sfcdt

Categorie: literatuur

lolita – een eeuwig monument van vladimir nabokov, voor haar

Tegen de onzuiverheid van de wereld, de terreur van de zwart- en groenhemden, geen beter medicijn, o de honing van lavendel en tijm, dan het lezen van Vladimir Nabokov. Het einde van Lolita, de laatste zinnen, het tabernakel wordt gesloten. Over Vladimir Nabokov en de Latijnse schrijvers is al meer geschreven, het ‘exegi momentum’ van Horatius wordt met de romans Ada, Pale fire en het gedicht Fame verbonden en er is natuurlijk ook Poesjkin. Het indrukwekkendst is echter het slot van Lolita, en de ware bedoeling van Nabokov komt hier tot uiting – literatuur als spel en boven de wereld staand, standvastiger en duurzamer dan die wereld van veranderingen (de kinderjaren als de ware tijd van de mens – Gombrowicz-gelijk) en paradoxaal is de verwijzing naar Horatius een zodanige intelligente en creatieve metamorfose dat ze niet gezien wordt.

Ode 3.30, de eerste regels :
Exegi monumentum aere perennius
regalique situ pyramidum altius,
quod non imber edax, non Aquilo impotens
possit diruere aut innumerabilis
annorum series et fuga temporum

Ik parafraseer : een monument opgericht, harder dan brons, hoger dan een piramidegraf, regen en storm trotserend, de tijd geen vat, er zijn verschillende vertalingen van het gedicht gemaakt, maar weinig bevredigend, het Latijn bezit sierlijkheid, erotiek, charme en elegantie, het keurslijf van het Latijn is in de feitelijkheid een speelbord.

Horatius zet de cultuur, de beschaving, boven het woelen van tijd en plaats, van harde cultuurgoederen, die bovendien in dienst van de macht staan – hier krijgen we de idee van de eeuwigheid, dat wat mensen gevoeld, gedacht en gemaakt (een ‘ideologische’ drieslag) hebben, trotseert de tijd, die idioot van vernietiging en branie.

In The annotated Lolita is de roman van Nabokov opgenomen, met hier en daar een eindnoot geplaatst, ik heb hier de Penguin-editie van 1993 liggen, de noten zijn van Alfred Appel, jr. – die Nabokov zelf gesproken heeft en de noten zijn daarmee geautoriseerd maar Nabokov is ook een man die zwijgen kon. In de laatste alinea’s van Lolita resigneert Humbert Humbert, hij is dood (ook dat een spel van de schrijver-marionttenspeler) en het manuscript mocht niet uitgegeven worden zolang (de jongere) Lolita leefde, terwijl hij dit schrijft kloppen beide harten echter nog, en hij spreekt haar toe, wees een braaf meisje, een goede vrouw voor je man en een zorgzame moeder voor je kind (de lezer weet uiteraard beter, een kleine heks wordt een grote heks), in een ‘raadselachtige’ zin maakt hij duidelijk hoe de hele roman een constructie is, het ik-verhaal een kunstenaarstruc, een kunstwerk, de schrijver als autonome figuur en dit alles met de uitdrukkelijke bedoeling dat Lolita toch zal verder leven – als een product van de geest.

Bij de laatste zinnen van Nabokov’s roman, is een noot van Appel toegevoegd. Ik citeer eerst Lolita van Nabokov, :

‘[…] so as to have him [Humbert Humbert, en boven hem Nabokov] make you live in the minds of later generations. I am thinking of aurochs and angels, the secret of durable pigments, prophetic sonnets, the refuge of art. And this is the only immortality you and I may share, my Lolita.’
In de Nederlandse vertaling van Rien Verhoef (Lolita in De Amerikaanse romans : deel 1 : 1941-1962, 2009) : ‘[…] zodat hij jou kon laten voortleven in de gedachten van latere generaties. Ik denk aan oerossen en engelen, het geheim van duurzame pigmenten, profetische sonnetten, de toevlucht van de kunst. En dat is de enige onsterfelijkheid die jij en ik kunnen delen, mijn Lolita.’

De noot van Appel : ‘[…] ‘durable pigments’ preserve the angels in Old Master paintings. The ‘auroch’ refers to the European bison, now virtually extinct, as is this definition, since it is omitted from Webster’s 3rd. H.H. aurochs allude to those delicate and stylized images of bison that still are visible on the cave walls of Spain and France where they were painted ten to twenty thousand years ago. Their ‘durable pigments’ are an inspiring idea and sight, even when the images are poorly reproduced in text books. But I would never have identified the auroch as such if Nabokov himself hadn’t mentioned it to me during a 1974 conversation about the cave paintings of Lascaux. (The beleaguered drawing instructor in Nabokov’s 1938 story, “Tyrants Destroyed”, who endures a totalitarian regime, finds some solace in his doctoral dissertation on the cave origins of painting.) But Lolita’s cave painting is too “Joycean”, too obscure; “C.Q.”, the final Quilty reference, is much fairer. […] The final phrase sounds the “Latin” locution that has echoed through the narrative (see 45/1 and 192/2), and that last word of the novel, that fatal constriction, repeats the first : “Lolita”.’ (452)

Appel vindt de verwijzing naar de grotten van Spanje en Frankijk te obscuur en de hele passage ontsnapt hem (eigenlijk). De oppervlakkige verwijzing naar ‘Latijnse uitspraken’ is dan weer te algemeen en door zo iets te zeggen, heb je altijd gelijk maar zeg je toch niets. In de noot voor pagina 46 spreekt hij in het algemeen over de Latijnse schrijvers en hij vernoemt Horatius omdat deze liefdesgedichten geschreven heeft. De verklaring voor pagina 192 gaat ook over de liefde, de echte liefde, en de aanspreking van Lolita – niet erg diepgravend dus.

De verwijzing naar Horatius’ Ode 3.30 is duidelijk maar wel volledig getransformeerd en eigenlijk sterker dan de passage bij Horatius zelf – en dat komt vooral omdat Nabokov niet zozeer (zoals Horatius) zichzelf een lauwerkrans wil opzetten, maar omdat het monument (het boek Lolita) voor Lolita is opgericht, de schrijver schrijft zich als het ware van de bladzijde weg om alle ruimte aan de aanbeden vrouw te geven en haar zo glorie te schenken. Echte liefde dus – de auteur doet altruïstisch een stap opzij, geeft haar een eeuwig leven, vermoordt weliswaar een andere verleider, maar dat is terzijde.

Waar Horatius zijn kunst met brons en koper vergelijkt (appelen en peren), de protserigheid van piramiden tegenover de deugdzaamheid van zijn verzen plaatst, (de piramiden zijn maar een afleidingsmanoeuvre omdat Horatius niet over de nietigheid van de triomfbogen en -palen durft te spreken), de verwoestende natuur en de tijd afwijst, blijft Nabokov binnen de culturele context, daarmee zijn autonomistische opvatting van literatuur als uiterste vrijheid bevestigend – Nabokov hoeft niet te vergelijken (altijd een zwak element), hij geeft bewijzen van die ‘eeuwigheid’. (In “Tyrants Destroyed” vindt de hoofdpersoon, zoals Appel meent, niet ‘soelaas’ in het kijken naar de grottekeningen maar wel in het doctoraat – een product van de menselijke geest.) Het boek Lolita staat in de categorie van de rotstekeningen, eeuwenoud, de ossen waarop gejaagd werd en soms zelf ‘jager’ werden (zoals Lolita en Humbert Humbert) – die rotstekeningen worden als de eerste kunstmanifestaties van het menselijk ras beschouwd en zitten in de sfeer van de mythe, de natuurreligie. De engelen zijn een verwijzing naar de godsdienst, die wezens die overal te vinden zijn, op muren geschilderd, op doek, op tapijt geborduurd, ook die engelen behoren tot een oeroude tijd, zelfs nog van vóór de periode dat de mens bestond. De duurzame pigmenten kunnen verwijzen naar die rotstekeningen die dankzij het weinige licht nog bestaan, maar kunnen evengoed begrepen worden als de ingrediënten voor olieverf, geroemd om de eeuwigheidswaarde. De profetische sonnetten zijn misschien wel een verwijzing naar William Shakespeare (ik heb dit al eerder geschreven, sonnet 55 : ‘Not marble nor the gilded monuments / Of Princes shall outlive this powerful rhyme’) en dan komt bij Nabokov het algemene begrip ‘de toevlucht van de kunst’ – de kunst is een schuilplaats tegen de wereld, hier geen moraal, geen regels, geen wetten, noch van de natuur noch van de kleinmensen, de individuele mens heerst over zijn verbeelding (de kunstenaar is géén gemeenschapsmens maar een verhevigd individu) – de platoonse grot heeft met dit alles niets te maken – de gemakzuchtige waarheidjes van Platoon hebben met kunst niets te maken, wil men kunst ondergeschikt maken, is kunst onbestaande. Het is de kunst die eeuwig en onsterfelijk is – slechts in een boek blijven Lolita en haar Humbert Humbert en haar Vladimir Nabokov bestaan – voor altijd vereeuwigd.

titelgedachten (2)

6.
Met elk nieuw cursiefje, geschreven tussen de soep en de geplette patatjes, maakt Annelien De Dijn duidelijk waarom ze zo geliefd is bij de reactionaire burgerlijke pers. Grote woorden, door kleine geesten gebruikt, worden woorden van verknechting. In DS van 5 november 2022, in haar ‘vierwekelijkse’ klucht, (elke week is veel te belastend en waar moet ze het vandaan halen, elke week lucht is immers te opvallend), stelt ze ‘Vrijheid vs. klimaatverandering’ – een tegenstelling die overigens onjuist is, ideologisch gebruikt wordt, het gaat er immers om wat vrijheid is en het gaat vooral om een rationeel, wetenschappelijk inzicht – doem en zonde hoeven niet aan de orde te zijn. Inhoudelijk is het liedje zoals we het bij iedereen horen, oei, het is erg en het wordt erger, of, hoe een waarheid verwordt tot ideologisch gerimram en daardoor onoplosbaar lijkt – die onoplosbaarheid is het fundament, en hangt samen met de ideologie van de twijfel en de kwetsbaarheid, de uitbreiding van het recht naar niet-humane wezens en zaken, van het rechtse, onderdrukkende denken. Nu kan alleen maar een verlichte dictator nog redding brengen – herinner u de commentatoren die in de corona-tijd China als voorbeeld stelden. Misschien wordt het ook eens tijd dat men concreet begint te worden – oei, dan wordt de ideologie zichtbaar.

En als het erg is, laat het dan erg zijn, après nous … – is dan een terechte reactie. Als we echter nu eens zouden stellen dat diegene die het moeten weten, het wel weten, maar dat er gehandeld moet worden, wel, laten we dan eens spreken over dat zinvolle handelen – maar daarover gaat het niet : schuld en boete, donderen de rechtse predikanten.

De manier waarop De Dijn haar betoogje opbouwt, is rechts, hier een hap, daar een snap, maar geen redenering, geen logica, geen argumenten, ook geen feiten maar sfeerschepping.

Bij De Dijn komt daar, uiteraard, het gezagsargument bij. Zo schrijft ze: ‘Voor wie daar graag meer over leest : in zijn bekroonde (en angstaanjagende) boek Six degrees : our future on a hotter planet beschrijft de Britse journalist Mark Lynas op basis van wetenschappelijke literatuur wat de gevolgen zijn van elke bijkomende graad opwarming.’
waarbij
. niet gezegd wordt welke instantie het boek bekroond heeft (ik voeg toe : The Royal Society’s science book of the year award, 2008)
. dat het grootste deel van de lezers dit niet gelezen heeft, is een winstpunt : De Dijn wél en daarmee denkt ze zichzelf te vergroten. Er is een dubbele autoriteit, De Dijn zelf (professor wowowo) en Lynas, wat ze over dit boek zegt is een evidente gemeenplaats, een cliché, een herhalen van een geloofsartikel – wetenschappelijke kennis in lage handen gevallen wordt zelf verlaagd tot ideologie
. dat het boek angstaanjagend is, is geen verdienste, want is het ook waar ? wat is de wetenschappelijke waarde, wat de morele (angst aanjagen is immoreel) ? Een prijsje is geen garantie.
. uiteraard zegt De Dijn dat het boek ‘wetenschappelijk’ is, alleen wordt geen wetenschappelijk argument aan de lezer gegeven – het woord wetenschappelijk wordt misbruikt (want wetenschap staat aan de linkse kant van het denken – gericht tegen de macht en de autoriteit) om een rechtse ideologie te verkopen – zo doet rechts het altijd : begrippen als democratie, vrijheid (al dan niet van meningsuiting), wetenschap worden gekaapt om het begrip van inhoud te ontdoen en te veranderen naar onderdrukking en autoritarisme
. ook het Engels dient om de lezer murw te slaan, en toont nu aan hoe weinig wetenschappelijk (maar wel ideologisch) De Dijn zelf is. Een Nederlandse editie is immers al sinds 2020 beschikbaar, maar de Nederlandstalige lezers van De Standaard moeten dat niet weten, het zou wel eens kunnen dat ze zelf een boek zouden lezen. De basisgegevens van deze Nederlandstalige editie dateren van 2007, Six degrees, dat toen de prijs van het beste wetenschapsboek gekregen heeft, maar werden aangevuld met nieuwe gegevens (die De Dijn dus niet kent en de lezer ontzegd wordt).
De Dijn speelt dus weer vals, Six degrees : our future on a hotter planet uit 2007 heeft in het Engels ook al een nieuwe editie gekregen : Our final warning: six degrees of climate emergency, De Dijn zadelt mensen dus op met oude informatie, ze beroept zich op wetenschap maar ze geeft verouderde, dus onjuiste, ‘informatie’ door (al is er géén sprake van informatie, alleen maar ideologie, bangmakerij) of toch referentie – al is het nieuwe boek nog ‘angstaanjagender’, nog meer roepend om een nieuwe dictator. Haar ‘wetenschappelijke attitude’ is dus nihil.

In haar betoogje schrijft ze dat ‘psychologen’ zich ‘al langer over de vraag’ buigen waarom het zo moeilijk is iets te doen aan de opwarming. Ook dat is weer een autoriteitsargument : De Dijn geeft hier géén boek- of artikeltitels, noemt ook geen namen van ‘psychologen’, en er is natuurlijk ook een intellectueel gat : net alsof psychologen de klimaatcrisis kunnen oplossen – weer is dit de rechtse houding (Reader’s Digest) om sociologische, structurele problemen te psychologiseren (zelfs niet te individualiseren, want dan zou De Dijn over rationele mensen moeten spreken – die zijn uiteraard een gevaar).

Dat ‘aanprijzen’ van boeken gebeurt op een niet-subtiele manier, is het boek van Lynas bekroond en angstaanjagend dan is het ergens anders ‘zoals de Amerikaanse econoom Mariana Mazzucato aantoont in haar briljante boek Mission economy : a moonshot guide to changing capitalism.’ … briljant – wie zijn wij om het ‘briljante’ te ontkennen ? En wat zegt De Dijn over dat boek ? Dat er om ‘ambitieuze maatschappelijke doelen en langetermijninvesteringen’ je een sterke overheid nodig hebt – ach, ach, was dat al niet wat de meerjarenplannen van Stalin deden, en zou men Mao enig ‘ambitieus maatschappelijk doel enz.’ ontzeggen, net zoals Hitler dat had ? – De Dijn gebruikt hoge woorden om toch maar achterhaalde meningen te verkondigen – dat de vrije markt aan banden gelegd moet worden – ook dat is niets nieuws – maar hoe komt het dat die hoge woorden nooit realiteit worden ? In de eerste plaats omdat men steeds dezelfde clichés herhaalt en niets zegt – ook dat is het kenmerk van rechts, men praat en praat om de zaken ingewikkeld en stilstaand te houden. (En heeft ‘links’ dan niet al meer dan 50 jaar de zaken her en der in handen genomen en verknoeid ?) De ‘enige oplossing’ bij de overheid leggen, is een rechts betoog.

Het woordgebruik van De Dijn is subtiel, vrouwelijk lesbianistisch (ook dat een cliché – dat gelijkslachtelijke liefde links zou zijn – zie de katholieke kerk, over de nonnen wordt nog altijd zedeloos gezwegen) : ‘Dergelijke beweringen zijn natuurlijk evenzeer van de pot gerukt […].’ – ach, het subtiele denken, natuurlijk geen argumentatie.

Nadat ze het neoliberalisme en uiterst rechts beschuldigd heeft de klimaatcrisis niet te willen zien, besluit De Dijn neoliberaal en uiterst rechts : ‘Vasthouden aan achterhaalde noties van individuele en nationale vrijheid daarentegen, brengt het klimaatarmageddon alleen maar dichterbij.’ – dat staat er letterlijk, wat ‘achterhaalde noties’ zouden zijn, is niet duidelijk, wel dat er een zoveelste rechtse aanslag op vrijheid gepleegd wordt, (die nationale vrijheid zal ze uitleggen aan Zelensky, Poetin heeft haar al aan de universiteit van Moskou uitgenodigd, jaloers immers als hij is op de Chinese uitgave van het boek French political thought from Montesquieu to Tocqueville, in het Chinees vertaald door Sun Yat-sen (University Press). Het woord armageddon is al evenzeer rechts-theologisch – wie naar vrijheid streeft, zal vernietigd worden.

Er is een website De Dijn, ‘koop mijn boek’ is de boodschap, de professor als marketentser (zie Brecht), ‘De Dijn doceert momenteel aan de Universiteit Utrecht, waar ze een leerstoel politieke en intellectuele geschiedenis bekleedet [sic].’

7.
Met titels, al dan niet in een andere taal, spreekt men en soms verheft men zich. Sommigen, als Annelies De Dijn doen het stompzinnig, lui als men is en als een dagelijks bedrog, anderen doen het minder opmerkelijk, maar toch ook dom – al valt het niet meer op, ‘want iedereen doet het’.
Natiestaat contra republiek : de ‘verloren schat’ van het republikeinse universalisme van Stefaan Marteel had een belangrijk boek kunnen zijn, was het geschreven, maar het is als een kladversie uitgegeven.

De republikeinse idee heeft in de moderne geschiedenis een dubbele geboorte, Frankrijk en de Verenigde Staten, is in Frankrijk echter levendiger en reëler dan in de V.S. waar zelfs zogezegde linksen nog steeds aanhankelijk-gelovig zijn en het gaat niet enkel om een persoonlijk geloof : het bestaan van god is een grondwettelijk gegeven en het land verschilt dan ook niet zo veel van islamistische landen of Vaticaanstad, een structurele achterlijkheid.

Als men de bibliografie van Marteel bekijkt, is het overwicht van Engelse literatuur wel zeer opvallend – slordig als de auteur is, verraadt hij ook zichzelf. Op pagina 109 citeert hij ‘Ross 2015b’ in het Frans en de volgende zin (op pagina 110) citeert hij dezelfde Ross uit hetzelfde boek, maar in het Engels, ‘Ross 2015a’ – daarmee aangevend dat de Franse titel slechts façade is, nog beklemtoond omdat het Engelse boek een papieren boek is, de Franse versie slechts ‘ePub’, slechts gebruikt werd om te citeren, niet om te lezen.

‘Ross, Kristin, (2015a), Communal Luxury: The Political Imaginary of the Paris Commune. Londen: Verso.
Ross, Kristin (2015b), L’imaginaire de la Commune [ePub]. Parijs : La Fabrique éditions (lafabrique.fr)’ (p. 200)

Dat het Frans problematisch is, toont de volgende titel in de ‘literatuurlijst’, nl. van Jean-Jacques Rousseau, Het maatschappelijk verdrag – in het Nederlands en geen Frans origineel of, in het geval van de nieuwe kortzichtigen, het Engels. Een basiswerk dat niet in de oorspronkelijke taal gelezen wordt, is niet gelezen. Maar zelfs van Montesquieu, ik herhaal : van Montesquieu, is slechts 1 boek vermeld, in het Nederlands, Over de geest der wetten. En het is niet omdat oud-Frans moeilijk zou zijn want van Thomas Piketty is Kapitaal en ideologie slechts in het Nederlands vermeld en dan ook nog de Kindle editie – gemakkelijk want van een boek (1136 blz.) kan men zien of het gelezen is.

De literatuurlijst is een ratjetoe, van Michael Sandel bijvoorbeeld, een boek in het Nederlands en één in het Engels, van de franstalige Pierre Rosanvallon, één in het Engels, één in het Frans, het Engelse een uittrekselboek. Richard Rorty, toch belangrijk voor het onderwerp, al was het maar om met zijn ‘pragmatisch nationalisme’ de verrechtsing aan te tonen, niets. Van Hannah Arendt, The origins of totalitarianism én de Nederlandse vertaling uit 2005, Totalitarisme, en ook Nederlandstalig Over revolutie en De vrijheid om vrij te zijn – wat zou dan wél gelezen zijn ? En ik wil dan nog niets zeggen over de bibliografische onduidelijkheden, maar niets is altijd te wantrouwen, want toch iets: van Etienne Balibar wordt een Nederlandse vertaling, Voor een ander Europa, opgenomen, zonder de vermelding dat dit een vertaling is én bovendien wordt ook de oorspronkelijke titel niet vermeld. Van geen enkel vertaald boek overigens – zelfs bibliografische regels zijn in de universitaire wereld niet meer gekend – en gewenst.

8.
Burgerschap : politiek-filosofische perspectieven van Patrick Loobuyck (Boom, 2022).
Van Jürgen Habermas worden in de bibliografie 9 werken opgesomd, 4 in het Engels, 5 in het Nederlands – nergens wordt de oorspronkelijke titel vermeld. Habermas is een Duitse filosoof, die in het Duits geschreven én gedacht heeft – zich steunen op Engelse vertalingen is jezelf als lezer verminken en bovendien is dit ook de aanvaarding van het Engels-Amerikaans kolonialisme : uit de Duitse werken vertaalt de Engelse markt enkel dat wat die Engelse markt enigszins begrijpen kan – wie zich slechts een selectie laat voorschotelen, is géén individueel denker maar een volgertje van de koloniale heersers.

Van Immanuel Kant, eveneens Duits, vermeld ik toch maar voor de zekerheid, worden 2 kleine werken opgenomen – Nederlandse vertalingen – de professor heeft zelfs geen moeite gedaan om de vertaling met het origineel te verifiëren – hoe kan men ‘multicultureel’ zijn, als men enkel de taal van de overheerser gebruikt ? Ik wil wel toegeven dat ik 1 of 2 titels over het hoofd gezien heb, (er zijn geen titels over het hoofd gezien), maar de hele bibliografie bevat geen enkele Franse of Duitse titel, blijkbaar is Loobuyck niet op de hoogte van het filosofisch belang van citoyenneté in Europa en wordt wat in Duitsland geschreven wordt als onbelangrijk gezien – het gaat dus niet alleen om talenkennis, het gaat om het uitsluiten van denkpatronen en -inhouden, van ideeëngeschiedenis en dus intellectuele rijkdom – Loobuyck kijkt neer op dat wat niet-Engels is, (de Nederlandstalige werken die hij vermeldt, zijn enkel toevallig).

En al is de lijst bijna exclusief Engels, dan toch wordt van Isaiah Berlin alleen maar Twee opvattingen van vrijheid vermeld, uiteraard ook weer zonder oorspronkelijke titel en niet in het Engels, nochtans een standaardwerk. Dat geldt ook voor Thomas Hobbes’ Leviathan. Van Locke is dan wel het Engelse Two treatises of government vermeld, terwijl in het Nederlands Over het staatsbestuur (weliswaar slechts de vertaling van de tweede verhandeling) beschikbaar is, maar niet vermeld wordt. Men doet maar alsof vertalingen niet problematisch zijn (elke vertaling is een interpretatie) én men geeft de studenten de boodschap mee dat er maar 1 taal bestaat, net zoals er maar 1 gezag mag bestaan – het burgerschap dat Loobuyck bepleit wordt door zijn eigen handelswijze ontkend – er is géén burgerschap, er is slechts onderdanigheid en een propageren van een pensée unique. Dit is een pervertering van de universalistische gedachte.

Ik sta niet op het standpunt dat elke filosoof Latijn moet kunnen lezen maar wie aan de universiteit lesgeeft, moet toch zijn talen kennen – en beter dan de beoogde lezers.

titelgedachten (1)

Titels zijn ideologisch, soms kun je denken dat een titel een tegentitel is, soms is het de lezer die de ideologie ziet of vermoedt en is de schrijver volkomen onschuldig, met een titel plaatst de auteur zich in een bepaald vak, ook de plaatsing van een titel (een boek) getuigt van een ideologie, elke classificatie is een intelligentie-graad, de grappigheid is niet altijd grappig, steeds is er de waarheid.

1.
Als illustratie van ‘niet verder kijken dan je neus lang is’ ? De dichtbundel  Onze Nietzsche : catechismen van Marc Kregting wordt bij de filosofie geplaatst – als er één filosoof gekend is, dan wel Nietzsche (maar hoeveel keer wordt de naam verkeerd gespeld ?), in de somberte van de ochtend kun je dat alleen maar vrezend bevestigen, die combinatie van eruditie, metafysica, kontgeschud, kruitwalmen, weer- en waanzin, ziedaar het denken dat de afgrond opent. Op het omslag prijkt malebolge, de filosoof met de hamer is toch vooral die van de theologie (dus van het kruis) en het kapitalisme (dus van de luis). Deze laatste zin het oog van een lezer.


2.
Het fraaie gelaat van Vlaanderen, een ‘klassieker’ van Patricia Carson, een Engelse die hier verzeild geraakt is, door huwelijk met Raoul van Caenegem, zij omwille van haar aanhankelijkheid barones geslagen, hij omwille van zijn aanhankelijkheid baron geschopt. Het boek verscheen in 1969 in het Engels, een propagandaboek voor het nieuwe vaderland, de Nederlandse vertaling verscheen in 1977(, de Franse in 1973 en de Duitse in1982). Al is het boek een nogal dwaze verheerlijking van een stuk land en geschiedenis, slechts een deel van België, de monarchie vond toch dat brave mensen een adellijke titel verdienen en die ‘gewone mensen’ nu trots als een kieken met de borst vooruit. De titel van Carson’s boek is bedoeld of onbedoeld een element in de zogezegde natievorming van de oude en nieuwe fascisten, het glorierijke verleden toen elk zijn plaats wist, de macht niet gecontesteerd werd, de zon scheen en de koeien in de wei graasden – allemaal leugens, met uitzondering van de zon, zelfs de koeien worden, samen met de boerenstand, door Demir en de natuurverenigingen het land uitgejaagd – de zondebokken. Zelfs geen ‘alternatieve geschiedenis’ zou het zijn, de opstanden te vermelden (maar ook die opstanden behoren tot het nationalistisch (zelf)bedrog), de stank, de luchtvervuiling, de afschuwelijke stulpen, de chaotische bouwwoede, de domheid en de onderdrukking. En zo’n titel is een antwoord op een slechte mens, Het lelijkste land ter wereld van Renaat Braem, was in 1968 verschenen,

niet toevallig een communist en een belgicist, bah, de werkelijkheid en een opstandeling, bovendien een universalist, daartegenover moeten sprookjes gezet worden. Renaat Braem werd ‘de architect van de arme mensen’ genoemd, hij werd niet in de adelstand verlaagd.

3.

Art : an enemy of the people (1978) door Roger Taylor is natuurlijk in een circuit van afgeschreven boeken terechtgekomen. Een titel als dit doet denken aan de Antwerpse identitaire, reactionaire, Vlaams-nationalistische, niet een grijze muis maar een grijze wolvin en volkshatende schepen van cultuur Nabilla Ait Daoud, toch tegengesteld aan het boek. De oude fascisten steunen op het aloude valse beeld van een Vlaanderen dat ruraal is en een grote cultuur had, boeren en schilders ! En zie, Nabilla Ait Daoud vernietigt de culturele infrastructuur en Zuhal Demir het platteland – en wat wordt in de plaats gesteld ? Leugen en chemie. En terwijl Demir het platteland kapot laat maken en de boeren tot de strop veroordeelt, de beestjes maken alles en vooral haar zo sympathiek, de natuurverenigingen natuurlijk blij, het geld stroomt toe en de zon schijnt voor iedereen, laat Matthias Diependaele het stedelijk erfgoed kapot maken door gebouwen en stedelijke omgeving over te leveren aan de immobiliënsector – naast oorlogsvrouwen, dan toch ook nog een krijgsheer.
Walter Pauli lacht Bart De Wever uit omdat hij zich niet tot ‘vrouw’ laat opereren, haha, voor een partij die voor de verandering is. Men moet waarlijk een Vlaamse journalist zijn om in dienst van de heersende machten niet in te zien dat de verandering wel degelijk gaande is en dat die veel diepgaander en vernietigender is dan een blinde mol zien kan. De Wever gebruikt zijn oorlogsgeneraals om de maatschappij te transformeren tot een wingewest, de leeuw die de gieren dienstbaar is.

De huidige heersende mening over kunst is dat die verbondenheid moet stimuleren, lekker gezellig in de kring elkaar de keel toeknijpen, god en de koning lovend, dat kunst sociaal en politiek moet zijn – zo getrouw en gehoorzaam zijn de kunstenaars aan het geld en niet aan de kunst (of zichzelf, als er al sprake van een zelf kan zijn). Ait Daoud doet daarmee wat men nog niet zo lang geleden loofde voor Rusland : daar werd de literatuur nog ernstig genomen en konden schrijvers in de gevangenis belanden, daar waren er nog lezers, daar hadden en hebben de schrijvers iets te zeggen en wisten en weten ze hoe het te zeggen – dit laatste is geen algemeen besef. Hier zijn de kunstenaars de schoothondjes van de macht, lek lek, koppie koppie, de hand opgeheven, de arm gestrekt, de darmen gecrispeerd, het manna ontvangen – en als de macht zegt dat men rationele overwegingen aan de kant moet schuiven om sentimenten de vrije loop te laten, wel, dan doen de kunstenaars dat toch. Als steden, dorpen en machthebbers verheerlijkt moeten worden, wel, dan doen de kunstenaars dat toch. Als de muren nieuwe decoratie vragen, wel, dan staan de kunstenaars te dringen om maar een likje verf te mogen geven.

De stelling van Roger Taylor is dat kunst niets te maken heeft met dat volk, ook niet met het gepeupel, dat volgzaam hondenroedel. Kunstenaars zijn vandaag de missionarissen van de heersende macht en als die heersers de duim naar beneden halen, o, tandengeween en tranengeknars. Dat die kunstenaars zichzelf in de val gezet hebben, o, zo diep denken is te gewaagd. ‘Kritische kunst’ is toch zeer geliefd in kringen van Christie’s en Sotheby’s – welke kunstenaar haalt zijn werk uit de kunstwereld om zo kunstenaar te zijn ? Kunst is, als een sociaal proces en als een ding, een uitvinding van de 18de eeuw, dus van het kapitalisme, het is, zoals plastic, een goed dat door de mens zelf vervaardigd is (alle theologische shit buiten gegooid) en daarmee een waar dat verhandeld kan worden en dat geen ‘intrinsieke’ waarde heeft, de waarde is wat men het ding toekent. Zoals goud een standaard is (of Tesla), zo zijn Da Vinci, Rubens, van Gogh dat, al de rest bestaat maar dankzij die standaarden. Gegeven de Europese en de historische context, is de huidige mode te streven naar een ‘inclusieve’ kunst meer dan lachwekkend, die Afrikaanse, Oosterse, ‘inheemse’ kunst spiegelt zich alleen maar aan de Europese kunst – het woord kunst is dan ook een begrip dat in andere culturen niet past, door inclusief te zijn, bevestigt men de Europese blik en economische marchandise.

‘En dus’ (om het pseudo-redeneren van Clara De Decker van Klara te citeren) speelt Nabilla Ait Daoud haar rol uitstekend, kunstenaars (niet kunst) hangen af van de welwillendheid van de heerser, haar duim is altijd naar beneden gericht, daar waar de drek zich verzamelt. Wie de gunsten van barbaren verlangt, krijgt een barbaarse behandeling. Omdat het rationele verdacht gemaakt is, ook door deze kunstenaars, bestaat enkel nog het sentiment en is men niet in staat de eigen positie te begrijpen, laat staan dat men iets over maatschappeliike ontwikkelingen zou kunnen zeggen. Gelukkig, ‘en dus’, is er nog iemand als Ait Daoud die de ideologische verdwazing rond verbondenheid, teamgevoel en samenleving kan doorprikken – en snel doorgeprikt.

4
Geen boek maar een artikel over de nieuwe release van ‘Deep throat’, een film : ‘Gorge profonde’ enflamme la Flandre’ – een poëtische en ideologische titel, de herhaling van de f, altijd al een rare letter geweest, flurk en flarf, maar ook het woord ‘profonde’ is hier belangrijk, zowel toebehorend aan de ‘gorge’ als aan ‘Flandre’, ‘la Flandre profonde’ – en dan met de bedoeling het achterlijke. En dat wordt in het artikel ook direct bevestigd (Le magazine Le monde, 19.11.2022), Jean-Pierre Stroobants, die wel zeer sterk op de DS-berichtgeving steunt, schrijft dat enkel in Vlaanderen men (de elite !) de film niet kan waarderen en zelfs contesteert, want « elle a apparemment laissé de marbre la Belgique de marbre », en voor dat achterlijke hoeft Stroobants weinig te doen want wie komt daar uit haar hol gekropen, nog stro in de bekhoeken, de mestklompen aan het gescheurde haren kleed (hooizolder), ongewassen en ongeschoren (authentiek en natuurlijk) ? Petra Van Brabandt ! Moeder-overste ! « Philolo et chercheuse ». Van Brabandt, als Joke Baers, zal het zieltje, dat niet bezoedeld mag worden, van het gepeupel beschermen. Het is alleen maar in la Flandre profonde dat figuren als Petra van Brabandt kunnen floreren (floreren !).
Jésus-Christ et Mohammed, zegt ze, het gaat niet over vernietigen of verbranden (brûler ou détruire – al is verbranden vernietigen, oh, de logica die zo moeilijk is), maar wel moet deze (en de oude) versie bewaard worden in archieven waar ‘onderzoekers’ en serieuze mensen de film kunnen onderzoeken. Ha, ook Petra Van Brabandt heeft in Joris Baers een voorganger gevonden : ook hij wilde boeken niet verbranden (dat onderscheidt hem van de Groenhemden van vandaag), maar wel ze verbergen voor het volk, dat toch niets verstaat en te dom is en voor erotische werken geldt dat des te meer, het genot is er voor het slimme volk, zoals Petra Van Brabandt, die heeft al zo veel genomen, die kan er tegen, zij mag seksueel opgewonden worden, maar Sofieke van om de hoek is te gewoon volk om dat te doen, zij moet maar bij de bokken gaan.


5. Wij en zij.

cursief, vergilius, uien, lucretius en meer : malcolm lowry (3)

‘Vergeef me alsjeblieft mijn stompzinnige verdrag vannacht: […].’ (178) – heeft de Consul ’s nachts een verdrag gesloten met een of andere bevriende of vijandige staat, heeft hij met een spitsbroeder een bloedband gesloten ? Malcolm Lowry schreef ‘comport’, gedrag dus. De wetten van de fysica tartend, vertaalt Bergsma : ‘Hij had het water van het bad aangezet.’ (185 voor ‘He had turned on the water in the bassin.’ (152).
Een postbode geeft een brief af: ‘een boodschap por el señor, voor uw haas’ (240), staat in de Engelse editie als ‘a message por el señor, for your horse.’ (196) – het paard dat een haas werd ?, een slimme vos of een laffe hond ? Op pagina 384 komt er plots een nieuw stelsel tevoorschijn : ‘het kapitalistisme’, bij Lowry toch gewoon ‘the capitalist system’ (314). Enzovoort enzovoort.

De beeldenrijkdom van Lowry, bijvoorbeeld : ‘het beeld van zijn ziel als stad kwam hem opnieuw voor ogen’ (181) (‘a picture of his soul as a town appeared once more before him’, 148). Clipper en Ackerley verwijzen hiervoor naar Ouspensky (‘may derive in part’), maar misschien is een verwijzing naar Augustinus’ De civitate Dei, De stad Gods, mogelijk. De stad van Lowry is immers het zuivere deel van hem dat echter door zijn onmatigheid (drinken) verwoest is. Al spreekt Lowry over kabbala, mystiek, alchimie en esoterisme, toch blijft Ouspensky hier een vreemde eend, terwijl Augustinus ‘past’ in het algemene culturele veld van schuld, gratie, genade, bevrijding, dood.

En gebed in een homerische vergelijking, het lijkt dat de auteur zich in de vergelijking verliest, er ontstaat een nieuw verhaal, maar zie, het einde komt zoals het moest komen : ‘Zoals
de was van de bemanning op een schip van de wilde vaart, opgehangen boven luik nummer zes tussen slanke laadbomen die in sponningen rusten, nauwelijks merkbaar danst in het middaglicht,
terwijl achterlijker dan dwars op nog geen drie mijl afstand een heftig stampend inheems scheepje met verwoed wapperende zeilen met een orkaan lijkt te worstelen,
zo zwaaiden ook zij onmerkbaar, als door iets anders bestuurd …’ (223).

Een (verborgen) echo van (of toch een gelijkenis bij) Herakleitos: ‘Maar of je nu klom of daalde in het leven, je kreeg eeuwig met de mist, de kou en de overhangende rotsen te maken, […].’ (227), fragment B60, in de vertaling van Paul Claes, ‘De weg naar boven en naar beneden zijn één en dezelfde.’, niet zoals Eliot dacht (zie Claes, Alles stroomt, 2011, p. 104) dat de negatieve en de positieve weg één en dezelfde is, het gaat om dezelfde weg, Lowry staat dichter bij Herakleitos.

‘[…] toeristen […] vandalen op sandalen, aan het turen naar de beschilderde muren […]’ (263 (in het Engels nog net iets uitlacheriger : ‘the tourists : vandals in sandals looking at the murals’ (215).

En ook Malcolm Lowry is een lezer van Marcus Aurelius, in Onder de vulkaan wordt de visie van Matthew Arnold (het christendom is evenwaardig aan de hoogste morele maatstaven van de Klassieke Oudheid, dus Epiktetos en Marcus Aurelius) verbasterd en ingezet voor de hoogstaande moraal van het marxisme (375). Maar al eerder was er een echo van de wijsgeer-veldheer in de vraag ‘What is man but a little soul holding up a corpse?’ – in boek IV, 41 : ‘Je bent een kleine ziel, die een lijk meezeult, zoals Epictetus placht te zeggen.’, in de vertaling van Simone Mooij-Valk, 1994 (en dus als de indiaan die zijn vader draagt). Cynisch is dan dat de Consul het betoog van Hugh, de communist, doorbreekt, door telkens de naam van Cervantes op te werpen – holle woorden, hoge winden. En ook hier gaat het over de genade (en dus het augustinisme en het jansenisme) : de vrijheid en de onontkoombaarheid (of omgekeerd) door kennis.

Het verhaal van een verloren leven, onmogelijk het nog in het juiste spoor te zetten, het einde onmogelijk anders. ‘Waarom ben ik hier, vraagt de stilte, wat heb ik gedaan, echoot de leegte, […]. (419) (Why am I here, says the silence, what have I done, echoes the emptiness, […]. (342) (het niet-geciteerde deel maakt de vragen nog komischer) – geschikt om bovenaan een doodsbrief te staan.

cursief, vergilius, uien, lucretius en meer : malcolm lowry (2)

Laruelle is een jeugdvriend van de Consul, een kind van Frankrijk, op vakantie ging hij naar Groot-Brittannië, logerend bij Geoffrey Taskerson, die later de Consul zou zijn, hij moet terug naar huis : ‘De vakantie liep sputterend ten einde in troosteloosheid en midzomerstormen. Het afscheid in Liverpool was droefgeestig en somber geweest en zijn reis naar Dover en naar huis verliep al even droefgeestig en somber, eenzaam als een uienventer op de door de zee geteisterde Kanaalboot naar Calais –’ (32) (The holiday fizzled out in desolation and equinoctial gales. It had been a melancholy dreary parting at Liverpool and a dreary melancholy journey down to Dover and back home, lonesome as an onion peddler, on the sea-swept channel boat to Calais –’ (27))

Wat doet de uienventer hier? Welk beeld geeft de auteur van eenzaamheid ? Hoe werkt zijn verbeelding ? Een normale lezer in een ontspannen leeshouding leest er over heen, maar het beeld is krachtig genoeg om een anker uit te werpen, als een atoom bepaalt het toch ook het geheel – onopvallend maar aanwezig en bouwend aan een kathedraal.

A companion to Under the volcano van Lawrence J. Clipper en Christopher Ackerley geeft geen verklaring voor de uienventer, en dat geldt ook voor de website die o.a. op dit boek gebaseerd is, het Malcolm Lowry Project.

Toch is dit geen verbeelding maar werkelijkheid. Vanuit Frankrijk vertrokken Bretoense boeren naar Engeland om uien te verkopen, met de fiets. De Bretoense (rode, paarse) uien waren immers van bijzondere kwaliteit, de combinatie van grond en lucht maakt landbouwproducten specifiek (wat door de natuurbewegingen nu onmogelijk gemaakt wordt – alles moet onder water gezet worden, de natuurbewegingen staan in dienst van McDonald’s, de hele wereld moet dezelfde smurrie eten), de smaak is geografisch bepaald – maar wat een wereld ! uien zijn en waren niet het meest verfijnde eten, toch goed genoeg voor de Britten, de delicatessen worden binnen de Franse landsgrenzen gehouden – de tijd toen men uien at als groente, toen uien een belangrijk onderdeel van de maaltijden waren, het rauwe, ruwe, brute eten.

Het beeld dat Lowry oproept blijft toch problematisch: de terugtocht is ‘droefgeestig, somber, eenzaam’ – ik begrijp wel dat een reis in Groot-Brittannië geen godsgeschenk is, maar in de situatie van de ‘onion Johnnies’ moest dit toch vreugdevoller zijn : men had de Britten immers met ajuinen opgezadeld, de zakken vol geld en huiswaarts naar een hogere cultuur.

Nog enkele voorbeelden van slordig vertalen. ‘De zelfs bij avond kleurrijke stad was stralend verlicht, zij het sporadisch, zoals een haven.’ (34) Sporadisch ?, in het Engels ‘but only in patches’ (29) – sporadisch is een tijdsaanduiding, nu en dan, hier gaat het om verspreid licht, hier en daar, op sommige plaatsen.
‘Helpt het dat ik bovendien toegeef dat het van lamlendigheid mijnerzijds getuigde, haast van clownerie, wilde ik zeggen, om Yvonne zo in je schoot te werpen, wat mij op de onvermijdelijke worm in de hersenen en het hart en de mond vol zaagsel kwam te staan ?’
(101) – in het Engels is er geen sprake van een worm wel van een ‘bladder on the brain’ (84).
‘Wat heeft het voor zin om te ontsnappen,’ besloot hij in volmaakte ernst met de moraal, ‘aan onszelf?’ (107, is niet te begrijpen terwijl het Engels glashelder is: ‘What’s the use of escaping’, he drew the moral with complete seriousness, ‘from ourselves ?’ (89) – waarbij ook gewezen mag worden op het juiste gebruik van de komma’s en de aanhalingstekens in het Engels en dit in tegenstelling tot het huidige spelling-Nederlands van de uitgevers en hun universitaire trawanten.
Op pagina 176 staat plots een lange streep ————–, waar in het Engels gewoon drie puntjes staan (145).
Of wat te denken van ‘Yvonne, die blanco voor zich uit staarde’ (140) voor ‘staring blankly’ (115), toch eerder een lege, ongefixeerde blik.

Het werkelijkheidsgehalte van een roman bestaat uit een aantal feiten die al dan niet gekend zijn, maar indien niet gekend wel mogelijk, al moge die realiteit verwrongen zijn, soms kan men grappen met de werkelijkheid uithalen. Al zal Laruelle ook wel op een werkelijk bestaand personage gebaseerd zijn, hier is hij een romanfiguur, die door Lowry verbonden wordt met een andere fantaisist waardoor de werkelijkheidswaarde … verhoogd wordt (al is ‘de laatste oorlog’ niet de laatste, wel de Eerste Wereldoorlog : ‘(Laruelle had bij de artillerie gediend gedurende de laatste oorlog en had die overleefd ondanks het feit dat hij enige tijd onder direct bevel had gestaan van Guillaume Apollinaire)’ (44).

De kleur groen: ‘de groene waterweiden’ ‘(45), ‘the immeasurable green meadows of waters’ – water en land worden met elkaar verbonden tot één (‘onmogelijk’) beeld, Lowry beschrijft de vaart van een schip ‘als een afgedwaald schaap’ – waardoor weide en water in één beeld samen kunnen komen – wij denken natuurlijk aan Zeepijn van Charlotte Mutsaers.
Eenzelfde procedé volgt hij met ‘groene genade’ (94) – door Yvonne wordt gedroomd van een boerderij, de Consul is weigerachtig daar hij weet dat koeien geen alcohol schenken, ook hier weer één van die vernuftige redeneringen waarin de alcohol als denkstijl een rol speelt, dit terzijde gelaten, dan nog : ‘[…] dat je je ziel precies dezelfde groene genade binnen kunt noden, terwijl her en der hetzelfde dierbare welkom klinkt, nietwaar ?’ (94), het origineel geeft ‘the same green graces’ (79). Lawrence J. Clipper en Christopher Ackerley geven als verklaring : ‘In theology, grace is unmerited favour extended by God to man. In Grace Abounding, Bunyan speaks of “those Graces of God that now were green on me.” Yvonne had noted that the grass was not as green as it should be. Compare Marvell’s ‘The Garden’, its “a green thought in a green shade” and flight of a bird as the Platonic form of the soul; it reflects: “Two paradises ‘twere in one, / To be in Paradise alone.”
Paul Claes voegt toe (e-mail 24-11-2022) : ‘Die ‘green graces’ zijn een voorbeeld van hypallage. Bedoeld is de ‘genade/gunst van een groene tuin’. De stijlfiguur komt vaak voor in het Engels, maar ook in het maniërisme en het modernisme (Borges gebruikt haar stelselmatig, maar ook Claus is er niet vies van). Als ik me goed herinner, wordt in het stripalbum “Astérix chez les Bretons” al de draak gestoken met de uien etende Britten.’

Lucretius wordt in het derde hoofdstuk vermeld. ‘De consul zat in de kapotte groene schommelstoel tegenover Yvonne. Misschien was het alleen maar de ziel, dacht hij, die langzaam tevoorschijn kwam uit strychnine en een vorm van onthechting bereikte, geschikt om te redetwisten met Lucretius, de ziel die ouder werd terwijl het lichaam zich vele malen kon hernieuwen behalve als het onveranderlijk aan de ouderdom gewoon was geraakt.’ (92)
Clipper en Ackerley verklaren deze passage met de verzen 455-458 uit Boek 3 (over ziel en geest) van De rerum natura,

ergo dissolui quoque convenit omnem animai
naturam, ceu fumus, in altas aeris auras;
quandoquidem gigni pariter pariterque videmus
crescere et, [ut] docui, simul aevo fessa fatisci.

In de vertaling van Marguerite Prakke : ‘Hier volgt dus uit dat ook de hele zielssubstantie / verdwijnt en oplost als rook in de hoge luchtregionen / omdat we zien dat ze samen ontstaan en groeien en samen, / zoals ik zei, door tijdsverloop uiteen gaan vallen.’ Toch is er nog een andere echo te horen (want wat de Consul van Lowry en Lucretius beweren is tegengesteld aan elkaar) en wel die van de gekende honing-metafoor, Boek 4, 11-19, waar het zieke kind met honing verleid wordt om het bittere wormkruid te drinken (en zo doet de filosoof het met poëzie om het denken zoet en verteerbaar te maken) – bij Lowry wordt de honing echter vervangen door strychnine waarbij hij de aloude dronkemansredenering volgt dat men in een roes beter denkt, diepere waarheden ziet (denkt te zien) en aldus een discussie met Lucretius kan opzetten. Die ziel wordt iets verder weer opgevoerd, en dan in de materialistische visie van Lucretius: ‘Might a soul bathe there and be clean or slake its drought ?’ (78) – ‘Zou een ziel daarin kunnen baden en schoon worden of haar dorst lessen ?’ (94) – ook deze vertaling is onjuist want het Engels is een citaat van Andrew Marvell (1621-1678) uit ‘Clorinda and Damon’ en had dus in een historiserend Nederlands vertaald moeten zijn.

Zinnen als hamerslagen.
. ‘De Tijd is in elk geval een kwakzalver.’ (55)(, zo vertaalt Peter Bergsma ‘Time is a fake healer anyway.’ (45) – wat toch iets anders is.)
. ‘Maar de zon veranderde verdriet in gif en een gloeiend lichaam bespotte alleen maar het zieke hart, […].’ (71) – ‘But the sun turned grief to poison and a glowing body only mocked the sick heart, […].’ (59)
. ‘[…] rusteloos als een klein jacht dat om zijn anker draait.’ (73) – gezegd over Yvonne, ‘restless as a little yacht turning at anchor.’ (61)
. ‘Ze zaten enige tijd tegenover elkaar als twee stomme sprakeloze vestingen.’ (96) – ‘For a time they confronted each other like two mute unspeaking forts.’ (80)

cursief, vergilius, uien, lucretius en meer : malcolm lowry (1)

Al een aantal maal begonnen in Under the volcano maar dat eerste hoofdstuk geraakte je niet door, kennis van taal is verbonden met de ingewikkeldheid van het boek. Dan nam ik de Nederlandse vertaling ter hand (Onder de vulkaan, vertaald door Peter Bergsma, 14de druk, 2007), las daarin de brief van Lowry aan zijn uitgever Jonathan Cape waar hij de moeilijkheidsgraad, de onduidelijkheid van het eerste hoofdstuk verdedigde en je hem gelijk gaf, dat eerste hoofdstuk is geschreven zoals het geschreven moest worden, Cape had ook gelijk, de lezer wordt afgeschrikt – een boek als een Afrikaans beeld. De Engelse editie toch maar beter bij de hand houden.

De roman is rijk aan verwijzingen, die niet allemaal te begrijpen zijn, de tijd is verdwenen, wat ooit populaire kennis was, komt nu als hermetisme over, persoonlijke lotgevallen zijn zoals de uitdrukking het zegt – zoals men de ander nooit kennen kan, zo ook geen boek – laat staan een andere cultuur, laat vreemdheid bestaan. De Engelse cultuur heeft er wel voor gezorgd dat er ‘gidsen’ zijn, gidsen die nauwelijks in het Nederlandse taalgebied bestaan, hier dienen boeken om bij te breien, de illusie van ‘verbondenheid’ in stand houdend, de ideologische leugen.

De Nederlandse vertaling werd uitgegeven bij De Bezige Bij, passend bij dit boek, De Bibberende Bever, in de reeks Ulysses classics, in het Engels uiteraard om ook de lezers in Los Angeles te verleiden het boek in het Nederlands te lezen, en dus met de nodige slordigheden en fouten – waar Lowry soms cursief gebruikt, lapt DBB dat aan haar botte laarzen, soms volgt ze dat cursief dan weer wel, al naargelang de wind waait en de drank gelokt heeft – zelfs in krankzinnigheid en achteloosheid zit niet altijd een systeem. In de brief aan Jonathan Cape, (opgenomen in de vertaling), waar Lowry zijn boek verdedigt en verklaart, een gelijkenis met Willem Elsschot komt op, waar deze laatste de stijl verklaarde, verklaarde Lowry de inhoud, de structuur, de noodzakelijkheid van alle gegevens, suggereert Lowry om de (moeilijke) passage waar geciteerd wordt uit toeristische folders ‘gemakkelijker’ te maken  ‘[…] door […] een vette letter voor de kopjes te gebruiken en vervolgens iets dat varieerde van cursief tot diamant en andersom’ te zetten, in het Engels ‘the occasional use of black letter for the headings juxtaposed with anything from cursive down to diamond type for the rest and back again’ – het gaat hier om de ‘diamant/diamond’ – in het Nederlands is dit voor het gros der lezers onbegrijpelijk, diamant in de eerste plaats toch een steen en verbonden (sic) met aantrekkelijke blondines, in het Engels wordt door de toevoeging ‘types’ de zaak al iets duidelijker, de meeste lezers lezen daar toch over en wie het zich afvraagt zal denken een technische term niet aan mij besteed, diamant is inderdaad een vakterm en is, in de definitie van Huib van Krimpen, ‘traditionele benaming voor het lettercorps van 4 pt. In het Frans betekent hetzelfde woord echter 3 pt.’ – waarbij we hier weer een echo krijgen van de eeuwenoude rivaliteit tussen Frankrijk en Groot-Brittannië, een ander voorbeeld(je) is ‘French disease’ voor syfilis, in Frankrijk uiteraard ‘la maladie anglaise’ genoemd – waarmee maar gezegd is dat Lowry wel degelijk belang hechtte aan de typografie.

In die brief aan Jonathan Cape verwijst Lowry naar de passage in het negende hoofdstuk waar een indiaan zijn vader draagt, en verklaart ‘is een herhaling en veralgemenisering van het thema van de mensheid die maar voort ploetert onder het eeuwige tragische gewicht van het verleden. Maar het is ook freudiaans (de man die eeuwig de psychologische last van zijn vader torst), sophocleaans, oedipaal en wat al niet meer, wat de indiaan weer met de Consul verbindt.’ – het eigenaardige is dat Lowry niet naar Vergilius verwijst, de epidode waar Aeneas zijn vader Anchises op zijn rug neemt en Troje ontvlucht.

De veertiende druk van de vertaling die ik hier bij handen heb, bevat natuurlijk ook de gewone Blunderende Bij-fouten. EI Cónsul (40) (in onderkast : ei cónsul) moet natuurlijk El Cónsul (el cónsul) zijn.
Laruelle citeert uit Doctor Faustus, daarmee al verwijzend naar de val van de Consul: ‘Cut is the branch that might have grown full straight’ (Penguin, 1980, p. 40) – in het Nederlands : ‘Gesnoeid de twijg eer zei tot wasdom kwam,’ (48) – zij.
‘voordat Yvonne was uitgebadderd’ (98) – uitbadderen, geen spellingsfout voor uitbaggeren of uitbabbelen maar een domme vertaling voor ‘Yvonne had finished her bath.’ (82).
‘Hugh herhaalde het fruitritueel, het veulen hees zichzelf de dijk weer op en ze vormden weer een gezelschap […].’ (148) – in Mexico kan veel, zeker wat rituelen betreft, van een Engelse schrijver kunnen we veel verwachten, maar wat een ‘fruitritueel’ zou kunnen zijn, daar hebben we het raden naar, gelukkig hebben we gelezen, herinneren we ons een vorige passage (p. 133-134) en verbeteren we in ‘fluitritueel’ (‘the ritual of whistling’, 122) – Hugh, een derde in het spel, al zijn er nog andere derden, heeft immers geleerd hoe hij paarden met fluitsignalen kan intomen, leiden en beheersen. Ach, was het leven maar zo gemakkelijk.

honingeter van tülin erkan, taal en afscheid

Was het boek door een ernstige uitgeverij gepubliceerd, was de redacteur of redactrice geen slapend wezen geweest, had men de taalwendingen nog eens door een zeef gehaald, was Honingeter van Tülin Erkan een nog indrukwekkender debuut geweest. Soms hebben mensen hun naam tegen, wordt er van hen verwacht wat de naam zou suggereren, (als men anoniem moet solliciteren of huren of examens afleggen, waarom dan niet iedereen in alle omstandigheden een nummer gegeven, de voorgangers hebben dat toch ook gedaan ?), de heersende mening heerst immers, en wordt de naamdrager daarmee meer dan tekort gedaan, de verwachter al evenzeer naar beneden getrokken, Erkan is één van die figuren die zich afzetten tegen de verwachtingspatronen en een eigen weg gaan – zeker is ze nu al te vergelijken met Mustafa Stitou, ook hij een figuur die boven de simpelheden uitstijgt.

Zoals shopping malls, trein- en benzinestations, ziekenhuizen, nu ook culturele huizen en bibliotheken (het shopping mall-model als universele leugen), zijn luchthavens onzijdige ruimtes, niet neutraal, maar ruimtes waar gepasseerd wordt, waar niets bestaat, alles is voos, onecht en vals, veelal vergiftigd door koopzucht en andere ideologie, toch zijn er mensen die daar hun levens- en zelfs woonruimte hebben – ankerloos. Mehran Karimi Nasseri leefde jaren op de luchthaven Charles de Gaulle in Roissy, is nu gestorven : in de leegte een mens geworden, misschien, maar geen individu – daarvoor ontbrak de individuele ruimte, in de publieke ruimte speelt men het spel.

De roman is in 5 delen opgebouwd, topos, seismos, arrivals geliş, departures gidiş, telos – alleen al met deze onderscheidingen onderscheidt Erkan zich van veel tijdgenoten : niet de afkomst bepaalt de identiteit van een mens, wel de omstandigheden, niet die van aarde, grond en erfgenootschappen, wel van toeval, ontmoetingen. Op de luchthaven zwerven mensen rond, op een plaats die geen menselijkheid heeft, slechts een tussenplaats is, en de mensen daar lijken ook tussen twee tijden te leven (zonder leven), dat wat was en dat wat zijn zal – een tussenbestaan dat nauwelijks meer dan een vegeteren is. Erkan beschrijft drie personen en van elk maakt ze een figuur van vlees en bloed zonder echter in de val te trappen die personages volledig te willen verklaren – de alwetende schrijver laat toch een tussengebied van onzekerheid, geheimhouding, afstand en dus vrijheid bestaan.

Het raadsel van het ik bewaart Erkan, de lezer moet lezer zijn om te achterhalen wie de ik-figuur is, (er wordt geen spel met de lezer gespeeld), van de drie figuren is de vrouwelijke de centrale, rond haar is er Ömer, een bewakingsagent, en zijn hond, Wernicke, een afgedankte piloot die langzaam desintegreert en de omgekeerde beweging maakt van de ik, Sibel, die langzaamaan haar taal terugvindt, gebruikt, banden met mensen opbouwt, zichzelf weer maakt. Doorheen het verhaal worden herinneringen opgeroepen, wat een mensenleven is, hoe het geworden is wat was. Voor Sibel de karigheid van de vaderlijke taal, de onwennigheid van het nieuwe land maken de vreemdheid van het karakter uit, voor Ömer zijn werk in de Belgische koolmijnen, het verdriet van zijn scheiding en het kroost dat achtergelaten is, voor Wernicke zijn status van piloot, een leider, die hij kwijtgeraakt is, hoe hij zelf geen vat meer heeft op de werkelijkheid doordat zijn hersenen de taal in brokken doet vallen – elk heeft het eigen leed te dragen, er is tussen de personages een mededogen voor elkaar zonder dat er sentimenteel gesnotter bij moet komen – men zorgt op een bijna onzichtbare manier zorgvuldig voor elkaar. Men kijkt, men houdt elkaar in het oog – geen repressie echter – het kijken is één van de thema’s van de roman.

Staat de taal centraal, is het toch niet zoals de huidige ideologie het verlangt, taal is uiteraard communicatie, maar bij Erkan moet ze ook in staat zijn afscheid te nemen – afscheid van een onzekerheid, een verleden, andere lotgenoten, de taal moet breken, snijden, scheuren waardoor een mens loskomt van zijn ‘lot’, een eigen lot ontwerpen kan. Het herinneren is immers een verscheurdheid, dat wat verloren is: ‘Ömer zegt dat hij dingen vergeet omdat hij de woorden om ze te benoemen kwijtraakt. Als de woorden verdwijnen, dan verdwijnen de herinneringen vaak mee. Hij duwt op de play-knop van de cassettespeler. Dan wacht mijn land … mijn vlakke land.’ (Jacques Brel speelt, op de achtergrond, een belangrijke rol, Ne me quitte pas.) Er wordt ook afscheid van het eigen ik genomen – het doen alsof komt ervoor in de plaats, op een vernuftige manier wordt de zoektocht naar het eigen ik op een hoger niveau gebracht, wat het kenmerk van een schrijver is : het persoonlijke wordt algemener (waardoor het biografische verdwijnen kan).

Een persoonlijke taal kan sterven, als de mens sterft, maar ook een vogeltaal kan verdwijnen, de honingeter is daar een voorbeeld van : de mannetjeszangers zijn hun paringszang vergeten en daardoor zal de soort uitsterven. Is Wernicke ziek of is zijn taal zelf aangetast en kan die taal dan sterven, waardoor ook de mens zelf zal sterven ? De taak is een taal te vinden. Het ontheemd-zijn samen te leven. ‘De taal die ik in mijn droom sprak smaakte zoet en bekend, maar wilde in mijn lichaam blijven.’ – welke taal mag gesproken worden en welke taal maakt geen communicatie of afscheid mogelijk ? Met de woorden verdwijnt het herinneren en daardoor het verleden, het eigen ik wordt achtergelaten. Voorbij voorbij de taal – de stilte.

Honingeter is genomineerd voor De bronzen uil 2022, daarmee is Erkan echter in de klauwen van de Verhofstadt-clan gevallen en dient ze dan ook in de Gentse nieuwe fascistentempel, De Krook, op te draven. De wereld is gitzwart.

idealen

Ah, les hommes, les hommes, dit Thérèse, ils n’ont pas d’idéal.

Samuel Beckett, Mercier et Camier (1970)

heureux qui, comme ulysse (28,5) – verbeeld (2)

Spreek Fondation Carmignac uit en u voelt alreeds de siddering van het vele geld, het zuchten van de goudstaven en als u weet dat de villa van de stichting op het Ile de Porquerolles staat, dan voelt u al de weldoende warmte van de zon, het zoete kabbelen van de zilte zee, het zwoele babbelen van zeemeerminnen en zeehonden, de natuur die de mensen welgezind is. Het eiland is een natuurpark, de villa werd een instelling waar kunst getoond werd – ondergronds, want alles vastgelegd geklasseerd, dat kelders geassocieerd mogen worden met verborgen deuren en kooien is meegenomen. Geld moet vloeien en architectuur is, zoals de filosofie in de Middeleeuwen, de dienstmeid van de theologie (het kapitalisme een godsdienst). Dit jaar was er een tentoonstelling Le songe d’Ulysse, geïnspireerd op de Odysseus-figuur, meer dan de kunstenaars hebben de curatoren het Homeros-verhaal als kapstok gebruikt en van ver of dichtbij kunnen verbanden gevonden worden – een zoveelste voorbeeld van curatoriale onderdanigheid aan het geld en misbruik van de cultuur voor dat geld en het toerisme. Dat belet niet dat in de tentoonstelling goede werken te zien waren en dat de bijbehorende catalogus een vreugde voor het oog is, eindelijk een hedendaagse vormgeving die niet simplistisch is, niet stapt in al uitgetreden sporen, een moderniteit met intelligentie en smaak toont, jazeker hebben de vormgevers het boek naar hun hand gezet, maar als de handen door een verstandig hoofd gedirigeerd worden, krijgt men een waarlijk intelligent boek, tussen de bladen van het boek werden bovendien losse reproducties gestoken, hoe simpel dit ook is, de werking is bevrijdend, ook glanzend zilverpapier, daarmee het spiegeleffect bewerkstelligend (allen vervelend als het boek gevallen is – waar moeten die losse bladen heen? – de kunst komt van de bladen af, wordt reëler – en daarmee ook raadselachtiger. Er worden verschillende lettertypes gebruikt, zoals in zoveel andere vormgeving, maar ook hier is dit niet om de aandacht op de vormgever zelf te richten, maar wordt het boek op zichzelf een (grafisch) kunstwerk – hoe met aandacht, smaak en culturele bagage een boek gemaakt kan worden. Het grafisch bureau dat hiervoor alle lof zou moeten krijgen is deValence uit Parijs.

Uiteraard wordt de tentoonstelling in het Curatorees verantwoord gekaderd : « […] transforme les espaces dans un labyrinthe […] un espace mental de dérive dans lequel le visiteur est invité à se perdre […] l’ambiguïté du désir […] des questions d’identité […] des rencontres spirituelles et hors du temps […] » – dit kan evengoed een wokistisch pamflet als een doctrinaire catechismus zijn – voor een sector die creativiteit en originaliteit in het vaandel voert, is de ondoordachte woordenbrij nogal ontluisterend.

De Odyssee is een boek, een mythe en een wereld stelt de commissaris van de tentoonstelling, Francesco Stocchi, en zo’n stelling is een vrijbrief om te doen wat men wil doen. Het boek is een avonturenverhaal : Odysseus reist naar het onbekende (wat uiteraard onjuist is), hij wordt telkens weer geconfronteerd met ‘zaken’ die niet aan hem gelijk zijn – op een niet-subtiele manier wordt Homeros een identitair auteur : de identiteit en zelfs het ik-concept van de oude Grieken is niet dat van zij die hier nu onze hoofden willen koloniseren. De zeereis wordt een labyrint op zee genoemd (ook dat onjuist en intellectueel oneerlijk omdat zo het verhaal van de Minotaurus met dat van Odysseus gemengd wordt) en de bezoeker wordt op ‘eenzelfde manier’ met kunstwerken geconfronteerd – wat toch ook iets anders is dan Sirenen, stormen, schipbreuk en dagenlang in zoutwater liggen weken. Uiteindelijk is het concept van het labyrint het belangrijkste, een essay van Paula Burleigh, in de catalogus opgenomen, somt alle tentoonstellingen op die als een labyrint geconceptualiseerd zijn.

Maar wat dan ook : het verhaal van Odysseus blijft springlevend want wordt in elk leven herhaald : we ondergaan het lot meer dan dat we het heft in eigen hand kunnen nemen, welke wegen we gaan, we weten niet welke deuren zich zullen openen en welke afgronden er daarachter zullen schuilen. Het labyrint kent enkel wegen, er is geen centrum, wat we zoeken is een uitweg, we willen weg uit het labyrint, het niet weten is zwaarder dan de bevrijding – al wordt in de Curatorese inleiding het labyrint geprezen en daarmee het antirationalisme – en dan is men verwonderd dat men zich tegen de wetenschap, de vooruitgang en de democratie keert : de dwaasheid wordt geboren in de hogere regionen van de maatschappij. Een aantal werken uit de vaste collectie werd in deze tentoonstelling gewrongen – elke intellectuele aspiratie daarmee ontkennend : alles dient voor alles.

De reis van Odysseus is een drievoudige strijd : tegen goden en monsters, tegen mensen en tegen de natuur. In deze tentoonstelling werden niet de ‘representaties’ van Odysseus getoond maar wel hoe hedendaagse kunstenaars met die ‘eeuwige’ problematiek omgaan. Van Miquel Barceló is de indrukwekkende ‘Alycastre’ te zien,

geen figuur of personage uit de Odyssee en toch die wereld van mythische wezens oproepend, het beeld heeft niets met onze afgelikte wereld te maken, maar we voelen hoe een grondlaag aangesproken wordt, de onbekendheid van de wereld, de dreiging van wat mogelijk is – de Griekse wereld maakte zich door fantasiebeelden angstig, wij zijn geëvolueerd en zorgen er voor dat ons de werkelijkheid angst aanjaagt. Er is het prachtige werk van Martial Raysse, ‘Faire et défaire Pénélope That’s the rule’ uit 1966,

de vrouw, die Penelope is, is hier, alhoewel wachtend, niet meer de passieve vrouw, er is ook geen heldenzucht, alle elementen van het verhaal zijn aanwezig, de desintegratie van een persoon die wacht, wordt wel degelijk weergegeven, er is emotie maar geen sentimentaliteit, er is afstand en daardoor krijgt de vrouw waardigheid. Op de omslag van de catalogus prijkt een ander vrouwbeeld van Raysse, waardoor al zijn vrouwen die ons aankijken, nu een Penelope zijn, uit 1962, ‘Sans titre’

Een ander werk is zijn ‘Ulysses, why do you come so late poor fool’ uit 1966, eveneens geen illustratie maar een oproepen van een sfeer, een afwachten, een verwijt dat geen antwoord dient te krijgen.

Werken als deze worden, door in deze tentoonstelling opgenomen te zijn, wel degelijk verrijkt, ze krijgen meer context en inhoud, niet langer zijn ze ‘moderne kunst’ maar elementen uit de westerse cultuur die terugverwijzen én zichzelf blijven. Er zijn natuurlijk ook de simpelen, een Basquiat, een Haring, een Sassolino, een Hanson, een Oliver Laric, enz., deze laatste met een werk die de ontsnapping uit de grot van Polyphemos zou kunnen verbeelden, maar in de titel, ‘Ram with human’, geen verwijzing opneemt en daardoor een beeld zonder inhoud blijft, het simplisme van de figuratie tevens een gelijkenis met de nieuwe activistische-fascistische kunst.

Er is een hedendaagse kunst die in dienst staat, en omdat ze inhoudsloos is, zowel het kapitaal als het activisme (dat slechts een schijnkritiek is) kan dienen, zowel bevestiging als negatie is, het Curatorees hoeft de zaken dus niet te verduidelijken, de woorden betekenen niets, de verdoezeling staat in dienst van de leugen.

heureux qui, comme ulysse (42,5) – werner lambersy

In Antwerpen geboren (1941), Frans sprekend en schrijvend, in Parijs gestorven (2021), Werner Lambersy behoorde tot die nu uitgestorven generatie van cultureel onderlegde Franstalige Vlamingen. In het clichématige denken is het barokke van de dichter te wijten / te danken aan zijn Vlaamse afkomst, evengoed moeten we zeggen dat de overdaad wel zeer Frans (Waals) is, ver verwijderd van het cartesiaanse denken, dat in het niet-clichédenken nog steeds het enige, volwaardige denken is. Zeer Vlaams is dan dat zijn vader bij de SS gegaan is, Mulisch-gelijk dat zijn moeder Joods was – het gezin, dat veilig nest.

Dernières nouvelles d’Ulysse : avis de recherche (2015) is een ‘opsporingsbericht’. Er is van Hubert Haddad een voorwoord, hij wil ons wijsmaken dat Ulysse meer naar James Joyce dan naar Homeros verwijst – wat een dwaling. Het boek, dat een verslag is van een leven, een zoektocht naar de zin, is een homerische odyssee, tegelijkertijd een reflectie (dat hatelijke woord) op de taal, een lofzang op de woorden en het leven – taal en leven zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, taal is dus geen onderdrukkingsmachine zoals de diabolische antihumanisten het ons willen aanpraten en ons een nieuwe, gezuiverde taal (die dan kuisheidsgordellijk maagdelijk opspringend is) opleggen. De volheid van het leven, het hart en de rede, is het onderwerp van Lambersy’s lange gedicht, dat uit korte strofen bestaat, 2 kolommen per blad, de typografie legt niet alleen het oog snelheid op, de berichten zijn als krantenberichten. De korte versregels zijn echter niet geschikt om indringende intelligentie te tonen, de korte regels zijn als kreten, uitingen zonder veel samenhang, zo worden nogal wat namen op het papier gegooid, maar dat is een zeer oppervlakkige manier om de volheid van cultuur te evoceren.

Het gedicht opent seculier, er is geen aanroeping van een muze : « Ici commence / Le chant qui jamais / N’a cessé », waarmee de eeuwigdurende geldigheid al vanaf het begin geponeerd wordt – een tocht zonder einde, geen thuiskomst – of, het is de thuiskomst die steeds opnieuw bezongen wordt. De reis behelst het weten en de onwetendheid, niet de oppervlakkige, kapitalistische, toeristische beleving die aan cultuur radicaal tegengesteld is, en wordt via de taal ondernomen, de taal die zowel de stilte als het verhullen van stilte is, het spreken dat een zwijgen in zich draagt. Er zijn nogal wat draden in dit lange gedicht (daarom is het ook lang) en niet alle draden zijn even zinvol of uitgewerkt, een lang gedicht komt gemakkelijk los,  breiwerk moet vast gebreid worden, teveel kinderen zijn met die slappe truien gepest, door hun liefdevolle, slecht breiende moeder, in elkaar geflanst, de moeder het zorgende beest. Er bestaat een drukkingsgroep van getraumatiseerde volwassenen die in hun jeugd opgezadeld (sic) werden met zulkdanige vodden, sommigen hebben zich verenigd in de werkgroep ‘wij dragen als een rots, trots onze rode pots’ – en wil druk zetten op het beleid.

Het verhaal van Odysseus wordt hier de twintigste eeuw ingetrokken en het verlangen komt centraal te staan, daarmee wordt de Griekse held, geen zeeman, een psychologisch en surrealistisch personage, nog meer de zoektocht naar kennis beklemtonend, de vinding ook buiten de grenzen van de rationaliteit. De voosheid van de wereld komt tot uiting door onverwachte en inzichtgevende nevenstaande schikkingen : « Ulysse regarde / Les prétendants à la TV » – de reis van Odysseus is dus niet die van de Oudheid maar wel een tijdsreis, verbijsterd ziet hij de 20ste eeuw (deze 21ste, die nog altijd de 20ste is) aan – en gruwt – Odysseus komt tegenover deze tijd als “een zuivere” te staan, wat er ook gebeurd moge zijn, tegenover de geldzucht en het bedrog van dit hier rondom ons, zijn de gebeurtenissen jongmenselijke pekelzonden, « La guerre / Engraisse les plus gras ».

Iedereen is een Odysseus (zoals hij ook een Bardamu, Proust, Goya, …) en zij een Calypso (of een Betty Boop, Nausikaa, Kirke of Baez, …) : de odyssee duurt een leven lang, de oorlog duurt zolang er macht is. De beelden worden door elkaar gehusseld, het paard van Troje wordt hier het voertuig van Goebbels – de Odysseus-figuur staat voor de kleine man, Elckerlyc, die het leven boven de onderdrukking verkiest. Maar Odysseus staat ook voor de inventie, de creativiteit, het volle leven dus. Er is een morele ondertoon : tegenover het leven (dat door de anderen minder leven geworden is) staat de poëzie, het is de menselijke taak tegenover de brand (die altijd gesticht wordt) het gedicht te stellen, de hölderliaanse vraag « Que faire du souffle / Faible qui habite / La carcasse / […] Sinon répéter / L’irréductible poème / Qui embrasse // Quand la beauté brûle ». Dat morele is echter geen moralisme maar een verdediging van het menselijke, het is de morele taak te weten, te handelen in dienst van de mens (niet van de macht, niet van een god, niet van de natuur (op een cynische wijze gebruikt de 21ste eeuw het deus sive natura van Spinoza in een omkering  tégen de mens). In die zin is het werk van Lambersy door en door Frans : een in de taal denkend dichten.

De huidige tijd heeft de grenzen van het kennen verlegd : niet langer India, maar de maan en de planeten – maar als Odysseus zaaien we zout, de ‘we’ zijn de mensen, het zout zaaien in de grond als het zand in de machine. Het individu, en de dichter is een zich daar bewuste van, dient zich tegen die wereld te (ver)zetten. Bij Lambersy wordt Odysseus soms een heilig patertje, hij is al en geheel een goede mens, om het voorzetsel Über niet te willen gebruiken, waardoor het gedicht veel van zijn waarde verliest – niets schoners dan een vuile mens. Toch laat het gedicht als geheel wel andere stemmen horen, toch is de tweespalt tussen goed en slecht, ‘de mensen’ en de macht (de kolonels bijvoorbeeld van de Griekse dictatuur, nazaten van oude Grieken) te simplistisch, te academisch, te politiek. Ook tussen de eigen spaken moeten stokken gestoken worden.

De tocht naar het licht (van de Verlichting) is niet gemakkelijk, de poëzie (de kunst) kan daarbij helpen, of misschien is de weg van de kunst zelf wel de tocht, en de rest bijzaak. Daarmee wordt het mysterie van de wereld (het leven) en de zang (de kunst)  geïntroduceerd – het weten bergt een niet-weten in zich (en hier geldt de omkering niet). Niet het streven ín en van de wereld, wel de puurheid van het niets is de verleiding, de leegte zonder grenzen, zonder centrum, maar ook hier volgt Lambersy de homerische levensmoraal :« Exister exigeait / Un désordre viril », levenskracht is het spelen van de vrouw die geen vrouw wil zijn, de man geen man en daardoor het vrouwelijke en het mannelijke beklemtonen, incarneren. En weer wordt de wereld met het poëtische verbonden : « Le réel / Est dans la tête / Dans ce qu’en fait la poésie ».

De grote gestalten van de Europese cultuur worden met de Odysseus-figuur verbonden, Niklaus Radnoty, Seneca, Quichot, Nele en Thyl, Garcia Lorca, Rilke, Van Gogh, Picasso, Kandinsky – Odysseus is de grondrivier, de basis van de cultuur, het individu der individuen, en ook nog Sophokles en Mandela, Pansaers die tegenover de academie staat, en het toeval laat gebeuren – het leven is leven van huid op huid.

De anderen, de volgers, de lauwen, de meelopers, moeten ook vermeld worden – zij die de lelijkheid van de wereld vormen, staan nu tegenover de vluchtelingen, Odysseus-gelijken, elk facet van wat de Odysseus-mythe is, wordt in een aparte zang bezongen, van de 10 (eigenlijk 11, als we de ‘coda’ als een korte aparte zang beschouwen) is dit de vierde en uiteraard weet Lambersy dat een gedicht niets kan veranderen « mais c’est ensemble et un par un / dans le secret de n’être rien / qu’on apprend », en ook nu weer wordt alles op een hoop gegooid, geen eenduidige, gemakkelijke verontwaardiging bij deze dichter want hoe men tegenover de vluchtelingen staat, is hoe men tegenover de moord op Pasolini stond, liefde en schoonheid zijn de verschrikkelijke engelen. Odysseus vertelt en blijft vertellen, de adem blijft ademen en weer een opeenstapeling van Pina Bausch over Charlie Parker naar Céline, Pessoa (« Ulysse entre-temps fonde Lisbonne / le fado Pessoa-Personne »), Michaux, Stendhal, Char, Petrarca, enz. enz. – soms verlang je naar enige ‘focus’ (hedendaags is de man die het woord focus weet te gebruiken) want wat Lambersy beoogt is het tegendeel van wat hij doet : het ‘al’ willen samenbrengen in het één, is slechts metafysische hoogmoed en gedoemd te mislukken, zoals hier getoond wordt.

De volgende zang wordt dan weer lamentabel sentimenteel, we moeten niet hopen of geloven, alleen maar getroost worden, oh, die sukkelachtige ideologie van de kwetsbaarheid, zo tegengesteld aan de menselijkheid van Homeros en de daarbij horende moed, al moet natuurlijk wel onthouden worden dat Odysseus nogal wat tranen gestort heeft en zuchten uitgestoten, maar de clichés zijn niet uit de lucht (« L’homme heureux n’écrit pas »). Goedbedoelde schrijverij is niet altijd goede literatuur, in de zesde zang evoceert Lambersy (die met dit gedicht een intellectueel testament geschreven heeft) de vergetenen : in de schoolboeken staan niet de mijnwerkers, de arbeiders die de laan zijn uitgestuurd (al staat het woord laan haaks op het woord arbeider), de doden gedood door de levenden – het zijn de verdrukten die de wereld vorm gegeven hebben. En dan komt men tot de onjuiste heldenideologie : « Giordano Bruno ! / Beauté et bûcher imbécile » (nog steeds hedendaags nu de Groenhemden de boeken willen verbranden, de lezers bannen, de hoofden moeten met zaagsel gevuld worden) of een uitspraak van Giono dat zijn gelukkigste uren van zijn leven de leesuren in de gevangenis waren – noch een brandstapel noch tralies kunnen ooit geprezen worden. Wel de moed, van bijvoorbeeld vrouwen in Iran die door Westerse feministen niet gesteund worden, integendeel misprezen en afgewezen omdat ze in vrijheid willen leven. Zo misleidend is de wereld geworden, zo worden de hoofddoeken in het Westen die als maskers gelden, afgerukt. In een Aeolus-episode schrijft Lambersy :

Nord sud est ouest
Se disputent la direction du vent

Ulysse
dit ça n’a servi qu’à quelques-
uns

C’est l’axe
Celui du haut et du bas qui compte

Cela serait bon
Car l’histoire est sans fin
La beauté demeure l’éternel
début

De kunst is steeds weer het tegenwicht voor de wereld, de schoonheid bestaat en is een morele norm – hoe ver is deze wereld van activisten-fascisten, van het menselijke verwijderd. Odysseus vertrekt steeds weer en niemand weet waar hij, zoals Tijl Uilenspiegel, zijn laatste lied zal zingen – Odysseus, een mens.

Ecoutez
Ecoutez avec moi
Ne lâchez pas les livres

Sous prétexte que la nuit
Tombe et dévore
Les lettres