sfcdt

Tag: bibliofilie

nederland leest, of beursvreugde

Paradiso, Amsterdam, de Beurs van bijzondere uitgevers.

12.00 uur, België maakt zich op om de Nederlandse leesgretigheid te pareren.

– Is dit allemaal poëzie mijnheer ?
. Ja.
– Ik lees geen poëzie.

– Schone boeken.
(Koopt niet)

13.00 uur, 1 boek verkocht.

– Geeft u geen korting?
. De boeken zijn al kort, mevrouw.

(Veel mannen met dikke buiken, grijze vrouwen)

– U komt uit Gent?
. Ja.
– Hoe is de woningmarkt daar ?

14.00 uur, 2 boeken verkocht.

– Bent u de dichter ?
. Nee.
– Oh.

– Hoi
.

15.00 uur, 3 boeken verkocht.

– Op die tafel daar hebben ze mooie boeken.

– Ik zou wel een boek willen kopen, maar ik kan niet kiezen.
(Koopt geen boek)

– Zijn dat allemaal schrijvers ?
. Ja.
– Met boeken ?

– Vroeger las ik veel boeken.

– (Overschouwt de tafel) Ik begrijp hier uit dat u geen kookboeken uitgeeft ?

16.00 uur, een bakje troost zou welkom zijn.

bij druksel nieuwe gedichten van b. zwaal, de dichter die het water doet stilstaan

Drie jaar nadat in 2019 Zeesnede : gedichten 1984-2019, de verzamelde gedichten van B. Zwaal, verscheen, komt nu bij Druksel Zilverbesmeten uit.
De dichter van het vlietende water, de bouwmeester van gedichten als architecturale bouwstukken, de zanger van het lichamelijke, de speelman van de bedwongen hartstocht.

100 genummerde en 26 geletterde exemplaren, alle gesigneerd door de dichter.
24 blz., 13 x 19 cm, lettertype Antigone, Bio Top 90g, schutbladen Ursus transparentpapier goldgelb, cahiersteek, 20 euro

Druksel is aanwezig op de Beurs van Bijzondere Uitgevers, Paradiso, Amsterdam, zondag 27 november, 12.00 uur tot 16.00 uur.

jozef cantré, de lezende tekenaar (22) – een ander (3) – blanche van parys

Aurélia, Gérard de Nerval, Les Editions Lumière, 1946, orné de 24 dessins de Blanche Van Parys.

Blanche Van Parys ? Nooit van gehoord, een zoektocht levert nauwelijks iets op, al zal er wel iets te vinden zijn, bijvoorbeeld dat ze zorgde voor de kostumering in de films L’amour, madame (1951) en Maxime (1958). Zoveel boekillustratoren zijn met naam naamloos gebleven, verdwenen in de trog van de onverschilligheid. Drouot heeft van haar (?) een schilderij « Place des Vosges » uit 1981 in een veiling opgenomen, echter ook weer in ‘de Franse stijl’, het versmallen van silhouetten. Voor Lumière heeft Van Parys ook nog, Le courage de ses actes van Denis Marion, geïllustreerd (collection La Flèche d’or), 1945. Is ze nu Belgisch of Frans ? Mooi is dat haar familienaam Nederlands is en toch Frans.

De eerste reeks van uitgeverij Lumière, dus onder leiding van Roger Avermaete, was bekend om haar illustraties, de uitgever heeft de houtsnede-illustraties sterk bevorderd, ook Jozef Cantré is aan het werk gezet. De tweede reeks Lumière, als onderdeel van Uitgeverij A. Manteau en met directeur P.G. Van Hecke, ging op dezelfde weg verder : de eerste jaren na de oorlog deed men nog veel zoals vóór de oorlog, een boekcultuur waarin het boek een cultuurproduct was, een samenkomen van richtingen en kunsten, niet commercieel zoals in de late jaren 50, gericht op de massa, wel commercieel, gericht op een gegoed koperspubliek dat oog had voor het boek als esthetisch object en daarvoor in de buidel wist te tasten.

Aurélia was het tweede boek (en tevens laatste, de buidel was niet erg gewillig) in de reeks Le rêve et la vie, maar eigenlijk had dit, althans naar de titel te oordelen, het eerste boek moeten zijn, dan als een programma – de droom en het leven, het surrealisme, het occultisme, het antirationele en antimaatschappelijke. De eerste zin van de roman luidt « Le rêve est une seconde vie. », de droom is voor De Nerval (1808-1855) een verhevigde vorm van leven, daar is de ware kennis te vinden, de mystieke waarheid is niet in de materiële wereld te zoeken. In het eerste hoofdstuk van het tweede deel : « Lorsque l’âme flotte incertaine entre la vie et le rêve, entre le désordre de l’esprit et le retour de la froide réflexion, c’est dans la pensée religieuse qu’on doit chercher des secours ; […]. » (p. 86) en op pagina 140 wordt de traditionele scheiding « entre la mort et la vie » opgeroepen, waarbij voor De Nerval de dood niet het definitieve einde is maar een zielsbestaan, de droom is de mogelijkheid om al tijdens het leven contact te hebben met ‘het andere’.

Het merkwaardige en aantrekkelijke van dit boek is dat De Nerval geen overspannen literatuur schrijft, er zijn expliciete verwijzingen naar de klassieke cultuur (Apelles, Lucretius, Herakleitos, Platoon) en de Westeuropese (vooral Dante), maar dat eerder op een klinisch-rationele-wetenschappelijke manier doet, zijn hallucinaties, zijn waanzinaanvallen worden objectief weergegeven, wat hij gezien heeft, schrijft hij op een koele, afstandelijke manier neer, het waarheidsgehalte lijkt daarmee te stijgen. De Nerval is zich bewust van de eigen ambiguïteit : al stoot hij de materialistische filosofie af (hij vermeldt Lucretius, p. 85), hij beseft dat ook hij (en zijn generatie) daardoor beïnvloed is – een familielid zegt hem dat voor hem de zon de god is – De Nerval kiest natuurlijk voor het duister van de godsdienst, tegen de Verlichting in. Het boek heeft op de surrealisten een sterke invloed uitgeoefend, het belang van de droom en het antirationele. Het model, de zieke die een verslag van zijn eigen ziekte neerschrijft, is bepalend geweest voor de nouveau roman, Samuel Beckett, Hugo Claus (De verwondering).

De illustraties die Blanche Van Parys voor dit boek gemaakt heeft, zijn verbluffend en bijna is het onmogelijk te begrijpen hoe ze ook in die Franse, braaf-karikaturale stijl heeft kunnen werken. Al vanaf de eerste prent

wordt de lezer geconfronteerd met een andere wereld, er zijn brokstukken van de materiële aanwezig maar in een dusdanige constellatie dat het geheel vreemd is. De kolommen op deze prent doen direct denken aan Unica Zürn, een gedetailleerd gepriegel, een minutieus opbouwen van een prent, maar in het centrum hebben we een wirwar van vormen die aan mineralen, rotsen doen denken maar toch een volledige zelfstandigheid behouden, een onafhankelijk gevaar. Deze prent komt nog vóór de tekst te staan, al onmiddellijk staan we midden de tekst, de tweede zin van het boek wordt hier haast letterlijk ‘vertaald’, in beeld weergegeven : « Je n’ai pu percer sans frémir ces portes d’ivoire ou de corne qui nous séparent du monde invisible. ». De tekenaar is ook hier een aandachtige lezer.

De prenten lijken met Oostindische inkt getekend te zijn, soms wordt de inkt weggeschraapt (prent 2, golven),

soms wordt de inkt met water aangelengd waardoor er ‘vlekken’ ontstaan,

een enkele maal een monotype die verdubbeld wordt.

Soms is het de toeschouwer die een verband legt, hier Marcel Duchamp’s Rrose Sélavy, er zijn overigens nog prenten waar het voyeurisme (door het sleutelgat) een rol te spelen krijgt, zoals bij Dante en De Nerval is het kijken essentieel, wat gezien kan worden, is.

De hele sfeer van het boek baadt aldus in een somber, pessimistisch surrealisme waar de mens niet de mens van de Verlichting en het kennen is maar een natuurvorm, verwanten zijn hier Max Ernst, André Masson, cultureel staat Frankrijk (de republiek) tegenover het Teutoonse woud (het heidendom). Er is, wanneer er figuratie bij komt kijken, echter ook een vrouwelijk surrealisme te zien, Alice Frey, Marie Laurencin, Leonor Fini, kunstenaars die in hun tijd (altijd mannelijk) hoog geprezen werden maar door de farizeïsche, preutse feministen in de verdomhoek gegooid werden. Die figuren lopen dan verloren in die zwarte, neerdrukkende wereld, ze lijken nietig te zijn, onbewogen, frêle, de stijl van ‘natuurbeelden’ tegenover die van de personages onoverbrugbaar en daardoor des te vreemder.

Aurélia werd tweemaal in het Nederlands vertaald, een eerste maal door Menno Wigman, een tweede keer door Hannie Vermeer-Pardoen en geïllustreerd door Peter van Hugten – als we dit prutswerk (steeds weer de nadruk op het figuurtje in plaats van op de inhoud) vergelijken met dat van Van Parys dan is de rommel van Van Hugten inderdaad prutswerk.

De droomwereld die Blanche Van Parys oproept is onmiskenbaar die van het surrealisme, als Jozef Cantré ‘De droom’ uitbeeldde, was dit het expressionisme.

jozef cantré, de lezende tekenaar (21c) – achilles mussche

Koraal van den dood, Achilles Mussche, 1938

Nee, proletarische poëzie schreef Mussche niet, wel een schoonschrijverij dat zeer burgerlijk aandeed, larmoyant eveneens – de vrouw van de dichter was de dood nabij en de bundel is o.a. van die precaire situatie een neerslag. De bundel bevat daarnaast een aantal gedichten ‘naar’, dus niet zozeer vertaald maar toch wel als model, Emile Verhaeren, « La pluie » en « Les complaintes », ‘naar Verlaine’, schrijft Mussche onder het gedicht ‘Wijsje’ en geeft geen titel, het is « Il pleure dans mon coeur ».

Er is veel weemoed, de jeugd die verloren gaat, het lichaam dat veroudert, de vrienden van weleer, duistering en huivering, roes en rozen – veel vervoering eveneens, de burgerlijke ziel die geroerd is – nochtans (Achilles Mussche 1896-1974) :
Vladimir Vladimirovitsj Majakovski 1893-1930
Velimir Chlebnikov 1885-1922
Max Jacob 1876-1944
Tristan Tzara 1896-1963.

Weer een ‘bewijs’ dat de sociaal-democratie niet een socialisme wilde zijn maar een burgerlijkheid, de burgerlijke poëzie als model, de moraal en de esthetica, de braafheid en de sulheid. Er is één gedicht dat min of meer aan Richard Minne doet denken, maar toch geen eigenheid bezit, geen eigen beeld creëert, een moedeloosheid toont:

Eens droomden wij van een zoetzwijmend rijm
om als een dauw te leggen op ’t woord bloesem :
wij vonden maar dit bitter, oud geheim :
van allen wijn blijft niets dan droeve droesem.

Of dit een geheim is, mag betwijfeld worden – die Gentse ’t Fonteintje-mentaliteit heeft nogal wat andere dichters eveneens al dan niet letterlijk de mond gesnoerd (in het bier gesmoord) en het verstand op nul gezet. Emoties zijn al te verleidelijk.

Mussche was ook niet helemaal onbesproken. Hij was een mandarijn en gemakzuchtig. In het blad Kunst – Opbouwen van januari 1931 verscheen van een zekere Arminius het artikel ‘Achilles Mussche als kritikus’ waarin nogal overtuigend wordt aangetoond hoe hij bij de bespreking van Raymond Brulez’ André Terval meer dan leentjebuur gespeeld heeft bij Marnix Gijsen en An. Liederijs, gedachten en zinsneden al te gemakkelijk gekopieerd heeft, zelfs niet veel moeite gedaan om te variëren. De dubbele titel Kunst – Opbouwen duidt op het samengaan van beide tijdschriften, Opbouwen was een architectuurtijdschrift ; Kunst het blad van Galerie Vyncke, Nederkouter Gent, daar heeft Roger Raveel tentoongesteld en Hugo Claus daarover geschreven. Het omslagbeeld van het tijdschriftnummer was van Leo Marfurt,

de advertenties zijn modernistischer dan de inhoud van het blad Kunst – en toch: dit blad (en de galerie) stond open voor oude en moderne kunst, de verschillende kunsten werden besproken, er was een ‘algemeen klimaat’, er werd geschreven over filosofie, muziek, volkskunst, … Als illustratie twee reclamepagina’s (uit Kunst juli 1932 en KunstOpbouwen januari 1931) van dezelfde firma

Op het omslag van Koraal van den dood (koraal is hier geen begrip uit de zoölogie, maar een muziekterm, een eenvoudig lied dus) prijkt van Jozef Cantré (en zelfs zo’n kleine bij-tekening is door hem gesigneerd) misschien een blad hulst, misschien een bloem, daarbij een tuiniersmes.

Op de titelpagina hetzelfde motief, maar nu duidelijker met tak en bladeren, het zal een roos zijn en daarachter een doodshoofd, zwarte romantiek. De titel en auteursnaam zijn beide in het zwart gedrukt, het binnenwerk rood voor de titels en de toevoegingen (‘Naar Verlaine’ – kleiner gedrukt), zwart voor de gedichten zelf). De afdeling ‘Aan mijn vrouw’ toont een sater (staart en wilde haren)

die op een grote fluit, bijna een piano, speelt, de witte lijnen lijken vuur te zijn, het hellespel – dood en poëzie in één beeld samengebracht maar niet zeer delicaat terughoudend gedacht en verbeeld – wat denkt de vrouw ?.

De boekvormgever en typograaf Jozef Cantré weet met ruimte om te gaan, is gul in het bedelen van ruimtelijkheid, ademtocht – de bundel oogt exclusief, niet alleen door het formaat (16,5 x 24,5), veel meer door de bladschikking zelf – het gevoel van luxe is het meer geven dan nodig is. Drie kwatrijnen worden op 3 afzonderlijke pagina’s geplaatst, de reekstitel eveneens op één bladzijde en daartussen een lege pagina – de luxe die lucht geeft.

Het colofon vermeldt (de spatiëring tussen ‘den’ en ‘Dood’ is te smal) : ‘Dit Koraal van den Dood werd uit de fijne Egmont-letter op simili-Japansch papier in 1938 gedrukt in de werkplaatsen van de Stedelijke Jongensberoepsschool te Gent met de medewerking van Jozef Cantré, die het omslag ontwierp en de houtsneden maakte. Er werden 300 genummerde exemplaren getrokken, waarvan 60 voor de Vrienden van het Vlaamsche Boek te Gent.’ Over die ‘Vrienden’ weet ik niets.

Al wordt hier enkel over omslag en houtsneden gesproken, ik ga er toch van uit dat de typograaf Cantré aan het werk geweest is, vermits ‘in het verleden’ de boekvormgever slechts uiterst zelden vermeld werd, wordt dit ook hier niet gedaan – alle kenmerken van Cantré’s vormgeving zijn aanwezig.

Interessant is de samenwerking met de beroepsschool – zo werden nog andere boeken gemaakt, een traditie die verloren gegaan is omwille van economische preutsheid en culturele domheid. Stel u voor dat een leerling van de beroepsschool, op het einde van het jaar, de tentoonstelling der jongenswerken, aan zijn ouders en andere familieleden trots kan zeggen dat hij het boek van die beroemde Gentse dichter gezet en gedrukt heeft, althans meegeholpen – dat leerlingen van de beroepsschool met cultuur in aanmerking konden komen, nu trekt men grote ogen open, dat dat kan ! Nu zal men natuurlijk zeggen dat dit kinderarbeid is en dat er op de goedkope rug van kinderen geld verdiend wordt, enzovoort – hoe meer ‘werkelijkheidsonderricht gegeven wordt, hoe verder het onderwijs van de werkelijkheid is komen te staan.

het hinkelspel van claude rutault

Een voorbeeld van het boekoeuvre van Claude Rutault is Le jeu de la peinture sur une grille de marelle 2009-1971, een kunstenaarsboek door Bernard Chauveau in 2009 uitgegeven op 290 exemplaren, 30 exemplaren bevatten een unieke interventie, een door de maker ‘opgelegde’ handeling die door de liefhebber uitgevoerd moet worden – de dertig exemplaren samen maken een volledig bewegend werk, daarmee de beweging, de kinetische kunst in de boekcultuur brengend. Dit aspect van het oeuvre is nauwelijks gekend, terwijl Rutault al heel vroeg in zijn carrière aandacht aan de begeleidende teksten gaf, de teksten bepalen en maken immers zijn werk. De uitnodigingen, de brochures, de catalogi zijn allemaal tot stand gekomen onder zijn supervisie of werden door hemzelf uitgegeven.

Toch ontbreekt dat werk in overzichtsuitgaven:
Papiergesänge : Buchkunst im zwanzigsten Jahrhundert : Künstlerbücher, Malerbücher und Pressendrucke aus den Sammlungen der Bayerischen Staatsbibliothek München, Béatrice Hernad und Karin v. Maur, 1992 : niets
A century of artists books, Riva Castleman, 1994 : niets
Esthétique du livre d’artiste 1960-1980, Anne Moeglin-Delcroix, 1997 : niets
Artists’ books in the modern era 1870-2000 : The Reva and David Logan collection of illustrated books, Robert Flynn Johnson, 2001 : niets.

Een zwarte schuifdoos bevat een zwart boek, in feite een farde, op de voorzijde in blinddruk ‘claude rutault’, daarin 15 losse katernen, sommige bestaande uit één vel papier, in tweeën geplooid, andere bevatten meerdere bladen, de Franse wijze, niet gebonden, maar géén handgeschept papier, industrieel, toegevoegd is een vorm als een hinkelspel, hetzelfde papier. Het eerste katern bevat een tekst van Marie-Hélène Breuil (1962-2016), daarna een « exposition/méthode » van Claude Rutault zelf. Het boek is, naast livre d’artiste, ook een hernemen van vroeger werk én een documenteren ervan. Aan de oorsprong van de reeks marelles werden bladen papier geverfd in een grijze kleur die de trottoirtegels in herinnering moesten brengen (het werk is dus wel degelijk referentieel), maar tegelijkertijd ook zelfstandig bestonden. In de loop van de tijd werden de ‘hinkelspelen’ – althans de vorm – gewijzigd, soms kwam er kleur bij, soms werd het geheel gedeconstrueerd, in stukken gesneden en opnieuw geplaatst, als een wanorde die een orde was, de elementen werden niet alleen een bouwsteen, bestonden tevens op zichzelf – zoals het canvas op een raam op zichzelf kan bestaan, verscheidene canvassen op elkaar gestapeld een eigen werkelijkheid hebben.

Doorheen het boek zijn lijnen getrokken, de blauwe lijn verbeeldt de lucht, de bruine, de aarde – men zou zelfs van het hinkelspel een metafoor voor het leven kunnen maken, een leven dat zich afspeelt tussen hemel en aarde, een springen en een vallen, een verticaliteit en een horizontaliteit – het spel als een kans, als een mislukking, de vrolijkheid van het kind, de spelregels als de volwassenwording. Eens het spel bewust bekeken, kan het geanalyseerd worden en is de simpelheid verdwenen, worden de getrokken lijnen een dwingendheid, want ze bestaan in die vorm. Bij Rutault worden de schilderijen dikwijls op de grond of op tafel gelegd – de muur wordt de grond (in België staat het werk van Willy De Sauter dicht bij dat van Rutault) en het schilderij wordt in dezelfde kleur geschilderd als muur of grond. Belangrijk hierbij is dat het perspectief niet in het werk begrepen is, dat de vorm ‘leeg’ is, er is geen binnen en buiten, er zijn lijnen en de lijnen die binnen het boek aanwezig zijn, zijn toevallig deze, er hadden andere vormen opgenomen kunnen worden – er is een spel dat de liefhebber zelf kan spelen, op die manier is het werk nooit gesloten, de mogelijkheden liggen binnen het werk besloten maar wat is, had ook anders kunnen zijn – de vrijheid is altijd formele vrijheid.

het opgemerkte – nathalie quintane

Bij Nathalie Quintane geen heldendom, het dagelijkse leven van gewone mensen staat centraal, er is een aandacht voor het kleine, het onooglijke, een min of meer typische Franse zienswijze, geworteld in de idee van het terroir, overgebracht naar een stedelijke en culturele omgeving. Er is een verband met de Franse film die, in haar zienswaardige producten, dat gewone leven op een sympathiserende manier kan weergeven, de Amerikaanse film als ideologie daartegen en films als die van Ken Loach als sentimentele kitsch, even ideologisch en nietszeggend als de Amerikaanse film. Die ‘Franse aandacht’ is een poëtische en vindt in het politieke een weerslag, les gilets jaunes, of de provincie tegen de centrale staatsmacht, het leven gaat voor op de hoge woorden.

Remarques van Quintane is zo’n voorbeeld, er is niets spectaculairs, er is geen verhaal, het gaat over een bepaalde manier van leven, dus observeren, een bewust zijn van de dingen rondom ons, ook van de reacties op elkaar, de dingen, de mensen, de wereld, om het religieus te zeggen, er is een heiliging van het dagelijkse waardoor vreugde kan ontstaan, een benoemen in taal als het maken van een eigen wereld, zichzelf een plaats geven als een ding – ook dat is de grootsheid van Quintane, volledig aanwezig in haar boeken maar niet op een sentimentele manier, een hoogst intelligente analytische blik, de beschouwende levenswijze.

In 2015 verscheen in een vertaling van Kiki Coumans, Opmerkingen, een vertaling van Remarques (1997), situeren we een gevoeligheid in de tijd dan heeft het Nederlandstalige publiek 18 jaar achterstand. De uitgeverij was Studio MMMV, de voorloper van uitgeverij Vleugels, toen Marc Vleugels nog in zijn H.N. Werkman-periode zat

en de boeken met iets meer liefde gemaakt lijken te zijn dan de productie vandaag, de omslagen daarvan zijn dan weer op de Russische, constructivistische typografie geïnspireerd. Volgens de uitgever 100 exemplaren en nog niet uitverkocht.

Drie delen: ‘In de auto’, ‘Huis’ en het derde deel titelloos, maar had ‘Lichaam’ getiteld kunnen zijn. Een opeenvolging van los staande zinnen, opmerkingen die observaties zijn, een stilstaan bij de dingen, een verwondering hoe alles functioneert – de boeken vibreren van levens- en wetenslust. Lijkt dit weinig, dit is minimalistisch en daarom getuigend van een volheid, een spinozistisch in de wereld staan, een literair criticus die inspiratieloos is, zou zeggen dat dit de kinderlijke blik is, terwijl het een meer dan volwassen blik is. (Die echter nu verboden wordt, het onderscheidingsvermogen is ideologisch verdacht gemaakt, dus ook de analytische kritiek.) De zinnen zijn waarheid, wittgensteiniaanse bevestigingen van de wereld en haar feiten. Niet alleen het geheel, ook elke zin apart is een wereld van het algemeen-menselijke, wat soms instinctief gebeurt, we leven en we letten niet op, wordt door Nathalie Quintane als een archeoloog bovengehaald en getoond, bewust gemaakt, zoals een onnozele scherf uit een leemlaag afgeborsteld wordt en, niettegenstaande het een scherf blijft, een geheel wordt, een pijl naar een ding, een ding dat gebruikt werd door een mens, een mens in een huis, een huis in een ruimte, de ruimte in de tijd, de tijd die voorbijgaat.

‘Om een hinderlijk stofje uit mijn oog te krijgen, hoef ik alleen maar een beetje te huilen.’
‘Wanneer ik loop, verdwijnt altijd een van mijn voeten achter me.’

Banaal?, welnee, de bevestiging van de wereld en hoe die functioneert, roept een blijheid op, en is daarmee een weten – het bewustzijn is een gevoel. In de Nederlandse literatuur staat K. Schippers in deze Franse traditie, een speelsheid, een sprankelend kijken en weten. Het is precies een objectiverende, wetenschappelijke manier van kijken en weergeven die de poëzie krachtig maakt, het leven menswaardig.


Het eerste deel van Opmerkingen was al eerder vertaald door Jan H. Mysjkin en door Zegwerk in Gent uitgegeven, In de auto (2000), een oplage van 30 met de hand genummerde exemplaren, oblong-formaat, de omslag iets asfaltachtigs en elke zin op een aparte bladzijde, daartussen tekeningen van Didier Van de Steene, althans dat zegt het colofon, in werkelijkheid werden de tekeningen door de vormgever verknipt, kapot gemaakt, geterroriseerd – ook de cultuur kent vernietigingsdrift, de tekenaar was daar niet gelukkig mee, in sommige tekeningen zie je toch nog een sprankel van het geheel, een auto, een weg, een tunnel, dit boekje een voorbeeld van hoe bibliofiele uitgaven in de afgrond kunnen vallen, weliswaar kan een goed idee aan de grondslag liggen, de uitwerking en het geheel maken van het boek te veel een stuk speelgoed, om naar te kijken, niet te functioneren in een boekcultuur maar daarnaast te staan als een exoot, zelfs niet als marginalia.

Hoe eenvoudig de zinnen van Nathalie Quintane, enkelvoudige observaties, geïsoleerde details, ook lijken, de vertalingen lijken soms niet op elkaar en het vertalerswerk lijkt wel simpel te zijn, niet simpel is, waarbij het kernprobleem de verbeelding is, de realiteit kan maar beschreven worden met betoverde woorden.  Enkele voorbeelden :

Quintane : Plus je monte ma vitre, plus le moteur couvre le bruit du vent.
Mysjkin : Hoe hoger ik het portierraam opdraai, hoe meer het geluid van de wind door de motor wordt overstemd.
Coumans : Hoe verder ik mijn raampje dichtdraai, hoe meer de motor het geluid van  de wind overneemt.

Quintane : Je rétrograde, ma voiture saute un peu, et je saute un peu avec elle : c’était un dos d’âne.
Mysjkin : Ik schakel terug, mijn auto wipt een slagje, en ik wip een slagje mee : het was een kuiltje in de weg.
Coumans : Ik schakel terug, mijn auto maakt een sprongetje, en ik maak ook een sprongetje : het was een verkeersdrempel.

Quintane : Derrière le pare-brise, dans le vide au-dessus la boîte à gants, du chocolat a fondu sur un stylo-bille et des tickets d’autoroute.
Mysjkin : Achter de voorruit, in het gat boven het handschoenkastje, is chocola gesmolten op een balpen en kaartjes van de autotolweg.
Coumans : Onder de voorruit, in de lege ruimte boven het handschoenenvakje, liggen een balpen en een paar bonnetjes van de tolweg met gesmolten chocola erop.

Quintane: Quand le coffre s’ouvre, il emporte ma main avec lui.
Mysjkin : Wanneer ik de kofferbak open, neemt die mijn hand mee.
Coumans : Als de achterbak opengaat, neemt hij mijn hand mee.
(Hier zien we duidelijk hoe Coumans trouwer vertaalt en trouwer is aan de wereld van Quintane, Mysjkin wil normaliseren.)

Quintane : A soixante kilomètres heure, je passe devant un monument. J’ai pu lire MI GLORIEU. [Mémorial aux glorieux ?]
Mysjkin : Tegen zestig kilometer per uur rijd ik een monument voorbij. Ik kon nog net OMRIJKE HE lezen. [Roemrijke helden ?]
Coumans : Met zestig kilometer per uur rijd ik langs een monument. Ik kan nog net lezen ROEMRIJ VRIE. [Roemrijke … verdienste ?]

Quintane : Parfois, un dos d’âne inattendu coupe une phrase en plein milieu.
Mysjkin : Soms wordt een zin knal in het midden afgebroken door een onverwachte kuil in de weg.
Coumans : Soms breekt een onverwachte verkeersdrempel een zin in het midden af.
(Een dos d’âne is inderdaad een lichte verhoging van  het wegdek, een verkeersdrempel dus, geen diepte.)

Quintane : Quand les chiffres et les lettres d’une plaque d’immatriculation rapetissent, c’est qu’une voiture s’éloigne.
Mysjkin : Wanneer de cijfers en letters van een nummerplaat kleiner worden, dan omdat zich een auto verwijdert.
Coumans : Als de cijfers en letters van een nummerbord kleiner worden, rijdt die auto van me weg.

Moeten we punten geven of een rangorde bepalen ? Dan op de eerste plaats Nathalie Quintane, gevolgd door Kiki Coumans en Jan H. Mysjkin, rijdt geen auto, hijgend daarna.

een nieuwe druksel-uitgave : ‘suffisant lecteur’ van tonnus oosterhoff

Het colofon van Suffisant lecteur vermeldt dat de bundel ‘verzamelingen van kwatrijnen’ bevat. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het niet altijd om ‘verzamelingen’ gaat en eigenlijk ook niet altijd om kwatrijnen – maar wel natuurlijk, de wereld van Tonnus Oosterhoff in het achterhoofd houdende, naar de geest.

Een kwatrijn bestaat uit vier regels en is een afgerond geheel, dikwijls een levenswijsheid bevattend, soms een spitse opmerking, als een punt een eigen wereld. In de Nederlandse literatuur is het woordspel tussen Adriaan Roland Holst en Simon Vestdijk een voorbeeld van een scherpzinnig, vinnig gevecht. Geen strijd maar een gesprek is wat Tonnus Oosterhoff met de lezer aanvat.

Suffisant lecteur verscheen bij Druksel op 126 exemplaren, 100 genummerde voor de handel en 26 geletterde gereserveerd voor de uitgeverij, alle door de auteur gesigneerd. De bundel werd gezet uit de Daytona, het papier Bio Top 90g, gedrukt door Graphius te Gent. Het boek meet 16 op 22 cm, recto verso gedrukt, [52] p. en kost 20 euro (daarbij komen verzendingskosten).

Meer op Druksel.

spraak – nathalie sarraute

Het werk van Nathalie Sarraute, en daarmee is er ook een gelijkenis met dat van Samuel Beckett en Claude Simon, laat de stem horen – niet de ‘spoken word’ is dit van vandaag, dat slechts een vlucht is voor het vastgelegde, een culturele lafheid voor het rationele standpunt, een sentimenteel ophitsen van de massa, een zwak navolgen van podiumartiesten, een amechtig naroepen van het nijlpaard – de stem van Sarraute is de spraak van de taal – en deze woorden mogen niet heideggeriaans metafysisch begrepen worden.

Nemen we een voorbeeld aan het toneelstuk Pour un oui ou pour un non, 1982. Vier personages, waarvan 2 minder belangrijke. Er zijn 2 mannen, aangeduid als H1 en H2, een koppel komt na een korte tijd op scène, als een getuige, aangeduid als F1 en H3 – er is geen voorgeschiedenis, geen ‘plot’, wat er zal gebeuren weten we niet, er is nauwelijks een handeling op het toneel te zien, een uur lang praten mensen (zijn mensen zonder naam mensen ?) met elkaar, dat het gaat om 3 mannen en 1 vrouw is daarbij ook onbelangrijk, wat gezegd wordt is niet gebonden. En wàt wordt er gezegd?, ook dat nauwelijks merkbaar.

Dit toneelstuk, dat perfect als een luisterspel zou kunnen opgevoerd worden, werd, na de Franse uitgave, door de Finse uitgeverij Eurographica in 1989 uitgegeven, in een zogezegd bibliofiele uitvoering in een oplage van 350 exemplaren. Gedrukt in Italië, alle uitgaven gelijkvormig, het formaat regulier, een te harde rug, het papier pseudo-bibliofiel, d.i. te zwaar, aan de bovenzijde ‘gescheurd’. De uitgeverij bestaat niet meer, was vooral in de jaren tachtig actief, werd geleid door Rolando Pieraccini, een Italiaanse kunstenaar en veeldoener die in Finland leefde en daar (o.a.)  de Italiaanse kunst ‘propageerde’, zijn uitgeverij had een ideëel doel: via cultuur landen bij elkaar brengen. Of dat geslaagd is mag u zelf beoordelen, de dag waarop in Europa alweer een imperialistische oorlog is uitgebroken. De boeken verschenen in beperkte oplage en werden op de titelpagina door de auteur gesigneerd.

« Pour un oui ou pour un non » is een Franse uitdrukking en betekent ‘voor iets van niets’ en gaat naar de kern van Sarraute’s artistieke werk waar het onuitgesprokene centraal staat. De schrijver gebruikt eenvoudige taal, neem een doorsnede en je denkt met spreektaal te maken te hebben, er is weinig ‘literairs’ aan, onopgesmukt, kaal, gesneden, Assimil-taal. Maar van die ogenschijnlijk banale, nietszeggende woorden komt een dreiging, wat betekent een spatie?, een ‘denigrerende’ toon?, een compliment waaronder een adder verborgen zit?, woorden zijn nooit zo maar woorden, maar bergen een wereld in zich, verbergen wat de auteur niet gezegd krijgt en wat de toehoorder vanuit zijn eigen wereld verstaat. Men interpreteert en die interpretatie is het nieuwe merkteken van de wereld.

Dat verkeerd begrijpen van elkaar is een dagdagelijkse bezigheid voor sommigen, wordt, wanneer men het mechanisme in werking ziet, lachwekkend of als het dat niet mag zijn dan toch meewarig bekeken of kom, monkelend aanschouwd. Een spatie te veel, tussen 2 woorden een seconde te veel, iets waar men geen waarde aan moet hechten, zet toch een heel mechanisme in gang – die zucht, die leegte, brengt andere herinneringen in beweging en doet sensaties ontstaan, van een mug wordt een olifant gemaakt en wat een goede vriendschappelijke relatie tussen 2 mannen was, blijkt een slagveld te zijn van overwinningen en nederlagen – twee soorten mens komen tegenover elkaar te staan: de succesvolle en de niet-geslaagde, de krekel en de mier, de brave burger en de mopperaar > de zekerheid en het beweeglijke. Wat voor de een onbelangrijk is, is voor de ander een aanslag, de een lacht de bezwaren van de ander weg en maakt aldus de situatie voor de ander nog erger maar bewijst ook diens gelijk. Men komt in elkaar gewrongen te zitten en de woorden zelf beginnen een lijn te trekken – het zijn de woorden die de werkelijkheid maken, maken niet de verbinding maar zijn het onbegrip zelf – Sarraute laat in het midden wie gelijk heeft (gelijkhebberij is in dit oeuvre niet aan de orde). Wat niet gezegd kan worden, moet gezegd worden.

voorbij

Als een voorbeeld, uit de vele, een catalogus, La chasse à l’objet du désir, een verzameling teksten en prenten rond het hedendaagse surrealisme, uitgeven door Editions Sonámbula ut Montréal in 2014, met kunstenaars wier naam niet of nauwelijks gekend is in het officiële circuit en dus ook niet bij het publiek, hoe klein dan ook, maar ongezien werk betekent niet noodzakelijk onbelangrijk werk, toch een bewijs dat het surrealisme ondergronds leeft en wel is. De tentoonstelling en het boek kwamen er op initiatief van ‘Liaison surréaliste à Montréal’ – een groep kunstenaars die het vuur wakker houdt en aanwakkert – niet alleen artistiek ook politiek.

De mens wordt gewoonlijk gedefinieerd als lichaam en denken, een eenheid samen. Het surrealisme breidt dit uit, in een andere betekenis, vervangt dit, met de verbeelding – niet de realiteit moet gedacht en weergegeven worden maar voorbij het werkelijke moet geleefd. De wereld is een kluister, de surrealistische verbeelding betovert die wereld en maakt die anders – niet alleen op een fantasierijke, individuele manier, maar ook gaat het om de bevrijding van iedereen uit de ketenen van de systemen, economisch, moreel, artistiek, politiek.

Van Empedokles wordt gezegd dat hij stierf in de krater van de vulkaan, wat te bewijzen? Dat de dood niet bestaat? Andere verhalen over hem werden ook de wereld ingestuurd, veel weten we niet en wat we denken te weten, is niet zo relevant. Wel is daar zijn filosofie. Er zijn krachten, creatie en destructie, die inwerken op de wereld en de mens, de elementen (water, lucht, aarde en vuur), er is steeds transformatie aanwezig, de mens kan zich vervolmaken – met wil kan men zijn denken verbinden met de alchemisten en de surrealisten.

Dat deed Laurens Vancrevel in zijn dichtbundel Waartoe : een gedicht (Druksel, 2011), de schutbladen waren niet voor niets goudkleurig. De dichter is een wijze, hij moet niet alleen kennis hebben, ook kennis verzamelen, hij heeft de weg alleen te gaan, er zijn geestes- en liefdesgenoten maar elk heeft tegenover zichzelf verantwoording af te leggen. De titel van de bundel verwijst naar de levensvraag van Hölderlin, is gebouwd op de structuur van het denken van Empedokles (het motto luidt: ‘Ooit vloeit het al uit liefde samen in het ene’) en omvat de natuur en de mens, de beweging zoals het leven is. Zo schrijft Vancrevel op het einde van het tweede deel ‘De aarde’ (de andere delen zijn: De adem, De bronnen, De vlammen en als een synthese: Het al in het ene) :

Dag en nacht ga ik voort
over het weidse land,
         hoog boven de vuren
onder de aarde,
ver van spektakel,
          roof en woeker,
doof voor bevelen
          van de heersers.

Deze bundel is voor de catalogus La chasse à l’objet du désir in het Frans vertaald A quoi bon : un poème. Binnen het surrealisme hebben machines een speciale aantrekkingskracht (Francis Picabia zette in de 20ste eeuw de toon), omwille van hun transformatiekracht – de mens als een machine, niet in de betekenis van de La Mettrie, een gespannen determinatie, wel als een alchemistisch instrument én als een toestel dat het nog niet bestaande zal kunnen maken – elke machine is een verbeeldingstuig.

Jacques Desbiens keert de uitspraak om (Cet obscur objet du désir, Luis Buñuel, 1977) : « Objet du désir, désir de l’objet ; substitution mercantile. ». De ‘Groupe surréaliste de l’Inner Island’ publiceert hier een ‘manifest’, « Le rêve de l’anarchie et l’anarchie des rêves », centraal staat de lach van  Rabelais : « […] le surréalisme cherche à déchaîner la puissance poétique et le rire subversif de l’imagination radicale ». Wie surrealistische teksten leest, beseft maar al te goed hoe de hedendaagse ‘critici’ of ‘activisten’, ook beeldend kunstenaars en schrijvers, als ezels aan de touwen van de werkelijkheid gebonden zijn, hoe hun kritiek slechts kritiek op de soep is – hoe de verbeelding gestorven is.

Beeld: een prent van Jacques Lacomblez

julia is opgenomen ! – george en julia in het ziekenhuis

Julia :  ‘Joris ! Joris ! De draak ! De draak !
George (bezorgd) : Ze heeft een slag van de wever gekregen.
Julia :  Saint-Michel ! Saint-Michel ! Le droge broek ! Le droge broek !
George, (bezorgd) : Nu heeft ze een slag van Laurette Onkelinx gekregen, (terzijde, hoe zou dat nog zijn met die dochter van Onkelinx en Samusocial ? In plaats van een mosselpot had Broodthaers beter een doofpot, zo hoog als vijf kerncentrales, kunnen maken.) Het was haar rug en niet haar hoofd, wat heeft de chirurg en vooral die anesthesist met zijn zo typische anesthesistenlachje met haar uitgespookt?
Julia: Oh Georges, oh Georges, Geoke, waar zijt gij toch?
George (verheugd en nog steeds terzijde, ze is weer tot het echte leven gekomen) : (Oprecht en ontroerd) : Mijn zoeteke, mijn lieveke, o Juliake, mijn hemel, mijn Amsterdam, mijn Jeruzalem en mijn New York, mijn zonneschijn, mijn sterke lijm !
Julia :  ’t Is al goed, Georges, ik ben wakker.
George : Je oogjes zijn weer pienter.
Julia :  Niet alleen mijn ogen, Geoke !
George : Nee, Juliake, nee.
Julia :  Wat ik allemaal heb meegemaakt, Homeros kon het niet verzinnen. Plots stonden er heksen rond mijn bed en ze bedreigden me met een opname in het Guislain-instituut, en ik wilde de verpleegsters vragen …
George : Dat is meer dan een nachtmerrie, mijn Juliake !
Julia :  … en dan klonk er vanuit de zoldering, de verborgenheden des technieks, een donderende stem ‘En gij zult moeten aanschouwen al die verschrikkelijke zogezegde outsiderkunst, met zotten doen we dat, en we zullen u onderwerpen aan een psycho-analyse’, rond mijn bed sprongen alle lampen van de toestellen stuk en toch konden zij mijn hart nog niet inhalen, ‘en wij zullen u vermalen zoals we doen met alle kunstenaars en ernstige mensen, zeggen en bewijzen dat gij zot zijt, alhoewel wij nog geen enkele zot gehad hebben die een kunstenaar is, en in Gent zijn er nochtans veel zotten, toch zeggen wij dat het kunst is’, en zoals ik zei, vroeg ik het aan een verpleegster – hoe komt het toch dat al die verpleegsters op elkaar lijken, toch niet alleen door het witte uniform en het warme lijf, juist gelijk ik me afvroeg hoe de waarachtige ellende van dit gebouw dat zogezegd modern is maar vooral niet is, een shopping mall, het lijkt wel een bibliotheek met een idioot concept te zijn, daarbinnen natuurlijk 2 winkels, en daarrond verdiepingen waarop letters, geen cijfers staan, toch mogelijk is, het verwonderde me eigenlijk dat ze de bedden niet in het zicht van iedereen geplaatst hadden, zo rondom om, de mens centraal, en al was ze in opleiding, ze legde het uit, ik kon mezelf wel tegen het hoofd slaan, was wel zo verstandig dat niet te doen en ik beet mijn gedachten stuk, ja ook dat lezen de mensen graag, een herhaling, een korte herneming, zo kunnen ze mee want een hoge aandachtsboog hebben ze niet meer, en door veel te herhalen krijgen ze de indruk dat ze alles begrepen hebben maar ze zijn vergeten dat wat niet herhaald wordt, misschien veel beter of ernstiger is, maar er mag ook niet eindeloos herhaald worden, want dan wordt het vervelend, het moet ook geen gedicht van Luuk Gruwez worden hé, mijn zoetje, mijn petoetje.
George : Maar je hebt nog niets herhaald, Juliake.
Julia :  Ah nee, dus mag ik het nog een keer zeggen?
George : In stilte, Julia.
Julia : En wat je hier allemaal ziet en meemaakt, dat is niet te geloven, dat is de wereld. Ramen die al het verkeersgeluid en  de stank doorlaten, ze doen de kleine man opdraaien voor kosten, maar zelf kunnen ze geen fatsoenlijk gebouw neerzetten, ook al was het vannacht hier schoon, ik moest aan Zwart Polleke, pardon aan Paul Van Ostayen denken, Zwart Polleke is satire, zo de maan, de donkere nacht, het water en er schuift een boot over het water. Schoon, Georges !, maar veel lawijt.
George (terzijde): Ze komt op dreef ! Onze laatste jaren, de beste jaren !
Julia : Nee, George, niet gelijk de vrouwen. Ongelooflijk dat dat hier is, die organisatie, al die afdelingen, al dat shoppen, ze hebben een stukje plastic nodig en ze moeten dat aanvragen in hun eigen winkel, dan gaat er dat iemand in het magazijn of in de winkel zelf halen, dat wordt gestuurd naar een verdieping, daar zien ze dat ze maar de helft gekregen hebben van wat ze nodig hebben, er wordt een nieuwe aanvraag ingediend, en ik lag daar maar te wachten, maar wacht, na de operatie, ik lag daar in de gang, ze gingen me komen halen, jazeker, in het jaar stillekes, ik begon geen kerstklokken maar al die van pasen te horen, uit schoon medelijden werd ik dan maar door iemand meegenomen, ik moest natuurlijk denken aan Jimmy Frey
George (staat recht en zingt) : Zo mooi, zo blond en zo alleen….
Julia : Maar zo’n mierennest is toch ook aangenaam, stel je voor dat ze persoonlijk zouden worden, je zou overal je leven moeten vertellen en ze zouden daar dan met hun eigen leven overheen gaan, zodat je zelf niets meer te zeggen zou hebben. Nee, ik ben liever nummer 33651 dan Juliake, dat ze het probleem oplossen, voor de psychologie en de humor zullen we zelf wel zorgen, ze moeten natuurlijk hun werk doen, maar niet sentimenteel worden hé, iedereen denkt maar dat ze de enige met een probleem zijn.
George (terzijde) : Da’s een vrouw hé, ze is nog feller geworden – hopelijk blijft ze zo en indien niet dan wil ik die chirurg spreken, hij mag haar elke twee maanden onder handen nemen – onpersoonlijk, welteverstaan. Tegen Julia:  Jij zou een anti-Boyer moeten schrijven.
Julia : Schrijven, schrijven, dat is voor mensen die niets beters te doen hebben.
George : Pertang, …
Julia : Mijn steunstok zal ik niet weg doen, ik ga die nog gebruiken. Ik heb me ingeschreven voor een cursus majorette-hoempapa, dat is nog zo’n geniale ingeving geweest van Bertje Anciaux, de blèter maar die zoals elke bandiet zijn portefeuille wel weet te zitten, als ik hem zou zien, ik zou mijn stok recht in zijn rechteroog smijten, op links heeft hij toch nooit iets gezien.
George : De felle, Julia. Vroeger zeiden we ook dolle Julia, maar het is er op vooruitgegaan – oei, vooruit, is dat geen sluikreclame ?
Julia : En dan kwam er ’s avonds een verpleegster om uit te leggen hoe je dat toestel moest gebruiken, televisie, natuurlijk, radio en licht, want ik had dat aan de verpleegster gevraagd, een hele dag heb ik me liggen opwinden, een kamer met twee tv-toestellen en een kruis, natuurlijk zonder Christus eraan, en een beetje abstraherend, expressionistisch, schots en scheef, het moet katholiek-modern maar het mag niet serieus zijn, ik zag ze daar hangen naast elkaar, een tv en een kruis en ik dacht, voilà dat is vandaag, de tv hebben ze nodig om het verstand van de mensen kapot te maken en het kruis zal zoals altijd overwinnen, ik heb het altijd gezegd, de islam is de beste vijand (de ‘bestie’) van het katholicisme, samen worden ze alleen maar sterker, en ik dacht, ze bouwen hier een ziekenhuis gelijk een bibliotheek maar er is geeneens licht, laat staan om een boek te lezen, want gelukkig had ik 2 boeken mee, één dag zei de chirurg, het zijn er drie geworden, en ik stak me daar toch een redevoering af, de smeerlappen hier en de fascisten daar, het was werkelijk allemaal om zeep, ja zeep had ik ook mee, maar er stond hier zeep, wat moet je dan doen, je eigen zeep gebruiken of die waarvoor je toch moet betalen? Dat zijn filosofische kwesties die de ezel van Buridan ook niet zou kunnen oplossen, ik heb me niet veel gewassen, Georgeke, en nergens was er hier iets van papier te zien, in een hotelkamer ligt er nog een bijbel, hier alleen maar televisie te zien en natuurlijk hoog in de lucht zodat het iedereen kan ambeteren en ook geen serieuze programma’s hé, maar VTM of zoiets, ik weet dat allemaal niet meer, het is toch iets hé onder het volk komen, en er werden sentimentele kerstmisfilms aangekondigd, alles wordt aangekondigd, het is precies gelijk op Klara, we gaan dat doen en we gaan dat doen en als het moment er is, zeg je, was het maar rap voorbij, al dat zeemzoeterig gedoe, het wemelde van de mieren onderaan die toestellen , terwijl de vrouwen moeten hun mannen een oor afbijten, zo kunnen de minnaressen de mannen een oor aannaaien, ofwel werd er een actiefilm aangekondigd, of een geweldfilm, bloed is bloed, en als je dat dan ziet, net voor je de operatiezaal moet binnengaan, dan gebeurt er toch iets, moet ik zeggen, en weet je wie er ook geen televisie had, Jeanine De Landtsheer, ze is al dood, het arme schaap, veel te vroeg natuurlijk, ik las dat in een biografische schets van Marcus De Schepper en Dirk Sacré, toch twee intellectuelen, alhoewel de eerste pretendeert iets van bibliofilie af te weten, maar er naast zit niet er op, in het Engels is dat natuurlijk geschreven, de taal van de onderdrukkers, ‘(she never owned a TV)’, en die twee intellectuelen moeten dat opschrijven omdat dat raar is, niet van deze tijd, elke aap moet zijn eigen onderdrukking betalen en ze willen daarmee ook zeggen hoe wereldvreemd De Landtsheer was terwijl ze alleen maar duidelijk maken hoe doortrapt ze zelf zijn, doortrapt en ondergetrapt, maar zoals gezegd, het was allemaal niet waar, want ik wilde aan de verpleegster zeggen, kijk zei ze als je op deze knop duwt met een lamp erboven dan gaat het licht aan (gelukkig lag ik neer, anders was ik van verbazing achterover gevallen) en effectief, het licht ging aan, en kijk, zei ze, hier op die banaan dat is het nachtlicht, Georges !, een banaan ! ’s nachts ! en de dokter had gezegd dat ik moet rusten ! tegen de mannen zal ze zeker zeggen dat dit een half maantje is.
George : Ha, de Mariekes.
Julia : Als ik thuis ben, dan sjette geven hé.
George : Zeker.
Julia : Ik wilde de verpleegster de volle laag geven, niet persoonlijk, metaforisch, door haar een vraagje, onschuldig, kinderlijk, te stellen, is er hier geen licht? – eigenlijk had ik ‘lichtje’ moeten zeggen, maar ik kon toch nog wat fatsoen opbouwen, ik ben Lydia Peeters niet hé, en dan wilde ik het een en ander zeggen, of toch enigszins een cynische opmerking plaatsen, zo een vol verachting, verwarring en verwachting, je onschuldig voordoen om daarna des te harder te kunnen slaan, dat arme schaap te kastijden, maar direct zeggen dat het onschuldig wicht daar niets kan aan doen, dat het niet persoonlijk is, die managers, daarentegen, die verdomde oernonnen, dat gekwezel en gefezel waarvan we nog altijd niet verlost zijn, de zwartzakken zitten nu overal, in het theater, bij de uitgevers, in de universiteiten, in de musea, ik zwijg maar over de bibliotheken en al die katholieke zwarten worden nu al overtroefd door de nieuwe fascisten die een schoner kostuum dragen, die vrouwen hebben te korte truien aan, hun smeerlapperijen zijn er des te lager door, maar terstond beet ik mijn gedachten stuk en loofde en prees alle architecten en in het bijzonder de Vlaamse die licht kunnen installeren die je niet kunt zien, ik weet, het is niet van mijn allerschoonste.
George : Je mag jezelf niet als een slechte mens voorstellen, want dat ben je niet, en dat lezen en horen de mensen niet graag. Jij, die zelfs een ondankbare hond een lieve hond kan noemen.
Julia : Maar jawel, dat hebben de mensen wel graag, ze lezen, als ze lezen, graag over slechte mensen, want dat durven ze niet zelf te zijn, burgerkutjes, ze lezen graag over een doortrapte schurk of over een onnozele harold, of is het hans ?, wat mensen niet willen lezen is wat goedzakken, leeghoofdige priester-dichters krijsend vertellen en terecht loopt men weg en leeg, en zoals ik zei, ik vroeg het aan de verpleegster en ze antwoordde gelijk het moest en ik kon mijn boek lezen.
George : Maar Julia, Stefan Hertmans is populair, hij verkoopt boeken tot in Amerika, de Vlaamse intellectueel wil ook daar Eddy Wally evenaren.
Julia : Welnee, vertel een grap over Stefan Hertmans.
George (terzijde) : Die sluwe sofist.
Julia : Voilà, vertel nu een grap van Stefan Hertmans.
George (terzijde) : Ze staat scherp, ze staat scherp.
Julia : Voilà, dat is een dode mens.
George : Neem dan Tom Lanoye.
Julia : Dat is al even erg, en misschien nog erger – die geloofde in de tijd in de getuigen X, hij wilde zelfs aan die journalist-aartsleugenaar, Douglas De Coninck,  de prijs van het vrije woord geven, zo ver was het zoveel jaren geleden al gekomen met dat koppeke van dommeke, je kunt gaan denken hoe die toestand nu is, zet wat meel in de zon en je weet wat dat geeft. Hij geloofde in de complottheorieën van de jaren negentig, hij verspreidde ze ook, pre-trumpiaans, gelijk aan de De Wever-zotternijen. Een komediant zonder humor, een tomaatplant zonder tomaten en met luizen, een stuk zeewier zonder wier en zonder zee, dat zijn geen populaire schrijvers, Georgeke, dat zijn pezewevers, paters, pissebedden (let op de alliteratie).
George : Nu overdrijf je Julia, want
Julia : De overdrijving brengt boven water.
George : Maar Julia, hoe voel je je nu eigenlijk, heb je pijn, is de operatie gelukt, zijt gij gelukkig met mij ?