sfcdt

Categorie: boek

gent : stad van tegenwerkers, helmakers

Hoe meer bureaucratie, hoe meer corruptie. Bureaucratie is een systeem waar niet de inhoud telt, maar wel de vorm, het doen alsof, de façade is belangrijker dan de taak, er is een formalisme dat de ethiek verdringt, bureaucratie is daarom steeds verdrukking en onderdrukking – verdrukking van het waardevolle, onderdrukking van de waarheid. In het Westen ligt de waarheid in het denken, de wetenschap, de feitelijkheid en de bewijsvoering.

De Stad Gent heeft beslist dat de wijkbibliotheek van Gentbrugge zal verhuizen naar het vroegere dienstencentrum dat nu verbouwd wordt en dat kadert in een beweging van meer centralisatie, dus meer controle, door de overheid die geen overheid is voor zichzelf. Die centralisering staat echter haaks op een andere beweging, de pseudo-democratisering, het pseudo-luisteren naar de bevolking, de pseudo-nabijheid, de pseudo-bloembakken – in die beweging transformeert de macht zich tot een sprekende slijmbal  – echter vals plastic. Enerzijds zegt men door te centraliseren te besparen, anderzijds gooit men het geld letterlijk buiten door steeds weer gebouwen te moeten aanpassen aan nieuwe functies die het geen 10 jaar uithouden. Ook dat is de inherente corruptie: het niet nadenken, geen doelstellingen hebben, de bevolking voorliegen én de kennis niet toepassen.

Het huidige gebouw in Gentbrugge is onderkomen, jarenlang verwaarloosd, een gehuurd gebouw bovendien, de meubels van hot en her aangesleept, niet bij elkaar passende rekken naast elkaar gezet, duister, geen smaak – dus geen cultuur. Het gebouw lag niet in het centrum van de deelgemeente, wel centraal, de Kerkstraat, uitlopend op het Kerkplein. De straat was vroeger een winkelstraat, de winkels zijn nu verdwenen, toch behield de straat een zeker percentage passage. De laatste jaren zijn er in de directe omgeving heel wat nieuwe gebouwen bijgekomen, zowel eengezinswoningen, als appartementsgebouwen, ook sociale woningen in zover men nog van woningen mag spreken als het om sociale woningbouw gaat, de laatste 10 jaar is de densiteit van de omgeving rond de bibliotheek sterk verhoogd en dat proces is nog niet ten einde. Een hedendaagse bibliotheek heeft niet alleen een passieve functie, wachten tot de leners binnenkomen, ook een actieve, men moet lezers maken. Er is een sociale functie bijgekomen: de kloof tussen cultuur en niet-cultuur, dus tussen menselijkheid en maatschappij, tussen kansen en kooi, is angstaanjagend verhoogd, een openbare bibliotheek heeft een directe functie: mensen uit de culturele achterlijkheid te halen, ook om hen economisch hoger te brengen. En niet alleen voor de, zoals men nu orwelliaans liegend zegt, de ‘nieuwe generatie stedelijke jongeren’ – de cultuurloosheid van de blanke middenklasse is al even angstaanjagend, niet enkel aangejaagd door de ‘sociale media’, zeer zeker ook door de klassieke televisie en radio, ten dienste van macht en geld. De huidige wijkbibliotheek is dus bijzonder goed gelegen om een volksbibliotheek te zijn, als men ten minste ook een actieve bibliotheekpolitiek zou voeren én als men de bevolking ernstig zou nemen en haar een gedegen dienst zou willen geven. En kunnen geven, maar vermits het beleid geen (bibliothecaire) ethiek kent, is ook dat onmogelijk geworden.

Het administratief gebouw waarnaar de wijkbibliotheek verhuist, wordt ‘de Felix’ genoemd, naar de architect Paul Felix, (‘Samen met de buurt, de toekomstige gebruikers van het gbeouw [sic] en het ontwerpteam werd “de Felix” gekozen.’, staat op de website van de Stad Gent te lezen – en u gelooft dat), het drama van Gent (en andere steden): men bezit veel onroerend goed maar weet niet wat ermee gedaan, (het neoliberale programma van ‘kerntaken’, in feite de vernietiging van  de overheidsgedachte, is daar debet aan), dan maar politiek en ideologisch geklungel, verwoord als ‘ontmoeting’. Officieel, dus gezouten, heet het: ‘Vanaf het najaar van 2023 wordt dit gebouw de nieuwe thuis van de Academie voor Muziek, Woord en Dans De Kunstbrug, publieke werkplekken en de Freinetschool ‘t Groen Drieske. Ook de loketten van Dienst Burgerzaken, de wijkbibliotheek met leescafé en het politiecommissariaat Gentbrugge komen er. Buurtorganisaties- en bewoners kunnen de gedeelde ruimtes in de Felix gebruiken voor hun activiteiten.’ – het gebouw heeft dus geen eigen functie meer, geen eigen gezicht, een allegaartje van allerlei diensten, waar men ook voor een deel geen zicht op heeft wat er gedaan zal worden. Ook dat een teken van de tijd: een overheidsgebouw heeft geen duidelijk functioneel gezicht meer zodat men vanuit het openbaar domein zou kunnen zien wat het is – het misbaksel De Krook werd door de architecten beschreven als een boek – dat werd geloofd door mensen die nog nooit een boek gezien hadden – Georges en Julia noemden het een e-book en werden daarom met de dood bedreigd. Een normale, verstandige politiek zorgt ervoor dat een bibliotheek ‘midden’ een werkveld staat, niet aan de rand ervan – de redenering is simpel: hoe meer bereik mogelijk, hoe beter de werking kan zijn.

Dit gebouw, ‘de Felix’, staat op een eiland, echter zonder veel water errond. Het staat geïsoleerd in een grasveld als een stenen blok, statig en overdonderend, aan de kop van een uitgestrekt natuurgebied, de Gentbrugse Meersen, en even verder is er een fysieke barrière, de zo gekende brokkelbrug van Gentbrugge, weliswaar op pylonen, maar toch een barrière, een kille, gure plaats, een afslag van/voor de autosnelweg, veel openbare terreur, pardon het openbaar vervoer van De Lijn zorgt voor de mensen, de dichtbije straten zijn bewoond door een niet zo jonge bevolking, blank, middenklasse, politiek voordelig. Op de website staat een foto ‘ter promotie’: u ziet dat de boeken op ooghoogte staan, dat ze gemakkelijk te bereiken zijn, gevaarloos voor ‘opa en zijn kleindochter’ – alleen al deze foto toont hoe gecorrumpeerd men is – corruptie is niet doen wat men geacht wordt te doen. U ziet geen personeel, het vak bibliothecaris is in Gent immers afgeschaft en vervangen door censor librorum, boekverbrander, moordenaars van de vrije gedachte en ideologisch gespuis: het fascisme een feit.

Ook opvallend is dat in de officiële verklaring staat dat de bibliotheek een leescafé zal hebben, een filiaal heeft weliswaar altijd een beperkt aantal openingsuren, de dorstigen moeten doseren, het leescafé zal dus een eigen werking moeten hebben, is géén bibliotheekbeleid, d.w.z. in de huidige ideologie: het café moet geld opbrengen. En enkele jaren geleden werd beslist om alle krantenabonnementen (van tijdschriften was dat al grotendeels gebeurd) voor de filialen op te zeggen, men wilde immers een ‘papierloze bibliotheek’ – de verantwoordelijken voor die onzin, maken nu carrière. Het gebouw wordt in de reclame voor zichzelf versierd met bloembakken

daarmee het brutalisme van Paul Felix ontkennend, (zoals men in een auto gordijntjes aanbrengt), daarmee ontkennend wat cultuur is en aantonend wat Karl Marx bedoelde met ‘rozen op de ketting’ – leugens renderen, denkt men. Men zegt een gebouw te respecteren, in werkelijkheid spuugt men op de cultuur.

Uit GIS-onderzoek weten we dat mensen een wijkbibliotheek bezoeken als ze in een straal van ongeveer 1,5 km wandelafstand (wat iets anders is dan vogelvlucht) wonen. Deze afstand is een internationale norm, en ik weet wel dat Gent boven alle normen staat, toch werd deze norm in een onderzoek specifiek voor Gent bevestigd – dit is het bijkomende drama van de huidige tijd: culturele instellingen worden niet geleid door bibliothecarissen, zij zijn dan ook vrijgesteld van het lezen en kennen van vakliteratuur, de politici, in dit geval de ex-liberale schepen, Sami Souguir, elke maand dikker, die in de voetsporen treedt van zijn nationalistisch-socialistische voorgangster-schepen Annelies Storms, met een kabinet van liberale knechten en meiden, willen scoren, in de belangstelling komen maar hebben geen benul van dat waarmee ze bezig zouden moeten zijn, men doet niet wat men geacht wordt te doen, men is bezig zichzelf ‘in the picture’ te zetten, de bibliotheek is een instrument ter verknechting, een leugen die als beleid wordt voorgesteld.

In het geval van ‘De Felix’ heeft men dat ideële bereik (een werkgebied waar de afstand tussen woning en bibliotheek  ongeveer 1,5 kilometer bedraagt) al met 5/6 verminderd (alles wat achter en naast het gebouw ligt is natuurgebied, wat ervoor ligt is een fysieke barrière, de directe omgeving is gras) en omdat de wijk die evenwijdig loopt met het gebouw, vooral bestaat uit ééngezinswoningen en villa’s waar een blanke middenklasse woont, wordt de potentiële lezersbevolking verder sterk uitgedund. Wat voorgesteld wordt als een positief gegeven, is een anti-bibliothecaire en anti-culturele actie, in geen geval gericht op een werkelijk bibliotheek- of boekbeleid, zelfs is er geen sprake van een financieel verstandig beleid. De impact van dit gebouw op de omgeving is dus quasi nihil (zo kan men ook in een nudistenkamp een kledingzaak openen), maar, zegt men, er zal veel ‘passage’ zijn, men spreekt van een opa die ’s morgens zijn kleindochter aan de schoolpoort afzet, wat paperassen in het dienstencentrum komt regelen (een wekelijkse bezigheid blijkbaar) en boeken gaat lezen in het leescafé – het vertellen toont de dwaling, de dwaasheid en de leugen aan. Architecten die geen urbanist zijn, zijn ook geen architect – het heeft geen zin een fontein te plaatsen als er geen water is.

Omdat Boek.be failliet is, werd het concept te koop aangeboden (het concept is : enkele personeelsleden die hun werk de voorbije jaren niet gedaan hebben voor het organiseren van de jaarlijkse Boekenbeurs). Er waren veel geïnteresseerden maar niemand hapte toe (uiteraard kwam de geheel uit subsidies opgetrokken pralinekenner Jos Geysels op de proppen). Uiteraard was ook Gent geïnteresseerd, altijd tuk op de restjes van anderen, maar bedacht zich en, zegt de zogezegde schepen van Cultuur, broedt wel nog altijd op een concept – als men niet weet wat boekcultuur is, moet men broeden (wie kennis zou hebben, zou weten wat er gedaan moet worden), maar het broeden, geheel in overeenstemming met de politieke censuur die men in de bibliotheek toepast (boeken worden vernietigd, de gelovige, islamistische en katholieke, moreel superieuren, maar niet de intelligenten, bepalen nu wat mensen mogen lezen, een beleid dat niet in overeenstemming is met het decreet van 1978 maar fascisten hebben geen wetten nodig, en geheel in overeenstemming wordt het bibliotheekpersoneel naar heropvoedingskampen gestuurd), gaat de al lang gekende richting uit, het verleden is de toekomst, “Wie het verleden beheerst, beheerst de toekomst” zei George Orwell :

miljoenen, ja miljoenen – 2

Wat werd er in de 17de eeuw uitgegeven? Heel veel overheidsdrukwerk, religieuze traktaten, almanakken, huishoudelijke boeken, de extrapolatie van de  auteurs: ‘[…] : we hebben nu meer dan 350 000 verschillende stukken drukwerk gedocumenteerd, en alles bij elkaar moet het gaan om circa driehonderd miljoen exemplaren.’ (p. 24) – in een eindnoot verwijzen de auteurs naar een eigen publicatie. Gelijkaardig is het godsbewijs: bestaat god? Zie de bijbel.

De auteurs Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen (in De boekhandel van de wereld : drukkers, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw (vertaald door Frits van der Waa, 2019), tonen echter aan wat een boekcultuur betekent: boeken voor alle lagen van  de bevolking, boeken voor elk moment in een mensenleven en overal beschikbaar, het boek als norm, waarheid, strijdmiddel, bron van welvaart en moraal. Ook de vormgeving was aangepast: een dure smaak voor het establishment, een hap-snap-vormgeving voor het snelle gebruik. Het is precies deze diversificatie die vandaag ontbreekt en waar de huidige, al dan niet ontslagen of te ontslaan, uitgevers geen kennis meer van willen hebben, opgesloten als ze zijn in hun kleinburgerlijke middelmatigheid: alle boeken, zowel hoog als laag, zijn ontworpen naar de vieze smaak van de middelmaat, de middenklasse, een foto op de omslag, niet een ernstige foto maar een kiekje, de vormgeving binnenin altijd dezelfde smoes en boeken opgeblazen met pseudo-banden, pseudo-genaaid, pseudo-cultuur, een al te grote letter. Terwijl het toch anders kan. Neem de Franse Folio-boeken, pockets, altijd prachtig uitgegeven, een soepele rug, men kan die boeken lezen en ook wel ruw behandelen, ze blijven leesbaar en boeken, ze wegen niets, ook al zijn ze soms dik. Er is een onderreeks met klassieke werken, die kosten 2 euro, ik herhaal twee euro, en dit zijn geen afdankertjes maar titels van klassieke en minder klassieke auteurs uit binnen- en buitenland. Ik weet wel dat die boeken in een andere uitvoering al hun geld opgebracht hebben, maar door ze in deze reeks onder te brengen blijven ze beschikbaar (en wat is, kan gelezen worden), voor iedereen bovendien die wil en kan lezen. In de Laagste Landen is er geen pocketreeks meer – daarmee tonen de uitgevers hun minachting voor iedereen die wil lezen. Een boekcultuur wordt gemaakt door vele actoren, die is er niet zomaar, men moet werken. Zoals zoveel culturele instellingen worden de huidige uitgeverijen geleid door cultuurbarbaren en fascisten, zoals Maaike le Noble van uitgeverij Meulenhoff, de ooit zo prestigieuze dame, nu een onderdeel van Lannoo, bewijst. En wat lezen we bij Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen (p. 25): ‘[…] de handel in dit soort boeken [klein formaat-boeken] [was] de solide basis van het Nederlandse boekenbedrijf.’ En even verder: ‘De Nederlandse boekenmarkt dankte zijn bloei voornamelijk aan deze bereidheid om aan ieders smaak en inkomen tegemoet te komen.’ (p. 29) – vandaag heerst de wansmaak en het onvermogen van de kleingeestige middenklasse. En als er een uitgever wil uitspringen, doet hij dat ook letterlijk: ‘Kijk, hoe ik de boeken en de ogen van lezers maltraiteer. Zie mij, zie mij.’

De Gouden Eeuw is ook het verhaal van Zuid-Nederland: hoe de katholieke kerk samen met de overheid de intellectuelen verjoeg, naar Nederland stuurde en hoe daar een bloeiende economie begonnen werd, niet uit het niets, maar de ‘Vlamingen’, al te dikwijls vergeet men de Luikenaars, brachten hun kennis, hun netwerken mee – de Gouden Eeuw is dus helemaal géén argument om immigratie en diversiteit te illustreren, integendeel: de protestanten uit het zuiden gingen naar het protestantse noorden en waren op dat moment maatschappelijk succesvoller dan veel Nederlanders, vormden geen aparte maatschappij, ook al waren er spanningen met de ‘nieuwe rijken’ – rijkdom die rijkdom komt versterken, kennis die nog meer kennis krijgt, overtuigingen die verdiept worden. Er was een wisselwerking tussen de intelligentsia en de overheid: deze laatste was een belangrijke opdrachtgever voor de uitgevers en drukkers, maar de intellectuelen stonden ook in de machtscentra, waardoor ze inderdaad zichzelf bevoordeelden, tegelijkertijd het intellectuele niveau van de bevolking verhoogden – vrijblijvendheid was niet de dominante karaktertrek (wat ook niet altijd aangenaam was) en we weten dat om het goede te doen men ook eigen voordelen mag hebben.

De auteurs halen Cornelis Claesz., ‘waarschijnlijk in Leuven’ geboren, als één van de belangrijke vernieuwers van het uitgeverswezen aan, hij importeerde veel werken en exporteerde die weer: de uitgever als handelaar. Op p. 51 verwijzen ze naar een titelpagina van Gerard Mercator’s Atlas (zie beeld, in het boek is dit grijs afgebeeld, geen vermelding van kleur) om zijn portret te tonen : de quasi-naakte man in het midden (volgens de auteurs is hij ‘de middelste man in de bovenste rij’) – laat ons toe zowel de plaatsaanduiding als het portret te betwijfelen, maar zo staat dit boek vol van eigendunk en niet gefundeerde uitspraken – het beeld is natuurlijk niet toevallig: de klassieke Atlas wordt afgebeeld torsend de wereld op zijn schouders, zoals Sint-Christoforus het Jezuskind droeg, de nieuwe Atlas beschrijft en beheerst de wereld, de atlas daarvan het bewijs. De mens treedt in de plaats van de god.

Misschien ligt het aan de vertaler of aan mij, een naïeve lezer, maar wat ‘overgeërfde patriarchen’ (p. 56) zijn, weet ik niet. Rare zinnen: ‘experimenteerde met de beste manier’ (p. 59). In de 17de eeuw was er geen sprake van een ‘mediahausse’ (65), net  zoals er toen geen ‘zelfhulpboeken’ (p. 109) waren – men moet de begrippen in de juiste tijd weten te houden, anders doet men aan geschiedvervalsing. Over de bekende prent, ‘De synode van Dordrecht’ zeggen de auteurs dat de remonstranten aan ‘de ronde tafel’ (p. 85) zitten, er zijn enkel hoekige tafels te zien. Een ‘gedrukte periodieke nieuwsbrief’ is niet, zoals de auteurs menen ‘met andere woorden : een krant’ (p. 89), op p. 93 wordt over ‘dit formaat’ gesproken, maar nergens wordt vermeld wat het formaat is. Zou de ‘beschrijving van de geografie’ (p. 122) in Van Linschoten’s Itenerario werkelijk daar te vinden zijn?  ‘Wijlen Lemaire verging het minder goed.’ (127) – wie dood is, is dood, zouden wij denken. Of wat te denken van ‘vergissingen die op de loer lagen’ (p. 127), als roofridders in het struikgewas? Dat de auteurs ‘vliegende vissen en het opvangen van regenwater’ als ‘doorstane beproevingen’ (136) zien, toont hun blablaënde stijl, pogingen literair te zijn maar niets te zeggen. Nog voorbeelden van herhaling: p. 56: ‘Claesz’ catalogus opent met een ruimhartige keus aan protestantse kerkvaders, […].’ P. 57: ‘In Claesz’ Nederlandse catalogus wordt een ruimhartige keus aan theologische boeken geflankeerd […].’ Over David Beck, ‘een scherpe en nieuwsgierige geest’ (p. 102) en op p. 103 ‘een goedgeïnformeerd en nieuwsgierig man’. Zo kunnen we nog doorgaan, de pogingen van de auteurs grappig te zijn toch mislukkingen te vinden. De titelbeschrijvingen zijn benedenmaats: als in een titel, bijv. op p. 147, China staat, moeten de auteurs dat niet transcriberen naar Sina.

De auteurs hebben een uitgesproken negatieve visie op Dirck Volckertsz Coornhert zonder dat ze dit hard kunnen maken en zonder dat ze de verdiensten van Coornhert als vertaler en filosoof kennen: hij is een ‘verbitterde dwarsligger, die met zijn weerspannige disputaties in de loop van twee decennia alles in het werk stelde om zich door de gereformeerde synodes tot de martelaarspositie te laten verheffen die hij in zijn ijdelheid nastreefde.’ (p. 402) – deze zin is tevens typerend voor de pseudo-wetenschappelijkheid van de auteurs: psychologiseren, in ‘het zieltje’ van een gestorven mens kunnen kijken, negatieve bewoordingen gebruiken en geen grond aanduiden (er is wel een eindnoot naar 1 publicatie maar zoals bijna steeds vermelden de auteurs géén pagina, wat natuurlijk al te gemakkelijk is en de lezer het vermoeden geeft dat er niet gelezen werd). De auteurs vervolgen het voorgaande citaat en wrijven in hun handen om hun genoegdoening, boontje komt om zijn loontje: ‘Het siert de synodes dat ze hem met grote toegeeflijkheid lieten begaan, tot Coornhert ten slotte in zijn eigen bed de laatste adem uitblies.’

De auteurs behandelen ook de moord op de gebroeders De Witt, nu kunnen wij een parallel trekken met de ‘bestorming van het Capitool’ in Washington, 6 januari 2021: de houding van Donald Trump was exact dezelfde als die van Willem III: het heilig santje spelen maar als er al niet actief gehandeld werd, daden uitlokkend, dan toch stilzwijgend het geweld aanvaardend en daardoor weer aanstokend.

miljoenen, ja miljoenen

Miljoenen, ja miljoenen (bladen, papieren, boeken?), zo zeggen de auteurs Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen het in De boekhandel van de wereld : drukkers, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw (vertaald door Frits van der Waa, 2019) en met die barnumreclame voor zichzelf willen ze bewijzen hoe de Gouden Eeuw in Nederland een papieren eeuw was, maar niet zoals  Mao Zedong de imperialistische machten een papieren tijger noemde. Veel keren herhalen de auteurs zichzelf in het uitroepen van de kreet ‘veel papier’ maar maken hun claim niet hard, hun niet-wetenschappelijke methode spreekt slechts van extrapolatie, een veronderstelling dus, die weliswaar onderbouwd is, maar geen bewijs, en even goed niet nieuw of verrassend of uitzonderlijk is. Voor de rest vertellen de auteurs een traditionele geschiedenis van de Gouden Eeuw, met toch een aantal accenten die discutabel zijn.

Was de situatie zoveel anders dan in andere landen? Nederland was er vroeg bij, de burgerlijke godsdienstoorlogen (of -wedstrijden) hebben hun belang gehad in het produceren van pamfletten, tegenpamfletten en tegen-tegenpamfletten, discussies die nu verlegd zijn naar de sociale media, even onzinnig, even hard, even zinvol. Veel van dat ‘dagelijkse drukwerk’ is niet opgenomen in bibliotheken of archieven, maar wordt soms wel vermeld in ‘fondslijsten’, deze op welke wijze dan ook gedrukt. Daaruit afleidend schrijven de auteurs dat er veel papier geproduceerd werd. Zulke uitspraken en extrapolaties kunnen ook op andere tijden en andere plaatsen toegepast worden.

Er waren de lokale kranten en tijdschriften, van de 18de tot de 20ste eeuw. Elke ideologie had in een beetje gemeente een eigen drukkerij/uitgeverij, soms beconcurreerden drukkers van eenzelfde ideologie elkaar (sociaal-democraten versus vrije socialisten), er waren, in België, socialistische, katholieke, liberale drukkers en allemaal hadden ze hun werk, daarboven stond dikwijls nog een drukker die kwalitatief beter en dus duurder was, dan gold de ideologie veel minder. Niet enkel in de kranten maar via pamfletten en brochures werd de bevolking bestookt met ideeën, kritiek en verdachtmakingen. Veel van dat drukwerk bestaat niet meer, is verzwolgen door de tijd, dan zwijgen we nog over doodsbrieven, eerste en plechtige communiekaartjes, trouwannonces, aanplakbiljetten. Het vroege kapitalisme was een papieren tijdperk, de tijd werd gemaakt door woorden, zinnen en ideeën, de staatsinrichting was onderwerp van discussie en de woede over het establishment niet minder groot. Nederland was een exportland – boeken werden naar andere landen geëxporteerd, in de negentiende eeuw was België ook zo’n land, het land der roofdrukkers – toch was de binnenlandse markt het belangrijkst en het stabielst, schrijven de auteurs op pagina 18, daarmee hun eigen titel ondergravend.

Pettegree en Der Weduwen brengen geen hard bewijs voor de uitzonderlijkheid van de Gouden Eeuw  en toch vinden ze hun werkwijze juist en hun ‘vondst’ bijzonder groot. Het gaat echter niet om de aantallen (Nederland meer dan Duitsland?) maar om wat er gebeurde – en daar gaat het bij de auteurs veel minder om – ze larderen hun ‘vondst’ met een traditionele Gouden Eeuw-geschiedenis, ze maken niet duidelijk hoe belangrijk de ideeënverzameling was en wat daarmee gebeurde. Een voorbeeld hoe omgegaan wordt met getallen: ‘In dergelijke huishoudens kocht men drie, vijf, misschien tien boeken per jaar.’ (p. 9) – tussen drie en tien is er een verschil van 7, dat is vier meer dan drie – de spanning tussen de getallen is zeer groot en het ‘misschien’ van de auteurs is wel zeer weinig historisch verantwoord en daaruit kan alles afgeleid worden. Hun extrapolatie is enigszins grappig omdat ze de structuur van complottheorieën gelijk is: het is er niet, dus is dat het bewijs dat het er is. Zo vertellen de auteurs dat de boeken gelezen werden tot ze uit elkaar vielen, daarom zijn ze ook niet in bibliotheken aanwezig en ‘dus’: miljoenen boeken zijn zo verdwenen. Of nog. Als ‘bewijs’ voeren de auteurs aan dat in fondslijsten vermeld werd dat boek X al aan de 13de druk toe is – en de auteurs geloven als kinderen wat drukkers drukken, nooit gehoord van ‘liegen dat het gedrukt staat’.

maart, algelijk

Ⴀ Hedendaagse clichés, 20a : ‘Het is voor iedereen moeilijk.’
20b. Mentale gezondheid
.
20c. ‘In ’t zonnetje is ’t goed hé.’

Ⴀ Gesteld dat ik op Klara de reeks (podcast) Wildevrouw van Jeroen Olyslaegers had willen volgen, dan nog zou het onmogelijk geweest zijn – de dialectische taal van de schrijver is onbegrijpelijk. Werd er nog maar ‘geaffecteerd Nederlands’ gesproken.

Ⴀ De zogezegde bibliotheek De Krook in Gent en Adolf Hitler vormen samen één front: Hitler schreeuwde, in een toespraak, begin 1933: de literatuur moet een bijdrage leveren aan de » durchgreifende moralische Sanierung des Volkskörpers «.
Zoals Geert Mak het zei over de Nederlandse nieuwe fascisten: ‘En de wolf staat voor ons als een andere politieke partij, die ernaar streeft om als het even kan het land te zuiveren van een bepaalde bevolkingsgroep […]. En de wolf staat in duizendvoud voor ons op Facebook, Twitter en WhatsApp.’ – deze ‘bibliotheek’ was en is zo trots op het twitter-gedrag, het medium van de wolven, was en is zo trots met het ‘meegaan met de tijd’.
Het fascisme is een anti-intellectualistische beweging, daarom is de partij Groen ook een voortrekster.
Maar kijk, toch zal men geen stickers kleven op de boeken (Jude) die volgens de nieuwe fascisten onzuiver zijn, maar ‘slechts’ in de catalogus aanduiden dat het gaat om slechte boeken. Zo volgt men toch de nazi-politiek: eerst registreren om daarna te verwijderen. Men doet alsof men op de stappen is teruggekeerd, de tsjevenleugen, in werkelijkheid wordt het fascisme van een betonnen sokkel voorzien. Zij die verantwoordelijk zijn voor deze actie, zullen beloond worden: een promotie gloort. Zij die zwijgen, stemmen toe. Zoals na de oorlog de verantwoordelijken voor de oorlog zichzelf beloond hebben.

Ⴀ Binnenkort zal blijken dat Jeroen Piqueur en de Optima Bank helemaal niets verkeerds gedaan hebben en dat Daniël Termont een integer politicus is.

Ⴀ Vooruit, het voormalige cultuurhuis in Gent, is op zoek naar een nieuwe naam. Ik heb, als positief ingestelde burger, 2 voorstellen ingediend. Het eerste, ‘Conner Lonner Wonner’, en het tweede ‘Rousseau’ – beide voorstellen werden echter afgewezen. Tijdens de oorlog namen de nazi’s de socialistische krant Vooruit over, men sprak toen van een gestolen titel. Dat is wat Conner Rousseau in 2020-2021 eveneens gedaan heeft.

Ⴀ De heiligverklaring van Sus Verleyen is al een aantal jaar bezig en – om in dezelfde trant te blijven – zijn doodzonde, de alliantie met de Verhofstadt-bende, wordt dan met de mantel der liefde bedekt – nochtans heeft hij het mogelijk gemaakt dat de katholieke lafheid en leugen door de liberale leugen en lafheid vervangen werd.

Ⴀ Niet leven we in een spektakelcultuur, nu leven we in een kleinburgerlijk zeretenencultuur, vleesetende kasplantjes die het voor het zeggen hebben. De uiterste consequentie is dat enkel Amanda Gorman zichzelf mag vertalen. Ook er op gelet dat er steeds over ‘Amanda Gorman en haar team’ gesproken wordt ? – net alsof de dichter een maffiabaas is.

Ⴀ Peter Jacobs, DSL, 27/02/2021, over Oud papier van Leen Huet dat nu heruitgegeven wordt door de reactionaire, Vlaamsnationalistische en katholieke uitgeverij Davidsfonds, eerst verwerpt hij, zonder enige reden te geven, haar nieuwste boek, niet groter dan een alinea, Gouden appels en daarna schrijft hij: ‘Ik besnuffelde liever de heruitgave van ouder werk’ – de recensent als hond, een boek als stront.

Ⴀ Het opvallendste: het gedicht van Amanda Gorman is beneden elk niveau geschreven, het verschil tussen mond en schriftuur: wat gesproken wordt, lijkt soms nog iets, maar neergeschreven: een verzameling gevaarlijke clichés, priesterlijk vermaan, een achterhaald toekomstbeeld, misschien een goede wil, toch vooral een self-exposure en geen enkel verrassend beeld.
Marieke Lucas Rijneveld kwam in zicht om te vertalen.
Daarna schoof Janice Deul zich voor haar. En vertelde niets, hitste alleen maar op, in haar cursiefje stond geen enkel argument.
Daarna kwam Gershwin Bonevacia in beeld als vertaler van het kinderboek van Gorman, ook hij geen vertaler maar hij heeft de juiste papieren: ‘hij is zwart en hij rijmt’ – een ietwat moreel ingestelde mens had deze opdracht geweigerd, alleen al uit solidariteit met Rijneveld én met de literatuur én de vrijheid.
Rijneveld zegt een gedicht te moeten schrijven omwille van de commotie en publiceert dit, dat moet dan gelden als een openbare schuldbekentenis, haar gang naar Canossa, de Moskouse schijnprocessen – maar is dat wel voldoende? Alleen al de intentie dat ze het gedicht wilde vertalen is een zonde geweest, hoe kan men een intentie uitwissen? En wat is dan de waarachtigheid van het gedicht? Een openbare schuldbekentenis is toegeven aan de macht van de meute, dus onbetrouwbaar. Rijneveld is een volwassen vrouw en toch doet ze aan zelfbeschuldiging, zich al dan niet verschuilend achter poëzie. Het Kyrie eleison, Kyrie eleison vervangen door een opgedrongen Mea culpa.

Ⴀ Op Tzum (die om de zoveel tijd Henk van der Meijden doet herleven) las ik dat een zekere Harriet Duurvoort wel 5 boekenkasten heeft en geen enkel boek van Gerard Reve wil bezitten want die vieze man is godslasterlijk. Natuurlijk mag een individu beslissen wat hij in huis heeft maar Duurvoort wil iets anders zeggen: ‘ik ben goed en gij zijt kwaad.’ Binnenkort zal bewezen worden dat de politiek correcten witte broodjes schijten.

Ⴀ In De Tijd van zaterdag 27 februari, Rik Van Puymbroeck interviewt Helen Macdonald die we kennen van H is voor havik, een overroepen en toch goed boek, nu is in Nederlandse vertaling verschenen Schemervluchten. Daar zegt hij, ongetwijfeld op basis van Macdonald, zonder enige kritische noot: ‘Alleen al die schemervluchten – in het Engels mooier: ‘Vesper flights’ – die gierzwaluwen ’s avonds en ook ’s morgens maken, de hoogte in, was zo’n les. Die gierzwaluwen maken die vluchten niet om, zoals men vroeger dacht, te slapen maar om boven een bepaalde luchtlaag het weer te voorspellen en zo te navigeren. Ze doen dat niet allemaal, er zijn er die te druk bezig zijn met hun jongen, maar die laten zich dan leiden door gierzwaluwen die wel omhoog vliegen.
‘Toen ik dat op een conferentie in Cambridge hoorde, was ik omvergeblazen.
’ – deze laatste zin van Macdonald in het interview, dus van haar zelf, dat zal dan toch geen wetenschappelijke conferentie geweest zijn, mag ik hopen..
Wat hier staat is regelrechte, arrogante onzin en domheid, nog erger gemaakt door het denigrerende ‘zoals men vroeger dacht’. Wat hier neergeschreven staat, is een mythisch, pre-darwinistisch denken. Het wordt donker, de ene zwaluw zegt tegen de ander, het wordt donker, straks is er een nieuwsuitzending, de krantenredacties zullen sluiten, ik moet nog gauw het weer gaan voorspellen zodat ze op het KMI weten wat te zeggen en een andere zwaluw zegt, goed, ik blijf thuis ik let op de kinders.
Echt?
Zwaluwen vliegen in de lucht om vliegende insecten te eten, al naargelang de luchtdruk vliegen de insecten, en dus de vogels, hoger of lager (hoe kouder hoe lager). Door de vogels te volgen, kan de mens het weer voorspellen: vliegen de zwaluwen laag, het zal regenen. Mannetjes en vrouwtjes houden om beurten de eitjes in het nest warm, de ene vogel ‘voorspelt’ dus niet, terwijl de andere een zorgende taak heeft: de vogels wisselen elkaar af.

Natuurlijk ziet Macdonald een ‘metafoor’ in  wat de gierzwaluwen volgens haar doen – maar die metafoor is een leugen want gebaseerd op een niet-wetenschappelijk kijken en weten. De les die ze ons wil geven is achterlijk bedrog.
Van Macdonald wordt gezegd dat ze een wetenschapshistoricus is, Van Puymbroeck zal zich ongetwijfeld journalist noemen, beiden bezitten echter geen rationele, wetenschappelijke geest, ze behoren tot de esoterische sekte. En dat bewijst Macdonald nog eens met haar verzinsel over de Royal Society for the Protection of Birds, dit werd door vrouwen opgericht, in 1930 ‘overgenomen door mannen’ (via een staatsgreep?) – de vrouwen wilden, zegt Macdonald, beschermen en redden, maar de mannen waren wetenschappelijk en vonden gevoelens gevaarlijk en wilden dus niet beschermen en redden, maar observeren en kennen. Weer hetzelfde onzinnige cliché: de vrouwen hebben gevoelens, geen rede; de mannen hebben een rede, geen gevoelens; wetenschap is kil, vrouwelijkheid warm. De 21ste eeuw! Nee, er is geen redding mogelijk.

Ⴀ Ook het verschil gemerkt tussen de hitsigheid voor Amanda Gorman en Louise Glück, de Nobelprijswinnaar van 2020, nu al vergeten? – Ach, dus toch: jong vlees. – En vooral: een oorlogsmachinerie. – Nee, houden we het Joodse er toch maar buiten. – Toch, toch.

Ⴀ Zo zegt men het nu: ‘Hoe het debat over wokeness giftig werd’ – hoe wokeness het gif ís, zou beter gezegd zijn.

Ⴀ Er was eens een rector die zich in de media goed voordeed. Hij had in zijn huis vele dienstmaagden die hij zei graag te zien wij wilde immers zelf graag zien. Hij was voor de buitenwereld de voorkomendheid zelve, zo weldenkend als een Vlaamse nationalist zich kon voordoen, zo simpel godsdienstig als een ware Jezuïet, het evenwicht, de rustige pastoor, altijd zalvend zichzelf zegenend. De goedheid zelve, aan de welgevulde tafel. Toch moesten de dienstmaagden ook eten en dat was hem op den duur te veel – zoveel kosten, zoveel nutteloze monden. Hij gaf het beheer over hen aan een vriend die beloofde voor hen te zorgen en hen even veel te betalen, tenminste als ze meer uren werkten en tijdens de uren harder – dienstmaagden zijn immers geen rectoren, dienstmaagden zijn het best als ze veel werken. Zorg goed voor hen, zei de goede rector, dan kan ik het bespaarde geld aan mijn pr besteden. En zo gebeurde. De dienstmaagden werden minder betaald, rapper aan de deur gezet, nieuwe dienstmaagden werden van over de grenzen binnengehaald, een verantwoordelijke sprak gebarentaal, de mensentaal te min. De goede rector was tevreden, nu leefde hij geheel volgens zijn pr in de markt gezet. En zo ging de goede rector de geschiedenis in. (Toch heeft iemand, een ketter ongetwijfeld, Herman Van Goethem horen zeggen: ‘Op het werkvolk mag je spugen.’)

Ⴀ Dacht men dan dat het dom gepeupel niet meer bestond? Het is wakker geworden en huist nu in de weldenkende klasse van de zeretenengeneratie.

Ⴀ Treurnis. De blog, Inktspat, van Peter Bormans (de kenner van het werk van o.a. Jan Elburg) is verdwenen, moe gestreden – er stonden stukken op waar je je hoed voor moest afnemen – onherroepelijk weg – zij die de cultuur zogezegd beschermen en verdedigen, hadden al lang een plan moeten hebben om blogs te behouden, over te nemen, op een server te plaatsen. Nee, liever is men activistisch-fascistisch bezig. En dat is één blog, zo zijn er nog talloos andere, gekend en niet gekend, mensen die onopvallend belangrijk werk verrichten, vroeger kon je in obscure tijdschriften nog iets vinden, nog veel sneller dan men (Robert Darnton!) ooit gevreesd heeft, is de leegte aanwezig – en wat zullen die activisten-fascisten dan doen als er geen cultuur meer is? Zichzelf opvreten?

Ⴀ Om de zoveel tijd moet men het weer hebben over de dt-fouten waartegen zoveel ‘gezondigd’ worden, althans volgens de experten, net alsof er geen mensen, ja, zelfs kinderen zijn, die geen dt-fouten schrijven – waarom heeft men het nooit over de verwarring tussen jou en jouw? En hoe doen Engelse kinderen het dan? Oh, die zijn veel slimmer dan de Vlamingen. De komiek van dienst was in het weekend van 6 maart (DS) Dom Sandra, die zijn naam niet gestolen heeft. Hij is ‘hoogleraar Psycholinguïstiek en Algemene en Nederlandse Taalkunde’, natuurlijk aan de Universiteit Antwerpen, daar hebben ze geen ethiek nodig. Dat de professor zichzelf interessant wil maken, ok, hij doet wat zijn rector doet, maar dat hij dat doet met onwetenschappelijke en onjuiste argumenten maakt zijn hoogleraarschap meer dan verdacht.
Hij begint uiteraard met een zelfverdediging, haha. Dan doet hij ‘wetenschappelijk’ – ‘Die observaties (er zijn dt-fouten) roepen een wetenschappelijke vraag op’, schrijft hij – ha, de professor beroept zich op wetenschap. Zijn betoog steunt op een metafoor: de mens heeft een werkgeheugen en dat is klein, dan ook nog een langetermijngeheugen dat een stoorzender is en de dt-regels kunnen moeilijk geautomatiseerd worden – dus moeten we de dt-regels afschaffen. De argumentatie van de professor is esoterie.
De metafoor is verdacht, wat moet men in de jaren 50 van de vorige eeuw dan als argument gebruikt hebben? Bovendien lijkt de professor wetenschappelijk te zijn maar hij is dat niet – de metafoor neemt bij hem de werkelijkheid over. Hij schrijft dat het ‘werkgeheugen’ te klein is – maar hij weet blijkbaar niet, psycholinguïstiek niet kennende, dat een werkgeheugen uitgebreid kan worden, dat er wel degelijk geautomatiseerd kan worden en dat dit enige oefening vergt (algoritmen) – is het zo simpel? Het is zo simpel. Het hele betoog wordt pseudowetenschappelijk opgebouwd, de conclusie van de ‘professor’ gaat daar dan toch nog tegen in: ‘het gezond verstand’ zegt dat de dt-regels daarom afgeschaft moeten worden.
In het verkeer worden veel overtredingen tegen de opgelegde snelheid vastgesteld. Daarom moeten snelheidsbeperkingen afgeschaft worden.
Het geweld in gezinnen verhoogt  jaar na jaar. Het gezond verstand zegt dat we de gezinnen moeten afschaffen.
Antwerpse professoren halen het nieuws met nepnieuws en nepargumenten. De universiteit van Antwerpen kunnen we afschaffen.

Ⴀ Dat de nu gevangen gezette Tony Coonen,  van de partij Vooruit met het geld, de ex-man is van Hilde Claes en dus de ex-schoonzoon van Willy Claes heeft helemaal niets te betekenen. Dit is Limburg – en tel ze op, kijk waar ze zitten en weet wie ze in zetels gekregen hebben, weet waar het machtscentrum van De Lijn is, besef dat Limburg het Belgisch centrum van maffia en drugsmilieu is, en dat is louter toevallig en heeft niets met politiek te maken.

Ⴀ In MO* een interview met Meryame Kitir (van de partij Vooruit met de geit) met de haar welgezinde John Vandaele – verbijsterend is dit interview ‘inhoudelijk’, verbijsterend dat dit kan passeren. Een staatssecretaris die niets te vertellen heeft, 4 maanden heeft moeten studeren op haar domein (en dat betekent dus 4 maanden tijdverlies, een onderwerp dat ze dus niet kende en nog steeds niet weet waarover ze spreken moet, ongetwijfeld in haar onnozelheid bevestigt dat ze in ‘ontwikkelingslanden’ het repressief apparaat steunt (ze weet wel niet over welke landen het gaat) en een positieve boodschap wil brengen van zelfredzaamheid maar de voorbeelden die ze geeft tonen juist het omgekeerde aan. Waarom Kitir zulke posities in de sociaal-democratische partij heeft opgenomen/gekregen/toegewezen was voor sommigen een vraag. Het antwoord is: de Limburgse belangen verdedigen. ‘Daar wil ik echt wel bij stilstaan omdat het voor mij belangrijk is.’ – Kitir is hét voorbeeld van hoe de politiek zichzelf vernederd heef, afgegleden van het rationalisme naar een inhoudsloos en dus gevaarlijk sentimentalisme.

Ⴀ Het KMSKA, het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen is al meer dan een decennium dicht – dat betekent dat al meer dan één generatie schoolkinderen geen museumbezoek heeft kunnen en mogen afleggen – de onbekwaamheid en de regelrechte barbaarsheid van overheid en architecten hoeft niet verwoord te worden: de feiten zijn er. Nu wordt het museum wel geopend, en in de nieuwsbrief zingt de directie, pardon, het management, zichzelf de lof: wat een prestatie van ons helemaal onszelf. Ohla, het museum wordt geopend voor een catwalk, in dienst van commerciële mode, geldbelangen, investeerders – geen publiek is toegelaten. De stand van de cultuur, de cultuurdragers die de cultuur zouden moeten verdedigen. Ransel ze de tempel uit.

Ⴀ Alexander De Croo en Frank Vandenbroucke moesten zo nodig naar de kapper en dus gaan de corona-besmettingen de hoogte in – nu ze naar de kapper zijn gegaan, kan het land weer op slot.

Ⴀ Ook zo gelachen toen het federale niveau, de nepprofessor Vandenbroucke, einde van het kleine beetje Latijn was en de hete aardappel naar het gewestniveau doorschoof, te weten de onderwijsministers? Zo moedig is hij wel, de perfessor. En wat deed Weyts? Het onmogelijke, maar hij zei wel: geef ons vaccins, de rest is gezever, we hebben vaccins nodig, maar waar blijven die? (En nu we zover zijn: vijgen na pasen.) De pseudopoliticus, nu ook al vooruitgangster, vond de voorstellen van Weyts formidabel en hij zweeg over de vraag naar vaccins, want dat is zijn verantwoordelijkheid. De perfesser heeft geen kleren aan. In Knack van 24 maart stond een interview met Peter Knoope die het generatieconflict aanklaagt: jarenlang zegt men dat de ouderen een probleem zijn en dan is het niet te verwonderen dat ouderen als dood hout gezien én behandeld worden. De louter uit ideologie en zelfwaan bestaande Frank Vandenbroucke zet al decennialang de generaties tegen elkaar op – de ouderen zijn het probleem, het zijn profiteurs en die ouderen moeten letterlijk aan banden gelegd worden – een kettinghond verdraagt niet dat er straathonden rondlopen. Zoals elke Thatcheradept zet Vandenbroucke bevolkingsdelen tegen elkaar op – daarmee een klassenanalyse verhinderend – want een klassenanalyse zou blootleggen hoe neoliberaal deze valse politicus is.
Of de argwaan tegen vaccins? Toen de eerste resultaten verschenen, was het Vandenbroucke die zei dat je die farmabedrijven niet mag geloven, het is immers allemaal te doen om het geld (zoals hijzelf maar al te goed weet). Het is goed zich te herinneren dat hij behoort tot die partij die homeopathie op hetzelfde niveau als de geneeskunde stelt – het volk bedriegen is voor dat soort een normale handel. Nee, het lachen vergaat ons.

Ⴀ N.a.v. de bevestiging door het Vaticaan dat homoseksualiteit een zonde is, schaamt bisschop Johan Bonny zich. Maar waarom? Vrije seksualiteit is onverenigbaar met het katholicisme. Toch is deze godsdienst een theologische constructie, gericht op fokken voor God en Kerk, dat homoseksuelen kunnen huwen (de kleinburgerlijkheid troef) is voor het katholieke geloof onmogelijk: dan moet de hele sacramentenleer immers op de schop en dan bestaat het katholicisme niet meer. Als Bonny zegt zich te schamen, moet hij uit de Kerk treden – dan pas zou men hem mogen loven.

Ⴀ Gouwleider Milo Rau, Direktor Schauspielhaus NTGent, is eredoctor gemaakt aan de Universiteit Gent – het establishment sluit de rangen, Rau is dus in de loge opgenomen. De zogenaamde criticus ontmaskerd als vulgaire arrivist, op de kap van het leed zichzelf decorerend.

Ⴀ Multiple choice! Saint-Daniël Termont is, naast zijn vele andere pensioenbaantjes, tot ereconsul van Marokko benoemd. Dit is hem gelapt
1. omwille van zijn pianospel
2. omwille van zijn Gentse talenkennis
3. om het foefelen.

die ellendige wereld

Veel kan ik verdragen. Middelmatige politici, hun lafheden en leugens. Uitgevers met een slavenmentaliteit. Het slechte weer. Dwaze zinnen. Soms sta ik versteld van mezelf, hoe onaangedaan ik ben, standvastig als Seneca. Maar iets, iets kan ik niet verdragen. Hardnekkige etiketten op boeken. Nee, dat niet. Dan heb ik, o, terechte heimwee naar het potlood.

Je komt thuis, je neemt de boeken die je gekocht hebt, vast en wilt de prijsetiketten verwijderen. Soms gaat het makkelijk, tenminste als het boek niet lang in de winkel gestaan heeft, de lijm heeft zich dan hardnekkig, als gedroogd beton, in het boek vastgezet. Je trekt het etiket weg en daar verschijnt een schaduw van het etiket, een langwerpige, horizontale rechthoek, heel dikwijls verkleurd. Als het een boek uit de rekken is, kan het zijn dat de inkt verpulvert, maar de lijm blijkt extra lijmvast te zitten. De lijm vreet papier en inkt aan, voor altijd staat die kooi in het boek. Een bekende boekhandel, de Slegte, gebruikt etiketten met een agressieve lijm. Bij oude, niet-geplastificeerde boeken, blijft niet alleen de ‘schaduw’, de afdruk, als men het etiket weggetrokken heeft, zichtbaar, ook een deel papier is meegekomen. Het winkelmanagement, slim als het is en dus niet wetend dat een boek uit papier bestaat en dat papier kwetsbaar is, heeft een oplossing gevonden: het etiket wordt niet op de omslag maar op de laatste pagina van het boek gekleefd. Dan blijft niet alleen het etiket als men het weggetrokken heeft, zichtbaar op het papier, ook een deel papier is meegekomen – voor altijd beschadigd. Dat is dan nog het beste geval : heel veel trek je het papier gewoon kapot. Lijm, alhoewel onbeweeglijk, blijft werken en vreten.

Sommige boekwinkels gebruiken etiketten die oorspronkelijk waarschijnlijk voor wijnflessen of grasmachines bedoeld waren, maar die nu voor boeken gebruikt worden, wijn en literatuur en vocht gaan toch samen? De kleefkracht is navenant. Je komt dus thuis en je wilt, terwijl je fluitend naar de merel kijkt hoe hij zich in het waterbakje onder de eik wast, de boeketiketten verwijderen. Bij goede etiketten hoef je geen nagels als van een heks te hebben, even wrijven met de duimvingertop en het etiket komt los. Maar bij andere etiketten lukt dat niet – de agressieve lijm doet wat agressieve lijm doet: lijmen.

Dan begint het prutsen. Met een vingernagel tracht je onder het papier te geraken, dat kan niet of nauwelijks. Plots krijg je wel een stukje papier los, maar dan blijkt dat je maar een laagje papier hebt losgetrokken, aan je vinger kleeft het papier en het etiket op het boek kleeft nog steeds : het blijkt om twee etiketten te gaan, allebei even hardnekkig, domheid op dwaasheid. Je nagel is onbruikbaar geworden, want gescheurd en kleverig, niet efficiënt genoeg meer. Je neemt een mes, niet zomaar een mes, een scherp mes. En je probeert weer onder het papier van het etiket te komen maar boven het papier van de omslag te blijven. Dat lukt niet. Een kerf in de omslag, als de omslag gekleurd is, is er nu een witte kwetsuur. Je kijkt rond en als je niemand ziet, vloek je. Je probeert opnieuw en waarachtig nu komt een groter stuk etiket mee, maar, helaas, ook een stuk van de omslag. Het etiket mag dan helemaal of gedeeltelijk verwijderd zijn, het etiket is voor eeuwig zichtbaar.

Eens was je het beu en je wilde van de boekhandelaarster een ander exemplaar – in dat geval was het etiket op de voorzijde van de omslag gekleefd en zeer hardnekkig als het leed van de wereld. Je gaat naar de winkel, je haalt het ruilexemplaar op, er is geen etiket op het boek gekleefd, je bent (min of meer) gelukkig, toch gerustgesteld. Nu je daar toch bent, neem je nog een ander boek mee. Je komt thuis, je wilt het etiket van dat boek verwijderen – wéér van hetzelfde: een etiket dat niet verwijderd kan worden zonder het boek zelf te beschadigen.

Soms heb je een methode gevonden, en denk je, zo moet het en nu voor altijd dit onthouden : met de top van het mes, horizontaal blijvend, steeds verder gaand zoals een bergboor, die een tunnel graaft, traag en voorzichtig. Dat lukt soms een beetje, je wordt bijna euforisch en je borst zwelt van trots (denkend aan Kant) – maar lukt nooit tot het einde. De methode mag je vergeten.

Heb je de moed verloren, al dat prutsen, al die vuiligheid, de ergernis om boekhandelaars die boekvijandig zijn, wil je het laten zoals het is, dan is het ook geen gezicht: een half afgetrokken etiket is nog erger dan een heel etiket.

En soms heb je toch het hele etiket verwijderd, dat dacht je dan, maar dan blijft een slagveld over. Als je van ver kijkt, lijkt er niets aan de hand te zijn, een fenomeen dat  wel meer voorkomt. Dichterbij gekeken, ai ai wat een ellendige wereld. De omslag is hoe dan ook beschadigd: de omtrek van het etiket blijft zichtbaar, de sporen van nagel of mes eveneens, de omslag vertoont builen en blutsen, geplastificeerd of niet, de kleur van de boekomslag aangetast. Is het etiketpapier volledig verwijderd, ligt er nog lijm op de omslag, na twee keer het boek vastpakken bestaat de onzichtbare maar lijmende lijm, nu uit zwarte brokstukjes. Lijmsnot.

Nee, ik kan er niet tegen, de wereld van ellende.

gekwetst ben ik

Ghequetst ben ic van binnen

Ghequetst ben ic van binnen,
Doorwont mijn hert so seer,
Van uwer ganscher minnen
Ghequetst so lanc so meer.
Waer ic mi wend, waer ik mi keer,
Ic en can gherusten dach noch nachte;
Waer ic mi wend, waer ic mi keer,
Ghi sijt alleen in mijn ghedachte.

Anoniem (14de eeuw)

Maar ik ook! Ook ik ben gekwetst! En nu voor altijd!

Welke generatie heeft nu de wapens opgenomen? De gekwetste. Als er al geen geboortetrauma is (als iedereen geboren wordt uit een baarmoeder, is er natuurlijk geen trauma), dan is er wel iets ergs gebeurd, met een kinderfiets gevallen, een al te luide lach op de speelplaats en natuurlijk is men gediscrimineerd. Zo herinner ik me de PMS-adviezen. De een was te dom voor de universiteit (hij is professor geworden, weliswaar in de psychologie, maar toch professor), de ander had geen wetenschappelijke aanleg (hij doceert architectuur), een ander moest priester spelen (hij was en is atheïst) – enz., allemaal blanke jonge mannen. Getekend voor het leven! En Pijn!

Dus moet men in de maatschappij watten brengen voor de wattengeneratie: opgelet want er zou iemand gekwetst kunnen worden, oei, de koude tenen, Kees van Kooten en Wim de Bie spraken tenminste nog van pikken, nu is omzichtigheid geboden. Wat eventueel zou kunnen kwetsen, men weet het niet maar men veronderstelt, gauwgauw weggemoffeld en verzwegen. We zijn immers afstammelingen van blanke zieltjes. Zo doen we ons toch voor – zoals vandaag was het verleden: blank en rein, schuldeloos.

En dus vervalst men, en dus liegt men, en dus speelt men de hypocriete non. En zo is het fascisme binnengeslopen. Wat onwelgevallig is, zal men verwijderen. Het zuiveringsproces gebeurt stil en soms verraadt men zichzelf. Zo dacht Lies Lavrijsen veel punten te kunnen Lies Lavrijsen ophalen. Dus verklapte ze dat ze Mohammed uit haar bewerking van de Hel van Dante geschrapt heeft. De trots over haar epuratiewerk, elke moordenaar is trots op haar bebloede handen, kon ze smakelijk onthullen.

Ze kreeg (dan toch) enige tegenwind en ook wind langs achteren. De uitgeverij Blossom Books stond pal achter haar vertaalster-zuiveraarster-ijveraarster en zegt dat er niet onnodig gekwetst moet worden – terwijl het juist nodig is nodig te kwetsen, onnodige kwetsuren, hoe zou dat zijn? Maar wat hierop volgt in het verweer van de uitgeverij, uiteraard gepubliceerd op twitter, het medium van de meute en het fascisme, is interessant (we kruipen nu immers in het hoofd van een hellemonster): ‘[…] dat het verhaal niet onnodig kwetsend zou kunnen zijn voor een lezersgroep die zo’n groot onderdeel uitmaakt van de Nederlandse en Vlaamse samenleving. Het feit dat de passage niet nodig is voor begrip van de literaire tekst is doorslaggevend geweest.’

Wie is die ‘een lezersgroep’ – de schoolgaande jeugd? De jong-volwassenen? De moeder-aan-de-haard? De vader-met-de-pijp? De lezers? De culturele doelgroep? Nee, met ‘een lezersgroep’ bedoelt de uitgeverij de islamisten die een groot onderdeel uitmaken en de rest is voor deze uitgeverij onbelangrijk, ze is dus met haar vertaalster een Erdoganlikker. Het pijnlijke is dat de vreemdelingen (dat we nog steeds van vreemdelingen moeten spreken nu we al de vierde generatie islamisten meemaken, zegt toch ook wel iets – maar wat zegt dit dan?) geen Dante lezen – kijk naar de uitleencijfers in de bibliotheken, kijk rond je in de boekhandel, kijk naar literaire manifestaties – er is een zichtbare schare schrijvers, maar waar zijn de lezers gebleven? Het is wél zo dat een voorhoede, de vijfde colonne, welbewust op zoek is naar provocaties, aan-de-muur-hameren, om dan de buit binnen te halen. De triomf van Erdogan een feit. Waarom mogen de niet-islamisten, de hedendaagse maatschappij dus, wel ‘gekwetst worden’? Op wiens instigatie gebeurt dit? Doelbewust ‘kwetst’ men de groep der lezers (en niet alleen kwetst men, men misleidt) : een uitgeverij die het eigen doelpubliek wil vernietigen, zo werkt het fascisme. Wie zegt gekwetst te zijn, stopt doelbewust elke rationele discussie – over emoties kan niet gediscussieerd worden: ze zijn er, of ze worden ingezet, of ze zijn er niet, of ze worden overstegen. Wie zich beroept op emoties als een epistemologisch argument, vernietigt de rationaliteit. De sentimentalisten zetten zichzelf buiten de rationele maatschappij, maar daar is het guur. Daarom wil men de maatschappij overnemen. De sentimentalisten willen de terreur van de sterkste, de luidste, de agressiefste. De terreur van de kampen, de zwijgplicht, de censuur, de leugen en het bedrog. De zwarte hypocrisie.

De weldenkenden verwijderden ‘niet-essentiële passages’ uit het ‘Convivium’ van Erasmus – de Inquisitie, het fascisme van toen, het activisme van nu

Volgens het fascistische Blossom Books staat het een uitgeverij vrij om passages te verwijderen die het begrip voor de literaire tekst niet in de weg staan – durft deze uitgeverij te zeggen dat zij dat kan? Hoeveel passages kunnen dan blijven staan? Der Zauberberg lezend zou deze inquisiteur-censor heel wat werk hebben, het resultaat minder dan een wikipedia-pagina.

Men heeft deze uitgeverij en haar handlangster Lies Lavrijsen beschuldigd van lafheid – dat is onjuist: fascisten zijn niet laf, dat zijn collaborateurs, fascisten zijn agressief, wraakzuchtig, gewelddadig, vernietigend. Het zuiverende vuur is hun embleem (kijk naar de vormgeving van deze uitgeverij: dit is het fascisme voor de jeugd). Het is dus niet ongepast het fonds van deze uitgeverij en de vertaalde werken van Lavrijsen op fascistische propaganda na te gaan. Wie censuur pleegt, doodt mensen. Wie boeken verminkt, stuurt mensen naar concentratiekampen. Wij kennen de geschiedenis, we weten wat men met de boeken van Erasmus gedaan heeft en welke zwarte terreur gevolgd is. In de 20ste eeuw weten we wat het fascisme en het stalinisme uitgespookt hebben – en nu zou dat niet het geval zijn? ook nu gelden nog de sociologische en culturele wetten. We weten dus tot wat Lavrijsen en Blossom Books in staat zijn. De nuttige idioten van Erdogan. Misschien zijn ze wel te laf om de wapens op te nemen, maar anderen zullen het voor hen wel doen. Voorbereidings- en propagandawerk. En het bewijs geleverd dat men niet weet wat cultuur en beschaving is.

Ongetwijfeld heeft de directie van de ex-bibliotheek De Krook uit Gent, onder curatele gesteld van de groene gouwleidster Tine Heys, al warme contacten gelegd met deze uitgeverij, diepe banden gesmeed – de Dietse ideologie volgend. Een verenigd Islamistisch Rijk (I.S.) de droom. Dante in de hel. En wij met hem.

esthetiek ?

De Leopoldskazerne in Gent was/is een neogotisch gebouw, niet vervallen, stevig gebouwd, wel lelijk, zoals alle nep. Het leger moest besparen, de kazerne werd te groot, Druksel heeft daar nog in een turnzaal 2 keer de beurs georganiseerd. Het MSK is een korte tijd in één van  de torens gehuisvest geweest, er werden ateliers voor kunstenaars ingericht. Er was een rare samenwerking tussen Stad en leger. Plots, de wegen der duivels zijn duister, werd het pand door de provincie aangekocht – op dat moment wist men al dat de provincies zouden afgeschaft worden – en daarna weer verkocht – de provincie Oost-Vlaanderen en het vastgoed: daar is meer dan één misdaadroman over te schrijven. En dus werd de kazerne gedeeltelijk afgebroken, onderkelderd voor garages, de middenklasse moet bediend worden, een deel blijft cultureel, toch blijft de ligging problematisch, de ring (der moord) rond Gent ligt aan de voet van het gebouwencomplex en het project is natuurlijk op maat van het rijke gemeen, de morele en culturele onderklasse, ontworpen. Alhoewel de provincies in de feiten al afgeschaft zijn, komt er toch weer een nieuw Provinciehuis, er komt zelfs een hotel, niet zomaar een hotel, maar een hip hotel. Uiteraard is dit een ‘stadsbuurt’ en ‘toekomstgericht’ – ongetwijfeld zal men ook vinden dat de geschiedenis en het moderne naadloos in elkaar overvloeien, dat er een gelukkig huwelijk is tussen oud en nieuw, dat de geschiedenis eigenlijk al de toekomst is. (Ooit werd geopperd om de kazerne niet te verkopen maar als ‘reserveplaats’ te houden wanneer bij rampen veel mensen tegelijkertijd verzorgd moeten worden, zoals een bom tijdens de Gentse Feesten, een pandemie, een algemene vergiftiging van de bevolking, enz. dat werd allemaal weggelachen – een pandemie? We zijn de Middeleeuwen niet meer.)

En zie, je kijkt naar de website en alle clichés komen voorbij (de reclamesector is een creatieve sector, zegt hij zelf). De architecten zijn B2Ai, 360 architecten, Sergison Bates architects, uiteraard wereldberoemd en gekend om hun subtiele ingrepen. Op de website van de immobiliëngroep Ciril staat te lezen: ‘Een unieke locatie, op het kruispunt tussen oud en nieuw. De Leopoldskazerne krijgt een nieuwe start. Met respect voor de geschiedenis, maar met het oog op de toekomst. Een indrukwekkende architectuur en geschiedenis. Een samenspel van stijlen en invloeden, naadloos aangevuld en versterkt met moderne elementen. Het resultaat? Een unieke woonbeleving, vol karakter.’ – altijd dezelfde onzin, voor gelijk welk project, in gelijk welke stad. De internationale architectenzwendel.
Vraag: waarom protesteert de cultuursector nooit tegen deze verkrachting van de taal?
Antwoord: de cultuursector eet het brood dat hem toegeworpen wordt, d heeft zelf deze taal verzonnen en gebruikt die voor het eigen inkomen, de taal mishandeld is geen probleem – als er maar geld te rapen valt (letterlijk te lezen: als slangen over de grond kronkelend).

De foto toont de hypocrisie: men is nog te laf om een muur af te breken, liever zet men daar een nepgebouw achter. Naadloos gaat het een over in het ander, naadloos – zoals het hemd van Sint-Godelieve van Gistel. Als een tang op een varken – pseudo-architectuur.

2. In het Muinkpark van Gent, Michiel Hendryckx noemt deze buurt, waar hij woont, bekakt, hij kan het weten, staan ongeveer de prachtigste bomen van de stad, het park zelf een combinatie van onderhoud en op zichzelf staande natuurkracht, een mooi beeldhouwwerk in het midden ervan, een herinnering aan de tijd toen er daar een dierenpark mocht zijn. Aan een majestueuze boom hangt een blad met een QR-code – zodat men niet naar de boom moet kijken en de boom zelf geattaqueerd wordt. ‘Scan for a surprise’ – een spek voor kinderen – de oorlog der belevingen in alle geledingen doorgedrongen. Wie doet beleven, steekt de ogen uit. Mag men niet meer naar een boom kijken? Nee, ga naar de cloud.

3. Niet zal ik spreken over de zogezegde muurschilderingen die overal in de steden verschijnen, zelfs op gebouwen die waardevol zijn en geen lelijk beeld verdragen – opvallend is dat die schilderingen ouderwets figuratief zijn en een werkelijke doorn in het oog – ik ken mensen die daar elke dag moeten op kijken. De politici stimuleren deze aanslagen op oog en gemoed, ze denken dat dit de stad verfraait, dat het volk graag zichzelf ziet, ze denken met graffiti een verbinding te maken met de jeugd, en het is de wansmaak die regeert, de domheid van het beeld die triomfeert. Net alsof er nooit een Georges Braque geweest is, een Malevitch, een Gerhard Richter, een Louise Bourgeois, een Bart van der Leck. Dit werk is een voorbeeld van reactionaire kunst, ik weet wel dat vandaag kunst en cultuur heilig zijn, en dat het sociale daarbij komt, drieheiligheid, dat het rationele onderdrukt wordt, zwijg daarover, er mag geen kritiek gegeven worden op het heilige, maar deze ‘kunst’ is een voorbeeld van regressieve kunst: men gaat achteruit zonder de verworvenheden van de voorgaanden te kennen, laat staan op te nemen, dit is bovendien ideologische kunst, het sociale viert hoogtij en is daarom niet langer sociaal maar agressief in domheid, lelijkheid, achterlijkheid – de politiek gebruikt dit als een soort suskunst. Het beeld op de foto is van de ‘graffiti-kunstenaar’ SMOK, die heeft nog andere wansmakelijke afschuwschilderingen in de stad gemaakt – nog een reden om de gewapende revolutie te starten.

4. Het Poëziecentrum geeft een boek uit, van Elvis Peeters, De wanbidder, een bundel als hommage aan en à la Hugo Claus, maar veel is door de auteur niet begrepen, al te oppervlakkig Claus gespeeld, Vlaamse pathos en retoriek, weinig grond, te luidruchtig bovendien. Op het omslag prijkt een foto, ‘cop. Christie’s Images / Bridgeman Images’ – een organisatie die bestaat van belastinggeld, het Poëziecentrum, betaalt liever een kapitalistische beeldbank (de gemakzucht van het geld) dan een foto te gebruiken van de ‘echte ramskop’, nl. die van Roel D’Haese, het zou ook kunnen zijn dat de verantwoordelijken van het zogezegde Poëziecentrum niet weten dat dit beeld bestaat. Opvallend is ook dat niet de fotograaf benoemd wordt of dat er uitleg over het beeld gegeven wordt, nee, enkel wie betaald wordt, is belangrijk.

De vormgeving van deze bundel is van Dooreman, zelden zag ik een belachelijker vormgeving. De titels van de gedichten in bold gezet, gecentreerd en onderstreept, zoals een dertienjarig meisje haar opstel Opstel noemt. Het formaat is verkeerd, de bindwijze al kapot nog vooraleer het boek gelezen is, zelfs banaal kunnen we dit alles niet meer noemen, dit is in de stunteligheid (bijna vertederend) onnozel-dom, zo slecht dat het nog de charme van prutswerk uitstraalt. De reekstitel ‘Ook ik’ (à la ‘Nu nog’) wordt voorafgegaan door een #, modern!, uitdagend!, jeugdig!

Maar misschien spreek ik over de verkeerde uitgeverij: de rug van het boek vermeldt immers Poeëziecentrum, waarlijk Maud Vanhauwaert-achtig Van Ostayen-achterna, geheel authentiek, de zorg om de cultuur en de boekcultuur gehuldigd, als het geld maar binnenstroomt, het Poëziecentrum als offerblok en offerblok.

het universum hangt los – over ‘het jaagpad op en af’ van saskia de jong (4)

Als we het begingedicht van de bundel als een aparte reeks beschouwen, dan is ‘object tot beschikbare ruimte : vergezicht van een dijk’ het zesde deel van de bundel Het jaagpad op en af en dit wordt voorafgegaan door een citaat, in de vertaling van Paul Claes, van Herakleitos: ‘De weg naar boven en naar beneden zijn één en dezelfde.’ – fragment 60, Claes verklaart deze paradox verder nog als ‘De heen- en de terugweg zijn één en dezelfde.’, de tegengestelden vormen een eenheid – dat Saskia de Jong dit fragment als motto koos, is na het voorgaande geen toeval, zij haalt de uitspraak niet binnen een esoterische of mystieke context: de ‘dagelijkse wereld’ toont hoe tegengestelden naast elkaar bestaan, weg van het monomane denken, de manie van het monotheïsme, een denkrichting.

Dit deel, dit gedicht, is, net zoals andere, gericht op Nederland: het lichaamsdeel oksel is al eerder ter sprake gekomen (p. 11: ‘de gedachten onder de oksel gestoken’), hier wordt begonnen met ‘delta-oksel / klont, veel klont, het grote grondverzet’ – Nederland als dijkenland, de beheersing van het water, het heroïsche gevecht tegen de zee, het onmogelijk geachte gerealiseerd. Saskia de Jong beziet de dijk van twee zijden: de ruimte die de dijk afbakent en het object dat de ruimte definieert, een standpunt waarmee ze o.a. duidelijk maakt dat er geen standpunt kan ingenomen worden. Hoe definieer je een dijk? Als het Saskia de Jong is: op een verbluffende manier: ‘de voet tegen het zout’ – een plastisch beeld, de mens als een titaan. Wat zijn de dijkwerken? ‘een bodem verplaatsen’, ‘ingelijfd water is een snee in de zee’.

Het beeld van de deltawerken wordt nu ingezet, geëxploreerd, verder uitgewerkt binnen het thema van de bundel, een thema dat dubbel is (op en neer): het maatschappelijke en het ik. De mens is dader en slachtoffer. Tegelijkertijd is dit gedicht een poëtica, het verdichten van de werkelijkheid waarbij dichten in beide betekenissen gelezen kan worden: de dichter toont de andere (donkere) zijde van het doorzichtige, het ondoorzichtige wordt geklaard. Het tegengestelde komt tot uiting in ‘ik heb het ijle van steen’ – wat onmogelijk zou zijn, indien daar niet Saskia de Jong was. De constatering van de tegengestelden betekent niet dat de dichter het daarbij laat:

ik doe moeite

te knopen het einde van vloeibaar
aan het einde van vast, het einde van
reikwijdte aan het begin van aanraking

Tegelijkertijd ook weer niet, ‘maar kan het niet bevatten / en wil het niet’ – niet het heroïsche leven maar het struikelende (van jonge vogels) is wat de dichter nabij is. De dichter staat in het leven zoals een judoka: soms meegevend, soms gevloerd, soms weerstand biedend:

over, weer
zo zijn de voorkeurspaden

Zoals de dijk: ‘ben ik grens of begrensde’, hoe staat de mens in de wereld, wat doet hij met zijn omgeving, een vraag naar zingeving, zoals de mens goed en kwaad is. De mens is niet onbeïnvloed: ‘rafels van jou / kleven rafels van mij aan’ – er is weliswaar een atomistische opvatting van het leven (en de wereld), atomen kunnen botsen. Tegelijkertijd is het besef van de eenheid der tegengestelden een geruststellende gedachte: als er lezers zijn, dan ook dichters, als er vissen zijn, dan ook vissers (grote vissen eten kleine vissen):

alle openbare vernietiging
is niet monding
is niet bedding
is monding én bedding

Er is een verlangen naar transcendentie, een weg zijn van deze wereld:

bevrijden van dat dwingende
dat dingende, van teen tot teen uiteen
vallen tot wat ik ben

Het vallen wordt hier, q.e.d., een samenvallen, een ‘ik worden’ die ‘is’, zichzelf zijn – het door de wereld gealiëneerde individu. (Maar hoe ernstig dit alles ook is, er is veel humor te bespeuren in het zien van de andere zijde – het poneren en het toevoegen alhoewel.) Een vrijheidsgedicht.

De Oostakkerse gedichten van Hugo Claus verscheen in 1955 en werd vanaf het begin als een belangrijke bundel gezien, een bevestiging van eerdere verwachtingen, alhoewel deze bundel toch nog vroeg in de carrière van de schrijver verscheen, eigenlijk nog maar de derde (reguliere) bundel, na Een huis dat tussen nacht en morgen staat (1953) en Tancredo infrasonic (1952) – laat u niet bedotten: in de Verzamelde gedichten zijn deze bundels niet chronologisch opgenomen.
In 1956 liet Jan Elburg in Maatstaf, september 1956, Contravormen naar 5 Oostakkerse gedichten van Hugo Claus verschijnen, een contravorm is een tegenstelling, een omkering van een oorspronkelijk gedicht – nacht en dag bijvoorbeeld. Ik gebruik de Eliance Pers-editie uit 1971, een oplage van 50 exemplaren. Er is een voorwoord van Elburg opgenomen: ‘De hier volgende verzen zijn géén parodieën op de door mij zeer bewonderde gedichten van Hugo Claus, waaraan zij hun ontstaan danken. Zij willen niets bewijzen, geen nieuwe mogelijkheid zijn, geen redmiddel voor hardlijvige letterkundigen. Zij zijn zo maar.’ Hij voegt toe dat Claus zijn toestemming gegeven heeft. Naast de contravormen zijn in deze uitgave (immers ook) de oorspronkelijke gedichten opgenomen. Ik geef een voorbeeld van de eerste regel van het eerste gedicht, ‘De regenkoning’:
Claus: De regenkoning sprak (en gelovig waren mijn oren):
Elburg: De onderdaan van de droogte verzweeg (en blasfemisch haar ogen):
Ter ere van Jan Elburg verscheen in 1989 Alles voor niets : hommages aan Jan G. Elburg, Meulenhoff, onder redactie van Huub Beurskens, Wiel Kusters en Laurens Vancrevel. Beurskens publiceerde hier zijn ‘Vijf contravormen van vijf contravormen van Jan G. Elburg van vijf gedichten van Hugo Claus’, en de eerste regel hier is dan:
Beurskens: De vorst van het vocht deed kond (en bekeerlijk waren mijn oren):

De contravorm van een contravorm is uiteraard niet de oorspronkelijke, of oervorm maar een verdere gang. Een ander bekend voorbeeld van contravormen zijn De maanden van het jaar van Folgore da San Gimignano (1270-1332) en daartegenover de gedichtenreeks De twaalf magere maanden van Cenne de la Chitarra (zelfde periode, geboorte en dood onbekend), wereld en tegenwereld, boven- en onderkant, waarbij voor het Nederlands nog een vertalersaspect bijkomt. Dolf Verspoor vertaalde de gedichten van Folgore da San Gimignano en W. van Elden vertaalde zijn ‘magere maanden’ in het spoor van Verspoor, de rijmklanken werden aangehouden en ‘Ook overigens heb ik gepoogd de wereld van Verspoor zowel naar vorm als inhoud zoveel mogelijk in mijn vertaling op zijn kop gezet te weerspiegelen […].’ (Boucher, 1958, p. [7]).

De contravorm van Saskia de Jong, ‘geheimhouding van het gepasseerde’ is zeker géén hommage aan het ‘Futuristisch manifest’ van Marinetti uit 1909 – de contravorm is hier een contramanifest, voor zover De Jong iets met manifesten te doen zou hebben, haar ‘geheimhouding’ wil alle manifesten overbodig maken. De titel van De Jong is een omkering van ‘Manifeste du futurisme’: een manifest is een openbaarmaking, het futurisme is de toekomst – ‘geheimhouding van het gepasseerde’ is daarmee een tegengestelde. In de Druksel-uitgave van dit gedicht was er nog een ondertitel opgenomen, ‘een oproep tot zwijgen’. De datum was 18 september 2012, Prinsjesdag, niet toevallig. Het boek werd vormgegeven als een echt manifest, geen omslag, direct de tekst, geniet, maar wel gesigneerd door de auteur en in ‘beperkte’ oplage – zo zijn we dan weer wel. De titel is gezet als was dit een krant, met de datum erbij, rechts, en links het volgnummer van de uitgave. Bedoeling was dat het ‘pamflet’ in de achterzak gestoken kon worden, in een hoekje bovengehaald, liefst in een shopping mall of een belevingsbibliotheek, om dan gelezen te worden, lezen als antileven – een veroordeling van zij die fasciseren. De Jong stelt zich niet tégen de vooruitgang, wel tegen hun vooruitgang – weer een woord dat de cultuur, het rationalisme en het decente ontstolen zijn. Saskia de Jong is onlangs met de nu misschien wel belangrijkste poëzieprijs bekroond, de driejaarlijkse Oeuvreprijs Adriaan Roland Holst, ook hij was tegen hun vooruitgang, niet tegen de vooruitgang in menselijkheid, kennis en cultuur.

De versie in Het jaagpad op en af wijkt in een enkel, klein geval af van de eerste versie maar is wel strakker gezet door de weglating van de meeste leestekens. De tekst is verdeeld in twee stemmen: de dichter die spreekt en het koor dat antwoordt, commentaar geeft, niet zozeer op de woorden van de dichter maar wel op het beschrevene (herinner u ook ‘oratorium’ van Lucebert, De Jong heeft overigens goede contacten met hedendaagse muziekmakers). In de Druksel-uitgave zijn de woorden van het koor groter gezet, in de uitgave van De Harmonie is er geen verschil tussen lopende tekst en commentaar. In deze reguliere uitgave is er geen melding gemaakt van het Marinetti-manifest, de bibliofiele editie voegde, op roze papier, het oorspronkelijke manifest toe. ‘Geheimhouding van het gepasseerde’ volgt de drie delen van het Marinetti-manifest, bij De Harmonie begint deel 2 op pagina 79 (‘in nederland’) en deel 3 op p. 87 (‘de jongste onder jullie is allang zestig jaar’), resp. de contravorm van « C’est en Italie que nous lançons ce manifeste de violence culbutante et incendiaire, […] . » en « Les plus âgés d’entre nous ont trente ans: […]. »

Nemen we als een ander voorbeeld, uit het tweede deel, de Marinetti-tekst, Marinetti kan gelden als de ideoloog van het neoliberalisme, de oorlogsretoriek, het geweld van machines en managers, de verheerlijking van de jeugd en de stedelijkheid, « En vérité, la fréquentation des musées, des bibliothèques et des académies (ces cimetières d’efforts perdus, ces calvaires de rêves crucifiés, ces registres d’élans brisés! …) est pour les artistes ce qu’est la tutelle prolongée des parents pour des jeunes gens intelligents, ivres de leur talent et de leur volonté ambitieuse. » (Marinetti heeft dus niet altijd onzin verteld, zelfs de doodgraver spreekt soms waarheid) wordt bij Saskia de Jong een al even vernietigende beschrijving:

in verbeelding is de nachtelijke leegloop
van bordelen, beeldbanken, basisscholen
(die baarkamers van zinvol laisser faire
die zegetochten van herrezen nachtmerries
die voetnoten van puntgave reserves!)
voor ambtenaren wat de

a: beperkte volgzaamheid
b: beknotte vrijheid
c: gekrompen zelfstandigheid

van kinderen is voor domme volwassenen
nuchter door hun handicap en hun

a: luie wispelturigheid
b: pretentieloze onwil
c: bescheiden weerzin

De ‘keuzemogelijkheden’ tussen a, b of c zijn uiteraard geen mogelijkheden, laat staan dat er gekozen kan worden, ambtelijke dwang. De contravorm wordt hier ideologiekritiek: als het tegendeel onzin is, dan ook het eerste deel.

Mag er gelachen worden bij het lezen van deze poëzie ? Jazeker, vergeet dan niet te huilen.

het universum hangt los – over ‘het jaagpad op en af’ van saskia de jong (1)

Eerst is er het boek, en weer worden we meer dan aangenaam verrast. Uiteraard is de vormgever Michaël Snitker, die ook de vorige boeken van Saskia de Jong heeft mogen/kunnen/willen vormgeven. Hij drukte zijn stempel (deze keer wel heel letterlijk) op het werk, ongetwijfeld, maar even ongetwijfeld is dat De Jong haar stem (en meer) liet horen. De dichtbundel Het jaagpad op en af is in de eerste plaats een materieel object, een vormgeving die direct herkenbaar is als hedendaags, al is die nieuw en niet een cliché volgend, tegelijkertijd klassiek en het klassieke verwrongen. Het boek heeft andere afmetingen dan wat een bundel heden ten dage blijkbaar moet zijn, de verticale vorm is duidelijk, de letterzetting op de omslag versterkt dit, en toch is de bladspiegel breed : de dichtregels kunnen deinen en uitbreiden. Een boek met flappen refereert naar een andere tijd – ook al is die nog niet zo veraf verwijderd – hier zijn de flappen functioneel, ze bevatten geen blurb of zwijgen niet hautain, ze behoren, al zijn ze ook vormelijk, inhoudelijk tot het boek.

De omslag. De titelwoorden worden onder elkaar geplaatst, het ene woord dat twee lettergrepen telt wordt gesplitst, er is een centrale as. ‘Het jaagpad’ komt van het woord jagen en betekent trekken, zoals mensen of paarden vroeger boten trokken: zij op de oever, de boot in het water. ‘Op en af’ kan dan cynisch begrepen worden: op het land en in het water, oh Nederland. Of levensfilosofisch: wie raakt soms niet van de weg af? Of verkeerstechnisch: het pad is onderbroken wegens werken. In de titel is meerduidigheid aanwezig. Staan de letters verticaal, geeft het boek een verticale indruk, dan zijn de twee horizontale banden die ‘als het ware letterlijk’ op de omslag liggen de dwarsliggers – zo hebben we Saskia de Jong graag – er is ruimte tussen en die leegte kan gevuld worden, met springen, met lucht, met woorden, kijken we aan de ommezijde zien we dat het hier gaat om een preegdruk én dat het resultaat apart bedrukt geweest is – een technisch hoogstandje van Wilco Art Books, gefaciliteerd door Uitgeverij De Harmonie. Lof!

De ommezijde van het boek bevat de inhoudsopgave en weer met twee dwarsbalken maar nu verticaal geplaatst, gedeeltelijk op de woorden, de banden zijn min of meer doorzichtig, hier geen blinddruk maar enkel een gedrukte oppervlakte. Dit ‘opgedrukte’ refereert naar schildersmateriaal, dit gebruiken huisschilders om boorden te schilderen van bijvoorbeeld ramen en kunstschilders doen dit eveneens om rechte vormen te schilderen of om papier te bevestigen (Kees Goudzwaard die de plakband als volwaardig element gebruikt, Philippe Van Snick als hulpmiddel) – de lijm van dit materiaal is stevig maar is gemakkelijk los te maken, dus een andere lijm dan wat de onafhankelijke boekhandel voor etiketten gebruikt om boeken kapot te maken. De indruk is dus dat de omslag van het boek van Saskia de Jong minstens dubbellagig is, dat onder het oppervlak nog iets anders schuilt.

Op de flappen zijn gedichten afgedrukt – in de inhoudstafel opgenomen. Het eerste gedicht, dat als motto kan gelden, is een aansporing: ‘als de wind niet gunstig is / als bomen niet lukt / al zijn de paarden gelaten / laten we jagen’, de wereld moet niet meezitten om te jagen, dus te sleuren, te zwoegen, tegen de wind in te gaan – we zouden de dichter al van ‘positivisme’ kunnen beschuldigen, ware daar niet haar superieure glimlach, om de mondhoeken spelend, en de waarlijk vernietigende blik. Op de achterflap staat ‘aan de in ellende liggende liefhebbers’ – De Jong is een groot liefhebber van de alliteratie, een stijlmiddel die niet enkel goed in het oor ligt maar een oorlogsbetekenis heeft: het allitereren wordt ingezet om het andere te benadrukken, om de woorden aan te vallen, de betekenissen te ondergraven: dollen met de taal omdat de taal onbetrouwbaar is.

Om dit gedicht te begrijpen, moeten we naar de verschijningsdatum van deze bundel kijken. 2020! 2020! Haar vorige regulier verschenen bundel is van … 2010, en was een kinderboek, zogezegd, natuurlijk niet alhoewel toch zeker wel, de kinderen hadden deugd van De deugende cirkel, het boek verlucht met prenten van De Jong zelf, een waarlijk boek. Resistent, een dichtbundel voor sommige volwassenen, dateert al van 2006! In 2014 werd Het jaagpad op en af aangekondigd als binnenkort te verschijnen. Tijd is natuurlijk een subjectief gegeven, maar toch, dat Het jaagpad … in 2020 en niet in 2022 verschenen is, mag toch een wonder heten.

Echter: de tussentijd heeft de dichter niet in ledigheid doorgebracht. Er was o.a. de samenwerking in 2015 met De Veenfabriek, een muziektheaterproject, muziek van Yannis Kyriakides, een regie van Paul Koek en een tekst van Saskia De Jong, TULPMANIA, waarover niet alleen ik enthousiast was, maar waar de dichter zelf afstand van neemt, niet dat ze zichzelf verloochent maar dit kadert in haar opvattingen over en praktijk van de ‘negatieve poëzie’, naar analogie van de ‘negatieve dialectiek’ van Theodor W. Adorno en kom, ook de ‘negatieve theologie’, het ‘negatieve’ die ook de zwarte gaten van de quantumgravitatie vertegenwoordigen – het negatieve is natuurlijk het positieve van het verzet tegen de wereld, de taal en de poëzie – binnen de poëzie de poëzie met poëticale middelen ondergraven; lid van de wereld zijn en die wereld onbegrijpelijk maken en weergeven, de ontkenning als de kern van het leven.

Het gedicht begint zo: ‘zo jongens de kop is eraf jullie dachten toch niet werkelijk dat het om de tulpen ging?’ – de tulpen verwijzen naar haar tekst Tulpmania – die niet in deze bundel is opgenomen – een dichter die het niet om succesteksten gaat. Overigens is de uitdrukking ‘de kop eraf’ hier in 2 tegengestelde betekenissen gebruikt: de kop eraf, het begin is doorstaan, maar ook de kop, Tulpmania, er letterlijk afgeslagen. Het gaat en ging, gaat de dichter verder, om de manie, en de tulpen waren slechts een tussenstadium. Haar levensregel: ‘geen rechte wegen’. Weliswaar ‘geen bagage’ maar toch een overdaad, niet de karigheid van de levensverachters (toch ook niet de oppervlakkigheid van de optimisten), het vele, een nieuwe barokke literatuur, Saskia de Jong als de ware opvolger van Lucebert en H.H. ter Balkt – niet de esoterie, wel de vreugde, niet het resultaat maar de praktijk, ‘niet de prijs maar het prijzen, niet het loof maar het loven’. Dit gedicht toont hoe veel gedichten opgebouwd zijn: een begin uit het quasi luchtledige (‘wat is dit allemaal?’), een ernstig deel dat door overdrijvende humor, baldadige woordenstapeling een ontkenning inhoudt van het gezegde en, hoe merkwaardig ook, het ontkennende bevestigend werkt. De veelheid van de stemmen in deze bundel (uit de fysieke en de culturele wereld) werken als een echokamer, ook in dit gedicht ‘dwalen is menselijk, zei hoe-heet-ie, laten we dwalen!’ – wat een verwijzing naar het errare humanum est van Hieronymus, de kerkgeleerde, de patroon van vertalers en intellectuelen, in navolging van Cicero, de ironie is door de dichter vastgelegd: het weten heeft een wankele basis en het wankelen wordt een morele stelregel. De ‘citaten’ worden eigenzinnig toegepast, net zoals de agressie en de geluiden van de straat en de buren, komen de woorden van de cultuurdragers ons tegemoet: geluiden die niet noodzakelijk waarheden of werkelijkheden zijn, en/of die door de context of door een kleine verdraaiing een nieuwe betekenis krijgen. ‘Alles van waarde is wezenloos’ is een echo van Lucebert maar evengoed een nieuw adagium: de dingen hebben geen essentie, het wezen bestaat niet, het zijn de vormen die tellen – zoals een boekvorm, zoals deze bundel. Het gedicht wordt plots een brief, ondertekend door Flora, de Romeinse godin, maar ook een gewoon meisje, met een oma en goede vrienden – het baldadige van de lente.

Wat jagen we na? En waarom?

alfred schaffer en het denken van poëzie (1)

Een jongen laat zijn moeder spreken – samen zijn ze  verenigd in het anders-zijn, kwam zij naar Nederland, de zoon ging weg van Nederland – wie vertrekt en ergens aankomt, is een vreemde en blijft een vreemde, een dwaalgast. Alfred Schaffer schreef Wie was ik : strafregels (2020), werd bekroond met de P.C. Hooft-prijs 2021. Het is jammer dat de bundel gesitueerd kan worden in de identitaire onzin, het is natuurlijk ook onzin om een bundel uit de tijd te trekken. Niet is de titel echter ‘Wie ben ik’, wel ‘Wie was ik’ – een verleden tijd, onvoltooid, onzeker, ergens, toen – tot voor kort was de humanistische vraag: ‘Wie kan ik worden?’. Schaffer geeft een stem aan zijn moeder, aan de mens in het algemeen, een verschoppeling, een vreemde. Is het echter noodzakelijk om de particuliere gegevens van de dichter te kennen om de bundel te lezen, begrijpen, te waarderen? Misschien niet, maar toch dit. De moeder van Schaffer kwam van Aruba naar Nederland, werd verpleegster, verpleegde mensen, huwde, verloor een dochter, was een vreemde, haar man geteisterd door oorlog, haar zoon werd een dichter. De zoektocht naar het ik is een literair gegeven dat vandaag ideologisch bepaald wordt – de zaak is dan om de bundel te lezen alsof je twintig jaar verder bent, de vraag is dan of de dictatuur zich doorgezet heeft of niet. Literatuur lezen vraagt vandaag een boven-temporeel vermogen.

De bundel opent met een citaat van Leonard Cohen: ‘I’m almost alive / I’m almost at home’, een uiterst verwarrende frase, ‘ik leef bijna, ik ben bijna thuis’, we worden al van bij de eerste woorden (die van een ander zijn, zoals de bundel grotendeels de woorden van de moeder zijn) geconfronteerd met een probleem, beter is het te spreken van een standpunt: deze bundel het geheel van de samengestelde tegengestelden. De woorden komen uit het lied ‘The goal’, een laat, ‘postuum’ lied, meer gesproken dan gezongen, een somber lied: de ik is veroordeeld tot thuisblijven, hij is oud, maakt de balans op, er is gelatenheid, zo is het nu, hij is alleen, hij moet de weg zelf gaan ‘[…] the goal / Falls short of the reach.’ – het doel valt buiten bereik, tussen het leven en de dood is een kloof – zwijgen (de ‘kloof’ is bij Schaffer, zoals bij de Ouden, de rivier). Home uit het motto is de dood, het huis, het geborgene. Door dit motto wordt de inhoud van de bundel – een moedergedicht – benadrukt.

Het eerste gedicht is een presentatie, ‘Mira akí!’, Papiamento voor ‘Kijk, hier ben ik’, een kleine jongen kan niet slapen, gaat naar beneden, ziet aan de afwas een ‘witte schaduw en een zwarte’, heeft gedroomd dat hij beiden moest begraven (maar zegt het niet) en wordt bevestigd in zijn gedachten: de ouders zijn gestorven. De dichter, de zoon, maakt in woorden beiden weer levend (zoals Mustafa Stitou dat ook voor zijn vader gedaan heeft, het eerste gedicht uit Tempel, 2013) – dit klinkt klef, maar in de woorden van Schaffer is klefheid onmogelijk. De laconieke, bijna registrerende toon van de gedichten, de hyperbool nooit gebruikend, onderkoeld, soms klinisch, afstandelijk, humoristisch, behoedt ons van het sentimentele, waardoor de kracht van de emoties des te aangrijpender is. Het verhaal dat Schaffer vertelt is niet opbeurend, een vrouw die geleden heeft onder vervreemding en racisme, ontheemding, maar is ook niet het verhaal van een slachtoffer of zelf het slachtoffer van een eenduidig standpunt. Oordeelt de dichter? Veroordeelt hij? De suprematie van het intellect: het registreren.

De bundel is onderverdeeld in afdelingen die door elkaar heen lopen. Er zijn de gedichten die een ‘Arubaanse’ titel hebben, ‘gewone’ gedichten met soms zeer lange titels, de reeks ‘Impromptu’, een aantal ‘e-mailberichten’ (steeds vet, bold, gedrukt) die niet altijd als dusdanig te herkennen zijn (bijv. p. 48) (de paginering moeten vermelden, laat mij toe weer te kunnen klagen over de dwaasheid paginanummers het gedicht te laten aanvreten – waarom kunnen paginanummers niet meer bovenaan of onderaan een pagina gezet worden, de woorden niet aantastend? de luiheid van de vormgever, hier Aard Bakker, Amsterdam,  die niets anders vindt dan te doen wat anderen hem voorgedaan hebben, die anderen, die dachten origineel te zijn), en er zijn gedichten, soms beginnend met een aanspreekvorm, deze gedichten zijn cursief gesteld, we zouden nog een reeks kunnen toevoegen: gedichten waarin de nummering een rol speelt. De verschillende vormen geven een indruk van de veelduidigheid die Schaffer zich geeft: een stem heeft vele versies.