de oppervlakte scheren, zoals een Italo Calvino, lichtzinnig zingen, o, hoogste, schoonste godin.

Beeld: onbekende fotograaf, twee leden van LRA, Lord’s Resistance Army, voornaamste activiteit is, in naam van de christelijke god, kinderen ontvoeren, olifanten doodschieten en roven. De leider is Joseph Kony, een ‘genezer en medium’, staat in rechtstreeks contact met god, wiens bevelen hij uitvoert. De generaals namen gretig foto’s van de veroveringen. Kristof Titeca verzamelde deze foto’s en reisde met Georges Senga naar Uganda om mensen te vinden, of overlevenden, of lijken, of beulen, of machthebbers.

zie, daar de fascisten

Een bericht, tussen de ongevallen, een nieuwe webshop, een afgesloten straat, over de Gentse stadsbibliotheek, de Waalse Krook, dat eens te meer blijkt geen bibliotheek te zijn, wel het gebouw van de leugen en de onvrijheid, de dood van de cultuur:

“Wie het populaire kinderboek Pippi Langkous uitleent in de bib van Gent, botst binnenkort waarschijnlijk op een waarschuwing voor racisme. Dat is een van de stappen uit een ‘dekoloniseringstraject’ waar Gent al een tijd aan werkt. Welke boeken een waarschuwing zullen krijgen, moet nog bekeken worden. “De klepel slaat door”, reageert oppositiepartij N-VA.
Wie het verhaal wil lezen over het wonderlijke meisje met de vlechtjes van de Zweedse schrijfster Astrid Lindgren, botst binnenkort misschien wel op een waarschuwing bij het begin van het boek. Tenminste als het om een boek uit de stadsbibliotheken van Gent gaat.
Een aantal boeken in de collecties van de Stad Gent krijgt binnenkort een label dat waarschuwt voor racistische passages en opvattingen. Dat is het gevolg van een adviesrapport over ‘dekolonisering’ van Gent, dat deze week is afgeleverd. Zo gaat Gent ook de Leopold II-laan hernoemen.
Een ander advies uit het rapport, over boeken met racistische passages, wordt ook gevolgd. Dat bevestigt de woordvoerder van Open VLD-schepen Sami Souguir, bevoegd voor de Gentse bibliotheken. De formele beslissing over welk boek een label zal krijgen, is nog niet genomen. Maar principieel is Gent wel akkoord.
“Negerkoning”
Pippi Langkous ligt al langer internationaal onder vuur voor racistische passages. Zo wordt Pippi’s neiging om te liegen gelinkt aan een verblijf in Afrika. Enkele fratsen en kuren van Pippi zijn dan weer het gevolg van contacten met “negertjes”. De vader van Pippi wordt ook trots een “negerkoning” genoemd in het boek.
In Zweden werden jaren geleden al omstreden fragmenten weggelaten of aangepast in het verhaal van Pippi Langkous. Zo werd de vader van Pippi gewoon een “koning”. In sommige nieuwe edities van het boek is ‘negerkoning’ ook al vervangen door ‘koning van de Stille Zuidzee’
Gent volgt na het adviesrapport nu ook dat pad, met een waarschuwing. ‘Dekoloniseer de bibliotheek’, klinkt het in het rapport. Het werd geschreven door Gentenaars met Afrikaanse roots, adviesraden, middenveldorganisaties en mensen van de Gentse hogescholen en de UGent.
“Veel boeken hebben historische of literaire waarde, maar bevatten racistische elementen (bijvoorbeeld Pippi Langkous). Het is belangrijk om de context te tonen en deze elementen te benoemen, hierover met mensen het gesprek aan te gaan en hen hierover te laten nadenken.”
Geen censuur
Het rapport vraagt ook “de meest racistische werken in de kinder- en jeugdbibliotheek uit het aanbod te verwijderen”. “Voor jonge kinderen is het nog belangrijker om boeken met stereotiepe beelden te vermijden, omdat zij hun beeld van de wereld beginnen vormen, en al op jonge leeftijd beginnende vooroordelen kunnen ontwikkelen.”
Maar zo ver gaat Gent niet. “We gaan geen boeken censureren of uit de collectie halen”, klinkt het bij Souguir. “Maar het is wel de bedoeling om duiding te geven via een label. Welke boeken en wat voor label, dat is nog niet beslist. Dat is een proces dat nu in gang gezet wordt.”
Herman Brusselmans
De beslissing krijgt meteen forse kritiek van oppositiepartij N-VA. “De klepel slaat volledig door”, zegt Anneleen Van Bossuyt, fractieleider in de Gentse gemeenteraad. “Als er nu één meisje is dat staat voor emancipatie en doen wat je zelf wil, dan is het toch wel Pippi Langkous?
“Een bibliotheek dient om mensen te informeren over allerlei opvattingen en meningen en daarna al dan niet uw eigen mening te vormen. Maar dit is gewoon een stadsbestuur dat bepaalt wat mensen nog mogen lezen en hoe ze over iets moeten oordelen.”
“Wie gaat er oordelen over wat racistisch is in een boek? Gaan de boeken van Sinterklaas dan ook een label krijgen in Gent? En wat met de romans van Herman Brusselmans? Daar staat toch ook wel wat in waar niet iedereen akkoord mee is?”


* ‘De klepel slaat natuurlijk niet door’, – maar het is beschamend dat rechts voor vrijheid en kunst opkomt, dat links eens te meer zwijgt.

* Waar is het Humanistisch Verbond nu? De voorzitter-vrijmetselaar luistert naar zijn geliefde Wagner. Waar is de Liga van de Mensenrechten nu? Zij kijkt weg over de grenzen.
Waarvoor dient PEN? Men vertoeft nog in Oost-Europa. Waar blijft de auteursbond (voorzitter Maria Vlaar) of de luidruchtige Matthijs de Ridder, voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging (VAV)? Zij kijken naar de toppen van hun schoenen. Over Cul & Con zal ik het niet hebben, maar waar is de VVBAD, die de belangen verdedigt van de bibliotheeksector?

* Wat vandaag verdacht gemaakt wordt, wordt morgen gecensureerd en overmorgen verboden en wees maar gerust, er zijn geen rationele gronden, dus mag iedereen ongerust zijn – alles en iedereen het slachtoffer – de terreur in de geest gaat de terreur van de dood vooraf.

* Het bericht verscheen in Het Nieuwsblad op 22 januari 2021 – de bibliotheek schoot in paniek: het bericht verscheen in de pers zonder voorafgaandelijke manipulatie van de directie zelf. Direct werd een korporaal, ze is zelfs geen amateurschilder, opgetrommeld om het personeel te berichten wat het moet zeggen tegen de lezers die verontwaardigd reageren. Niets is beslist, sust ze orwelliaans, ‘maar de bibliotheek zal acties van Dekoloniseer de stad verder uitwerken in de verschillende teams ihkv van ons breder beleid rond diversiteit in de breedst mogelijke zin. Bibliotheek De Krook blijft trouw aan haar missie: de bibliotheek helpt mensen de wereld beter te begrijpen. En daarom wil de bibliotheek een aanbod (collectie en activiteiten) presenteren als spiegel en als venster op de wereld, als bijdrage aan een superdiverse en inclusieve samenleving. 
Bibliotheek De Krook wil in geen geval neigen naar censuur, maar engageert zich wel tot meerstemmigheid en het plaatsen van verschillende meningen naast elkaar.’
Deze wollige én laffe taal zegt alleen maar dat de bibliotheek géén bibliotheek is, maar een propagandacentrum van de rechtse ideologie, de terreur en de onvrijheid. ‘Breed’ is men gewoon te grijpen. De ‘rechtvaardiging’ is clichétaal – steeds het kenmerk van het bedrog en de leugen, de onkennis die bekwaam is in manipulatie. Een bibliotheek zou de woordcultuur moeten verdedigen – hier worden de woorden van kennis ontdaan.

* De jarenlange terreur op het personeel heeft dan toch iets opgebracht: wie overblijft wordt in uniform gestoken, moet daarbij zwijgen en als men spreekt moet men het woord van de leugen gebruiken. Het is niet opvallend dat de directeur, Krist Biebauw, geen bibliothecaris, niet opkomt voor personeel en collectie, niet voor de vrijheid van meningsuiting, niet voor de auteurs die vrij moeten kunnen schrijven en publiceren, niet voor de beschaving. De instelling zélf is al lang geleden verkocht.

* De huidige zogezegd liberale schepen van Cultuur, Sami Souguir, voert het nationalistisch-socialistisch beleid van zijn voor-gangster, Annelies Storms uit – het fascisme trekt zich niets van ideologieën of partijen aan.

* De creatieve geesten, dus de schrijvers, beeldende kunstenaars, componisten, (van welk niveau dan ook) staan altijd boven de klerken en zeker boven de politici, deze minne mensensoort.

* De Waalse Krook ‘nodigt’ schrijvers en kunstenaars uit om zich zo ‘in het veld’ onmisbaar te maken – opgelegde dwang, dit is een bewuste politiek. Alle culturele actoren die zich door De Krook laten uitnodigen en op die plaats aanwezig zijn, zijn (waren dat eigenlijk al, gezien de voorgeschiedenis) medeplichtig aan deze censuur, dit hedendaags fascisme.

* O, zegt men, we verbieden niets, alleen maar een stickertje. Ook de Joden moesten eerst ‘een stickertje’ dragen, daarna werden ze toch vernietigd. Een ‘stickertje’ is niet onschuldig, het is het merkteken van de misdadiger.

* Daarentegen zijn er scholen die de boeken van Astrid Lindgren met graagte laten lezen – deze scholen worden door de fascisten nu als racistisch bestempeld – de fascisten zijn volgens de fascisten de goeden.

* De openbare bibliotheek werd opgericht opdat de mensen vrij zouden kunnen lezen, dat de onderpastoor niet langer bepaalde wat goed voor hen was. In Gent hebben de zwartrokken, met de zwarthemden, de bibliotheek heroverd en hun ‘actie’ is gericht tégen de idee van vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van drukpers, de vrije maatschappij, de vrijheid van denken.
Niet de staat moet bepalen wat wij lezen, hoe wij lezen en waartoe wij lezen.
De hoeksteen van de vrije maatschappij is dat de staat zich niet met inhoud bemoeit – dit is ook de grondslag van de openbare bibliotheek, deze democratische grondslag wordt door de directie van De Krook vernietigd en dus wordt de grondslag van de maatschappij aangevallen en in de plaats kan hun fascisme komen. Deze praktijk gaat in tégen het bibliotheekdecreet en is dus illegaal: de overheid boycot de vrijheid die ze zegt te verdedigen, de verantwoordelijke ambtenaren verkrachten hun eigen reden van bestaan.

* En wat is het vervolg? Shakespeare, Ovidius, Goethe, de familie Mann, Claus, Boon, Gide, McCullers? Allemaal op de brandstapel, de directie van De Krook zal de dodendans leiden.

* O, maar er zijn ‘wetenschappers’ aan het werk gezet! Oh ja, ook de nazi’s hadden wetenschappers en filosofen in dienst. De domheid van de universiteit, lees Schopenhauer, weet wat Heidegger gedaan heeft, zie ook wat het personeelsbeleid aan de Ugentheeft aangericht – waar zijn de vrijdenkers nu?

* Maar men kent geen geschiedenis omdat men geen moraal kent.

* O, gaat het om het woord neger? Weet men dan niet dat niet alle zwarten het negerwoord als negatief ervaren, dat dit een ideologische fractie is? Nee, dat weet men niet – want men leest niet, men denkt niet, men is ‘te leeg van binnen’, men conformeert zich – en hun leegte wordt door hun fascisme met hun beer gevuld.

* O, zegt men, Trump dat is ver weg, niet hier, hier zijn de instellingen democratisch en sterk. Maar de jarenlange terreur werpt vruchten af, de instellingen zijn niet meer bevolkt met mensen die kennis van zaken hebben, die een deontologie bezitten, die affiniteit met hun zaak hebben, wie weten wat cultuur en beschaving is: de nieuwe ambtenaar is een klerk die buigt en likt en op zijn buik kruipt. Verraad kent hij niet, want verraad is zijn wezen.

* Nee, wij willen niet leven als slaven, wij eisen het recht op burger te zijn. Bevoogding is immers verknechting.

* Op het doodsprentje van de pas overleden Jeanine De Landtsheer staat bovenaan In libris libertas – de stad Gent, de politieke macht, deze universiteit, deze nonbibliotheek, deze cultuursector hebben zich tegen de boekcultuur gericht en zullen elke vrijdenker buiten hun Gemeinschaft stoten. Elke vrijdenker? Nee. Elk kind, elke mens. De beesten verdragen geen mens.

hugo claus en de krokodillen (2)

De titel, Het leven en de werken van Leopold II : 29 taferelen uit de Belgische Oudheid, is een programma en een tegenprogramma. Enerzijds het pompeuze ‘het leven en de werken’, wat doet denken aan een titel als Het leven ende wercken vande salighe Catharina van Genua van Jan Desmarets uit 1679 of ’t Gheslacht, de gheboort, plaets, tijdt, leven, ende wercken van Karel van Mander, schilder ende poët door G.A Bredero, leven en werken zijn met elkaar verbonden en uiteraard zeer groots. Maar Hugo Claus is geen David Van Reybrouck, en dus: anderzijds gaat het om 29 taferelen, fragmenten dus, er is geen overkoepelende waarheid of de schrijver wil niet een stelling bewijzen of er is geen teleologische weg te gaan, nee, er zijn taferelen, die worden naast elkaar gezet, een aaneenschakeling van gebeurtenissen, bijna toevalligheden, de grote idee ontbreekt – de verbindingen zijn onbelangrijk. 29 is een betekenisloos getal, geen 7, 9, 13 of 21. Bovendien spreekt Claus van de ‘Belgische Oudheid’ – België heeft, zoals Griekenland of Rome,  geen oudheid gekend, een land dat in 1830 ontstaan is, Claus publiceerde het stuk in 1970, daarmee bedoelt hij (en alweer enerzijds, anderzijds) dat die periode ver achter ons ligt (daardoor plechtig, statig, heilig geworden), en ons gevormd heeft (daardoor plechtig, statig, heilig geworden), het gaat niet om een vreemde natie, geen Alva, wel een Leopold, iemand van bij ons, al is ook hij geïmporteerd.

Boudewijn was in 1951 koning der Belgen geworden, tijdens de bevrijdingsdagen van de jaren 60 en 70 was Boudewijn het symbool van de restauratie, het belgicistisch model van adel, industrie en bankwezen, vooral gericht op de Franstalige, Brusselse milieus (er is niets veranderd, alles is hetzelfde gebleven, alleen wordt de blik nu afgewend). In Vlaanderen was en is er geen republikeinse strekking, een aantal jaar vervulde Johan Anthierens als eenling die rol, hij deed dat echter niet op morele, filosofische, intellectuele gronden – meer was er aandacht voor de symboliek, de traditie en de tralala, een gevoelsopposant. Er was een antimonarchistische strekking bij de Vlaams-nationalisten, steeds weer ‘het verraad’ – omdat men anti-België was, was men anti-koning – maar dat was (en is) nog geen republicanisme. De PS (en dus de SP, BSP, SP.A) was en is pro-monarchie (de ideologische verwarring ten top), heeft het koningschap altijd verdedigd en geëerd, was vereerd als de koning zich verwaardigde een socialist aan te spreken – tot op vandaag is men nog slaaf. De monarchie als het symbool van de eenheid van een land (niet de sociale zekerheid) – het is niet verwonderlijk dat de PS uit eigenbelang het koningschap steunt – maar dat geldt eveneens voor de andere partijen, de liberalen omdat ze gelijk welke toestand als status quo aanvaarden, de katholieken omdat de fantasieresten van de goddelijke afstamming van koningen nog steeds geloofd worden. Als een land geen republikeinse strekking heeft, kan er nooit van democratische oppositie of beleid sprake zijn.

Bij Kritak verscheen in 1990, 20 jaar na het toneelstuk van Hugo Claus, Brief aan een postzegel : kritisch koningsboek door Johan Anthierens ‘en hofhouding’ – zo staat het op de titelpagina. En wie behoorde daartoe? Vondel, Lévi Weemoedt, Christian Bouvier, Jan Bosschaert, Tom Lanoye, Quirit, Pjeroo Roobjee, Zak, Youp van ’t Hek, Jan Van den Berghe, Herman Brusselmans met Erik Meynen, Pol Hoste, Rita Demeester, Gilbert Daeninck, Didi de Paris, Gal en Daniël Robberechts. Een allegaartje verzameld of aangespoord door Anthierens. Van Hugo Claus werden fragmenten uit Het verdriet van België opgenomen, door Anthierens van een voorwoord/verantwoording en titel, ‘Het volk vermaakt zich vorstelijk …’, voorzien. Het moge duidelijk zijn tot Claus niet behoorde/wilde behoren tot de ‘hofhouding’ van Johan Anthierens, maar dat hij ook niet kon ontbreken in deze koekendoos, te kruimelig, te jolig, te oppervlakkig. Sprak en spreekt men soms van de barokke taal van Claus dan is die vergeleken met Anthierens (of Roobjee) redelijk sober terwijl de barokianen zichzelf verloren en verliezen in de leutigheid van de taal en elke inhoud verwaarlozen – het doet er allemaal niet toe: toon een lucifer en ze be-talen het stukje hout tot een Eiffeltoren. Zo Anthierens: ‘Een der draden binnen het romanweb [van Het verdriet van België] is de wrede genegenheid van het volk voor het hof: kapperssalon en kroeg krijgen niet genoeg van de kroon, liefst met een scheut doornen. Men neigt het hoofd voor de halfgoddelijke majesteiten en haalt het hart op aan de Zwitserse boom van Astrid, het bergafwaartse lot van Albert, het nationaal verscheuren van de gekrulde Leopold.
Met medeweten van de auteur presenteren wij een uitstrijkje koningsparagrafen uit Het verdriet van België.’ (o.c., p. 38)

Het ‘leuke’ taaltje van Anthierens daargelaten: Claus heeft geen nieuwe bijdrage geschreven, heeft Anthierens het werk laten doen (een keuze maken) en heeft het goedgekeurd – we weten dat Claus vrienden kon en wist te waarderen – en toch stond Claus buiten dit boek en initiatief – de weg wilde hij alleen gaan. De fragmenten (‘taferelen’) die Anthierens uitkoos zijn geen republikeinse: het is niet omdat een koning of een koningin vermeld wordt, dat men die zomaar in een wereldvisie kan inpassen, wel maakt de roman van Claus duidelijk hoe het koningschap verbonden is met rechts: het zijn de socialisten en liberalen die tegen de koning (Leopold III) zijn – de Vlaamse beweging heeft steeds een ambigue houding aangenomen: ‘hier is ons bloed’, het verraad van de koningen, ook hun beloftes en tegelijkertijd de dominantie van de zwarte priesters, Christus Rex, die de eerbied voor het koningschap danig opgelegd hebben, het rexisme als collaboratiebeweging, de koning, net als de Vlaming, het slachtoffer van alles en iedereen, de Duits, de vrijmetselaar, de Jood, de vader.

Tien jaar eerder, 1980, verscheen van Walter Van den Broeck, Brief aan Boudewijn, geen republikeins werk, wel het standpunt van de onderdanige proleet die op de machtigen hoopt om ‘die van hiernaast’ in de hoek te zetten – Van den Broeck heeft ten onrechte een heibel-imago gehad. Bij hem is er de nostalgie van de volksvrouw naar de glitter van het koningshuis, een verlangen gezien te worden, over het hoofd gestreeld te worden, zijn nogal overspannen visie op vrijmetselarij en koningshuis in Het beleg van Laken, in de tijd bejubeld door Marc Reynebeau gg, past in de psychologie van de complottheorieën. Johan Anthierens (en dus Hugo Claus, want Anthierens zou nooit durven ingaan tegen Claus: bewondering kan ook een vernederende kant hebben) geeft Van den Broeck een sneer. In zijn introductie tot de fragmenten uit Het verdriet van België, vat hij de roman min of meer samen en hij noemt enkele namen: ‘Marnix de Puydt is, zoals Stijn Streuvels, Ernest Claes en Walter van den Broeck, een Vlaamse Kop, een eerbiedwaardig Kunstenaar met (liefst) baard en pijp en monkellach. En met thuis een altijd blijvende kenau.’ (p. 38). Dat belette Anthierens niet om zijn eigen boektitel een persiflage op die van Van den Broeck te laten zijn. (Het viermanschap, Gerard Walschap, Hugo Claus, Walter Van den Broeck, Tom Lanoye, ooit in de markt gezet, mag danig gerelativeerd worden.)

Anthierens schreef bij de dood van Boudewijn nog het boekje Tricolore tranen : Boudewijn en het augustusverdriet (Epo, 1993). Tja. Typisch Belgisch, dus Vlaams haast- en luiwerk.

‘het is mijn adem’ – voltairine de cleyre

Een dubbele klaroenstoot! Haar voornaam Voltairine is natuurlijk afgeleid van Voltaire, de Verlichtingsdenker, aan een meisje gegeven dat in Michigan (1866) geboren is. Haar ouders moeten dus vrijdenkers geweest zijn. Toch werd ze door haar vader naar een nonnenschool gestuurd – het effectiefste middel om van je dochter een atheïst te maken (en dat is ook gebeurd), maar misschien was de vader ook van gedacht veranderd. Haar familienaam is De Cleyre, Vlaams uit te spreken en dan hoor je Decleir, maar ook ‘de klare’ – , voor- en familienaam tweemaal licht. Haar vader was in West-Vlaanderen geboren, de familie stamde uit Frans-Vlaanderen. Een leven zoals dat van velen geweest is: hard, ontbering, verbittering, intelligentie die doelmatigheid ontzegd werd. Ze heeft Emma Goldman, een andere vrije socialist, vele malen terzijde gestaan, gevochten voor de vrijheid, niet alleen die met een hoofdletter geschreven, werd beschoten door een verwarde man, ze overleefde de aanslag maar de fysieke pijnen folterden haar lichaam en geest. In haar testament liet ze opnemen dat haar lichaam aan de wetenschap geschonken moest worden. Pamfletten heeft ze opgesteld en verspreid, onrecht geanalyseerd, poëzie geschreven, een vrije geest. ‘Out of the darkness’ (1893) is 1 van die aangrijpende gedichten die nooit vergeten kunnen worden. Ze begint met zichzelf te karakteriseren: gewoner dan gewoon en dus geen recht om te spreken – althans wat de maatschappij het volk oplegt. Het geklaag van het volk behoort niet tot de cultuur van de bourgeois. Het gezang is gehakkel, maar het is haar stotteren, haar adem, de adem van een mens die spreken moet, wil en zal. De dichotomie is gegeven: hier ik, daar de onderdrukkers.

Who am I? Only one of the commonest common people,
Only a worked-out body, a shriveled and withered soul,
What right have I to sing then? None; and I do not, I cannot.
Why ruin the rhythm and rhyme of the great world’s songs with moaning?
I know not—nor why whistles must shriek, wheels ceaselessly mutter;
Nor why all I touch turns to clanging and clashing and discord;
I know not;—I know only this,—I was born to this, live in it hourly,
Go round with it, hum with it, curse with it, would laugh with it, had it laughter;
It is my breath—and that breath goes outward from me in moaning.

De tweede strofe ontkent het metafysisch sprookje en pleit voor een filosofisch materialisme: dit leven is ons leven en dit willen we goed – maar deze wereld is er één van vuil en smerigheid, ze schetst die figuren die wij in een naturalistische roman kunnen lezen, maar voor haar werkelijkheid waren – zoals de gedegenereerde mens nu in overvloed en hygiëne leeft, zo leefde de gedegenereerde mens rond de eeuwwisseling in tekort en vuil, wat heeft dit alles te maken met een ‘beloning later’?

O you, up there, I have heard you; I am “God’s image defaced,”
“In heaven reward awaits me,” “hereafter I shall be perfect”;
Ages you’ve sung that song, but what is it to me, think you?
If you heard down here in the smoke and the smut, in the smear and the offal,
In the dust, in the mire, in the grime and in the slime, in the hideous darkness,
How the wheels turn your song into sounds of horror and loathing and cursing,
The offer of lust, the sneer of contempt and acceptance, thieves’ whispers,
The laugh of the gambler, the suicide’s gasp, the yell of the drunkard,
If you heard them down here you would cry, “The reward of such is damnation,”
If you heard them, I say, your song of “rewarded hereafter” would fail.

Heeft ze eerst zichzelf getekend, daarna het milieu van armoezaaiers, dan komt ze nu bij de ‘hoge cultuur’, de wetenschap, de boeken, de verklaringen en dat alles is slechts een verzameling leugens – de cultuur tégen het leven, de cultuur die het leven ontkent. Ha, De Mens is de kroon van de schepping, ah, hoe alles toch vernuftig in elkaar steekt en hoe er een teleologie aan gekleefd wordt – leugens, allemaal leugens. Niet de abstracte mens telt, maar ik, de concrete. (Jaren later zal dit hier weerklinken in het humanitair expressionisme van Wies Moens en aangevallen worden door Paul Van Ostaijen – maar om te verkeren.) Wat heeft het leven (de miserie) te maken met al die grote woorden en verklaringen, die doelmatigheden, die radertjes die de machine doen werken (maar niet de machine van die mensonterende arbeid)?

You, too, with your science, your titles, your books, and your long explanations
That tell me how I am come up out of the dust of the cycles,
Out of the sands of the sea, out of the unknown primeval forests,—
Out of the growth of the world have become the bud and the promise,
Out of the race of the beasts have arisen, proud and triumphant,—
You, if you knew how your words rumble round in the wheels of labor!
If you knew how my hammering heart beats, “Liar, liar, you lie!
Out of all buds of the earth we are most blasted and blighted!
What beast of all the beasts is not prouder and freer than we?”
You, too, who sing in high words of the glory of Man universal,
The beauty of sacrifice, debt of the future, the present immortal,
The glory of use, absorption by Death of the being in Being,
You, if you knew what jargon it makes, down here, would be quiet.

De vierde strofe, de vertwijfeling alleen te staan, niet gehoord te worden, te weten dat de poorten van het leven gesloten zijn. Wat is mijn betekenis, de betekenis van een gewone mens die zwoegt en afziet? Niets anders dan dit leven heb ik, en jij zult zingen? Die hele cultuur is dood, gebaseerd op lucht, die stelsels hersenspinsels, de vertelsels zinloos, lomp en levenloos. Het lichaam eist zijn rechten op, het recht op leven, lust en vrijheid.

Oh, is there no one to find or to speak a meaning to me,
To me as I am,—the hard, the ignorant, withered-souled worker?
To me upon whom God and Science alike have stamped “failure,”
To me who know nothing but labor, nothing but sweat, dirt, and sorrow,
To me whom you scorn and despise, you up there who sing while I moan?
To me as I am,—for me as I am—not dying but living;
Not my future, my present! my body, my needs, my desires! Is there no one,
In the midst of this rushing of phantoms—of Gods, of Science, of Logic,
Of Philosophy, Morals, Religion, Economy,—all this that helps not,
All these ghosts at whose altars you worship, these ponderous, marrowless Fictions,
Is there no one who thinks, is there nothing to help this dull moaning me?

de maat van magister nivardus (1)

Vroeger dan de Reinaert was er de Ysengrimus, al dan niet van Magister Nivardus, laten we hem toch als auteur houden, de mens is belangrijk, cultuur bestaat niet zonder het individu, structuurverklaringen zijn slechts structuurverklaringen, hebben nauwelijks een verklaringsgrond – al is ook dit ingegeven door een persoonlijke geschiedenis: het gelamenteer over het verleden, de anderen, de opvoeding, mama en papa, de geschiedenis, … al te veel gebruikt om geen eigen standpunt in te nemen, de lafheid van het intellect is ook daar te vinden.

Pater Van Mierlo, de jezuïet beëindigt zijn nawoord bij zijn tekstuitgave (Magister Nivardus’ Isengrimus : het vroegste dierenepos in de letterkunde der Nederlanden, 1946) met ‘Ten slotte wijs ik er met nadruk op, dat deze vertaling streng voorbehouden lectuur is.” – Magister Nivardus is, volgens de pater, al te pessimistisch en oneerlijk tegenover paus en Kerk, de Kerk heeft namelijk pronk en praal nodig om haar boodschap te verkondigen, en de dieren in het dierenepos zijn niet lovenswaardig, mogen niet nagevolgd worden. Veel is, zegt de pater, ‘monnikenlol’ en dus niet ernstig te nemen, overdreven moppengetap en kloosterlijk gebruik. Natuurlijk zijn wij daar niet mee akkoord, zo was Louis Paul Boon dat ook niet: magister Nivardus was een criticus van zijn tijd en omgeving, zoals Boon dat wilde zijn – de gelijkenissen bevestigden Boon’s pessimisme: alles blijft hetzelfde, een mens van goede wil kan zich beter terugtrekken in een reservaat/klooster. Is het epos van Nivardus een wild om zich heen schoppen, een scheldpartij ad hominem, een woede die alle kanten uitgaat of ligt aan de basis ervan een ethiek die ernstig genomen moet worden en heeft de magister zijn ernst ernstig blijven nemen?

Wat je zelf niet wilt, mag je een ander niet aandoen, deze kantiaanse stelregel wordt dikwijls als de grond van elk ethisch stelsel gezien – de ander wordt daarbij voorondersteld. De aristoteliaanse stelregel die zegt maat te houden is daarom een betere en een diepere grond: de ethiek begint bij het individu zelf, en kan reeds een rol spelen in de kindertijd, hoeft niet zoals bij Kant een regel van de volwassenheid te zijn. De maat, de middenweg, het evenwicht, niet te veel, niet te weinig, het genoeg, varianten van een bewuste, zichzelf respecterende levensweg. Deze regel lijkt terug te komen bij Thomas Piketty, Le capital au XXIe siècle, maar dat is niet zo: het begrip ‘gerechtigheid’ is (net zoals gelijkheid) een sentimenteel derivaat van de aristoteliaanse levensregel – het is zeer de vraag of ‘gelijkheid’ een op te leggen norm is, veeleer aanvaardt men verschillen zolang die redelijk zijn. Naast die sentimentalisering is er ook de technocratisering van de ethiek, die altijd optreedt bij introductie van nieuwe kennis: men verlegt de ethiek van de mens naar het (nieuwe) ding, de evolutie, de verandering – men besteedt de ethiek a.h.w. uit. Een typerend voorbeeld daarvan waren de machines in de 19de eeuw (de luddisten), de afkeer van de moderne maatschappij (Boon, Claus, Schierbeek, …) in het ‘atoomtijdperk’, het onbegrip over algoritmen nu, de nieuwe inzichten in de biologie – telkens weer wordt de ethiek verlegd naar het ‘niet-menselijke’, net alsof ethiek te vinden is in een computer of een weefgetouw. Een typevoorbeeld daarvan is Sigrid Sterckx die meent dat de abortuskwestie afhangt van het in leven kunnen houden van ‘iets’ buiten de baarmoeder – net alsof de ethische kwestie van menswaardig leven van geen tel meer is. Die technocratische ethiek valt steeds weer over nieuwe inzichten – wat als de materialisten die beweren dat materie bewustzijn inhoudt, gelijk hebben, zal de mens dan stoppen de aarde te bewerken, heeft de mens zich nu al niet genoeg neergelegd bij de heerschappij van het beest en het Beest? De oude theologische ethiek spookt nog steeds door de maatschappij: de mens is slecht en hij moet vernietigd worden – dat fascisme is in delen van de ‘ecologische’ beweging overgegaan – deep ecology als theologie, net zoals de cancel culture de oude erfzonde als wapen inzet, wat zelfs tegenover een ouderwetse ideologie als het nationalisme nog een verdere achteruitgang en verdomming is.

De ethiek van Nivardus is een deugdenethiek, weliswaar niet op geluk gericht, wel op overleving; een ethiek die ontmaskert: het woord ernstig neemt en dit toepast op de wereld. De ethiek van Nivardus is niet gericht op een doel dat ver in de toekomst gloort, is een ethiek van het nu, het moment, geen theorie – de ideologie van het doel wordt ontmaskerd als een onderdrukking en een leugen – tegelijkertijd wordt die macht aanvaard: de arme mens kan niet anders dan de Hooge Heeren aanvaarden, naar de mond praten. De machteloze kan echter sluw zijn, de woordideologie van de heersers tegen hen keren en dat is wat Nivardus doet: het woordgeweld gebruiken om te leven.

De honger, niets anders dan de honger drijft de mens. In de tijd dat dit epos geschreven werd, werd de bevolking door de abdijen en kloosters onder de knoet gehouden – nog steeds wordt onderwezen dat monniken de beschaving gebracht hebben, het land ontgonnen, de kennis verspreid – driewerf leugen. De katholieke ordes hebben de bevolking uitgezogen, de opbouw van de rijkdom onmogelijk gemaakt en de kennis uitgedoofd – de steden kwamen in opstand tegen deze privileges – later zullen de steden zelf verworden tot lege structuren (zoals nu de culturele instellingen als ideologische instrumenten ontmaskerd worden). Het is onduidelijk of Nivardus, die ofwel een monnik was in of rond de Sint-Pietersabdij van Gent, of iemand die als leek goed op de hoogte was, nog een gelovige kon zijn: als paus, bisschoppen, abten rechtstreeks door god verkozen werden, hoe kon men geloven in een god die zulk uitschot tot zijn dienaars koos – opvallend is ook dat Nivardus niet of nauwelijks over een hemel spreekt, over beloning of straf: zijn horizon is deze wereld (en de volgende maaltijd). Brechtiaans, met het gelijk aan zijn kant: de holle maag verdraagt geen moraal. Kwam Nivardus nu naar Gent terug, hij zou slechts hoeven knikken: alles is hetzelfde gebleven, de Sint-Pietersabdij nog steeds een centrum van onderdrukking en leugen.

Niet de mens is slecht, is de boodschap van Nivardus, reeds voorbij die oppervlakkigheid van goed en kwaad, wel dat de macht corrumpeert omdat de ethiek buiten de machtsuitoefening gehouden wordt – de macht is buitenmaats en daaronder lijdt het volk. De Ysengrimus toont twee zaken aan: de retorische kracht van de taal, het argumentatieve dat ingezet kan worden tégen de macht en het recht van de underdog om zich te verweren, dat recht staat gelijk aan sluwheid, intelligentie – Van Mierlo noemt dit ‘sofisterij’, in feite gaat het om ideologiekritiek. Nivardus gelooft niet in een maatschappelijke omwenteling, hij berust in het gegeven dat de rijken de wereld beheersen, maar dat belet de armen niet voor hun brood te vechten en dat belet ook niet dat de macht zich beheersen moet: de onmatigheid wordt aangeklaagd. Mutter Courage en Nivardus hebben veel met elkaar te maken – het gaat niet om het ‘bewuste proletariaat’, dat door het marxisme uitgevonden is, het gaat om het lompenproletariaat waartoe iedereen behoort die geen lid van het establishment is.

een dubbele mislukking

Belgische republikeinen : radicalen tussen twee revoluties 1830-1850, Els Witte (Blauw en Zwart Polleke, 2020), is, zoals we gewoon zijn van deze uitgeverij, verpakt als een kinderboek: de omslag slecht, hard, puntig karton, een foto daarop geplakt, de rug een uitsnede van het voorplat, slecht gebonden en gelijmd, het boek kan niet open liggen en ‘opgeblazen’ dikmakend. De typografie van het binnenwerk volgt de vormgeving van jeugdboeken, te ruim gezet. Bovenaan de pagina’s, ooit heeft men een boek in handen gehad en gedacht, ‘tiens, zo doet men dat’, staat links altijd ‘Belgische republikeinen’ (de hoofdtitel van het boek) – als je op pagina 241 aanbeland bent, weet je het wel, zou je kunnen denken, en bovenaan rechts staat de hoofdstuktitel, er zijn zes hoofdstukken. Dit heeft natuurlijk geen zin, de linkse hoofdtitel moet het hoofdstuk noemen, rechts het onderdeel. Het gebruik van kopregels heeft maar zin als het doordacht gebeurd is, als de organisatie van het boek intelligent is – wat hier uiteraard niet het geval kan zijn, gezien de uitgeverij. Er moet een duidelijk verband met het notenapparaat (dat hier uit eindnoten en niet uit voetnoten bestaat, de gemakzucht primeert) zijn, maar de noten worden per hoofdstuk geplaatst en genummerd, de hoofdstukken slechts genummerd en niet betiteld, in het notenapparaat wordt bovenaan als ‘sprekende hoofdregel’ enkel ‘Noten’ geplaatst. Er is dus geen duidelijk verband tussen de tekst zelf en de organisatie van de noten. Zie verder. Wat functioneel zou moeten zijn, is slechts decoratie. Het zetwerk werd verricht door ‘Intertext.be’ – de portfolio op hun website loopt tot 2018, het bureau zegt de websites van anderen te kunnen verzorgen en onderhouden, ‘Behalve de lay-out voor boeken verzorgen we ook websites die publicaties on line kunnen verrijken, voor auteurs of voor specifieke projecten.’ – het mag ook goedkoop zijn.

Het verhaal dat Els Witte tracht te vertellen, kan geresumeerd worden. In 1830 hadden de republikeinen een belangrijke stem, maar verloren ze hun strijd: de monarchie werd geïnstalleerd. Dat herhaalde zich in 1848: het aantal republikeinen was al uitgedund, de monarchie versterkte zich nog. De republikeinen hebben 2 maal op een cruciaal moment in de geschiedenis verloren en niet alleen verloren ze als partij of fractie, ook hun ideeëngoed raakte in de vergetelheid. (De republikeinen zijn door de liberalen verraden en later zullen de zogezegde socialisten zich bij dit verradersgebroed voegen.) Els Witte heeft wel heel veel pagina’s nodig om dit verhaal te vertellen, warrig is ze bovendien waardoor de pagina’s woekeren. De hoofdpersonages, en zo veel waren er niet, worden niet als mensen geschetst, hun ideeën worden wel getekend, maar de tekening beklijft niet, verloren in een overvloed, de onmacht grote lijnen te kunnen schetsen en die te larderen met sprekende voorbeelden, anekdotes. Haar werkwijze is eigenaardig. Hoofdstukken worden begonnen met ‘wetenschappelijke’ inzichten van anderen en dat ‘bewijst’ ze dan met haar verhaal – deze a priori-geschiedschrijving is weinig overtuigend, vooral omdat ze in haar verhaal zelf nog weinig met die theoretische schoolkennis doet en het er op lijkt dat ze deze Belgische geschiedenis in een keurslijf wil stoppen – terwijl het interessante natuurlijk de rafels zijn.

Haar boek had interessant kunnen zijn (nu is het een al te lang uitgesponnen artikel) indien Witte op een ideeënhistorische manier te werk gegaan was, wanneer de kracht en de zwakheid van de ideeën geanalyseerd werden en hoe die, op een of andere wijze, vanuit het verleden opduiken en een toekomst hebben – de federatieve republiek is bijvoorbeeld een idee dat vraagt om uitgewerkt te worden. Dat geldt ook voor de Poolse kwestie. De ene keer vermeldt ze dat de radicalen te weinig Duits kenden om door het marxisme (dat toen nog geen marxisme was) beïnvloed te zijn, een andere keer zijn ze dan wel in staat Duits te lezen (p. 282). ‘Marx en zijn vriend Friedrich Engels’ (p. 244) – nogal denigrerend. Noot nummer 189 op p. 274 (ik geef slechts één voorbeeld) verwijst naar een werk van Karl Marx, maar in de noot is er geen sprake van het oorspronkelijke werk. Veel wordt ‘over over’ geraadpleegd.

Het boek is moeilijk, in sommige delen, nauwelijks te lezen: de redactie heeft alweer liggen slapen. De auteur dankt Harold Polis (‘een lange en vruchtbare samenwerkingstraditie’) en Katrien De Loose ‘voor hun steun en voor hun inzet om een verzorgd uitgegeven boek tot stand te brengen.’. Er is nauwelijks een pagina te vinden waar je geen vraagtekens bij moet plaatsen. Een historisch werk als dit is een wij-zij-verhaal: de republikeinen tegenover de conservatieven (nu even terzijde gelaten de vele tendensen en de ruzies onderling): het is dus belangrijk te weten over wie de auteur het heeft: maar wat in de ene zin ‘zij’ is, is dat in de volgende zin niet meer, de onderwerpen wandelen de logica uit. De zinnen zijn als tennisspelslagen: links, rechts, links, links, links, rechts : de lezer moet maar volgen. Er is een volstrekt onduidelijk gebruik van  het woord echter, dat normaal een tegenwerpende gedachte moet bevatten, bij Witte is dit niet zo.

We nemen een willekeurige pagina: 163. ‘De radicalen zijn immers van heel veel duistere ontwikkelingen bijzonder goed op de hoogte en Gendebien in het bijzonder.’ Gendebien is bijzonder bijzonder. Maar over wat? Was wat volgt op ‘en’ niet beter uitgewerkt?, dan konden we weten waarom dat zo was. Op pagina 164: ‘Een leidersfiguur als Gendebien heeft het onderspit moeten delven, maar hij veert snel weer op en hij is geenszins de enige die zich niet gewonnen heeft.’ – het opveren is in deze context al te plastisch, dit is een voorbeeld hoe de taal in dit boek gebruikt wordt: stijlfiguurtjes naast de betekenis gezet: men kan beeldende taal gebruiken maar de uitdrukkingen moeten dan wel passend zijn, hier is het precies alsof men van een andere taal naar het Nederlands gaat, of omgekeerd: het lijkt op Nederlands, maar het idioom wordt niet begrepen.
De taal wordt versluierend gebruikt om niet concreet te moeten zijn: ‘Meerdere bisschoppen nemen de touwtjes in handen, zodat clerus en katholieke adel meer invloed krijgen.’ (165) – welke touwtjes, hoe is dit gebeurd, op basis van welke documenten kan dit gezegd worden? Of neem, op diezelfde bladzijde, de raadselachtige rekenkunde: ‘De radicalen zetelen bijna allen in de Kamer en aangezien die slechts 102 leden telt, onder wie ook afwezigen, kunnen ze er het machtsspel spelen waarover we het zo-even hadden.’ Het verwijzen naar andere plaatsen in het boek komt geregeld voor: zoals we gezien hebben, zoals we zullen zien, maar nooit wordt naar de desbetreffende bladzijde verwezen – dat heen en weer tennissen is een uiting van  het niet beheersen van de materie: het heen en weer drentelen is het niet strak kunnen vertellen van een verhaal dat toch vooral chronologisch verteld zou kunnen zijn en dit wordt veroorzaakt door de constructie van het boek: de sokkel ontbreekt. De lezer moet maar zelf aanvullen of corrigeren. Op pagina 321: ‘Zo wordt het bekende refrein van ‘Et cependant je suis républicain’ steeds toegejuicht […].’ – nee, het lied is ‘Le républicain’ van Louis Voitelain, ‘Et cependant …’ is een regel die terugkomt, het lied is zo bekend volgens Witte dat de tekst niet is terug te vinden en de noot over de bron geen duidelijkheid verschaft.

De noten zijn een ramp, zoals we al gezegd hebben, het apparaat zelf is bijzonder ingewikkeld samengesteld, men zou vanaf de eerste noot moeten lezen én kunnen onthouden om de verwijzingen te kunnen ontcijferen (doordat de koptitels in de leestekst niet het hoofdstuknummer dragen en het notenapparaat als boventitel ‘noten’ draagt, is er geen evidente concordantie tussen tekst en noten, de lezer moet eerst terugbladeren om te weten welk hoofdstuk hij aan het lezen is, daarna moet hij ergens in het notenapparaat duiken en dan maar hopen dat hij niet te lang moet zoeken, ondertussen is hij het nummer van de noot vergeten, gaat hij weer naar de tekst, vindt hij dan uiteindelijk de noot, moet hij de bibliografische verwijzing ontcijferen, soms zijn er drie referenties, welke hij moet kiezen, is onduidelijk, hij begint te twijfelen aan zichzelf, en weet ook niet meer goed wat de oorspronkelijke passage was, hij gaat terug naar de tekst, leest en denkt het zal voor een andere keer zijn).

We weten dat de Belgen bergbeklimmers zijn, maar je moet een werk als dit lezen om te weten dat ook ‘verenigingen’ dat zijn: ‘Een paar Belgische clubs klimmen op tot voor de revolutionaire gebeurtenissen van 1848.’ (p. 313). En zelfs hervormingen doen dat: ‘De belastinghervormingen klimmen eveneens op tot de jaren 1830.’ (p. 324).
Daarentegen kan het ook naar beneden gaan: ‘De plotse daling van de grondstof veroorzaakt massale werkloosheid.’ (240).
Maar het buitenland dan!: ‘In mei 1849 gaat het Frankfurter parlement zienderogen achteruit […].’ (p. 332)
Frankrijk: ‘De recente Franse voorbeelden spelen uiteraard nog een indringender rol.’ (p. 317).
Welke verbeelding? Dat moet de lezer maar raden: ‘De leden leggen hem [de eed] plechtig af en vooral de sancties die op verraad staan spreken tot de verbeelding.’ (p. 319).
Er zijn ook de niet aangename insinuaties: ‘Deprez kan naar Frankrijk ontsnappen samen met een Etterbeekse weduwe, […].’ (328): niet alleen een vrouw uit Etterbeek, dan ook nog een weduwe, de conclusie moet zijn: afkeuren, zie Die lustige Witwe.
Datzelfde kan gezegd worden over het werkwoordgebruik: Jakob Kats ‘predikt’. En dan soms nog in een verkeerde zin ook: ‘Het prediken tegen de dronkenschap neemt in de meeting dan ook een aanvang.’ (216).
Symptomatisch is dat Witte wel dingen zegt maar ze niet uitlegt: ze spreekt over Kats’ ‘republikeinse deugd’ maar ontzegt ons de inhoud ervan.
Logica? De gevangenis van Hoei was een bijzonder akelig oord, door de macht werd daarmee gedreigd, sommige republikeinen werden daar inderdaad opgesloten, er is dus terechte angst, maar de angst voor die repressie moet gelegd worden bij diegenen die nog niet gevangen gezet zijn, niet aan de gevangenen van Hoei: ‘De angst voor de repressie werkt zonder meer. Niet enkel bij degenen die in Hoei in de meest miserabele omstandigheden opgesloten zitten, maar ook bij wie eraan ontsnapt is.’ (337).
Gelukkig weten wij wat een lekenstaat is, in het andere geval is Els Witte, zacht gezegd, onduidelijk: ‘We weten immers dat, met uitzondering van de katholieke democraten, alle republikeinen overtuigde verdedigers van de lekenstaat zijn, onttrokken aan de controle van de Kerk.’ (235) – wie of wat is onttrokken? De zin is nogal een statement, vergelijkbaar met ‘we weten dat vleeseters vlees eten’.

De auteur heeft de merkwaardige gewoonte om eerst de eindzin te formuleren en daarna gegevens of ‘de feiten’ te vermelden, om dan te besluiten met een andere zelfde eindzin, op die manier wordt veel geschreven maar weinig gedacht of vooruitgang geboekt. Soms spreekt de auteur zich tegen: ‘Op ideologisch vlak vindt er dus ontegensprekelijk een ruk naar links plaats.’ (p. 325) en op p. 326: ‘[…], maar de ruk naar links komt er niet.’ – de verwarring ontstaat omdat Witte niet een duidelijk onderscheid kan en wil maken tussen ideologie en politieke daden – terwijl ideologie ook een daad is en er tussen handelen en denken een verband is.  Het manco van de vaderlandse geschiedenis: de kracht van de ideeën. Wat het manco van het boek ook is en daarbij te veel historische feiten en gegevens opgestapeld, geen theoretisch kader en geen krachtlijnen – vertellen staat niet gelijk aan wetenschap, de droge feiten verdrinken in een zee van overvloed, er is nauwelijks samenhang (‘ondertussen’ gebeurde x of y), het onderwerp is als natte zeep die aan de handen van Els Witte is ontsnapt, krampachtig poogt ze die te grijpen, daar gebeurt een pauselijk ongeval.

‘Kortom [sic], verwarring alom.’ (p. 221)

een geletterd leven – de u

De u-vorm weten te gebruiken, zoals Louis-Ferdinand Céline het vousvoyeren.

(gehuchten vluchten,
kluchten luchten,
vruchten zuchten
– duchten geruchten?)

augustus, augustus (2)

Ჰ Kunstdecadentie. “What I Buy & Why: Collector Beth Rudin DeWoody on How She’s Satisfying Her Art-Buying Addiction During Lockdown” (Artnet)

Ჰ In een tijd dat er alleen maar jeugd lijkt te zijn, is de jeugd zelf onbestaande.

Ჰ Voor de kust van Mauritius is (en niet dreigt) er een milieuramp. Sigrid Spruyt wil dat de overheid haar toelaat in openlucht te zwemmen. Het ene en het andere.

Ჰ Herman Van Goethem, de rector van de Antwerpse Universiteit, moest natuurlijk in actie komen. Het Vlaamse moet verdedigd worden – een Antwerpse traditie – en dus schrijft hij een artikel om de Reuzegom-kwestie ‘te kaderen’, de titel van zijn artikel in De Standaard van 14 augustus 2020 luidt: ‘Goede dopen kunnen heel waardevol zijn’ – automatisch kwam in mijn gedachten ‘Goede verkrachtingen kunnen deugd doen’ op – een analogie maakt de misdaad duidelijk.

In dat artikel, zogezegd beheerst en evenwichtig, spreekt Van Goethem ook over zichzelf zichzelf prijzend, het werk dat hij deed voor het Memoriaal Kazerne Dossin. Om het fascisme en de jodenvervolging te duiden, schrijft hij, wordt de bezoeker een ‘introductiefilm’ getoond: ‘We tonen een leerlingengroep die een wat zwaarlijvige jongen pest. Dat zo’n pestgedrag soms fataal afloopt, weten we. De geweldstructuur van allen tegen één, met dodelijke afloop, vertoont gelijkenissen met lynchpartijen op zwarten in de Verenigde Staten.’ – om de Joden niet te moeten noemen en om enigszins hedendaags te willen zijn. Het pesten van een jongen of een meisje heeft niets te maken met lynchpartijen op zwarten (die overigens zelden ‘allen’ tegen één waren), noch met het fascisme, heeft alles te maken met het opdringen van een individueel schuldgevoel: zo’n film is een ideologisch instrument en geeft géén inzichten in het ontstaan en de werking van fascisme of racisme. Van Goethem denkt misschien dat Joodse of zwarte kinderen geen Joodse of zwarte kinderen pesten. Laten we vergelijken: is een kinderzonde gelijk aan een doodzonde, of leidt een kinderzonde naar een doodzonde? Natuurlijk niet. Van Goethem, zoals een rechtse ideoloog past, verwart kinder- en menselijk gedrag (dat nu eenmaal niet altijd lieftallig is, dit beseffen staat niet gelijk aan goedkeuren), zoals pesten en plagen, met een doelbewust opgezet politiek en economisch systeem dat structuren uitbouwt om een onderdrukkingsmachine op gang te trekken en in stand te houden. Het fascisme begint niet op de speelplaats, het fascisme is een uitgebouwd systeem. (Het plagen en pesten is een fase in de kinderpsychologie, daarom kan Bart De Wever ‘het kind van Antwerpen’ genoemd worden: hij is niet verder dan die pestfase geraakt). Het simplisme van de historicus is geschiedvervalsing en een religieus benaderen van de werkelijkheid.

Dat simplisme toont zich ook in het onbegrip van de Vlaamse historicus: dat mensen (beulen en slachtoffers) hun leven konden hervatten (de een al gemakkelijker dan de ander) is juist daardoor te vatten: het systeem overweldigde de psychologie en eens het politiek, economisch, sociaal, propagandistisch, cultureel-ideologisch systeem min of meer verdwenen was, kon men dat buiten zichzelf plaatsen – omdat het systeem niet tot de mens zelf behoorde – daarmee is niet gezegd dat het fascisme buiten het menselijke stond, wel dat het essentialisme ook in deze een verkeerde denkwijze is: de context bepaalt, niet de essentie. De ontkenning is niet alleen een zelfbescherming maar is ook reëel: het fascisme is een gedegenereerd systeem en heeft met het menselijke niets te maken.

Dat rechts-ideologisch godsdienstige toont zich ook in een uitspraak van Van Goethem als ‘Mensen hebben nood aan verbindende rituelen’ – wie geen nood heeft, is een onmens, een beest – althans volgens Van Goethem (maar welke rituelen zijn er dan? het doopsel : de introductie op de wereld ? (en alle atheïsten zijn dan onmensen); de eerste, plechtige communie, het lentefeest : de introductie in de volwassenenwereld?; het huwelijk, dat kleinburgerlijk contract? laat ons niet lachen) en je weet nu al wat zijn stelling is: studentendopen zijn tof, maar er was een uitzondering, nl. Reuzegom, jammer, jammer, maar dat heeft niets te maken met het fenomeen zelf. Van Goethem gaat dan verder op een pseudo-antropologische manier om de studentendopen als een initiatierite te beschouwen – en al die studenten die het verstand hebben om niet tot een studentenvereniging toe te treden zijn dan geen volwaardige mens – althans volgens de ultrarechtse rector van de UA – het past dan ook in zijn ideologie dat hij het ongepast vindt dat de ledenlijst van Reuzegom openbaar gemaakt wordt. En blijkbaar hebben jonge gasten die niet naar de universiteit gaan geen nood aan rituelen – zoals het de rechtse ideoloog past: ‘arbeiders zijn beesten’.

Niet alleen verdedigt Van Goethem de reactionaire universiteit, ook het netwerk waarin zo’n instelling functioneert (de rangen van de macht sluiten zich). Hij verdedigt de instelling en het establishment door Reuzegom als een uitzondering voor te stellen (terwijl Reuzegom aan het establishment gelijk is), het probleem wordt geïsoleerd en de historicus weigert de structuren te bevragen die dit alles mogelijk maken én nodig hebben. Verwijzen naar ‘het eeuwenoude’ is ongepast: men dient de hedendaagse context te zien en te begrijpen. Datzelfde deed en doet Mama Reuzegom, Cathy Berx, door haar zoon Joachim Meeussen als een potentieel slachtoffer voor te stellen, terwijl hij natuurlijk een toevallig afwezige dader is – dat de zoon een klacht ingediend heeft tegen De Morgen is in de rechtse strategie een gewoonte: wie niet buigt en zwijgt, moet gestraft worden – daarvoor dienen juist studentenverenigingen als Reuzegom.

Als rector verdedigt Van Goethem de moraliteit van de universiteit door te verwijzen naar een ‘doopcharter’ dat door de universiteit min of meer opgelegd wordt (maar ook maar halvelings: indien men het charter niet wil ondertekenen, wordt men niet ‘erkend’), dat is er al sinds 2009, dus wast de rector zijn handen in onschuld: we hebben al veel gedaan. Nochtans heeft dit charter (ook niet dat van Leuven) de dood van Sanda Dia (en alle vernederingen en meer die we niet kennen van andere studentenverenigingen) niet belet – wat is zo’n beleid dan waard?
Om te besluiten haalt Van Goethem zijn onderpastoorsmentaliteit boven: ‘Want de groep is een rijkdom: we halen kracht uit de anderen, alleen staan we nergens.’ – en een studentenvereniging is dus een groep en dus goed – de logica van de rector is niet altijd te volgen, is een ideologie en maakt misbruik van het menselijke: niet omdat er groepen zijn, moeten individuen onderdrukt en vernederd worden – het individu staat niet nergens, dat is de ideologie van het reactionaire, het individu kan nee zeggen en binnen de Kritische Filosofie weegt het nee zwaarder dan het ja van de jaknikker.

Ჰ Hoho, niet zo snel, leven we nu in een post-revolutionaire periode? Zoals in elke revolutie werden de voorbije maanden heel wat petities rondgestuurd, brieven opgesteld, manifesten bedacht, de toekomst beloofd, zo ook Caroline Pauwels die, samen met Wivina Demeester, in een ‘open brief’ ‘corona een uniek moment voor de transitie naar ecowelvaart’ noemde, we lagen werkelijk achterover: dat is niet wat Marx bedoelde met zijn filosofie van het handelen, deze petitie was ook geen rationele manier van handelen en al zeker geen verstandige: zo wordt de publieke ruimte uitgehold: meningen hier, meningen daar, leegte overal.

Ჰ In het nieuwe nummer van Verslagen & Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren is een artikel over Hugo Claus verschenen, “De anatomische les van Hugo Claus : hermeneutiek van het lichaam in de roman Belladonna (1994)” door Jos Van Thienen. De opdracht van het zogezegde Hugo Clauscentrum is om informatie over Hugo Claus te verspreiden – wat doet dat centrum, buiten slapen? Op de Facebookpagina wordt geen melding van dit artikel gemaakt, nochtans is voor dit centrum Facebook een ‘geëigend medium om hedendaags te zijn’. Alles wat buiten het centrum valt, doodzwijgen: egotripperij voorgesteld als wetenschap. Als een centrum nog niet het minimale kan doen, d.i. een geactualiseerde bibliografie bijhouden, wat heeft dit voor zin? Het zogenaamde studiecentrum bestaat enkel om zichzelf te prijzen en in stand te houden. Welke deontologische commissie heeft de Universiteit van Antwerpen? Zie Herman Van Goethem.

Ჰ Zoek de denkfout:
– Taallink 742 : “In de toekomst krijgen we wellicht vaker te maken met hittegolven, periodes van droogte en zware regenval. Een klimaattuin, ook wel natuurtuin of ecotuin genoemd, is een tuin die is aangepast aan die extreme weersomstandigheden. Een klimaattuin heeft zo weinig mogelijk verharding en zo veel mogelijk groen. De voorkeur gaat uit naar inheemse planten, die goed zijn aangepast aan de lokale leefomstandigheden en bodem.”
– “Mijn conclusie is dat genreschilders vertellers zijn geweest en daarom heb ik geprobeerd hun verhalen te ontcijferen en na te vertellen.”
Lyckle de Vries in zijn voorwoord tot Verhalen uit kamer, keuken en kroeg : het Hollande genre van de zeventiende eeuw als vertellende schilderkunst (AUP, 2005)

Ჰ Toen was het kanonnenvlees, later werd het stemvee en winkelwaar, nu stalvee.

Ჰ De goedgelovigen geloven in complottheorieën.
De goedgelovigen geloven in de expertenklap.
De goedgelovigen zijn de kuddebeesten van Moeder Reuzegom, Cathy Berx (‘Is het lastig? Dan nog een week erbij.’ – Bij Reuzegom ‘Te veel visolie? Dan nog een fles erbij.’ – opvoeding is alles – er bestaan nog gelijkenissen die niet in de Bijbel staan; ‘de cijfers evolueren gunstig maar gunstigheid past niet in ons kraam’), die al te graag zich laten vernederen.

Ჰ Nieuwe creativiteit: iets over jezelf uitvinden waardoor je een minderheidsgroepering wordt, aandacht trekken door veel te lijden en pijn te hebben, daardoor in het centrum van de belangstelling komen te staan en zorgen dat je in de zon van anderen gaat staan – het défaut als trofee.

Ჰ Dat de cancel culture zo hevig woedt in de culturele wereld, zegt dat iets over de intellectuele zwakheid van die cultuur of van die culturele wereld – zo gelijk aan wat ooit ‘de sociale sector’ was (die later ondergronds ging, maar bleef bestaan, en het verwoestende werk verder zette – de vreemdelingen werden nu het slachtoffer van die religieuze domheden)?  En hoeveel gelijkenissen zijn er niet met de terreur die Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir op het intellectuele leven uitgeoefend hebben? Twee schrijvers, Louis Paul Boon en Hugo Claus, hebben, elk op hun eigen manier, de vrijheid verdedigd. En is de verwijzing naar het stalinisme zo ongewoon? Nu links niet meer links is en links niet langer links kan bekampen, richt pseudo-links zich op de vrijheid, de gelijkheid was altijd maar om te lachen en links is dus rechts geworden.

Ჰ ‘Trump heeft het presidentschap nooit serieus genomen’, zegt Obama. De tactiek van de Democraten is Trump persoonlijk aan te vallen, net alsof alle kwalen van de VS aan deze president te wijten zijn, terwijl de Amerikaanse politiek al decennia geleden de draai genomen hebben: een ongebreideld kapitalisme dat door de bende van Clinton verder gezet werd door het financiële kapitalisme vrij spel te geven; het zich afwenden van de wereld en terugplooien op zichzelf, wat door Obama is verder gezet; de laffe buitenlandse politiek van het wapen waarvoor Hillary Clinton model staat; de afbraak van openbaar onderwijs én gezondheidszorg – dit laatste zowel door Clinton als Obama niet goed op poten gezet en daardoor gemakkelijk afbreekbaar; de minimumlonen die onder het minimum liggen, was ook voor Obama geen zorg: de kritiek op de persoon Trump richten, is intellectueel zwak én onjuist – de Democraten hebben geen visie op de goede samenleving, een partij in dienst van een ander grootkapitaal – ziedaar De la démocratie en Amérique. En met Joe Biden hebben de Democraten een presidentskandidaat waarvan ze nu al aannemen dat hij het einde van zijn mandaat niet zal halen.

Ჰ En toen je de miljardair Joe Biden hoorde zeggen ‘We, the people’, moest je schuddebuikend schaterlachen. Daarna daalde een immense droefheid over je neer.

Ჰ Dus de Roma in Borgerhout, het evenementenbureau van de SP.A en De Lijn, sluit de deuren tot begin 2021, ‘het is niet meer haalbaar’ – financieel bedoelt men dat. Blijkbaar is ‘het verbinden’ – het codewoord in de subsidie-aanvragen – niet langer noodzakelijk, laat staan belangrijk. Zij die verbonden moesten worden, moeten dan toch niet verbonden worden.

Ჰ De slimmerik die als eerste gezegd heeft dat men ‘verklarende bordjes’ bij standbeelden moet plaatsen. Maar waarom altijd zo negatief, altijd slechte dingen vertellen? We moeten positief zijn! Enthousiast moeten we de massa maken! Daarom positief en negatief, peper en zout:
‘Voor deze stenen zijn vrijdenkers vermoord, boeken verbrand, onschuldigen verkracht en kunstenaars de nek omgewrongen’ bij kerken.
Bij gerechtsgebouwen ‘Hier spreken de Hooge Heeren hun recht uit’.
Bij het MAS, ‘Dit gebouw werd op zelfmoorden gebouwd.’
Bij het ouderlijk huis van Heleen Debeuckelaere: ‘Hier groeide ze op in luxe en weelde, zeker van de macht, het personeel aan haar voeten.’
Bij De Waalse Krook: ‘Volgens de onderbibliothecaris en de architecten is dit gebouw ‘als een boek’. Wie anders beweert, wordt met de dood bedreigd.’
Op het perron van het Dampoortstation: ‘Hier zette de heilige Wouter Hillaert een gouden voet op de grond.’

Ჰ Werkwoorden (en uitdrukkingen) kunnen plots een ander gezicht krijgen en de betekenis ervan nog hardvochtiger wordt. Zoals deze.
‘Bart De Wever in 2020 door Georges-Louis Bouchez afgetroefd.’
Of : ‘Bart De Wever, het kind van Antwerpen, werd in de zomer van 2020 in de hoek gezet.’
‘Bart De Wever zag zich plots in de zomer van 2020 tegenover de centrum-rechtse stroming staan. Een koekje van eigen deeg.’
‘Bart De Wever uitgespeeld.’
(Gedenk echter: het vel en de beer)

Ჰ  Wíj hebben de vreemde niet nodig. Wij zíjn de vreemde.

Ჰ Was Robbe De Hert een groot filmmaker of een Vlaamse filmmaker? Was Robbe De Hert naar zijn taal te horen een linkse universalist of een rechtse particularist? Was Robbe De Hert een hedendaags filmer of konden zijn films ook 50 jaar geleden gemaakt zijn? Was Robbe De Hert te veel artiest of te veel aankondiger? Merkwaardig teken des tijds – zijn affiliatie met de trotskisten is men vergeten (zijn ex-partner Ida Dequeecker blijft echter gelovig: voor haar is de islamistische hoofddoek het wapen van de vrouwenemancipatie).

Ჰ Het Canson-papier wordt in Frankrijk geproduceerd, de tekenmappen worden in China geassembleerd, anders gezegd ‘verpakt’, daarna terug naar West-Europa vervoerd en hier verkocht.

tout va bien, jordy

Op 7 augustus 2020 bericht De Standaard dat de Buffalo’s van KAA Gent hun nieuwe shirts aan de fans hebben voorgesteld, fans die daar natuurlijk popelend op zaten te wachten en nu heerlijk verheugd zijn.
Tout va bien
, Jordy.

In de design- en architectuurwereld is een nieuw begrip opgedoken, ‘cosy cabins’, gezellig, klein, mensen hebben niet veel nodig, natuurlijk te midden van de natuur en enkel bedoeld voor mensen die geen problemen met hun tanden hebben, hun nagels knippen en met 2 woorden spreken. Zo iets als een tent, maar dan duurder, groter, modieuzer, meer in het oog springend.
Tout va bien
, Jordy.

Ook de Standard-fans zijn zeer tevreden. De ‘sterke man’ achter het ‘farma’bedrijf Mithra, een mededader van Marc Coucke, heeft de helft van de aandelen van de voetbalclub overgenomen, dit wil zeggen, hij heeft veel te veel geld en die morst hij nu aan het voetbal. Standard is, zolang er te veel misdaadgeld circuleert, niet failliet.
Tout va bien
, Jordy.

Rudy Coddens, de Gentse schepen van wanbeleid, een combinatie van het foefelen van Daniël Termont en de achterbaksheid van Martine De Regge, heeft tijdens de coronacrisis de daklozen een pasje gegeven. Dat konden ze tonen aan de politie-agenten die hen anders zouden dwingen niet op een bankje te verpozen, ze zouden elkaar kunnen besmetten. Tot zover het sociale beleid van de sociaal-fascist Rudy Coddens. Daarna presenteerde hij zichzelf als de redder van de daklozen, hadden ze niet zo’n briefje dan moesten ze 250 euro boete betalen.
Tout va très bien
, Jordy.

De Gentse OCMW-centra wilde men doen besparen, dat zou de stadskas 10 miljoen euro opleveren. Groen en SP.A zijn sociaal en dus bespaarde men op de lonen van het zorgend personeel.
Tout va bien
, Jordy.

De Gentse bibliotheek heeft jaren lang verkondigd dat ze een sociale politiek heeft, de cultuur daarvoor in de vuilnisbak geworpen, maar dit jaar kon dit ‘echt niet meer’ ‘op bevel van de overheid’ werd de dienstverlening stopgezet– hoe mensen met een laag inkomen dan nog moeten communiceren, was en is de bibliotheek geen probleem; dat die mensen geen wifi meer hadden, was de bibliotheek geen probleem – al die jaren werd de sociale politiek maar ingezet om iets te zeggen. De sociale politiek, laat staan een culturele politiek, is maar om te lachen. Ook studenten waren niet meer welkom: het personeel moest nu in de ‘leeszaal’ werken – de bureaus  staan te dicht bij elkaar (zelfs zonder corona wist men dat: toch jammer dat er nog mensen moeten bestaan, waarom kan er daar niet gewoon een geld schijtende ezel staan?).
Tout va bien
, Jordy.

De Stad Gent besliste om 775.000 euro aan bevriende communicatiebureaus te betalen om wat reclame te maken rond lage-emissiezones en ‘minder vlees eten’ (het verband is: de ideologie van de leugen en de schijn) – dat er in de stad nog steeds mensen zijn die geen eten hebben en geen cultuur krijgen, is daar niet geweten, het stadsbestuur én de gemeenteraadsleden én de politieke partijen kennen geen moraal. De doden zijn soms beter af dan de levenden.
Tout va bien, Jordy.

Nog elke dag kun je ze ’s morgens in de stad zien arriveren. De vrouwen tussen hun pooiers getooid in hun gewatteerde vesten, draaiend met hun schouders, hooghartig neerblikkend op het vuil van de straat. Dan, met een knik van het hoofd, tonen ze de vrouw op het trottoir plaats te nemen, de pooiers gaan wat verder staan, doen alsof ze de gevels in de straat bewonderen, als ze zien dat de vrouw nederig het hoofd buigt en dat ze daar voor de rest van de dag zal blijven, gaan de pooiers weg, zeker van hun zaak, beschermd door de macht van de stad.
Tout va bien, Jordy.

Er was kabaal in de Brugse Poort: er waren plots vreemde drugsdealers, de vertrouwde kent men en laat men gerust – de boso’s (bourgeois-socialisten) trekken graag aan een stickie – de eigen drugsdealers worden niet aangepakt, de slachtoffers behoren niet tot de klasse van ‘hulpverleners’ en Hooge Heeren.
Tout va bien, Jordy.

27 augustus 2016, een jongen, Jordy B., sterft van honger en dorst in zijn tent op het recreatiedomein Bourgoyen te Gent. Een toevallige voorbijganger hoorde de hond van de jongen huilen. Oh, hoe de socialen en de sociale sector op hun borst klopten, hun haren uittrokken, dure eden afgelegd hebben, samen gezongen en plannen gesmeed – en niets is veranderd, nog steeds wordt op jongens en meisjes gejaagd, worden kinderen aan hun lot overgelaten, maakt men mensen niet sterk maar houdt men ze in de greep van de afhankelijkheid, want nog steeds zorgt de sociale sector, die tewerkstellingsmachine van de lage middenklasse, voor zichzelf. Nog steeds worden drugsoorlogen uitgevochten en nog steeds weet de macht hoe drugs het leven van zwakkeren nog ellendiger maken. Het kan hen allemaal niets schelen. Zij zorgen voor zichzelf.
Tout va bien
, Jordy.

anti-hannah arendt

Over Strelnikov, een misdadiger in (dienst van) het politieke systeem, een volkscommissaris:

“Hij had me tegen moeten staan. We zijn door plaatsen gekomen die hij heeft verwoest en afgestraft. Ik verwachtte een nietsontziende ijzervreter te ontmoeten, of een revolutionaire, maniakale bruut, en trof geen van beide aan. Het is goed als iemand niet aan je verwachtingen beantwoordt, als hij afwijkt van het beeld dat je je eerder van hem hebt gevormd. Als iemand tot een bepaald type behoort, dan betekent dat zijn einde, zijn veroordeling. Als je hem nergens onder kunt scharen, als hij geen exponent van iets is, dan is al de helft van wat hij moet zijn aanwezig. Dan is hij vrij van zichzelf, heeft hij een sprankje onsterfelijkheid gewonnen. […] De eigenmachtige revolutionairen zijn niet als booswichten zo verschrikkelijk, maar als stuurloze mechanismen, als ontspoorde machines. […] Het punt is, Larisa Fjodorovna, dat alles zijn grenzen heeft. In al die tijd had er iets bereikt moeten zijn. Maar voor de inspiratoren van de revolutie blijkt de chaos van alle veranderingen en omgooiingen hun enige natuurlijke habitat te zijn, en voor alles wat niet het kaliber van de wereldbol heeft, halen ze hun neus op. […] En weet u waar dat gedoe van die eeuwige voorbereidingen vandaan komt? Uit het ontbreken van duidelijke, kant-en-klare capaciteiten, uit talentloosheid. Een mens wordt geboren om te leven, niet om zich op het leven voor te bereiden.”

Boris Pasternak, Dokter Zjivago, vertaald door Aai Prins, 2016, p. 355-356