sfcdt

Categorie: literatuur

« et le désir de boire avec les anges » – salah stétié is dood

26-05-2020_salah stétie_jan voss_la pierre d'alun

Tekst van Salah Stétié, prent van Jan Voss, Fourmilière détraquée, La Pierre d’Alun

Diplomaten zijn geciviliseerde avonturiers, belangstelling voor andere landen of culturen, zelf een valies vol cultuur dragend, de macht niet ongenegen maar als ‘buitenlander’ toch een buitenstaander, steeds een vreemdeling, geen thuis meer hebben en die niet nodig hebben. In de Nederlandse literatuur F. Springer, Herman Portocarero, F.C. Terborgh, Robert van Gulik. In het buitenland zijn de voorbeelden legio, Pablo Neruda, Albert Cohen, Octavio Paz, enzovoort. Ook Salah Stétié, die op 19 mei gestorven is, geboren in 1929 in Beiroet, behoorde tot die prestigieuze groep. In de Franse cultuur opgevoed en die omarmd, bleef hij de islamcultuur behouden (natuurlijk niet het geloof) – een zeldzaam geval van iemand die meer dan één cultuur in tegenstellingen kan aanvaarden – maar laten we wel wezen: de aangenomen Franse cultuur was dominant. Voor zover ik weet, is dit werk niet in het Nederlands vertaald, de Brusselse uitgeverij La Pierre d’Alun bracht enkele werken van hem uit.

Een aforisme moet puntig geformuleerd zijn. Dat is niet genoeg. Een aforisme moet intelligent zijn, een inzicht tonen. Nog is dat niet genoeg. Een aforisme moet een glimp van cultuur laten zien. Nog niet genoeg. Een aforisme is een samenballing van een leven. Ja, dat is het.

De boeken van La Pierre d’Alun zijn allemaal gelijkvormig uitgegeven, althans de reeksen binnen de uitgeverij. De hoofdreeks La Pierre d’Alun brengt steeds een schrijver en een beeldend kunstenaar samen, de boeken zijn op de Franse wijze samengesteld: geplooide bladen los in een papieren omslag. De oplage is hoog, 600 exemplaren, verdeeld in een volkseditie (genummerd) en een luxe-editie (genummerd, gesigneerd en een losse prent toegevoegd). Het font, de Bodoni, is groot gezet, een ruime bladspiegel, de rust van de cultuur ademend, de prenten doorheen het boek geven een ritmiek en zijn als vensters buiten het boek.

In 2001 verscheen Fourmilière détraquée van Salah Stétié en met prenten van Jan Voss, de titel kunnen we vertalen als Verstoorde mierenhoop, een prachtig beeld voor een hoofd vol hersenspinsels, de aforismen als mieren die verder woekeren in het hoofd van de lezer.

– Haï selon ses mérites. Béni par l’oubli.
– Deux solitudes n’aiment pas se rencontrer.
– « En attendant », dit la vie.
– On lit dans le Coran que c’est Dieu qui porte le vol des oiseaux. Il faut qu’il ait les mains bien délicates, ce tueur. (Een gelijkaardig idee in de Bergrede, het commentaar blijft.)

Een levensfilosofie geplaatst in het gelid van enkele woorden, Stétié als een opvolger van de Franse moralistes, met humor en levensvreugde, een zich afzetten tegen de holle, bolle woorden van de Hooge Heeren.

In 2017 verscheen, ook bij La Pierre d’Alun, van de dichter Retour, rose inverse, met prenten van Pierre Alechinsky, de luxe-editie bevat een ets, en deze keer mag gezegd worden dat dit een echte ets is. Als ik me niet vergis, is dit ook het laatste boek dat van Salah Stétié verschenen is. Zijn poëzie kadert in een universeel geheel (ik zou wel het woord kosmisch willen gebruiken, ware dit niet vervuild) waarin de mens een rol heeft, naast de zwaluwen, de bomen, het zand, de hemel. De wereld is één geheel, het fragmentaire is Westers, de Oosterse invloed van Stétié verzacht dit harde. Zijn poëzie is ook niet tragisch, de mens verdwijnt zoals het al verdwijnt, de uniciteit van het individu wordt bevestigd én genegeerd – een mens wordt stof en asse. Het eerste deel van de bundel, Chant égorgé d’alouette, kan als het slot van een oeuvre gelezen worden, de dichter mediteert over het leven, telt zijn verliezen en zijn winsten – de adem van de wind voert alles mee.

Toute voix va finir
Dans la plainte du vent
Son filet déchiré
A lâché ses poissons
A lâché ses oiseaux
Le merle et le pinson

26-05-2020_salah stétie_pierre alechinsky_la pierre d'alun 3

niet in de grond

Op de blog van de Freie Universität Berlin, een stukje over Steinkohlen-English, geschreven door professor dr. Matthias Hüning. Het boek van Rutger Bregman, De meeste mensen deugen, is in het Duits vertaald. Het woord ‘steenkolenengels’ van het Nederlands werd letterlijk in het Duits vertaald. De professor vindt dit onjuist, men had » gebrochenes Englisch « moeten gebruiken.

De professor looft de vertalers, Ulrich Faure en Gerd Busse, wel omdat ze de titel zo goed vertaald hebben, nl. Im Grunde gut. Hoe deerlijk de professor zich vergist.

De taal kent de rijkdom van het verleden en is besmet door het verleden. Woorden als ‘eigenlijk’, ‘in essentie’, ‘in wezen’, ‘in grond’ verraden een essentialistisch denken.
A la Dirk Draulans: de mens is in essentie een roofdier.
A la Rik Torfs: de mens is in essentie een gelovig wezen
A la Bart De Wever: de mens is in essentie een bloed- en bodemadept – Vlaanderen kent een rechtse grondstroom
A la Tinneke Beeckman: de mens is kirrekirre
A la Susan Neimann: de mens is slecht.

Telkens weer wordt gezegd: laat u niet vangen door de schijn, de woorden en de daden, maar kijk naar de kern en die kern is de waarheid. Helaas is die kern alleen zichtbaar voor diegenen die het onzichtbare uitspreken (‘de kern van de mens is de mot’ – ‘hoezo?’ – ‘ja zeker, in essentie is er de mot’ – ‘bewijs dat dan’ – ‘je begrijpt het niet, is het wezen van de mens is de mot’ – enzovoort). Het essentialisme is een vorm van metafysisch denken, heeft meer te maken met de eigen beperkingen dan met een gedegen visie op mens en maatschappij – uiteraard is het essentialisme verbonden met discriminatie. ‘In essentie is de blanke, enzovoort’. Dit geldt ook voor Beeckman: wat is kirrejirre? Bij Neimann wordt ‘het kwaad’ dan plots als een entiteit gezien (zoals de katholieken nog steeds beweren dat de duivel bestaat) en voor Bart De Wever zijn de fermettes en de gladde kostuums het bewijs van zijn bodem- en bloedtheorie.

Zonder het boek van Bregman gelezen te hebben, is zijn titel een gedegen voorbeeld van correct denken: er zijn mensen die deugen en er zijn er die niet deugen, ‘deugen’ niet opgevat als ‘essentie’, maar als wat men doet. Dit is de pragmatische blik, de blik van de socioloog die constateert, ondanks alle praatjes, kijk naar de wereld en beoordeel die zonder de praatjes. Het is de ideologie van het antihumanisme die beweert dat dé mens slecht is (en daarom bedwongen moet worden).

Im Grunde gut is echter een essentialistische, dus metafysische titel en daarmee wordt Bregman in een totaal andere richting geplaatst, een anti-Schopenhauer dan, maar in de metafysische traditie, niet als een anti-metafysicus. De Duitse titel stelt dat de mens in essentie goed is, wat niet bewezen wordt (ook niet door Bregman), want hoe zouden we dat kunnen bewijzen? Iemand die het slechte doet, is in essentie ook goed, want hij behoort tot ‘de mens’. Spreken over de essentie is zeggen dat er een onveranderlijke kern is.

Is de mens goed of slecht? Is de Vlaming rechts of links? Is de Waalse lui en profiteert ze van de hardwerkende Vlaming? Rookt de Turk als een Turk? Er zijn dominante karaktertrekken omdat ze een vooroordeel bevestigen (wat het vooroordeel niet bevestigt wordt niet sterk waargenomen), maar toch vooral omdat de context een bepaald gedrag in de hand werkt. Het agressieve rijden van de Gentenaar wordt veroorzaakt door de slechte publieke ordening, het beleid dat mobiel gedrag niet begrijpt. De belastingontduiking van de Belg komt er omdat het politieke systeem gebaseerd is op het klantensysteem (do ut des) – is niet de aard der Belgen, de gierige Hollander is het gevolg van een spartaanse levenswijze, een protestants geloof dat in het maatschappelijk en persoonlijk leven doordrong – nu het protestantisme in de publieke ruimte vervallen is, is de zelfdiscipline verdwenen en wordt het spreken roepen.

Het is moeilijk, welhaast onmogelijk, om niet-essentialistisch te spreken en te schrijven (hoe gemakkelijk had Bregman niet kunnen schrijven ‘de mens is goed’, daarom valt de titel ook op: een auteur die zelfs in de titel al intelligentie toont): een zekere losheid in taal is noodzakelijk, anders wordt het wanneer men aan ideologie doet. Een uitdrukking als ‘in essentie is’, is een toonbeeld van foutief denken, maar kan begrepen worden als ‘dat is het belangrijkste’ – men moet de schrijver of spreker ‘kennen’ om te weten hoe de woorden begrepen moeten worden. Het metaforisch denken (als een phoenix verrees hij) is cultureel denken. Een boektitel taalkundig en filosofisch niet begrijpen en daarom het verkeerde doen, hoort daar echter niet bij.

banden (67)

Sándor Márai
Emile Verhaeren
Sanne Sannes
Ambroise Vollard
Jan de Roek
Frans Franck
Peter Verhelst (bijna)
Remy C. Van de Kerckhove
Jan Hanlo
Isaac Israels
Paul Snoek
Bert Leysen
Hugo Claus (bijna)
Françoise Dorléac
Helmut Newton
Maria van Bourgondië
Albert Camus
Jaap Hillenius
Jackson Pollock
Roland Jooris (bijna)
Louis Neefs
Gérard Arseguel
Roland Barthes
Antonio Gaudí
Isadora Duncan 

Patrick Conrad in ‘Heren van stand’: ‘Heren van stand besturen geen auto’s. / Zij rijden hun Porches te pletter tegen palmbomen op Nassau / Of telefoneren vanuit de kantoren van hun Rolls.’

kluts, klots – denken in vlaanderen (5)

23-05-2020_kluts, klots - denken in vlaanderen 5

Ꚙ Luuk Middelaar, ‘politiek filosoof’ en hoogleraar, in DS, 21/12/2020 over Greta Thurnberg, die hij een ‘kind’ noemt: hij besluit zijn betoog tegen haar: ‘De opdracht is krachten en belangen in al die domeinen te laten bewegen naar een schonere planeet. Graag met democratische overtuigingskracht, niet met een revolutionaire groene garde.’

– waarmee hij Thurnberg als anti-democratisch afdoet; de schoolgaaande jeugd als maoïstisch en moordzuchtig bestempelt, terwijl hijzelf spreekt over ‘bewegende krachten en belangen’, christen-democratische mystiek. Het demoniseren van de vijand en die als kinderachtig voorstellen én kinderlijk (kinderen), dit, het gif, het argumentum ad hominem, het verspreiden van verdachtmakingen, het fabriceren van leugens, dit alles voorgesteld als ‘politieke filosofie’, borrelpraat.

Ꚙ Evelien Bosmans is actrice, in Knack, 27/11/2019, zegt ze waarover ze meer wil weten: ‘Ik heb kunsthumaniora gevolgd, wat fantastisch was, maar daardoor heb ik veel gaten in mijn algemene kennis. […] ooit zou ik bijvoorbeeld graag geschiedenis gaan studeren aan de universiteit.’

– ‘kunsthumaniora’ werd al vanaf het begin beschouwd als de vuilnisbak voor de kinderen van de blanke middenklasse, die geen belang hecht aan kennis, dus zeker niet aan geschiedenis en voor wie iets over kunst wil weten, of godbetert aan kunst wil doen, is geschiedenis zeker niet belangrijk. De maatschappij heeft structuren gecreëerd die tegen zichzelf werken
– kunst wordt ín en door het onderwijs ontdaan van intelligentie, rationaliteit en teruggebracht tot het armzalige ik, gevoelens en zichzelf zijn.

Ꚙ Herman Nys is medisch jurist, Katholieke Universiteit Leuven, in Knack 27/11/2019 wordt hij geïnterviewd door Ann Peuteman. Hij zegt: ‘De eerste opdracht van een parlement is de regering controleren en wetsontwerpen goedkeuren.’

– de jurist kent het staatsrecht en de grondwet niet: het parlement is de wetgevende macht.

Ꚙ Anouk Torbeyns is redacteur bij De Standaard, in de krant van 11 april 2020, de rubriek ‘De verrijzenis’: wie zou u terug in het leven willen halen, antwoordt ze: Patrice Lumumba, de held van de Westerse intelligentsia geweest, de eerste democratisch verkozen regeringsleider, eerste minister van Congo, ooit, niet alleen na de onafhankelijkheidsstrijd. Hij werd vermoord, het is nog altijd niet opgelost wie de opdrachtgevers waren. Torbeyns schrijft: ‘Lumumba groeide uit tot een icoon van het Afrikaans nationalisme en de verpersoonlijking van de dekolonisatie.’

– Afrikaans nationalisme? Hutu en Tutsi ? Katanga en Kisangani? Zuid-Afrika samen met Marokko? Ghana met Rhodesië? Als Afrikaans nationalisme al zou bestaan dan is dit regelrecht racisme, een ‘Afrikaans’ gevoel dat van bovenaf opgelegd wordt om zich te profileren tegen bijvoorbeeld China: nationalisme gaat over naties – in Afrika zijn er nauwelijks naties – en Afrika is zo divers dat er van een monolithisch ‘gevoel’ geen sprake kan zijn, zelfs de ‘Afrikaanse cultuur’ is een te algemeen begrip. Lumumba werd ooit van communisme beschuldigd: communisme kan onmogelijk samengaan met nationalisme. De gemakzucht van de journalistiek die enerzijds zelf de waan van de dag uitvindt, en anderzijds de waan volgt.

Ꚙ In DS van 11 april 2020 schrijft Benno Barnard een ‘paasessay’, hij doet dit op de gewone kleinburgerlijke wijze: een beetje lachen met zichzelf, de ander karikaturaal voorstellen en zichzelf sympathiek maken door op het gevoel van de lezer te werken. ‘In elk geval luidde het uit existentialisme en atheïsme voortvloeiende naoorlogse dogma dat het leven absurd was. Sindsdien wordt dat in een slaapverwekkend ritme herhaald in onze kranten en geschriften [sic], een doffe, deprimerende echo van een ontploffing in de twintigste-eeuwse beschaving.’

– veel wollige woorden (een fontein van doffe klanken) om een cliché te maken van wat niet is: het hedendaagse atheïsme heeft niets te maken met het ‘absurdisme’, dat achterhaald kitsch-gedoe, heeft wortels in de Griekse filosofie, heeft de hele Westerse geschiedenis een min of meer ondergronds bestaan gekend, is vanaf de 16de eeuw zichtbaarder geworden, is in de 18de eeuw definitief filosofisch-materialistisch gedefinieerd, in de 19de eeuw met het positivisme en de sociologie de waardevolste visie op mens en maatschappij gebleken : we leven in een maatschappij die komaf gemaakt heeft met geloofspunten, met een bovennatuurlijke wereld, met een goddelijk ingrijpen en met de arrogantie van predikanten: we leven in een maatschappij die van het nu, nee, geen god, maar wel een merkpunt gemaakt heeft. De mens die in een Londens museum voor een schilderij van Rubens staat, ervaart geen gevoel van absurdisme: hij is met vakantie.
Barnard vertelt dan in dat essay over zijn persoonlijk leed en hoe hij in het plaatselijk, anglicaans kerkje in huilen uitbarst, kijk mij, Matteus 15:7, wat volgens hem dan een bewijs voor het godsbestaan en de rechtvaardiging van zijn, inderdaad absurd, geloof is – Barnard koketteert met het absurdisme.
– de arrogantie van de gelovige: de tranen in een kerk uitgestort zijn beter dan de tranen van de oude man die aan zijn keukentafel zit, diens tranen zijn minder waard omdat ze in een keuken geplengd worden en is die keuken dan een tegenbewijs voor het godsbestaan? De ideologie van de kleinburger die zich ironisch afwendt van de waarheid en het weten, omdat hij te lui is om zich geestelijk in te spannen, koket kontdraaiend, kijk mij, als de farizeeërs in de kerk, hoe gelovig-absurd ik ben, hoe authentiek en artistiek, juist omdat hij de dwaas speelt, is hij een dichter.
– het kenmerk van het reactionaire denken, zie Reader’s Digest, is de anekdote te verkopen als idee, zichzelf in de markt zetten als een godsbewijs.
– Gottfried Benn in Doppelleben: » Ich finde Gebet und Demut arrogant und anspuchsvoll, es setzt ja voraus, daß ich überhaupt etwas bin, aber gerade das bezweifele ich, es geht nur etwas durch mich hindurch. « (Zweitausendseins, 2003, Gesammelte Werke III, p. 2026)

Ꚙ Geert Buelens analyseert ‘Murder most foul’ van Bob Dylan, Knack 8 april 2020, hij schrijft o.a.: ‘‘Murder most foul’ biedt dan niet alleen afwisseling [sic], ontspanning zelfs, te midden de grootste gezondheidscrisis sinds mensenheugenis.’

– ‘Sinds mensenheugenis?’ (argumentum ad antiquitatem) Hoe erg en gedramatiseerd ook, het valt nogal mee: de mensenheugenis reikt tot ver in het verleden, de pest die woedde in Rome, in Noord-Europa, de aids- en de ebola-epidemie, allemaal zaken die we ons herinneren – en die in boeken neergeschreven zijn. Geert Buelens is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht.

Ꚙ Walter Pauli in Knack 13/11/2019: ‘Cultuur is een economische sector die veel meerwaarde creëert.’

– het verraad van de intelligentsia die de taal en het denkkader van de macht overgenomen heeft. Veracht ze, de dienaars van het establishment.

Ꚙ Barbara Raes creëert ‘nieuwe rituelen’, werd door TAZ in Oostende uitgenodigd als curator – de cultuurwereld die het achterlijke omarmt, haar ‘website’ heet ‘werkplaats voor niet-erkend verlies’ – men moet zoeken om verdriet te hebben, men moet alles dramatiseren, het menselijk bestaan is zélf het spektakel geworden, Guy Debord had déze domheid niet voorzien.

– of, hoe het eigen leed gecommercialiseerd wordt en een behoefte gecreëerd. Nieuwe rituelen (een contradictio in terminis) zijn zinloos omdat de rituele handeling niet ingepast kan worden in een hedendaagse samenlevingsvorm en -denken, of in een wereldbeschouwing : we leven niet langer in een mythische tijd waar de tijdsopvatting een cirkel is (het ritueel als herbeleving van de chaos, de ramp, de herbevestiging van het opnieuw beginnen zoals men vroeger opnieuw begonnen is) en de oervorm her-leefd wordt. Deze tijd is abstract geworden, zelfs voor diegenen die dit niet beseffen of begrijpen – wat als een ‘humaan’ programma wordt voorgesteld is een reactionaire leugen en daarom het fascisme zelf.

Ꚙ Knack, 6 oktober 2019, Han Renard over Renaud Camus’ omvolkingstheorie. ‘[…] om de angst van blanke mensen voor migranten, en zeker voor moslimmigranten aan te wakkeren. Bij ons [sic] verspreidde zelfs een kandidaat-voorzitter van de CD&V, Walter De Donder, een filmpje waarin hij zegt dat bepaalde wijken in onze steden ‘volledig ontvolkt zijn van onze eigen mensen’.

– Renard wil Renaud Camus verdacht maken: zijn omvolkingstheorie wordt afgedaan als een fascisme, terwijl hij alleen maar zegt en schrijft wat iedereen ziet: er zijn wijken waar er nauwelijks nog blanken wonen, er zijn no go-zones die door de politie(k) in stand gehouden worden, er is een aparte rechtspraak en een neveneconomie, het onderwijs en het cultuurleven zijn er ‘anders’ – het gaat dus niet over racisme, of over angst maar over een sociologische realiteit. Net zoals men zich zorgen mag maken over het algemeen niveau van het onderwijs, of over het milieu, mag men zich ook zorgen maken over de ‘nieuwe rechtspraak’, de verloedering van de publieke ruimte, de teloorgang van de cultuur, de neergang van het intellectuele leven, de geworden nietszeggendheid van democratie en waarheid.

Ꚙ Dirk Geldof wordt in Knack (15/04/2020) voorgesteld als ‘de Antwerpse socioloog ‘, n.a.v. de ‘coronacrisis’: ‘De wereld is nu al veranderd. En dat zal zo blijven, alleen staat nog niet vast op welke manier. Dat hangt af van wat we vandaag beslissen.’
– de waarzegger dekt zich in en alles kan gebeuren, het kan regenen of niet regenen, de zon kan schijnen of niet, we zullen nat worden of niet, dat hangt er van af of we binnen blijven of een paraplu bij hebben, ‘kortom’ het orakel blaast warm en koud en zegt niets. (De wereld verandert elke dag.) (‘En dat zal zo blijven’ – zou een tegeltjeswijsheid kunnen worden, expertenkennis.)

Ꚙ Dirk Draulans is de verdediger van een vulgair darwinisme, week na week oreert hij over de ‘misdaden’ van de natuur der mensen; zijn intellectueel bedrog is dat hij evolutieleer gelijkstelt aan dat darwinisme (dat niet van Darwin is), dat door rechts gepropageerd wordt: een vernauwde visie op natuur om het kapitalisme te verdedigen en het humanisme aan te vallen: de mens moet vernietigd worden. Wekelijkse sensatieberichten die nauwelijks nog iets met wetenschap te maken hebben, alhoewel wetenschap ingezet wordt om de ideologische rimram te verkondigen: de mens moet vernietigd worden – in de Verlichting moest de mens een voorbeeld nemen aan de natuur (tegen de dwaze godsdienstregels), in de 21ste eeuw is de natuur verworden tot een vijand die de mens mag overrompelen: de collaboratie-mens.
In Knack van 13 mei 2020: ‘Corona de Verschrikkelijke’ – alsof het virus Iwan de Verschrikkelijke is, een inspelen op primaire gevoelens (de horden) en een primair anticommunisme (de Rus). De beginregels van het artikel: ‘Het coronavirus beperkt zijn vernietigende activiteit niet tot de longen, maar kan waarschijnlijk [sic] alle organen infecteren. Het haalt een lichaam soms [sic] compleet onderuit.’
– hypothesen worden door de woordkeuze en de schrijfstijl (beter roepstijl) gebracht als stellige zekerheden, of, wetenschappelijke plausibiliteit wordt spektakel, Draulans die als Nero neerkijkt op de verwoesting.

In Knack van 6 november 2019 over ‘fake news’: mensen zijn manipuleerbaar en dat is te verklaren door onze biologische evolutie: betekent dat er niets aan te doen is. ‘Je maakt dus voor jezelf een beeld van de realiteit op basis van een fractie van die realiteit. Dat beeld moet je kansen op overleving bevorderen, maar het is niet waarheidsgetrouw. Helaas beseffen de meeste mensen dat niet.’

– Helaas beseft Draulans dat niet. Wat hij hier schrijft is algemeen waar en toch niet waar, een denken als hutsepot om een ideologische leugen te verbergen. De Westerse mens heeft met ‘overlevingskansen’ niets meer te maken: we leven niet in een jungle, het basale niveau is overstegen, de Westerse mens leeft veilig. (Uiteraard is er armoede, wordt er verkracht, enzovoort, enzovoort.) In deze passage ontkent Draulans het bestaan van de waarheid en dus van de wetenschap – journalistiek is voor hem indoctrinatie van willekeurige uitspraken. Alle kennis is niet alleen gedeeltelijke kennis maar ook voorlopige kennis – maar die kennis is wel de waarheid van dat moment. En uiteraard moet iemand niet ‘alles’ weten om een juiste uitspraak te doen: een doorgedreven scepticisme maakt de macht machtig. Toch kan men met gedeeltelijke kennis veel weten, het gaat er natuurlijk om welke feiten men weet, welke zaken geselecteerd worden: het is de wetenschapper die dit bepaalt op basis van zijn wetenschappelijke kennis. Zoals Draulans allerlei verbanden legt, die niets met elkaar te maken hebben, maar wel ‘succesvol’ zijn – Darwin bewezen.
– ‘Muizen met karakter worden minder ziek’ (Knack, 4/12/2019)
– ‘Waar mogelijk moeten we niet ingrijpen in onze natuur, waar nodig wel.’ (Knack, 26/02/20)
– ‘Virussen zijn echte overlevingsmachines. Ze zijn het leven herleid tot de essentie: voortplanting.’ (Knack, 4 maart 2020) (de oorlogstaal; de niet-bestaande essentie; leven verkeerd begrepen als voortplanting)
– ‘Als een virus zijn voortplanting wil maximaliseren’, (idem) (een virus heeft geen wil – de teleologische visie van Draulans is een verkapt theologisme)
– ‘Er zit een neanderthaler in ieder van ons.’ (Knack, 4 maart 2020) (de foute golemtheorie)
– ‘Het orgaan (de clitoris) stimuleren verschaft niet alleen genot, maar prikkelt de hersenen ook om het vrouwenlichaam klaar te maken om zaadcellen te ontvangen en te geleiden.’ (Knack, 5/02/2020) (‘om’)

In het artikel over ‘fake news’, 6/11/2019, zie foto, verwijst Draulans naar verschillende artikels in wetenschappelijke tijdschriften maar hij doet dit op een anti-wetenschappelijke wijze: het autoriteitsargument (argumentum ad verecundiam) dat niet hoeft verantwoord te worden. Zo schrijft hij: ‘Economische indicatoren, stelde een andere analyse in Science, […]’ maar wie kan en zal dit controleren? Hij geeft een opeenstapeling van zogezegde autoriteiten (maar hij doet dit vaag, zonder bronvermelding, zonder auteursvermelding) om de lezer te bedelven onder ‘waarheid’, zijn waarheid, nl. ‘De menselijke aard werkt het succes van fake news en massamanipulatie in de hand.’ – de menselijke aard bestaat niet. De verwijzingen van de ideoloog Dirk Draulans in dit artikel zijn:
– Een recent artikel in Nature beschreef …
– Begin dit jaar verscheen een studie in The Journal of Applied Research in Memory and Cognition
– Dat meldt een studie in de European Economic Review
– […], want uit een omstandige analyse in Science kan worden …
– Een essay in Nature
– […] stelde een andere analyse in Science
– […] zoals een studie in Science Advances onlangs …
– Volgens een studie in Nature Human Behaviour
– In het ongelijkheidsessay van Nature
– Een recent artikel in New Scientist

De wolf is gedood, nee vermoord, Dirk Draulans is in alle staten: ‘de eerste wolf sinds mensenheugenis’ (Knack, 5/2/2020)
– lichtelijk overdreven van iemand zonder geheugen die niet met boeken kan omgaan
‘[…] een gerechtelijk onderzoek begonnen naar de daders van het grootste Vlaamse jachtmisdrijf van deze eeuw’
– lichtelijk overdreven, vooral als er nog 80 jaar te gaan zijn
‘een eerste Vlaams wolvengezin sinds mensenheugenis’
– lichtelijk overdreven van iemand zonder geheugen die niet met boeken kan omgaan ; ‘Vlaams’?, België lijkt een kruispunt te zijn van noord-oostelijke en zuiderse wolven; ‘van eigen bodem’ is Vlaams Belang-darwinisme, de Turkse Wolven achterna.

In Knack, 1 april 2020, een ander voorbeeld, maar men kan dit in bijna elk artikel van hem lezen, een teleologische visie op natuur, à la ‘Giraffen hebben lange nekken om bladeren in de toppen van de bomen te eten’: ‘[…] geuren en kleuren in planten […] om insecten te lokken […].’ – de natuur heeft géén doel, teleologie is een afgeleide van de theologie en heeft niets met wetenschap te maken. Redeneren via analogie: als een bepaald dier X heeft om succesvol Y te doen, waarom dan niet de andere dieren?

Ꚙ De metafysicus Susan Neiman wordt uitgenodigd op de Nacht van de Vrijdenker in de Vooruit, 9 november 2019, de organisatoren begrijpen niet dat metafysica en vrijdenkerij elkaars tegengestelde zijn. Op de vraag (Knack, 6 november 2019) ‘Hoe kunnen we de mensen weer voor de waarheid interesseren’ zegt ze: ‘Door voortdurend standaarden van ernst, feitelijkheid en bewijsvoering te hanteren.’. In dat interview zegt ze: ‘[…] want ook marxisten reduceren elke vorm van waarde tot economische waarde.’

– Dat zeggen de marxisten juist niet: ze stellen dat het kapitalisme op elke waarde een geldprijs zet, niet ‘de marxisten’ of ‘het marxisme’ doen dat. Intellectuele oneerlijkheid.

Ꚙ Willems Lemmens is filosoof aan de katholieke Universiteit Antwerpen, en verzet zich dus tegen het idee van een ‘voltooid leven’ (Knack, 6 november 2019), daarmee de euthanasie-wet aanvallend. Hij vraagt zich af wie zal vaststellen wat een voltooid leven is

– net alsof iemand dat moet vaststellen: het individu bepaalt zijn eigen leven en zijn eigen dood.
Terecht noemt hij ‘emopolitiek’, al die ‘persoonlijke, particuliere verhalen […] om een heel belangrijke politieke discussie over het levenseinde te voeren.’ – wie zo iets zegt, zal dus met intellectuele, rationele en juridische argumenten werken, wat niet gebeurd, zijn ‘argumenten’ zijn:
– ‘We moeten heel goed luisteren naar waar die vraag precies vandaan komt.’
– ‘[…] mij bereiken getuigenissen van mensen en dokters die zeggen …’
– ‘Terwijl ik al genoeg verhalen heb gelezen en gehoord om mij mij grote zorgen te maken.’
– ‘Naar gezonde [sic, atheïsten en progressieven zijn ziek] conservatieve overwegingen wordt in Vlaanderen nauwelijks geluisterd.’
Willem Lemmens heeft geen enkel rationeel argument voor zijn stelling gegeven: zijn pleidooi tegen de idee van een ‘voltooid leven’ is een metafysisch, katholiek, reactionair, anti-individualistisch standpunt, de kracht van de waarheid ontberend.
– Zeer belangrijk echter is wat hij zegt over de mede-metafysicus, Ariane Bazan,’ hoogleraar psychologie en psychoanalyste van de ULB’, ‘die je bezwaarlijk katholiek kunt noemen, heeft een visie over euthanasie die nauw bij de mijne aansluit.’ Bazan verklaarde op het euthanasieproces van Tine Nys dat de vrouw die euthanasie vroeg en kreeg, in haar handen nog veel meer had moeten lijden, lijden is immers zinvol voor de psychoanalyste en de lijdende mens moet lijden want is anders geen lijdende mens. De verachting voor het leven en de leugen van de psychologie en de psychoanalyse in dienst van het obscurantisme.

Ꚙ Diezelfde Lemmens wordt in DS weekblad, 18 april 2020, geïnterviewd door Kasper Goethals, als filosoof en toch strooit hij weer praatjes en verdachtmakingen rond, nu over de corona-crisis:

– Mocht blijken dat daarbij mensen overleden zijn…
– Je hoort verhalen van patiënten ….
– Er zijn geriaters die dat bepleit zouden hebben.
– Ik denk niet dat dat de regel was, maar als dat zo zou zijn …
– Tegelijk hoor je steeds meer mensen …
– Als je soms ouderen hoort zeggen …
– Ik zie collega-filosofen die dat wegwuiven.
– Deze man wordt als filosoof opgevoerd en hij verkoopt straatpraatjes. ‘Van horen zeggen’ heeft geen enkele intellectuele waarde (het anekdotisch argument): filosofie vraagt harde feiten en harde argumenten, een streng denken, een afwijzen van wat de goegemeente meent en een verachting voor het verwerpelijke roddelen.
Enerzijds verzet hij zich tegen de beslissingen van derden over leven en dood, anderzijds verheerlijkt hij ‘de gemeenschap’, hij gebruikt het woord in de correcte betekenis van Gemeinschaft: de controlerende eenheid
– waarmee hij de interne contradictie van zijn beweringen niet beseft: als het individu, dat verwerpelijke ding, minder belangrijk is dan zijn Gemeinschaft, dan bepaalt die Gemeinschaft niet alleen hoe de mens zijn leven moet leiden maar ook hoe hij dood moet gaan. Hij ziet in de lockdownperiode een terugkeer naar ‘de kleine kring’, hij ziet daarin een bewijs voor zijn eigen communautarisme
– tegelijkertijd zegt hij dat dit een ‘gedwongen terugplooien’ is – sinds wanneer is dwang in de filosofie een deugdelijk argument? Een bekentenis onder dwang, afgedwongen op de pijnbank, hangend boven het vuur of na zestien onderdompelingen in het water is voor deze communautaristische, zwart-katholieke filosoof waarheid.
Lemmens verdedigt de Katholieke Kerk: ‘Ik hoor [sic] soms [sic] vrijzinnige collega-filosofen beweren dat de katholieke kerk het lijden verheerlijkt en elke interventie bij het levenseinde tot taboe verklaart. Paus Pius XII pleitte bijvoorbeeld al in 1957 tegen therapeutische hardnekkigheid.’
– In 1957 heeft deze paus vier encyclieken geschreven: 1. Fidei Donum, Het geschenk van het geloof, over de missionering van Afrika ; 2. Invicti Athletae Christi, De onoverwonnen strijder voor Christus, over Andreas Bobola; 3. Le Pelerinage de Lourdes, over Lourdes en 4. Miranda Prorsus, Het prachtige nieuwe, over film, radio en televisie. Het is typerend voor dit soort filosofen dat ze iets zeggen en niets zeggen. Het is dan toch waar dat katholieken mogen liegen. Maar is dit filosofie? Behoren encyclieken tot de filosofische argumentatie of tot de theologie? (En in welke encycliek stond dat pleidooi – de tekst is niet te vinden: men beweert van alles omdat men denkt dat iedereen onnozel is).

Ꚙ Marc Reynebeau gg in DS, 25 april 2020, ‘De experts hebben het (even) voor het zeggen’, enkele zinnen:
‘Maar vergissen, dat kan zeker, ook in de zo solide en immer objectief ogende exacte wetenschappen.’

– een vergissing is geen wetenschap, de woordkeuze verraadt een ongemak tegenover de exacte wetenschappen, die verdacht gemaakt moeten worden; ‘ogende’ verwijst naar schijn: de wetenschappelijke kennis is volgens deze voormalige journalist slechts een geloof.
‘Ook daar bestaan geen eeuwige of absolute zekerheden en zweven altijd twijfels rond.’
– Er zijn wel degelijk eeuwige of absolute zekerheden: de twijfels die Reynebeau gg hier rondstrooit over het hele wetenschappelijke domein hebben een andere functie dan de wetenschappelijke twijfel – niet alles wordt betwijfeld én de twijfel op zichzelf is geen wetenschapsresultaat, zoals het hier voorgesteld wordt, maar een wetenschappelijke methode: ook de twijfel moet aan criteria onderworpen worden. Reynebeau verwart hypothese met twijfel, daarmee de wetenschap tot een systeem als een ander herleidend.
‘Zo gaat het in de wetenschap altijd.
En maar goed ook: als de wetenschap nooit twijfelde, onderzocht ze nooit nieuwe hypothesen, en verdween elke dynamiek uit de wetenschap.’
– een verkeerde wetenschapsopvatting: de vooruitgang komt niet door ‘de twijfel’ wel door nieuwe onderzoeksmethoden en -instrumenten die de bestaande ‘wetten’ doen kantelen: de wetenschap twijfelt uiteraard niet: de wetenschap wéét, wel is elk weten een voorlopig weten: het wetenschappelijke denken wordt door Reynebeau gg naar een banaal alledaags leven gebracht: ‘eet ik een boterham met kaas of een boterham met boter, ik twijfel’
‘Voortschrijdend inzicht bestaat niet zonder oude inzichten af te schrijven.’
– Oude inzichten blijven bestaan en blijven een waarde houden; inzicht is iets anders dan wetenschappelijke kennis: Reynebeau gg schrijft alweer om iets te schrijven zonder iets te moeten zeggen. Enerzijds een constateren dat wetenschap iets te zeggen heeft, anderzijds de wetenschap verdacht maken – wetenschapsfilosofie-achtig gedoe is nog geen wetenschapsfilosofie, het artikel staat bol van korte zinnen die banaliteiten verkopen, geen hardheid van denken bezitten, geen denkconstructie zijn maar losse kreten in het moeras.
‘Het is altijd roeien met de wetenschap die we hebben.’
‘Een vergissing is nooit uit te sluiten.’
‘De experts zijn er nooit mee klaar.’
‘Politici kunnen gerust zijn.’
– dit is ouwe peekes-troep.

Ꚙ Caroline Pauwels is rector van de VUB en schrijft in De Standaard Weekblad, de datum heb ik vergeten te noteren, de datum wordt niet meer onderaan de bladzijden vermeld: ‘Als we de Verlichting presenteren als levenskunst, dan is onze benadering inclusief: ook wie van elders komt, ook wie in een andere traditie staat, kan ze eigen maken.’

– het Verlichtingsdenken is geen levensstijl maar een denken dat specifiek is voor Europa en dat zijn succes bewezen heeft (succes is echter geen waarheid, met succes wordt hier bedoeld functie: werkt iets in combinatie met waarden en normen?), een constructie die op wetenschappelijk denken gebaseerd is en een filosofisch materialisme is, republikeins van inspiratie en uitwerking. Dit denken reduceren tot ‘levenskunst’ is het ontkennen van de Verlichting. Levenskunde is geen oppervlakkigheid maar is cultuur, civilisatie. Het is overigens nog zeer de vraag of het hedendaagse begrip levenskunst en Verlichting wel bij elkaar horen.
Caroline Pauwels schrijft verder: ‘Genuanceerde argumenten ketsen af op wie zwart-wit denkt.’
– Hier maakt ze een zeker denken verdacht: toch zijn er waarheden die zwart of wit zijn, het schipperen is niet altijd genuanceerd, maar al te dikwijls een toegeven aan het niet-denken, het in standhouden van machtsverhoudingen en het toedekken van leugens. Feiten zijn feiten, feiten kunnen niet geen feiten zijn: het wetenschappelijke denken schippert niet.

Ꚙ Rebekka De Wit is ‘theatermaakster’, in Knack van 4 december 2019, mag ze over haar levensdenken spreken, hoe ze leeft en hoe dit de wereld anders zal maken, een krachtig pleidooi geeft ze voor de visie van Jan Jambon en zijn wolvenroedel, nadat ze eerst gezegd heeft dat ze haar moeder mist, ze is 33 jaar: Sofie Mulders: ‘Daarnet vertelde u dat u buiten plast. Is er dan niemand die u ziet?’ – ‘Nee. Nou, mijn buurman heeft sinds kort een werkplaats achter zijn huis, dus misschien moet ik mijn wc toch eens verplaatsen. (glimlacht)’ – ‘Geeft het een gevoel van vrijheid?’ – ‘In elk geval een gevoel van mogelijkheid. In principe heb je weinig nodig om te plassen, zelfs geen toilet. Dat idee is wel verlichtend.’

– Gaat dat zien, gaat dat zien. Zou het kunnen dat de onnozelheid van de theatermaakster de onnozelheid van haar toneel weergeeft? O gruwelijk idee.

Ꚙ Fatma Taspinar is journalist, in Knack van 4 december 2019 wordt haar gevraagd welk concreet idee of voorstel ze heeft om de wereld te verbeteren: ‘Als iedereen tien mensen om zich heen zou kiezen om zo goed mogelijk voor te zorgen, zouden er geen problemen meer zijn.’

– Journalistiek is het blootleggen van structuren, de methode is analytisch-kritisch, een psychologiseren van feilen of van positieve ontwikkelingen is daarbij ongewenst. Tegenover ‘de wereld’ het ‘ik en tien personen’ stellen en daarmee de wereldproblemen oplossen getuigt noch van een intelligentie, noch van een intelligentie.

Ꚙ Dezelfde vraag wordt gesteld aan Kristien Van Vaerenbergh, Nieuw-VArkisme, Knack, 19/02/20, haar antwoord: ‘Als iedereen bij zichzelf zou beginnen, zou de wereld al snel een mooiere plek worden.’

– Waarom aan politiek doen, beter het aloude gepreek – waardoor alles bij hetzelfde blijft.

Ꚙ Joachim Pohlmann is de ‘sfinx’-partij-ideoloog van N-VA: ‘Waarom vieren we op 11 juli de Vlaamse feestdag? Omdat Hendrik Conscience in 1838 besliste om De leeuw van Vlaanderen en geen ander boek te schrijven.’ (DS Weekblad, 15/02/2020)

Omdat? (petitio principii) En om de puntjes op de i te zetten: in 1838 verscheen de roman, in dat jaar ‘besliste’ Conscience niet om het boek te schrijven.

Ꚙ Joke Hermsen wordt door Filip Rogiers aan het woord gelaten (DS Weekblad, 15/02/2020): Het eerste woord van het interview: ‘Serependiteit, heet dat.’ – ‘Precies.’

Serendipiteit.
Hermsen: ‘Na bijna een eeuw neoliberaal denken …’
– Het neoliberale denken is begonnen met Ronald Reagan, Margaret Thatcher en later Frank Vandenbroucke, dus de jaren 1980 en volgende.
Filip Rogiers: ‘Het protest kan geweldloos zijn, zoals dat van Extinction Rebellion, …’
– De methode van Extinction Rebellion is geweld.

Ꚙ Rudi Laermans is cultuurfilosoof, wordt in Knack, 12/02/20, geïnterviewd over de gecontesteerde Ultimas, één van zijn ‘suggesties’ is dat de minister van cultuur 10 procent van het budget naar eigen goeddunken mag besteden, zonder enig argument of controle (Rudi Laermans is de filosoof die er voor gepleit heeft om de ‘vele’ orkesten in Vlaanderen samen te smelten tot 1 klein orkest: waarom al die kunstenaars?), het interview wordt besloten met: ‘We moeten dan maar hopen dat de volgende minister een jazzliefhebber zal zijn.’

– Cultuurfilosoof. Een groot inzicht brengt een groot verlangen teweeg.

Ꚙ Knack 19 feburari 2020: Ive Marx (weer zo’n jongen met een spellingsfout), Dave Sinardet en Stijn Baert, opiniemakers en toch aan een universiteit verbonden, komen samen om te eten en te drinken en bespreken de toestand van het land.

– Marx: ‘Wetenschappers hebben die vrijheid wel [tegenover ‘de mensen’]. Wij hebben de plicht om die onafhankelijkheid te gebruiken.’
– En wat lezen we dan ? De banaliteiten, dwaasheden en nietszeggendheden rollen over de tafel, de arrogantie van de professoren gaat niet verder dan cafégepraat, men geeft géén argumenten:
Marx: ‘Hoe vaak gebeurt het niet dat vertegenwoordigers van de vakbonden of werkgevers na zo’n debat naar mij komen en zeggen: ‘Ja, je hebt een punt, maar wij kunnen dat niet hardop zeggen.’
– Argumentum ad populum. Inhoudelijk: waarover gaat het? wie zegt dit? – geen informatie: de professor zegt wel dat hij gelijk heeft.
‘Ondertussen pikt Marx de frietjes die Baert onaangeroerd liet, terwijl Baert en Sinardet wel van de aardappels willen proeven die Marx bij zijn kalfszwezerik opgediend kreeg.’
– De Belgische politiek.

Ꚙ Alexander De Croo (Knack, 19/02/2020) geeft zijn visie op de (on)gelijkheidsproblematiek: ‘De best verdienende 30 procent van de bevolking betaalt zo’n goeie 70 procent van de fiscale inkomsten. […] Het probleem van dit land is echt niet dat de overheid te weinig belastingen int, het probleem van het land is dat burgers voor hun belastingen te weinig terugkrijgen.’

– De verhoudingen zijn altijd duidelijk: 30/70 is mooi afgerond, en geeft de indruk van een indrukwekkende kennis van zaken. Maar de cijfers zijn geen cijfers: het gaat er om hoe persoonsbelastingen ontweken worden door fictieve NV’s en BVBA’s, ook door politici. Het is een kenmerk van de liberalen dat ze hetzelfde steeds weer herhalen door niet te concretiseren: ‘te weinig’ terugkrijgen: belastingen dienen niet om ‘terug te krijgen’.
‘Alsof mensen die erin slagen wat vermogen op te bouwen enkel maar geluk hebben.’ – om de argumentatie van Piketty te ondergraven:
– ‘wat vermogen’ is, is relativerend, och, dat beetje geld maakt toch de ongelijkheid niet uit – daarmee de rol van erfenissen en de sociale structuur van de maatschappij ontkennend: wie rijk geboren is, heeft inderdaad geluk, wie vertrekt met een geldbeurs, kan gemakkelijker met een dikkere geldbeurs arriveren
En dat zegt De Croo dan ook: ‘[…] het diploma van iemands ouders is te bepalend voor zijn of haar schoolcarrière.’
– daarmee zijn eigen liberaal programma niet meer volgend: een politicus moet uit de basiswaarden een politiek handelen kunnen afleiden: De Croo, nochtans een stamboekliberaal, is daartoe niet in staat: enerzijds wel toegeven dat voor onderwijs afkomst belangrijk is, maar niet als dit zou moeten toegepast worden op de economische en politieke ongelijkheid (te weten dat wie geld heeft, onderwijs toch onbelangrijk is en onderwijs toch onbelangrijk is voor wie van vreemde afkomst is)
Een erfenisbelasting noemt hij ‘een belasting op smart’
– de sentimentalisering van het staatsfunctioneren ten behoeve van een ideologie: vandaag worden er al belastingen op erfenissen gelegd (waarom wordt dit dan nu al geen ‘smartbelasting’ genoemd?), er gaan stemmen op om dit te verhogen, voor liberalen is dit een schrikbeeld, daarom worden er geen argumenten maar sentimenten gebruikt – de maatregel zou dus wel eens zeer efficiënt kunnen zijn (en uiteraard bedoelt Piketty niet een erfenis van mensen die een huis gespaard hebben).

Ꚙ Eric Rinckhout over Léon Spilliaert, Knack, 26/02/20, die hij ‘de nachtburgemeester van Oostende noemt’ – wat uiteraard onjuist is, Spilliaert mocht slecht slapen, hij trad niet op als een ‘nachtburgemeester’, de term is geijkt door notoire zuipschuiten en Spilliaert was een brave burger. Rinckhout weet: ‘Tijdens die uren van slapeloosheid doolde hij door het nauwelijks verlichte huis en tekende hij zichzelf.’

– dus toch geen nachtburgemeester, of toch in het eigen huis, waar Rinckhout als een nog niet geboren spook de schilder in het oog houdt (Rinckhout schrijft ‘Spilliaert was geen schilder.’)
‘We schrijven 1907-1908, het existentialisme ligt al op de loer.’
– op de koer, is me dat een toerǃ
‘Spilliaert flirtte met de abstractie zonder ooit echt abstract te worden.’
– Spilliaert flirtte niet.
‘Spilliaert raakte gefascineerd, zeg maar geobsedeerd door bomen.’
– Spilliaert tekende veel bomen maar was niet geobsedeerd.
Spilliaert wilde in Oostende begraven worden, want ‘Dat was de stad die hem van jongs af aan geïnspireerd had. Daar lag nu eenmaal de zee die hij zo getekend en gevormd had dat ze de diepste uitdrukking van zijn ziel werd.’
– de obsessie met de bomen is dan toch niet zo obsessioneel geweest, want de zee was zijn diepste. Hoe iemand de tekening van iets kan maken en dat die tekening de ‘diepste uitdrukking van zijn ziel’ kan vormen is een omgekeerd denken – die diepe uitdrukking moeten we waarschijnlijk ook in de nacht gaan zoeken. De pseudo-biografische praatjes van Rinckhout, het fictionaliseren van zaken die men niet weet, het verzinnen van diepzinnigheden die alleen maar blinde onkunde verraden, het napraten van ‘kunsthistorische’ clichés.

Ꚙ Frank Koerselman in Knack, 18 maart 2020, is psychiater en vindt dat de vaderrol vandaag is uitgehold. ‘In de pre-industriële samenleving berustte de vaderlijke autoriteit meestal [sic] op zijn fysieke kracht. […] hij werkte op het land of deed zwaar werk in de fabriek.’

– In de pre-industriële periode werd er niet gewerkt in fabrieken; zoals Freud zijn theorie baseerde op het burgerlijke Weense publiek, baseert Koerselman zijn theorie op een niet-historisch proletariaat: de uithuizigheid, het alcoholisme, het geweld van mannen verdoezelt hij doelbewust. Hoe een afgebeulde arbeider, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat vernederd en uitgebuit, een ‘vaderlijke autoriteit’ kon zijn, is ons een raadsel. Maar ook in de pre-industriële periode was het lot van een landarbeider niet benijdenswaardig, de zoon van een arme boer heeft in diens autoriteit geen vreugde te vinden.

Ꚙ Jozef Deleu, hij die nog nooit man en paard genoemd heeft, in algemeenheden de zogezegde opstandeling speelt en die nog nooit een structureel-culturele analyse gegeven heeft, maar wel de Arkprijs van het Vrije Woord toegezonden krijgt, de loge van het politiek-correcte denken, prijst zichzelf en zegt (Knack, 12/02/2020): ‘Vlamingen collaboreren met machthebbers, van welke kleur ook. Het was dus goed dat Jambon werd uitgejouwd.’

– Jambon werd dus uitgejouwd door geen Vlamingen, door vreemdelingen? Nee, het establishment zat in de zaal, daar worden geen vreemdelingen toegelaten, de kliek rond Jos Gheysels was aanwezig en die collaboreert inderdaad met de macht. Maar Jozef Deleu dus niet, hij is geen Vlaming.
In datzelfde interview: ‘[…] het was rampzalig om de provincies te verbieden om nog een eigen cultuurbeleid te voeren, […]’
– Gelukkig werden de provincies afgeschaft want in Oost-Vlaanderen (bijvoorbeeld) was het cultuurbeleid een particulier, katholiek beleid (in andere provincies hetzelfde: het provincialisme zegevierde steeds, steeds werd de ‘eigen cultuur’ (de eigen provincie) bevorderd, die kunstenaars die ‘presentabel’ zijn, Vlaamse domheid über alles – dienden cultuursubsidies om de partijen aan de macht te houden – maar Jozef Deleu, de voorvechter van het vrije woord, heeft dat niet bemerkt, zo groot is de intelligentie – of zo klein de moed. Deleu zetelde als onafhankelijke, voor de SP.A (bij gebrek aan in die partij) in de VRT-raad van beheer, wat hij daar deed, weet niemand, wat het resultaat is, is wat niet veranderd is. Hoe kan men onafhankelijk zijn als men in dienst van een partij aan partij-ideologie doet? Deleu doet zich voor als de voorvechter van cultuur: hij vroeg een boekenprogramma. Hij heeft die niet gekregen. Wat wel?
– Jozef Deleu heeft altijd de illusie in stand gehouden dat het in de cultuur om Schöngeisterei gaat, door niet te spreken over de Kredietbank, Barco, De Noordstar en Boerhaave, en andere grootgeldmachten heeft hij de Vlaamse, benepen cultuur in stand gehouden, nooit heeft hij de blik verruimd (tot net over de schreve), omdat hij hun geld nodig had, (Deleu spreekt altijd en alleen maar over geld: nooit over de inhoud) heeft hij de façade in stand gehouden, brave versjes schrijvend.
– Jozef Deleu stelt zichzelf voor als de laatste der Mohikanen, en cultureel Vlaanderen mag gerust zijn: als het met hem goed gaat, gaat het met de Vlaamse cultuur goed. Na het ontslag van zwart Polleke Polis, die zijn vingers aan Pelckmans verbrand had, denkt Deleu aan zichzelf: ‘Ik ga ervan uit dat Het Liegend Konijn doorgaat onder Pelckmans. Het Liegend Konijn is levend en wel. Als dat nodig is, zal het een ander hol zoeken en vinden.’ (DS, 15-05-2020)– het tijdschrift is het meest overbodige tijdschrift ‘sinds mensenheugenis’.
– Jozef Deleu, steeds schipperend tussen Nederlandse en Vlaamse broodheren (oh, ik heb drie Vlamingen, dan moet ik ook 3 Nederlandse dichters hebben, het evenwicht van de geldweegschaal), altijd laverend tussen de verschillende politieke machten om te kunnen zeggen: ‘Jij, mon ami, nee, niet jij, ik bedoelde de ander’), gericht op Frans-Vlaanderen zogezegd, maar niet op Frankrijk, zoals Ons Erfdeel altijd een instrument van dat Vlaams nationalisme geweest is, hier werd de kleinburger geëerd, het type van de Vlaamse kleinintellectueel opgevoerd, lafhartig, geniepig en tuk op geld. Kritisch, maar niet te fel en niet te concreet, geen filosofie of sociologie en zeker niet de echte macht betreffend, Jozef Deleu, de Boer Bavo van Vlaanderen.

heureux qui, comme ulysse (118) – mary beard

22-05-2020_heureux qui, comme ulysse_april 2020_19_118_mary beard

Geen boek, maar een interview als afgeleide van een boek, een oeuvre, maar vooral een ideologie, de interpretatie-kwestie aanroerend (wat roert daar in de keuken?).

In Knack van 11 maart 2020, maar in andere interviews en teksten, zie ik, wordt hetzelfde herhaald, wordt Beard door Han Renard geïnterviewd. De vrouwenkwestie. In Vrouwen en macht betoogt Beard, zegt Han Renard, ‘De manier waarop ook vandaag nog wordt gekeken naar vrouwen in de publieke sfeer en vrouwen met macht wordt mede bepaald door een eeuwenoude cultuur van misogynie, betoogt u in Vrouwen en macht. Die vrouwenhaat gaat in de westerse wereld terug tot de teksten uit de Griekse en Romeinse oudheid.’
Beard bevestigt natuurlijk:

‘Inderdaad. Het meest opvallende voorbeeld daarvan is terug te vinden in de Odyssee van Homerus, een werk van bijna 3000 jaar oud, dat het begin vormt van de westerse literaire traditie. De Odys[s]ee beschrijft zoals bekend de omzwervingen van de Griekse held Odysseus tijdens zijn tocht naar huis na afloop van de Trojaanse Oorlog. Maar het is ook het verhaal over wat zich afspeelt in Ithaka tijdens zijn lange afwezigheid, waar zijn vrouw Penelope en zijn opgroeiende zoon Telemachus op hem wachten.
Helemaal in het begin van het boek is er een incident waar je gemakkelijk overheen leest. Penelope daalt uit haar privévertrekken de trap af en ziet in de centrale hal een bard die een lied zingt over de vreselijke dingen waarmee de Griekse helden na Troje te kampen hebben. Ze vraagt hem, heel redelijk eigenlijk: ‘Kun je niets vrolijkers zingen?’ Waarop haar zoon Telemachus zegt: ‘Moeder, hou je mond, spreken is een taak van mannen, ga terug naar boven.’ En dat doet ze ook. Penelope is een slimme, sterke vrouw, maar toch druipt ze af. Dat moment is volgens mij heel belangrijk. Het is namelijk niet zo dat Telemachus gewoon de vervelende tiener uithangt. Nee, door een vrouw, zijn moeder nota bene, het zwijgen op te leggen, wordt Telemachus in het verhaal een volwassen man.
In alle oude Grieks-Romeinse teksten vind je zulke ideeën terug: vrouwen moeten de mond worden gesnoerd.’

De conclusie is hard en eenduidig, maar onjuist. De Odyssee van Homeros is niet ‘bijna 3000 jaar oud’, maar ongeveer 2800, 2 eeuwen zijn voor een historicus belangrijk. De kernvraag is wat vrouwenhaat, misogynie is. Het gaat om een emotie (want dat is haat), daarom niet noodzakelijk gebaseerd op een feit, maar is een vooroordeel – men moet 1 ‘goede’ vrouw vinden om de stelling dat alle vrouwen slecht zijn te weerleggen. Waarom zou men vrouwen haten? Omwille van hun bandeloze seksualiteit, hun ontrouw, hun leugens, hun achterbaksheid, hun bedrog, de opvoeding van de kinderen. Dit alles kan men ook bij mannen terugvinden. Kenmerken van vrouwen zijn ook de kenmerken van mannen – vrouwenhaat richt zich op het fysieke: het lichaam van de vrouw bergt het slechte in zich, de vagina als centrum van het kwaad (nu is dit vervangen door de penis). Dit is een essentialistische visie en die verkeerde denkwijze wordt traditioneel tot Platoon teruggebracht, Paulus heeft dit verder voor het christendom uitgewerkt, met de deconfessionalisering is deze visie langzaam verdrongen – daarom is de islam een tegen-Europese godsdienst (en zelfs cultuur), getuigen delen van vrouwenstudies van een achterhaalde denkwijze.

Beard spreekt van de Odyssee als ‘ook het verhaal over wat zich afspeelt in Ithaka tijdens zijn lange afwezigheid, waar zijn vrouw Penelope en zijn opgroeiende zoon Telemachus op hem wachten.’ – wat niet helemaal correct is want niet op zichzelf staande. Ze vervolgt met een al even foute bewering: ‘Helemaal in het begin van het boek is er een incident waar je gemakkelijk overheen leest.’ – daar leest niemand overheen (en als iedereen daar overheen leest, dan ondergraaft Beard haar eigen stelling: wat niet opgemerkt wordt, kan geen invloed hebben).
Ze vertelt het verhaal als volgt: ‘Penelope daalt uit haar privévertrekken de trap af en ziet in de centrale hal een bard die een lied zingt over de vreselijke dingen waarmee de Griekse helden na Troje te kampen hebben. Ze vraagt hem, heel redelijk eigenlijk: ‘Kun je niets vrolijkers zingen?’ Waarop haar zoon Telemachus zegt: ‘Moeder, hou je mond, spreken is een taak van mannen, ga terug naar boven.’

‘Heel redelijk eigenlijk’, daarmee duidt Beard aan dat Penelope redelijk is (het zogezegd mannelijke) en Telemachos daarop een onredelijke eis stelt. Beard kleurt het verhaal in het verhaal zelf, ze scheidt de feiten niet van de interpretatie, wat ze beoogt te zeggen in de 21ste eeuw, ligt dus al in het verhaal van Homeros zelf (wat dan ‘de vrouwenhaat’ moeilijk begrijpelijk maakt). De passage is te vinden in boek I, verzen 324-364. Phemios, de zanger, zingt het lied van de terugkeer der Grieken, de ellende die de mannen te verduren hadden, dit tot vermaak van de vrijers – eigenlijk is deze zang een ‘godslasterlijke’: zingen over helden voor het plezier van liederlijke figuren, net alsof men, om hen te amuseren, de Ethica Nicomachea aan Donald Trump of Johan Vande Lanotte zou voorlezen. En dat is ook wat Telemachos zelf zei tegen Athena (vermomd als Mentes), vers 159, de vrijers scheppen vreugde in muziek en zang, niet te verwonderen want zij brassen – voor Telemachos is de zang misplaatst: een heldenzang moet inspireren en dat wil Telemachos zo houden, want Athena heeft hem een toekomst voorgesteld. Mentes vertelt de zoon dat zijn vader niet, in tegenstelling tot wat iedereen, ook Penelope, denkt, gestorven is en niet lang meer op zich zal laten wachten. Telemachos klaagt over de vrijers die het landgoed vernielen, nu de heerser al zo lang afwezig is, een land zonder heerser kent verval: een dubbele rampspoed is het deel van Telemachos (241-251), hij vreest daarenboven voor zijn eigen leven. Mentes/Athena geeft hem raad, zegt hem wat te doen, hij moet informatie over zijn vader verzamelen, dus van Ithaka vertrekken. Ze zegt hem: ‘Je kunt nu niet langer / doen alsof je een kind bent; die leeftijd ben je te boven.’ (296-297, vertaling de Roy van Zuydewijn), het ‘nu’ (van deze vertaling) slaat echter niet op het moment waarop de woorden uitgesproken zijn maar wel op het ogenblik wanneer Telemachos ofwel zijn vader zal zien terugkeren ofwel hem een graf gebouwd heeft: de situatie is pas opgeklaard voor Telemachos (en Penelope) als er zekerheid is over de levenstoestand van Odysseus, aan- of afwezig blijft hij de centrale spil van de gemeenschap, hij is echtgenoot, vader, zoon en heerser (d.w.z. het ordenende principe). Maar zelfs als men het ‘nu’ letterlijk neemt, dan is dit anders dan wat Beard stelt: voor haar begint de volwassenheid van Telemachos met het bevel dat zijn moeder moet zwijgen.

Na dit gesprek met Athena/Mentes, de zanger is blijven zingen, komt Penelope naar de zaal en vraagt Phemios een ander lied te zingen, één dat het gemoed verrukt, niet bedrukt, dat handelt over heldendaden, niet over het ongeluk dat Odysseus en de zijnen treft – het zingen over zijn ongeluk maakt haar ongelukkig. Dit is het moment waarover Beard spreekt, ‘Haar sprak de vlugge Telemachos toe en gaf haar ten antwoord: / ‘Moeder, waarom de zanger misgund zijn gehoor te vermaken, / zoals de geest het hem ingeeft? Want de dienstwillige zangers / kunnen daar zelf niets aan doen, nee, veeleer is Zeus daaraan schuldig, / die aan het ploeterend mensdom zijn gaven deelt naar hem goeddunkt. / … / Duld en wen u eraan zulke zangen te horen. – Odysseus / is heus de enige niet die in Troje de dag van zijn thuiskomst / onder zag gaan; veel anderen hebben daar ’t leven verloren. / Ga naar uw kamer om daar uw eigen werk te verrichten, / weven en spinnen, en geef aan de huisdienaressen de opdracht / zich aan haar werk te begeven. / Spreken is ’t werk van de mannen, / allen en mij allereerst, want ik heb het hier voor het zeggen. / Hooglijk verbaasd ging Penelope heen en liep naar haar kamer / want het verstandige woord van Telemachos nam zij ter harte.’

Telemachos voert een ‘geheim plan’ uit, als de vader is de zoon listig, hij heeft immers van Athena raadgevingen gekregen, vanaf nu worden haar instructies opgevolgd: de vrijers mogen nog ongedwongen en zonder argwaan hun vertier zoeken, eerst komt de periode van de telemachie en de terugkeer van Odysseus, daarna zullen de vrijers aangepakt worden – dan zal de gerechtige macht optreden.

Penelope wordt aangemaand moedig te zijn, Odysseus is niet de enige held die ‘gestorven is’. Hij maakt een scheiding tussen het zingen en het werk van Penelope, weven en spinnen, dat uiteraard niet begrepen kan worden als wanneer een man vandaag tegen een vrouw, ‘Ga breien’, zegt. Zij is en blijft de meesteres over haar domein. Zij kan niet zeggen wat de zanger moet zingen, wel is dit Telemachos gegeven, ‘want in dit huis ben ik heer en meester’. (Men zou kunnen veronderstellen dat Telemachos bluft, ware daar niet Penelope die over de wijze woorden van haar zoon verwonderd is – maar welke woorden? Die over de zanger of die over haar ‘plaats’?) Boven Penelope én de vrijers staat Telemachos, die echter nauwelijks kan handelen. De bruutheid waarmee Beard de woorden van Telemachos persifleert is niet die van Homeros, wel voelen wij dit zo aan, wij, kinderen van de 21ste eeuw – Telemachos usurpeert de macht ook niet, hij volgt het maatschappelijk systeem, hij bruuskeert met andere woorden niet de ander, hij laat zijn moeder in haar waarde en waardigheid. En dit is natuurlijk cruciaal: is wat Homeros schrijft vrouwenhaat (dus een gewilde daad) of een zich voegen naar de gebruiken van tijd en plaats? Is Homeros een vrouwenhater, dan kon hij nooit figuren als Athena, Penelope, Nausikaa of Arete scheppen: Homeros was geen essentialist.

Een analogie. De mannen worden de oorlog ingestuurd en afgemaakt. Mannen worden tot slaaf gemaakt. Te lezen bij Homeros. Mannen liegen en bedriegen, doen elkaar de duvel aan, mokken en worden dronken. Bij Homeros. Is dit alles mannenhaat? Of is het woord ‘haat’, een emotioneel-sentimenteel begrip, iets van de 20ste-21ste eeuw en wordt de geschiedenis via dit kleine venster bekeken en daarom scheef bekeken? Sentimentalism is in the eye of the beholder. En is het niet die visie die het vrouwenwerk minachtend bekijkt, niet door Homeros die niet alleen Penelope aan het weeftuig beschrijft maar ook Helena en Arete: zoals het ploegen van het land mannen- en ossenwerk is en degelijk of slecht gedaan kan worden, zo ook het weven, Penelope weeft niet zo maar, ze maakt, net als Helena, kunstige stukken.

Beard stelt dat Telemachos door zijn moeder het zwijgen op te leggen man wordt. Dit is niet correct – als dit zo zou zijn, zou hij de vrijers het huis uitgejaagd hebben. Nog doet hij dit niet, de status van zijn vader blijft immers nog altijd onduidelijk. Hier maakt Beard de ideologische sprong, de interpretatieve zelfrechtvaardiging. Beard gaat verder: ‘In alle oude Grieks-Romeinse teksten vind je zulke ideeën terug: vrouwen moeten de mond worden gesnoerd.’ – is dit een beschrijving of een ideologische verklaring? De heldinnen (denk aan Ovidius) zijn legio, zijn dikwijls bedreigend voor de staatkundige en maatschappelijke orde, maar staan ook voor het herstel van de orde (de misdaden van de mannen moeten rechtgetrokken worden en dit gebeurt via andere ‘misdaden’ die toch als mogelijkheid getoond worden – theaterstukken werden voor het amusement én voor het hoofd geschreven). Gelezen met het oog van de 20ste-21ste eeuw is de ongehoorzaamheid een deugd – moesten de vrouwen de mond gesnoerd worden? Niet wordt dit als een morele regel opgelegd.

Wat Beard zegt over de Metamorfosen van Ovidius is gelijkaardig: ongemakkelijk te lezen want verkrachting na verkrachting, indien dit ‘vrouwenhaat’ zou zijn, dan zou verkrachting ‘gepropageerd’ worden, haat is immers een wilsdaad, wat niet zo is – de verkrachtingen door de goden worden afgekeurd, en in de mensenwereld evenzeer: de fysieke integriteit van de mens is een Grieks-Romeins gegeven (de zelfdoding is daarvan een omgekeerd ‘bewijs) – het christendom heeft de mens van het lichaam geroofd.

Eenzelfde ideologische vooringenomenheid toont Mary Beard in wat ze over Hillary Clinton zegt: ‘Ze is compleet afgemaakt voor een e-mailaccount op een andere server, […].’ – dit was één element, haar minachting voor de gewone mens, haar financiële zaakjes, hoe de Clintons (als vertegenwoordigers van de financiële klasse) de bankencrisis veroorzaakt hebben, haar directiefunctie bij Wal-Mart en de talloze vastgoedschandalen, de voortdurende ruzies binnen de Democratische Partij (die door haarzelf en haar kliek overgenomen was, met als gevolg het afmaken van Bernie Sanders (een man), haar bestuurlijke onbekwaamheid, haar oorlogszucht, haar esbattement in Libië, enzovoort hebben het verlies van de Democratische Partij en dus de overwinning van het trumpisme veroorzaakt – haar e-mailaccount was maar een detail, maar een veelzeggend detail: hoe het persoonlijke en het politieke in elkaar verweven waren (en Trump is ook daarvan alleen maar een logisch gevolg: wat de anderen mogelijk gemaakt hebben, zullen de slechteren volmaken).

De vrouwenkwestie van Homeros is geen kwestie, niet zijn kwestie. Wie enkel ideologisch wil lezen, kan beter de eigen ogen sluiten. Beard stelt in dit (en andere interviews) dat rechts-conservatieve politici het oude Rome willen kapen, ze denkt dan aan Boris Johnson en Bart De Wever, het kind van Antwerpen. Maar ook zij doet dit, alleen in een andere zin: eeuwenoude teksten gebruiken als bewijs voor een hedendaagse strijd, is intellectueel gezien maar minnetjes.. En kijk, nog geen maand later (1 april 2020) wordt haar stelling in Knack ondergraven/bewezen, een zogezegd ‘links-liberale’ ‘denker’ bekritiseert het rechts-conservatisme. Jonathan Holslag schrijft een essay (zo noemt het weekblad het zelfǃ), Het einde van het Amerikaans leiderschap, met een kritiek op het trumpisme (een verheviging van het clintonisme) en hij gebruikt … het oude Rome om Trump aan te vallen, natuurlijk op de hem eigen impressionistische, reactionaire, militaristische en oppervlakkige manier (zo krijgt Mary Beard dan toch gelijk maar anders gelijk), ‘Het rot van binnenuit’, zo zou Sallustius het verwoord hebben.’ – het is niet nodig te lezen, als het maar schijnt.

Paul Claes voegt toe (e-mail 23-05-2020): ‘In 1957 gebruikte Maria Rosseels de uitspraak van Telemachos al als titel van haar feministisch boek: Het woord te voeren past de man. In het Grieks staat: muthos d’andressi melèsei ‘het woord komt toe aan mannen’. Het gaat hier zoals de Homerus-commentator Eusthatios zegt om het ‘publieke woord’ (dèmogorikos muthos). Het is een truïsme te zeggen dat in de tijd van Homeros (en nog vele eeuwen daarna) vrouwen niet in het openbaar mochten spreken. Heet zo’n lezing in het huidige jargon niet instrumentalisering van literatuur? In feite mag Beard aan haar Engelse universiteit niets verkondigen dat niet politiek correct is. De wetenschap wordt dus net zo monddood gemaakt als Penelope.’

heureux qui, comme ulysse (117) – lewis john carlino

21-05-2020_heureux qui, comme ulysse_april 2020_2_117_lewis john carlino

Een tik tegen de lucht verscheen in 1979, het leek op een pocket van De Bezige Bij maar was toch een uitgave van Poëzie Hardop, de productie van het boek was dan toch in handen van De Bezige Bij net alsof de Amsterdamse uitgeverij zich niet wilde branden aan 1 van haar belangrijkste auteurs (toen) maar er toch geld wilde aan verdienen. Het boek met de volledige tekst van het stuk was het ‘programmaboek’. Er was in oude teksten van Bert Schierbeek gesprokkeld en de immer actieve Schierbeek stak er nog wat nieuwe teksten tussen, een nieuw werk geboren. Drie acteurs op scène, in het boek zelf werden ze genummerd, Arend Bulder was (1), Ineke Holzhaus (2) en Rutger Weemhoff (3). ‘Poëzie Hardop’ van vandaag (Hans en Monique Hagen) is iets anders dan het toenmalige Poëzie Hardop, wilde ‘in een serie programma’s over Nederlandse en buitenlandse dichters, nieuwe kansen scheppen voor poëzie’ – waarmee vooral de orale en theatrale kant van de poëzie beklemtoond werd, daarvoor was het werk van Schierbeek bij uitstek geschikt, veel minder de intellectuele kant werd op scène gebracht, al was dat ook in het werk aanwezig, maar nog steeds wordt dit onderschat, wat zeg ik, onderschat?, het werk van Schierbeek bestaat niet meer.

21-05-2020_heureux qui, comme ulysse 117_lewis john carlino_bert schierbeek

Schierbeek noemt dit werk in de inleiding een ‘dramatiese collage’ – een term uit de beeldende kunst, heterogene elementen worden tot een homogeen beeld gebracht, de oorspronkelijke betekenissen worden vernietigd in een nieuwe betekenis. De twee formele kenmerken van dit werk, het nummeren van de stemmen (acteurs die verschillende personages laten horen), het anonimiseren en tot persoonsloze stem laten uitgroeien, en de term (de praktijk) collage zijn niet origineel, maar werden overgenomen van Lewis John Carlino, Telemachus Clay : een collage van stemmen en geluiden, oorspronkelijk in 1964 in New York uitgegeven (15 jaar duurde de oceaanvaart), maar zelf al een ‘herhaling’ van het eerdere stuk van Carlino, The brick and the rose (1957) dat door hem een ‘expressionistische gesproken collage’ genoemd werd. De schrijver (1932) verzeilde in de filmindustrie, werd daar succesvol, en omdat film geen kunst is, is de naam vergeten, helaas. Het sarcasme van de geschiedenis: Telemachus Clay is het verhaal van een ambitieuze jongen die een script wil laten verfilmen, zich laat omkopen en zoals iedereen in die industrie een hoer is.

21-05-2020_heureux qui, comme ulysse 117_lewis john carlino

Op scène zitten de auteurs op een kruk, ze kijken het publiek aan, ze spreken tot het publiek en zelfs als ze met de andere acteurs spreken (slechts eenmaal wordt dit doorbroken in een ‘sociale omgeving’) blijven ze de zaal inkijken. Hun rollen worden in het script weergegeven met een nummer (elke acteur neemt verschillende rollen, d.i. stemmen) voor zich) – zelfs als tekst, en niet als oraal en dramatisch product, is Telemachus Clay indrukwekkend, we kunnen dus alleen maar treuren om het feit dat de creatieve geesten zich in de 20ste eeuw hebben (moeten) laten prostitueren en in de filmindustrie (of de reclamewereld) hun intelligentie en creativiteit hebben laten beknotten, hun persoonlijkheid naar het antimenselijke hebben laten afleiden.

Het verhaal is een combinatie van de Odyssee, de Faust-vertelling en de telemachie van Fénelon, zonder dat er directe verwijzingen zijn, met één uitzondering, beroep doende op de intelligentie van de lezer en die van de auteur uitputtend, een tour de force wat combinatiekunst en inventiviteit betreft. In het Nederlands werd dit stuk opgevoerd door Studio in een regie van Kees van Iersel, première op 3 februari 1966, de vertaling was van Gerrit Kouwenaar (is er ooit een studie verschenen over Kouwenaar als vertaler? Zijn vertalingen kenmerken zich door intelligente trouw aan het oorspronkelijke stuk en inventieve aan het Nederlands, zijn Brecht-vertalingen zijn van een ongewone orde, deze Carlino-vertaling wordt zelden of nooit vermeld, de naam Carlino immers niet meer van belang (zeggen de hedendaagse bollen van geest). Het stuk werd uitgegeven in de Studio Reeks (Van Ditmar), een programmaboek (de teloorgang van het programmaboek (eerst een boek of een brochure met de tekst zelf of met teksten omheen het stuk, als tussenstadium een A4 om uit te monden in het niets) is samen gegaan met de vernietiging van het auteurstheater en de opkomst van de dramaturgen). Er is wel degelijk een inhoud maar Carlino benadrukt toch ook dat de woorden door hun klank een betekenis hebben, een enkele keer (het zwakste deel van het stuk) wordt dit al te eenduidig gedemonstreerd, het stuk bestaat uit stemmen die spreken, de situaties en hoe de mensen er uitzien zijn minder belangrijk, daardoor wordt dit ook een Elckerlyc-stuk – hoe het leven zonder schaamte te leven. Nam Schierbeek van Carlino over, er moet toch benadrukt worden dat de Nederlandse schrijver een bijzondere aandacht had voor de stem, niet zozeer ‘het orale’, als wel het veelvoudige spreken, vergelijken we beide stukken dan heeft Carlino duidelijk gewonnen: hij maakt werkelijk gebruik van de collagetechniek, bij Schierbeek blijft het traditioneler. Soms maakt men ook een vergelijking met Dylan Thomas, Under milk wood, dit is verkeerd, een radiospel is nog iets anders dan het stemmenspel van Carlino. De bedoeling van de auteur: ‘Wij zijn geen toeschouwers bij deze reis. Wij maken hem mee.’

Dus het verhaal. Een jonge man, Telemachus Clay, leeft in Downsville Town, op een Derek Walcott-achtige manier wordt het dorp geëvoceerd, het duurt een tijd vooraleer we bij het hoofdpersonage komen, wat de schrijver toelaat een beeld te schetsen van een samenleving die in contrast staat met het onzalige leven in Hollywood, de stad van de leugen en de schijn. Een buurvrouw roept verbaasd uit : ‘Godallemachtig, wat is dát voor een naam?’, bij het horen van de naam Telemachus (in België loopt er heden niemand rond met deze naam). Hij is de zoon van een viervoudige verkrachting, die toch niet als een gewelddaad verteld wordt (zijn de schrijver en de lezer nu slechte mensen?), de zoon heeft van alle vier vaders iets – hij is dus vaderloos en daarmee is er een onderscheid met de mythische zoon van Odysseus, maar heeft wel een moeder, zij vertelt: ‘Het was zomer en dat pas gemaaide hooi maakte mij heet en ik wilde in het veld zijn. Vreemdelingen, maar ze waren mij zo vertrouwd als regen en de geur van zaad, nog warm in de tas van de zaaier.’ – literatuur is altijd een mythe.

De jongen, die anders is dan andere jongens, wil schrijver worden, zijn moeder sterft, hij vertrekt uit dat nest om zijn dromen waar te maken – men moet weggaan om iemand te worden (over Descartes schreef Cornelia W. Roldanus in Zeventiende-eeuwse geestesbloei, 1961: ‘Descartes was begonnen zich van de kerkelijke scholastiek, die het natuurlijk verstand z.i. enkel maar verduisteren kon, te bevrijden, als eerste voorwaarde om zuiver te kunnen denken. Hij deed dit o.a. door te reizen en had toen – als bij intuïtie – iets van de waarheid voor zich gezien.’). De trein passeert vele stations: Shannon, Olmstead, Troy, dit laatste een bestaande gemeente in Minnesota – toch een subtiele verwijzing naar Troje, maar een verder betekenisloze, Telemachus Clay passeert er, er wordt geen strijd gevoerd. De stemmen zijn lichaamloos en kunnen dus, ook als de personages al dood zijn, nog een rol spelen, de stemmen zitten in het hoofd van elke mens en met dat gegeven speelt Carlino en de zoon hoort de stem van de moeder, lezend (ǃ) (de eerste regels lijken het verhaal van Golgotha te zullen vertellen) : ‘En op dat ogenblik gaf de hemel een machtig voorteken. De lucht werd zwart. En Odysseus spande de grote boog met een gemak of het een stuk speelgoed was. Toen nam hij zijn zwaard met het gouden gevest en een lemmet zo groot als een man, en doorstak de rest van deze verraderlijke mannen, één voor één, en niet één werd gespaard.’ (p. 27) – Telemachus wordt gepest door de andere kinderen (omwille van zijn vaders) en roept deze passage op om zich te wreken op de kinderen, eens zal er een man komen. We kunnen ook veronderstellen dat moeder Clay een jeugdboek leest, de klassiekers bewerkt voor de jeugd, de passage is dan omineus: Odysseus verschijnt hier als Christus die de tempel ontdoet van de geldjagers, een rol die Telemachus niet zal spelen – de tijden zijn veranderd. Maar toch: de verhalen hebben de kracht van het verleden, wie kan, maakt de mythe levend en waar. Kunst als verweer tegen de tijd.

Telemachus komt aan in Los Angeles, de aanplakborden (weer een inventiviteit van Carlino) spreken hun leugens uit, beconcurreren elkaar met bluf: er is spektakel – in de 20ste eeuw zijn de avonturen van de helden vervangen door glitterspelen, neplevens en loze hersenspinsels, als er gevochten wordt, dan door dronkaards – het bedrog is overal aanwezig, de mens wordt gebruikt – zo ook Telemachus, zijn script is natuurlijk waardeloos, hij wordt gebruikt als curiosum, ‘een ernstige mens’, op recepties opgevoerd, onderwerp van gelach, ‘al die bombastische onzin’ (47), een ‘agent’ neemt hem onder zijn hoede, is echter meer op zijn billen gesteld. Telemachus heeft in zijn dorp een vrouw zwanger gemaakt, zij, als een Penelope wachtend op hem, hij laat niets van zich horen, wil carrière maken, een blok aan zijn been – de held is, zoals alle oude helden, niet eenduidig goed of slecht.

Een nieuw avontuur is slechts een liefdesverhaal, met Nadine, die ouder is, een wellustige Kirke-figuur, zit hij aan de oceaan en nu komt de Homeros-sfeer weer helemaal terug, het water geeft kracht en is teder, ‘Iets heiligs.’ (38) – tegenover dat eeuwige en de natuur staat de onechtheid en het vluchtige van de filmindustrie, het zich hoereren voor het geld en de massa. Clay probeert zich te verzetten, de honger drijft hem echter in de armen van het Kapitaal en het Bedrog, hij verkoopt zijn ziel (Faust).

Telemachus is dronken, plaatst zichzelf in een grote traditie, roept als Odysseus uit, maar spreekt niet van de eigen daden (die er niet zijn), pocht echter alleen maar, het verleden wordt, zoals door het kind van Antwerpen en zijn Nieuwe VArkens, gestolen en betrokken op zichzelf ‘Ik ben Telemachus Clayǃ Verwekt door vier schaterende hengsten, die Phoebus tussen hun tanden hielden als een gloeiende steen. Telemachus Clay [in de tekst gecursiveerd, een verwijzing naar Adam), vaderloze vader, gezoogd aan de tepel van de chaos, gelijk de grote katholieke Ier met het melkwitte hoornvlies [een verwijzing naar James Joyce], en die, op een ogenblik van zoete zelfvernietigingsdrang zijn droeve maar kwieke zaad in het donkere labyrint der schepping stortte.’ (69-70) – overspannen betoog van een dronken man die zichzelf verloren heeft. Zoals Telemachus Clay het, Shakespeare’s Hamlet achterna, stelt: ‘Woorden, woorden, woorden.’ (p. 74).

Er zijn kleine, tekstuele verwijzingen naar Homeros, niet altijd eenduidig en misschien overtrokken. Zo vraagt Collin (de ‘agent’) aan Telemachus: ‘Wat is er aan de hand met je? / Is paps nog altijd niet thuis?’ (37) – alluderend op het wegblijven van Odysseus.
De profeet in het stuk speelt de rol van commentator en filosoof, helaas ook een beatnik die het Oosterse op een Westerse manier ‘begrijpt’, hij somt steden op, die staan voor gebeurtenissen, vernoemt Hieronymus Bosch (de Westerse ineenstorting), roept met ‘de dode sheiks’ de ‘Trojanen’ op (55) – maar dit alles in een moeilijk te duiden verband en betekenis – de woorden hebben klanken, roepen iets op, hoeven, volgens de toenmalige ideologie, niet in de eerste plaats te betekenen maar ‘je voelt dat’.
Een vraag wordt gesteld, Telemachus antwoordt: ‘Een vraag, Socrates of Tiresias waardig.’ (55) – Teiresias kan verwijzen naar de Odyssee en de Hades-episode.
Telemachus wordt gekleineerd: ‘Wie denk je godverdomme dat je bent? – Telemachus: Niemandǃ’ – het antwoord van Odysseus aan de cycloop, het monster van Hollywood.
Telemachus wordt dronken opgepakt door de arm der wet, maar vrijgekocht door Collin, de agent, die als een deus ex machina tot inkeer gekomen is, het script dan toch gelezen heeft, zegt hij, en ‘iets in de jonge man ziet’: Collin treedt op als Mentor uit de Télémaque van Fénelon (maar ook als Athena van Homeros) – nu zegt hij dat Telemachus al die miserie gekend heeft om … man te worden, om in te zien hoe leeg het bestaan van de idee is, men moet zich hoereren – om te leven, een omgekeerde Télémaque. De wereld is geest- en zielloos. Maar ook de profeet is een Mentor: ‘Zeg me hoe, profeet, zeg me hoe.’ (75), smeekt Telemachus, en hij krijgt als antwoord: ‘Omani padne um’, Om manipadmé hum, is de mantra van het Tibetaanse boeddhisme, wat er ook gebeurd is op aarde, de hemel zal mij ontvangen – de antwoorden die de profeet geeft, zijn geen antwoorden, belgerinkel.

Telemachus zal het zelf moeten doen en hij wordt aldus een Odysseus – met een zoon thuis, die geen vader heeft en dus een nieuwe Telemachus zal worden. Een dubbele cirkel, ook het toneelstuk eindigt met Downsville Town. Telemachus schrijft een brief naar de moeder van zijn zoon, hij komt niet terug, zijn zoon zal vaderloos moeten opgroeien: ‘Ik heb niets om de jongen te sturen, maar als hij oud genoeg zal zijn om te begrijpen, laat dit dan mijn geschenk voor hem zijn, zoals het dat van mijn vader was. Zeg hem, dat hij mij zoeken moet.’ (79).

De zoektocht naar de vader is dus een geschenk (Brodsky achterna), past als ideologie in de anti-autoritaire tijdgeest, het gezin als de broedplaats van het autoritarisme (in het stuk wordt ook Erich Fromm vernoemd) (Philip Larkin, ‘This be the verse’ (1971):

They fuck you up, your mum and dad.
They may not mean to, but they do.
They fill you with the faults they had
And add some extra, just for you.

But they were fucked up in their turn
By fools in old-style hats and coats,
Who half the time were soppy-stern
And half at one another’s throats.

Man hands on misery to man.
It deepens like a coastal shelf.
Get out as early as you can,

And don’t have any kids yourself.), het vinden van de vader (de bron, de wortel) is het zichzelf vinden, het niets is dus een waarde die het waardevolle waarmaakt, de tijd moet gesloten worden in een cirkel, de toekomst (zoon) zoekt de vader (het verleden), het eeuwige werkt, ‘En eindigend … begint het opnieuw. De reis gaat voort.’ (80) – en zo komen we weer bij Bert Schierbeek terecht.

heureux qui, comme ulysse (116) – joseph brodsky

20-05-2020_heureux qui, comme ulysse_april 2020_37_116 joseph brodsky

Al is Joseph Brodsky (1940-1996) een ‘Latijnse dichter’, hij heeft een Telemachos-vers geschreven, in de trant van Ovidius’ Epistulae Heroidum, echter niet zozeer als een zich inleven in de ander, maar wel een rechtvaardiging van het eigen gedrag, en eigenlijk moeten we spreken van een vlucht. ‘Odysseus tot Telemachos’, een gedicht uit 1972, ik gebruik hier Ex ponto: gedichten 1961-1996, vertaling door Peter Zeeman (2000), is een brief van een vader aan een zoon. De eerste strofe is een situatieschets, hier sta ik – de Grieken en Poseidon zijn de schuldigen van mijn gedrag/wegblijven:

Telemachus,
de oorlog is voorbij.
Wie hem gewonnen heeft ben ik vergeten.
Ik denk de Grieken, want geen ander volk
laat zoveel doden achter in den vreemde…
Toch bleek de weg naar huis te lang. Alsof,
terwijl we ginder onze tijd verdeden,
Poseidon zee en land heeft uitgerekt.

De Engelse versie is beknopter en beter, bijvoorbeeld: ‘Who won – I do not remember. / Must be, Greeks: many dead / throw out only the Greeks can…’. De rechtvaardiging is eigenaardig: enerzijds stelt Odysseus dat de oorlog voorbij is, maar lijkt hij zich niet te herinneren wie gewonnen heeft, als het inderdaad om een tijdsverloop gaat, dan kan men veronderstellen (nee, zeker weten: berichten gingen in Odysseus’ tijd sneller dan de Belgische post) dat Telemachos wel wist dat de oorlog ten einde was, Odysseus is blijkbaar ook al een tijd aan het ‘zeilen’, ook dat wist men op Ithaka. Het vertrekstandpunt van het gedicht is verkeerd of minstens onduidelijk/overbodig – het gaat dan ook niet over Odysseus maar over Brodsky zelf. De derde regel, de onzekerheid over de uitkomst, kan ook anders verklaard worden: Odysseus is een overlevende, hij heeft veel te verduren gehad, wat maakt het verschil tussen winnen of verliezen? Alles, Troje is volledig vernield, de mannen uitgemoord (slechts enkelen, waaronder Aeneas, zijn kunnen vluchten), de vrouwen als slavinnen weggevoerd. De uitspraak is bitter (dus weet Odysseus wel de uitslag): vele, al te vele, Grieken zijn voor Troje achtergebleven, wat is een overwinning waard als de jonge mannen gesneuveld zijn (of anders, zie Japan en Duitsland: de verslagenen worden latere overwinnaars).

In de tweede strofe beschrijft Odysseus waar hij geland is, er wordt gezegd dat dit het eiland van Kirke is, maar het kan even goed Ithaka zelf zijn, als we Penelope als koningin beschouwen, de varkens van Kirke kunnen ook de varkens van Eumaios zijn – het niet-weten van de sprekende instantie is het niet-weten van de lezer en ook de onverschilligheid over de plek: reizen en aankomen worden eentonig, alle landen lijken op elkaar, de steden en mensen zijn inwisselbaar, het specifieke wordt uitgevlakt, niet het landschap of de dingen maken zich, het is de mens die zichzelf dragen moet en in zichzelf gezakt is. Het gedicht had sterker kunnen zijn, met vooral de slotwoorden, indien Odysseus voet aan wal op Ithaka had gezet (maar: later zal dit gebeuren): een zoon is beter af zonder vader, hier is de vader, maar ik loop vooruit. In de tweede strofe verklaart Odysseus waarom de tijd verdwenen is: de monotonie van de zee – hij spreekt niet over de avonturen en het verblijf op het eiland. Strofe 2:

Ik weet niet waar ik ben of wat dit zijn mag.
Het lijkt een onaanzienlijk eiland met
wat struiken, een stel varkens en gebouwen,
een tijd vol onkruid, en een koningin,
wat keien, gras … Telemachus, mijn jongen,
eilanden lijken sprekend op elkaar
wanneer je jaren vaart. Je hersens raken
van al dat golven tellen in de war,
je ogen, vuil van horizonnen, tranen,
het zilte vlees der zeeën maakt je doof.
Ik ben vergeten hoe de oorlog afliep,
en zelfs hoe oud je bent weet ik niet meer.

In het Engels staat ‘grunting pigs’, knorrende varkens, Zeeman heeft dit niet vertaald waardoor de Kirke-associatie moeilijker te leggen valt. Kirke toverde de mannen van Odysseus in varkens (‘zoals mannen zijn’), zij protesteerden en klaagden, dit is het knorren. ‘Het zilte vlees der zeeën’ (in het Engels staat het anders: ‘and the flesh of water stuffs the ears’) – het vlees is de massa water, het lillende lijf.

Wat Brodsky hier dan doet, is zijn eigen leven ellendig voorstellen, de teneur wordt verder gezet, in strofe 1, oorlogsmiserie, in strofe 2 een tocht zonder vreugde, strofe 3 zal zich dus logischerwijs keren naar Telemachos en zeggen hoe goed die jongen het heeft. En inderdaad, zie maar:

Groei op, Telemachus, en word volwassen.
Alleen de goden weten of wij ooit
elkaar weer zien. Jij bent niet meer de baby
voor wie ik toen de ossen inhield. Als
die Palamedes niet zo slim geweest was,
dan hadden wij nu bij elkaar gewoond.
Maar had hij geen gelijk? Zo zonder mij
heb jij geen last van oedipale passies
en zijn, mijn zoon, je dromen zouteloos.

Brodsky spreekt van Palamedes die Odysseus, die zich gek voordeed om niet naar de oorlog te moeten trekken, ontmaskerde, de naam is niet bij Homeros te vinden, één van de vele wegen die het verhaal genomen heeft. Brodsky toont zich hier van zijn onaangenaamste zijde: hij verwaarloosde zijn zoon en rechtvaardigde dit met (uiteraard) een pseudo-theorie, de psycho-analyse en de zogezegde vaderonderdrukking en -moord. Zolang een vader leeft, en niet dood is, is hij aanwezig en kan de zoon zich niet ontwikkelen. Brodsky gebruikt een theorie uit de 19de eeuw, verbindt die met een aloud verhaal om zijn lafhartig gedrag in de 20ste eeuw te verklaren – maar noch moreel noch biografisch mag je een kunstenaar beoordelen, al blijft dit een slecht gedicht – zoals Brodsky wel meer al te losse, al te snelle gedichten geschreven heeft, zowel de vorm als de gedachte verwaarlozend. Hij gebruikt de Griekse held om het slachtoffer te spelen, zichzelf vrij te pleiten. Alhoewel Brodsky zich als Odysseus voordoet, was hij eerder Tereus, zoals Elly de Waard ooit vertelde.

Dit gedicht kunnen we verbinden met het gedicht ‘Anno domini’ (o.c., p. 32-33) war Brodsky in de 7de strofe schrijft: ‘híj raakte uit de gratie bij de keizer, / ík bij mijn zoon en Cynthia.’ – zoon en vrouw hebben de man afgewezen, hij tracht zich te verontschuldigen, ook hier bespeelt Brodsky het cliché van het Oosterse slachtofferschap.

In het gedicht ‘Ithaka’ (p. 153) brengt hij, zonder Odysseus te noemen, het thema van de terugkeer naar de 20ste eeuw. Een ik wordt aangesproken, twintig jaar weg geweest, nu terug thuis, Brodsky dichtte veel over ballingschap (weer het slachtofferschap), wel terecht natuurlijk, vervolgd als hij was door de Sovjetautoriteiten, dit gedicht behoort tot die kern. Een lichte verwijzing naar de hond Argos:

Na meer dan twintig jaar ben je weer hier beland,
blootsvoets op zoek naar eigen sporen in het zand.
Een hond blaft op de kade, niet omdat hij meent
zijn baas te zien, nee, ook het beest voelt zich ontheemd.

Brodsky lijdt dus nog meer dan Odysseus, hij heeft zelfs geen hond die hem herkent, dubbele ontheemding dus. Er is nu geen sprake van een eiland, of een Griekse omgeving, geabstraheerd, gaat het over Brodsky zelf. De tweede strofe roept Eurykleia op, de oude voedster die het litteken van Odysseus herkende, zelfs dat is de dichter niet gegund. En er is geen Penelope: zij die van de dichter hield, houdt er vele lieven op na (wat de dichter zelf deed):

Je trekt je lorren uit en toont een oude wond.
Vergeefs, de dienstmaagd staart apathisch naar de grond.
er was er één, zo zeggen ze, die van je hield;
onvindbaar is zij nu, met iedereen bevriend.

De zoon is hem een vreemde, maar is toch ook in zijn voetsporen gestapt: hij is matroos. Spreken heeft geen zin, men spreekt daar immers geen taal. De dichter maakt zichzelf wijs dat hij geen moeite moet doen:

Je koter is nu zelf matroos, een echte vent,
hij kijkt je aan alsof je een melaatse bent.
En om de klanken te ontrafelen waarin
men hier elkander toegromt, heeft geen zin.

De laatste strofe is dan de ‘poëtische’, maar lijkt aangeplakt. Nu is er wel sprake van een eiland, en wie of wat is veranderd, de ‘Odysseus’ of het land? De golf daarentegen vergeet de horizon van het land niet. ?.

Dit eiland is veranderd όf je kijkt, het blauw
nog druipend van je netvlies, inderdaad te nauw;
een golf vergeet waarschijnlijk om een stukje land
de einder niet wanneer hij aanrolt naar het strand.

Ook hier is Brodsky de onschuldige en het slachtoffer: het eiland is veranderd of de zee heeft hem ‘uitgewist’ – niet hij moet moeite doen. Oosterse lamlendigheid, Oblomov-cultuur, kan men dan zeggen – alhoewel er anderen zijn, Poetin op kop van de regimenten daadkrachtige smeerlappen. Toch spreekt hij in het gedicht ’24 mei 1980’ over de vele avonturen die hij beleefd/ondergaan heeft, het een al meer dan het andere overdreven (als een Odysseus verhalend), de slotsom is echter een dank, niet dat de avonturen hem iets opgeleverd of geleerd hebben, er is geleefd:

Wat te zeggen van het leven? Dat het lang is gebleken.
Alleen met leed voel ik mij nog verbonden.
Maar totdat ze mijn strottenhoofd breken
zal mijn stem uitsluitend dank verkonden.

De levenslustige dichter, het leven als een geschenk (niet van god). In ‘Rotterdams dagboek’ roept hij de cyclopen als vernietigers op. Le Corbusier is kop van Jut, dat deze met de bezettende macht gewerkt heeft is een feit, de associatie is echter meer dan onjuist, maar een typerend anti-modernistisch sentiment, laat de Rus dan maar in zijn izba kruipen:

[…]
Moderne flats, kantoor omarmt kantoor.
Le Corbusier deelt dít met de Luftwaffe,
dat beide fanatiek hebben getracht
het aanzien van Europa vorm te geven.
Wat de cyclopen in hun drift vergeten
wordt op een tekentafel koel volbracht.

heureux qui, comme ulysse (115) – botho strauss

19-05-2020_heureux qui, comme ulysse_april 2020_9_115_botho strauss

Eerst Saul (2019). Het stuk was gedacht een muziekstuk te worden, Wolfgang Rihm moest het componeren, zo blijkt uit de » Anhang « in het boek van Botho Strauss, helaas is dit niet gebeurd, de tekst bestaat natuurlijk wel. Ook André Gide heeft een stuk over Saul (1903) geschreven, op muziek gezet door Flavio Testi. Strauss dacht een tijdlang zijn stuk Gottes falsche Wahl te noemen, de koning die alles verkeerd deed, de verkeerde keuze van God, Koning David zal hem opvolgen, hij wel de lieveling van God en de vrouwen.

Dat Gide en Strauss beiden koning Saul als onderwerp van hun gedachten genomen hebben, duidt op hun verwantschap in het morele en het ideële, hun voortdurende worsteling met de realiteit, hun gedachte aan wat had kunnen zijn. Saul-David is ook Herakleitos-Demokritos.

Het stuk Saul is een beschouwing over het leiderschap, de overgang van een theocratische samenleving naar een monarchie: een neerdaling van het gezag, van de hemel naar de aarde, niet langer steunt de macht op het gezag van de god, wel is er een begin van een mensenmaatschappij: de koning moet rekening houden met de ‘burgers’, er dient vertrouwen te zijn onder elkaar, niet langer een uitsluitend geloof in een opperwezen. Net zoals André Gide, wil ook Strauss nadenken over in welke maatschappij te leven valt. Het conflict Saul-David is de structuur van een vader-zoon-relatie, de ‘opvolgingskwestie’, het navolgen, evenaren en het overtreffen. Net zoals Odysseus en de Griekse veldheren, heeft ook Saul zijn volk opgeroepen het land te verlaten en tegen de vijand op te trekken: » […], macht euch los von euren Weibern und zieht mit mir in den Kampf. « (p. 21). Voor de Duitse schrijver is dit een kerngegeven, hij die van Paare. Passanten het kerndomein van zijn schrijven gemaakt heeft, de kern van het bestaan is de relatie tussen man en vrouw, een zogezegd onmannelijk standpunt, toch van een mannelijke schrijver. Saul is de despotische leider, wat van Odysseus niet gezegd kan worden, zijn mannen sneuvelen wel in de strijd (zowel vόόr Troje als op de terugtocht), toch is hij niet de veldheer die, zoals de Russische generaals in de Tweede Wereldoorlog en de geallieerde in de Eerste, de soldaten als slachtvee, kanonnenvoer, gebruikten.

Een bevelhebber moet, volgens Samuel, begeesterend zijn, het heilige vuur (d.i. de toorn) bezitten, Saul daarentegen houdt het op » […] kalte Klugheit, die Vorsicht und Berechnung […] « (p. 22), Odysseus-deugden dus, of, de stoïsche leer: de hartstochten moeten bedwongen worden door de ratio, het is beter op het verstand te vertrouwen dan zich blind (maar ‘dapper’) in de strijd te werpen. Toch verder zal Saul het dubbele gezicht van David, als verraad geïnterpreteerd, vervloeken, » Ich verstehe niemals einen Verräter. Jede Tücke, die er anwendet, macht zweideutiger sein Handeln immerzu. Verstehen werde ich nie: Wie kann ein solch Zwiegesichter zum Liebling des Volks werden? « – list, vernuft, onaangedaanheid, slimheid zijn nooit op zichzelf te begrijpen : moraal moet contextueel benaderd worden, de absolute deugden hebben geen waarheid an sich.

En net zoals de mannen van Odysseus hun eigen ondergang bewerkstelligd hebben door de beesten van Helios op te eten, zo hebben ook de mannen van Saul, in gelijkaardige omstandigheden, gezondigd: » Halbverhungerte Männer haben die Beutetiere mit den bloßen Zähnen gerissen, bevor sie noch ausgeblutet waren. Gibt es einen schlimmeren Frevel im Krieg? « (p. 27). De God verlangt dat er geen mededogen is met de vijand, die moet volledig uitgeroeid worden, Saul heeft dat niet gedaan, God is hem daarom onwelgevallig én is hij een slechte koning. De wrede God, wordt hij niet ten onrechte genoemd, hij die geen verzoening kent – de regenboog, zwakke propaganda. Die totale Krieg is niet Grieks, de Odyssee eindigt met verzoening, Nicole Loraux heeft dit in een ruimer kader geplaatst, La cité divisée: l’oubli dans la mémoire d’Athènes, maar niet nadat er een slachting gebeurd is. Het ‘harpspel’ van David speelt de verzoenende, matigende rol: een toegeven aan melancholie – zowel het zingen van de Sirenen als het bezingen door Demodokos. De zoon van Saul verwijt de vader: » Du Herrscher, der nicht herrschen kann. « (p. 40) – eenzelfde verwijt in de Odyssee: zolang Odysseus‚ ‘op reis is’, zo lang Telemachos niet kan heersen: de zoon mag/kan niet in de plaats van de vader treden: zijn positie is een afhankelijke. En net zoals bij Odysseus zijn de wapens quasi zelfstandige krachten: de boog van Odysseus, de boog van Jonathan en het zwaard van Saul. Het Saul-verhaal is geen Odysseus-verhaal (of omgekeerd), de problematiek is anders-gelijkwaardig, het oog van de Duitse schrijver verbindt de verhalen met elkaar.

En nog in 2019 verscheen van Botho Strauss, zu oft umsonst gelächelt, waarvan de kritiek zei dat het boek een herhaling van Paare. Passanten was, een cliché-kritiek. Men ziet niet hoe een onderwerp door de tijd van de schrijver verandert, hoe de hand de dingen anders grijpt. Hetzelfde behandelen is niet gelijk aan zichzelf herhalen, het tijdselement is cruciaal voor Strauss, de lezer om de schriftuur te begrijpen: de gebroken tijdsorde, dus de chronologische, is essentieel in het moderne, Homeros kende die niet (de terugkeer is het rond maken van de cirkel), hij schreef over een mythologische tijd: de oude en de jonge Odysseus/Penelope zijn dezelfde personen: ook al zijn ze ouder geworden en wordt dit door Homeros vermeld: de leeftijd heeft geen geschiedenis, zelfs als we de rol van Athena (die kan verjongen) buiten beschouwing laten: er is geen evolutie geweest, er is géén leerproces geweest, de ontberingen hebben niets opgeleverd.

Botho Strauss was, zoals Heiner Müller, ooit één van de grote toneelauteurs, veelvuldig gespeeld, zelfs in de Lage Landen, zijn oeuvre werd gezien als een scherpe kritiek op het persoonlijke, eigenlijk een marxiaans schrijven: hoe de productieverhoudingen de menselijke relaties beïnvloeden en kapot maken. Strauss schreef echter in een andere traditie dan Müller (die het theater nog tekstgerichter gemaakt heeft), bij hem bleven de dialogen essentieel, niet in het minst omdat zijn werk de menselijke relaties centraal stelt (en dus door en door ethisch is: een deugdenethiek), maar zijn theater was en bleef ook teksttheater, het spreken is noodzakelijk om de waarheid te achterhalen. Door de kritiek werd het stuk in 1996 afgebroken, bij de première zat de zaal vol met recensenten uit binnen- en buitenland, een eerste opvoering van een stuk was toen een sensatie, de wrok van de ‘journalisten’ keerde zich echter tegen Strauss die als te pretentieus gezien werd, te achterhaald, te oubollig, maar achteraf gezien had Strauss te vroeg gelijk: de journalisten, die ‘de vinger aan de pols houden’, waren reeds verkocht aan het consumentisme.

Ithaka : Schauspiel nach den Heimkehr-Gesängen der Odyssee (1996), beperkt zich tot de aankomst van Odysseus op Ithaka, zijn esbattementen met godinnen en schoonheden zijn weggelaten, de essentie is de terugkeer en hoe orde op zaken gesteld moet worden, nog niet zozeer de maatschappelijke toestand, maar wel de orde tussen man en vrouw. Strauss volgt redelijk trouw Homeros, maar het is niet zo dat hij de oude zanger slaafs volgt, het is geen ‘Homeros op het toneel’, het gaat wel degelijk om het werk van Strauss zelf, en er is veel humor, bij Homeros afwezig.

Het stuk begint met Penelope, zij is door Strauss moddervet gemaakt (bij het zien van Odysseus echter wordt ze terug de mooie vrouw die hij verlaten heeft), komt nooit meer buiten, treurt maar is ook niet zo trouw als bij Homeros. Ze benoemt zichzelf, » ich, die Bittere «, een Myriam. Ze baadt in zelfhaat (geen zelfmedelijden), ze trekt 1 van de vrijers naar zich toe, Amphinomos, in de hoop dat hij haar zal bevrijden van zichzelf. Het koor wordt bij Strauss vertolkt door drie ‘halffiguren’, fragmenten van een lichaam die commentaar geven op het gebeuren, ons vertellen wat we niet willen zien: de lichaamsdelen staan voor het weten, het halvelingse en het niet-weten, waarheidssprekers in de plaats van de auteur. De vrijers zijn ‘soldaten, geleerden, handelaars, filosofen, staatsmannen en sportlui’ – in tegenstelling tot wat men verwachten kon, is Strauss niet expliciet in zijn maatschappijkritiek, maar deze zin is genoeg om alles duidelijk te maken: de ‘vrijers’ zijn de verraderlijke klerken die de deugd verlaten hebben, het loutere consumeren en spelen tot levenswijze verheven hebben, Odysseus moet schoon schip maken – zoals Christus de geldwisselaars uit de tempel verdreven heeft. Zo beschrijft Eumaios, de trouwe varkenshoeder het: » Jetzt regiert uns Genußzucht. Sport. Prahlerei. Faule Jüngliche, […]. «, het volk wil geregeerd worden, de willekeur moet gestopt worden, er moet vertrouwen heersen (de Saul-problematiek). Phemios krijgt hier de rol van de meeheulende dichter, die zingt zoals de macht het wenst, Telemachos (die in dit stuk een belangrijke rol speelt) houdt de woede van de vader tegen, een zanger zingt niet altijd zoals je het wenst, door hem zingt de godheid. Odysseus neemt het laatste woord: het is beter het goede te doen dan schandelijke daden met schone liedjes te verschonen.

Strauss weeft doorheen het gekende verhaal een eigen chronologie, maakt een aantal zaken ‘rationeler’ (althans voor deze tijd), ‘realistischer’ (idem) en dus ‘traditioneler’ (dan zelfs Homeros) – het theater bezit immers andere wetten dan het epos of de roman, maar dat maakt het stuk ook boeiend: de auteur schikt de fragmenten op een eigen, ingenieuze manier tot een geheel, want niet het avontuur staat bij hem centraal, wel de band tussen Penelope en Odysseus. Is Penelope in het begin van het stuk van het leven afgewend, zo is Odysseus niet. Hij heeft het land der Phaiaken verlaten, hij treurt niet, » Wahrhaftig, den Phäaken fehlte es an nichts, nur an Verstand und Sinn für die Welt. « – het leven moet geleefd, niet leeghoofdig ondergaan worden (zoals de belevingsindustrie het wil). Odysseus is wel en niet de grote held, hij moet door Athena aangepord worden, zij overtuigt hem in zichzelf te geloven. Maar hoe kan dit? Vier maal vertelt Odysseus een ander verhaal over zichzelf: » ein Kreter bin ich « (p. 15), « ein Kreter bin ich « (p. 22), » Also ich bin Kretenzer « (p. 59), » Also ich selbst bin ein Kreter « (p. 98) – en dan beseft hij: ik hoef me niet meer voor een ander uit te geven, ik sta tegenover mijn vader: ik ben een zoon (in 2014 verscheen van Strauss het vaderboek, Herkunft).

Is hij iemand, is hij Niemand (in 1987 verscheen van Strauss Niemand anderes). Odysseus zegt van zichzelf dat hij veel te verduren had, maar ook dat hij anderen onrecht gedaan heeft (p. 17) – een niet-Grieks inzicht. Athena moet hem begeleiden, zij is de ratio, het inzicht én het handelen, Odysseus een werktuig dat toch een eigen vrijheid en moed bezit. In de loop van het stuk, wordt de schrijver zich echter meer bewust van het eigentijdse en verlaat hij het homerische. Tegen Telemachos zegt Odysseus: ‘Richt je op het werk. Ook wanneer een God aanwezig is, moet je wat gedaan moet worden, zelf doen.’ (57). Handelen.

Het standpunt van de schrijver is dubbel, zowel dat van de man als van de vrouw, nergens is Strauss denigrerend over het verval van Penelope, integendeel, soms heeft hij meer sympathie voor haar dan voor hem, maar beiden behoren elkaar. Zoals Odysseus het leven van de Phaiaken afwees, zo spreekt Penelope over haar leven waarin alles hetzelfde is (zoals bij de Phaiaken, een leven vol vrede): » Niemand vermag ohne wechselnde Gefühle zu leben. Wechsel des Jahres, Wechsel des Spiegelbilds, Wechsel der Launen, überall ist Unbeständigkeit. Nur mir, mir ist sie fortgenommen, alles Veränderliche ist mir geraubt wie Augenlicht, wie Stimme. « (25) – Ovidius bezingt het veranderlijke en daarmee het leven – misschien kunnen we ook het oeuvre van Strauss zo benoemen, het leven stellen tégen de ideologen.

Er zijn subtiele verwijzingen naar de bijbel (ongelovige Thomas: » Ich möchte deine Rüstung einmal berühren. « (36), zegt Telemachos ongelovig tegen zijn vader), (Sodom en Gomorra: » Gibt es noch einen letzten rechtschaffenen Menschen unter die Frevlern? «, vraagt Odysseus aan Amphinomos), (wie de hemel bereiken kan: » […], aber die Türen, so breit sie auch sind, wären auf einmal so eng wie ein Schlitz, […]. «), (Christus tot de apostelen: » Traust due meinen Kräften nicht mehr? Kleinmütig darfst du nicht werden. « (p. 66).

Spreken de figuren van Homeros een min of meer verheven taal, Strauss mijdt het vulgaire taalgebruik niet, maakt de dialogen daardoor levendiger maar ook confronterender: het gaat over mensen van vlees en bloed. De woede om het zelfbehoud wordt heftiger, niet langer gaat het om formele relaties, het gaat om het zelf. Daardoor : ontroering. Ook de Argos-episode, verteld door de ‘fragmentaire personages’ is bijzonder treffend, via een omweg (niet de directe voorstelling) maakt Strauss het gebeuren bijtender en mythischer (» Da erhob eind Hund auf dem Lager sein Haupt und spitzte die Ohren. « p. 38).

De triomf van de auteur ligt echter vooral in het schetsen van de liefde tussen Penelope en Odysseus, liefdesverzen in de hoogste betekenis van het woord, bewijsmateriaal tegen de criticasters, honende getuigschriften tegen de wereld. Penelope noemt Odysseus » Fremder Mann « , nog heeft ze hem niet herkend, ze spreekt over haar liefde voor hem, ‘vreemde man’, ‘vreemdeling’ is zowel een aanspreektitel als een spreken over haar man: die vreemde, die mij is. De zaak is dubbelzinnig, heeft Penelope haar man herkend of speelt ze een spel? Ze nodigt de bedelaar uit in haar slaapkamer (die natuurlijk ook een woonkamer is), hij weigert (vooralsnog), ze wil hem horen spreken over haar man, ze wil wenen – een auteur die het huilen uitlegt en niet sentimenteel is, die het bevrijdende huilen eindelijk tastbaar maakt, zo groots is Strauss, Penelope smeekt de vreemdeling, (de ironie: de lezer weet): » Nicht lügen, nicht quälen, nicht trösten, ich bitteǃ« – de waarheid en niets dan de waarheid. De wedstrijd: de vrijers kunnen de boog niet spannen, de ‘vreemde man’, de bedelaar echter wel, hij pocht en pronkt met zichzelf, Penelope jubelt: » Daran erkenne ich, daß du einst sein treuer Gefährte warst: so prahlte Odysseus. « (p. 65) – het herkennen van het kleine in de ander, is het bevestigen van de ander in zijn zijn.

De herkenningsscène, het vijfde deel van het stuk, is tegelijk grappig en diep-ernstig, hier gaat de auteur naar de essentie van het menselijk bestaan, twee mensen die elkaar hebben. En die het nog niet willen toegeven, de manier waarop Strauss hen laat spreken via Telemachos (‘vraag hem’, ‘vraag haar’) is grappig, intriest, juist en aandoenlijk, hoe volwassen mensen al weten wie en wat de ander is, maar voor de eigen gevoelens bang zijn (en zich dan wel geven) – een gevecht, een botsen, een keren en worden. de woorden die Penelope uitspreekt, haar jaren van ontbering en wachten, hier dan de gebeitelde woorden :

Verzeih mir, Odysseus.
Pause
Verzeih, daß ich nicht mit dem ersten Blick dich zärtlich empfing. Ein Staunen lähmte mein Herz. Denn erst als ich dich sah, traf mich betäubend die ganze Last der Entbehrung. Alle Jahre des Kummers auf einmal beschwerten mein Herz. Und daß uns die Götter versagten, gemeinsam unsere Jugend, die Freuden der Jugend zu genießen, froh zu erleben die Ehe bis an die Schwelle des Alters, das sah ich, als ich dich sah. Meine versäumten Freuden mit dir. Mein Lebe, sah ich, mein verwartes Leben. Verzeih mir, Odysseus. Doch ärgere dich nicht. Du hast ja auch sonst für die Menschen ein tiefes Verständnis. « (p. 95).

Het leven dat verloren is, de man die daar staat, oorzaak van geluk en ongeluk. Bert Brecht liet Galilei zeggen: » Unglücklich das Land, das Helden nötig hat «, ongelukkig zij, die held willen zijn – ongelukkig zij, die helden rond zich hebben. Athena, als Mentor, bedwingt de opstand van de families van de vrijers, ze bedwingt de toorn van Odysseus die als een wrekende hond ook hen wil vermoorden. Odysseus, de liefste beschermeling van de hemelse en de aardse liefde: Athena/Mentor brengen de held tot bezinning en bedaren hem; Penelope komt naar hem toe, » Dann tritt sie lächelnd zu ihm, küßt ihn, schlingt ihre Arme um seinen Hals und das rechte Bein um seine Kniekehle.’ « (p. 103). De vrouw die zich als een klimop of als een goede slang rond de man wikkelt, de vrouw die de man uitnodigt, de dagen en de nachten. Het doek valt.

Het moment van herkenning brengt Strauss in zijn laatste boek zu oft umsonst gelächelt nog eens in herinnering: waarom herkent Penelope haar man niet direct (p. 48-49): de overmacht, de overmoede verwachting maakt een mens dof en moedeloos, en toch is Penelope door de vreemde man betoverd – Odysseus echter niet, Athena maakte zijn hart dof – het spel moet nog gespeeld worden.
Odysseus, de leugenaar, wordt als een prototype opgevoerd in een modern verhaal (p. 205-206) van de mens die liefheeft en dus ook de leugens van de ander gelooft, het wantrouwen maakt een mens kapot (het Saul-thema): » Wie könnte sie sagen: Dieser Mann spricht falsch? Wo er sich doch offen dartut und versucht, ohne Vorbehalt das zu sein, was er ist mit allem Drum und Dran, ein » System « der ganze Menschǃ Einschließlich der Lüge, die kaum mehr ist als eine Schmalzlocke auf der Stirn der Wahrheit. «.

En in een andere scène noemt Strauss Ithaka de plaats van de wederkeer, de restauratie, de verzoening (p. 210), de Verlichting als de utopie, de mythe de herstelling van de orde. Het stuk Ithaka behandelde dit thema: de terugkeer is het hervatten van wat gebeurd had moeten zijn – het moderne afweren, » die Sirenen der Moderne, die sich wie Chöre der Unschuld über den trägen, den fetten, den nervösen Wassern des Endzeitgelabers erheben und uns aufs neue betören. « (p. 189).

laatste zinnen (159)

18-05-2020_laatste zinnen_159

Then I put my arms round him and pull him down on to the bed, saying: ‘Yes – yes – yes …’.

Jean Rhys, Good morning, midnight (1938)

hou afstand, was uw handen, draag een mondmasker, veeg uw voeten, blijf thuis

17-05-2020_corona-maatregelen

° De strijd gaat de eindfase in. Hektor heeft Patroklos, de vriend van Achilleus, gedood en zijn wapenuitrusting geroofd. Achilleus stormt woedend het strijdveld op. Hektor loopt weg, Achilleus er achterna. De godin Pallas Athena stopt Hektor, maakt hem wijs dat zijn wapenmakker aan zijn zijde staat en hij Achilleus aankan.

De strijdbare Hektor was van ’t wapentuig omkleed,
Patroklus afgescheurd, na ’t onheilbarend strijden.
Alleen de gorgel, waar zich hals en ligchaam scheiden, –
De doodelijkste plaats – is bloot en ongedekt;
En dezen grieft de speer, die hem tot neêrlaag strekt,
Van achtren bij zijn hoofd den nek weêr uitgebroken.
De gorgelpijp nogtans wordt niet van ’t staal doorstoken,
Zoodat hij klagen kan, nu ’t hoofd voor ’t onheil buigt.

Homeros, Ilias, Boek XXII, v. 322 e.v., vertaling Jan van ’s Gravenweert, 1819

° Thetis, de moeder van Achilleus, beklaagt haar zoon:

‘[…], na je geboorte maakte ik je sterk met het wrede water van de Styx – ja, had ik je maar geheel ondergedompeld –’

Statius, Achilleis, I, 268-270,