sfcdt

Categorie: beeldend

7 details

Het Laatste Oordeel, Jacques van den Coornhuuse (ca. 1529-ca. 1594)

banden (75)

Standbeeld Leopold II door Ontroerend Goed gedoekt en door NTGEnt gestolen als eigen propagandabeeld

Diana Spencer

Banksy

Millicent Fawcett door Gillian Wearing (foto Leon Neal)

Hond van, voor Turkmeense president, Gurbanguly Berdymukhamedov, onbekende kunstenaar

Mary Wollstonecraft door Maggi Hambling  (foto Justin Tallis)

Allison Lapper door Marc Quinn

Virginia Woolf door Laury Dizengremel

Ruth Bader Ginsburg door Gillie and Marc

hilde van canneyt schrijven

Hilde Van Canneyt (HVC) is wereldberoemd omwille van haar interviews met kunstenaars. Ze gaat op atelierbezoek en stelt vragen, nadien wordt dat gepubliceerd.

(HVC): Hoi  hoi, ik ben Hilde en ik stel enigste vraagjes.
De kunstenaar (DK): Ga uw gang.
HVC: Bart, ik zeg Bart tegen jou, want ik zeg tegen alle kunstenaars hun voornaam, dat is gezellig en intiem, zo komen we dicht bij elkaar, het is gelijk dat we getrouwd zijn. En al die boeken hier, is dat om te lezen? Het schijnt dat boek goed zijn als isolatie. Het is hier schoon en ook wel gezellig interessant, je hebt daar veel werk aan gehad zeker?
DK: Dat gaat.
HVC: Bij mij thuis is het ook schoon, als ik gekuist heb, haha.
DK: Gaat u verder.
HVC: Je werk triggert mij een beetje, is intrigeert en electriceert, penetreert en sulfeert tegelijkertijd, dat allemaal, dat voel ik zo helegans in mijn buik.
DK: Waar het om gaat …
HVC: De laatste keer dat ik dat gevoeld had was als ik een kort broekje droeg, maar een kort broekske hé, geel, met rode bollen, zo petitpetit dat je niet zag dat er bollen waren, de bollen petitpetit, subtiel hé. Petit op petit, het is gelijk ik. Dat is ook kunst, hé, je ziet het niet en toch is het er.
DK: Waar gaat dit
HVC: Dat is gelijk bij jou, al jouw werk begint ’s morgens vroeg met het voelen na het opstaan en na dat voelen, is het een ontbijt hé, transpiratie en expiratie, genasatie en gevelsatie. Dat allemaal samen dat maakt je werk zo sterk en ook gezond, ferme spierballen heb jij, zeg, is dat van veel boterhammen te eten? Mag ik een keer voelen? (Ik voel) Amai zeg.
DK: Ik ga hier moeten
HVC: En als je dan werk maakt heb je je sandalen aan of pantoffels of echte schoenen met schoenzolen en schoenlinten en in het geval van dat laatste, strik je die zelf of laat je dat doen of laat je gewoon die dingen los hangen?
DK: Ik ga het hier
HVC: Toitoi, boeiend was het met Bart in mijn hart. Volgende keer weer, zo veel van mij, en ik, altijd interessant. Mijn motto : kunst is tof. Supertof.

Hilde Van Canneyt heeft een nieuw pak papier uit, 4321 vragen aan 123 kunstenaars.

vlaamse liberalen

Sonya Clark, Afro Abe II, 2010 – Hair is power

esthetiek !

Naast boekhandel Limerick in Gent is iets als een bodega/boudoir geopend, waar koffie en tweedehandsboeken te koop zijn, en er is een kleine expositieruimte waar nu werk van Leen Van Tichelen te zien, twee grote prenten en één klein werk.  Hoe het mogelijk is dat er een evenwicht bestaat door de parallellie van de twee grote werken te doorbreken met een kleine tekening, zie daar wat esthetiek is. Het evenwicht, zo belangrijk voor het klassieke, wordt doorbroken en een nieuw evenwicht wordt opgebouwd, tegelijkertijd klassiek én hedendaags – de ophanging van de werken weerspiegelt zelfs de kern van het oeuvre van Leen Van Tichelen.

De twee grote werken (Back) zijn te groot en te zwaar voor zo’n kleine ruimte en toch is het mogelijk (gemaakt). De prenten lijken Rorschach-tekeningen te zijn, steeds weer merkwaardig hoe dit, losbandig werk lijkend, kan staan naast het strenge, bijna minimalistische van de driedimensionale beelden van Van Tichelen– maar dat is slechts de oppervlakte, kijken is zien langs de andere zijde. De donkere prenten, door de donkerte doen ze denken aan Permeke, kunnen gelezen worden als ruggen (van Matisse), rugwervels, een structuur die recht houdt, de verticaliteit beklemtonend, en toch is dit geen rust, een woestheid is aanwezig en woelt de grond open, een pijn komt bloot te liggen. De donkere geest.

Als een slingerbeweging tussen heftig en bedaard – van dit laatste de beelden, de gestapelde blokken, vormen en figuren in elkaar gezet, tegen elkaar leunend, als een verzameling ideeën, gedragslijnen bedachtzaam uitgezet – zo te leven, de klaarte; en er is het moeras, een orewoet als van Hadewijch en het niet meer weten, het loslaten, het zich laten zwelgen, de kleuren die in elkaar vloeien, de vormen die verdwijnen. De orewoet, de begeerte, naar de minne, die we seculier vertalen naar het betere van de mens, vormt de drijvende kracht van het leven, die door de wereld wordt tegengewerkt en die ondanks dat wereldgeweld het streven niet laten kan. In die ‘rugwerken’ komt dit sterk tot uiting: er is een sterkte en een zwakte, een hang naar structuur en een loslaten, bijna een inzakken ware daar niet het verticale, een beweging en een stilstand. De donkere kleur bijna de kleur van het donkere bloed, de nachtelijkheden, geborgen in het licht van de dag er omheen.

De kleine tekening  is als een Henk Visch-werkje, men mag de humor zien en ook de ernst, een armbeweging tegen de wereld en de kunstpausjes, de kleine zichzelf groot achtende pasja’s – een leefregel, die niet altijd gevolgd wordt, maar dat is niet erg, als men maar weet wat bestaat – en dat dit, het werk, bestaat.

esthetiek ?

De Leopoldskazerne in Gent was/is een neogotisch gebouw, niet vervallen, stevig gebouwd, wel lelijk, zoals alle nep. Het leger moest besparen, de kazerne werd te groot, Druksel heeft daar nog in een turnzaal 2 keer de beurs georganiseerd. Het MSK is een korte tijd in één van  de torens gehuisvest geweest, er werden ateliers voor kunstenaars ingericht. Er was een rare samenwerking tussen Stad en leger. Plots, de wegen der duivels zijn duister, werd het pand door de provincie aangekocht – op dat moment wist men al dat de provincies zouden afgeschaft worden – en daarna weer verkocht – de provincie Oost-Vlaanderen en het vastgoed: daar is meer dan één misdaadroman over te schrijven. En dus werd de kazerne gedeeltelijk afgebroken, onderkelderd voor garages, de middenklasse moet bediend worden, een deel blijft cultureel, toch blijft de ligging problematisch, de ring (der moord) rond Gent ligt aan de voet van het gebouwencomplex en het project is natuurlijk op maat van het rijke gemeen, de morele en culturele onderklasse, ontworpen. Alhoewel de provincies in de feiten al afgeschaft zijn, komt er toch weer een nieuw Provinciehuis, er komt zelfs een hotel, niet zomaar een hotel, maar een hip hotel. Uiteraard is dit een ‘stadsbuurt’ en ‘toekomstgericht’ – ongetwijfeld zal men ook vinden dat de geschiedenis en het moderne naadloos in elkaar overvloeien, dat er een gelukkig huwelijk is tussen oud en nieuw, dat de geschiedenis eigenlijk al de toekomst is. (Ooit werd geopperd om de kazerne niet te verkopen maar als ‘reserveplaats’ te houden wanneer bij rampen veel mensen tegelijkertijd verzorgd moeten worden, zoals een bom tijdens de Gentse Feesten, een pandemie, een algemene vergiftiging van de bevolking, enz. dat werd allemaal weggelachen – een pandemie? We zijn de Middeleeuwen niet meer.)

En zie, je kijkt naar de website en alle clichés komen voorbij (de reclamesector is een creatieve sector, zegt hij zelf). De architecten zijn B2Ai, 360 architecten, Sergison Bates architects, uiteraard wereldberoemd en gekend om hun subtiele ingrepen. Op de website van de immobiliëngroep Ciril staat te lezen: ‘Een unieke locatie, op het kruispunt tussen oud en nieuw. De Leopoldskazerne krijgt een nieuwe start. Met respect voor de geschiedenis, maar met het oog op de toekomst. Een indrukwekkende architectuur en geschiedenis. Een samenspel van stijlen en invloeden, naadloos aangevuld en versterkt met moderne elementen. Het resultaat? Een unieke woonbeleving, vol karakter.’ – altijd dezelfde onzin, voor gelijk welk project, in gelijk welke stad. De internationale architectenzwendel.
Vraag: waarom protesteert de cultuursector nooit tegen deze verkrachting van de taal?
Antwoord: de cultuursector eet het brood dat hem toegeworpen wordt, d heeft zelf deze taal verzonnen en gebruikt die voor het eigen inkomen, de taal mishandeld is geen probleem – als er maar geld te rapen valt (letterlijk te lezen: als slangen over de grond kronkelend).

De foto toont de hypocrisie: men is nog te laf om een muur af te breken, liever zet men daar een nepgebouw achter. Naadloos gaat het een over in het ander, naadloos – zoals het hemd van Sint-Godelieve van Gistel. Als een tang op een varken – pseudo-architectuur.

2. In het Muinkpark van Gent, Michiel Hendryckx noemt deze buurt, waar hij woont, bekakt, hij kan het weten, staan ongeveer de prachtigste bomen van de stad, het park zelf een combinatie van onderhoud en op zichzelf staande natuurkracht, een mooi beeldhouwwerk in het midden ervan, een herinnering aan de tijd toen er daar een dierenpark mocht zijn. Aan een majestueuze boom hangt een blad met een QR-code – zodat men niet naar de boom moet kijken en de boom zelf geattaqueerd wordt. ‘Scan for a surprise’ – een spek voor kinderen – de oorlog der belevingen in alle geledingen doorgedrongen. Wie doet beleven, steekt de ogen uit. Mag men niet meer naar een boom kijken? Nee, ga naar de cloud.

3. Niet zal ik spreken over de zogezegde muurschilderingen die overal in de steden verschijnen, zelfs op gebouwen die waardevol zijn en geen lelijk beeld verdragen – opvallend is dat die schilderingen ouderwets figuratief zijn en een werkelijke doorn in het oog – ik ken mensen die daar elke dag moeten op kijken. De politici stimuleren deze aanslagen op oog en gemoed, ze denken dat dit de stad verfraait, dat het volk graag zichzelf ziet, ze denken met graffiti een verbinding te maken met de jeugd, en het is de wansmaak die regeert, de domheid van het beeld die triomfeert. Net alsof er nooit een Georges Braque geweest is, een Malevitch, een Gerhard Richter, een Louise Bourgeois, een Bart van der Leck. Dit werk is een voorbeeld van reactionaire kunst, ik weet wel dat vandaag kunst en cultuur heilig zijn, en dat het sociale daarbij komt, drieheiligheid, dat het rationele onderdrukt wordt, zwijg daarover, er mag geen kritiek gegeven worden op het heilige, maar deze ‘kunst’ is een voorbeeld van regressieve kunst: men gaat achteruit zonder de verworvenheden van de voorgaanden te kennen, laat staan op te nemen, dit is bovendien ideologische kunst, het sociale viert hoogtij en is daarom niet langer sociaal maar agressief in domheid, lelijkheid, achterlijkheid – de politiek gebruikt dit als een soort suskunst. Het beeld op de foto is van de ‘graffiti-kunstenaar’ SMOK, die heeft nog andere wansmakelijke afschuwschilderingen in de stad gemaakt – nog een reden om de gewapende revolutie te starten.

4. Het Poëziecentrum geeft een boek uit, van Elvis Peeters, De wanbidder, een bundel als hommage aan en à la Hugo Claus, maar veel is door de auteur niet begrepen, al te oppervlakkig Claus gespeeld, Vlaamse pathos en retoriek, weinig grond, te luidruchtig bovendien. Op het omslag prijkt een foto, ‘cop. Christie’s Images / Bridgeman Images’ – een organisatie die bestaat van belastinggeld, het Poëziecentrum, betaalt liever een kapitalistische beeldbank (de gemakzucht van het geld) dan een foto te gebruiken van de ‘echte ramskop’, nl. die van Roel D’Haese, het zou ook kunnen zijn dat de verantwoordelijken van het zogezegde Poëziecentrum niet weten dat dit beeld bestaat. Opvallend is ook dat niet de fotograaf benoemd wordt of dat er uitleg over het beeld gegeven wordt, nee, enkel wie betaald wordt, is belangrijk.

De vormgeving van deze bundel is van Dooreman, zelden zag ik een belachelijker vormgeving. De titels van de gedichten in bold gezet, gecentreerd en onderstreept, zoals een dertienjarig meisje haar opstel Opstel noemt. Het formaat is verkeerd, de bindwijze al kapot nog vooraleer het boek gelezen is, zelfs banaal kunnen we dit alles niet meer noemen, dit is in de stunteligheid (bijna vertederend) onnozel-dom, zo slecht dat het nog de charme van prutswerk uitstraalt. De reekstitel ‘Ook ik’ (à la ‘Nu nog’) wordt voorafgegaan door een #, modern!, uitdagend!, jeugdig!

Maar misschien spreek ik over de verkeerde uitgeverij: de rug van het boek vermeldt immers Poeëziecentrum, waarlijk Maud Vanhauwaert-achtig Van Ostayen-achterna, geheel authentiek, de zorg om de cultuur en de boekcultuur gehuldigd, als het geld maar binnenstroomt, het Poëziecentrum als offerblok en offerblok.

schoonheid en terreur (c)

Nu men denkt dat La peste van Albert Camus het boek van en voor deze tijd is, moet ik toch opmerken dat men beter Der Zauberberg zou nemen, dat meesterwerk dat ik nu aan het herlezen ben. Hans Castorp komt in Davos aan, een redelijk gezonde mens, zijn burgerlijke status is natuurlijk ziekmakend – maar dat op een ander niveau – de ironie van Thomas Mann is superieur intelligent, een auteur die zijn eigen personages meer dan ironisch becommentarieert, in het sanatorium komt dokter Behrens op Castorp afgestapt en verklaart hem ziek, ja, want iedereen is ziek en iedereen moet gezond worden – zo bekijken de activisten-fascisten alle anderen: er is geen ontkomen aan. Thomas Mann tekent de kleinheid van de karakters, de onbenulligheid van de gesprekken, de roddelmachinerie van de verongelijkten – de bende die de sociale media leidt. De zieken en de pseudo-zieken zoeken de connectie van de conventie, het gekwetst zijn (Le malade imaginaire) als keurmerk – hoe meer gekwetst, hoe meer mens. En Behrens, de dokter, maakt iedereen wijs dat genezing nooit volledig zal zijn – de zogezegd zorgzame, de tiran. De humanist Settembrini is de tegenspeler voor de opgeblazenheid van de weters, de pseudo-wetenschappers, de voor zichzelf zorgenden. Zijn wapen? Spot. Over de ontologische noodzaak van het uitlachen:

» Spöttisch? Sie meinen : boshaft. Ja, boshaft bin ich ein wenig – «, sagte Settembrini. » Mein Kummer ist, daß ich verurteilt bin, meine Bosheit an so elende Gegenstände zu verschwenden. Ich hoffe, Sie haben nichts gegen die Bosheit, Ingenieur!  In meinen Augen ist sie die glänzendste Waffe der Vernunft gegen die Mächte der Finsternis und der Haßlichkeit. Bosheit, mein Herr, ist der Geist der Kritik, und Kritik bedeutet den Ursprung des Fortschrittes und der Aufklärung. « (Der Zauberberg, Fischer Taschenbuch Verlag, 1984, p. 66, met deze editie waren er toen 360.000 exemplaren verkocht.)

De relatie tussen rijkdom/macht en kunst heeft ook te maken met materiële omstandigheden, kunst in paleizen kan nu eenmaal beter bewaard worden dan kunst in burgerhuizen. Bij de beoordeling van de kunst uit de Renaissance vergeet men al te gemakkelijk dat de status van schilderijen toen en nu hemelsbreed verschillend is – zoals zo lang schilderijen als een tondeksel gebruikt werden, zo is dit nu onbegrijpelijk. Wat bewaard is, lijkt dan plots geen strategie meer te zijn maar toeval – dat van grote schilders, status Van Eyck, niet alles bewaard is, heeft een reden. Een gebrek aan historische zin, is een hedendaagse blindheid. Goud was hoe dan ook belangrijker: de reizen van Columbus hebben veel geld opgebracht en dat geld werd gebruikt om … Europese oorlogen te voeren, waarbij Europeanen sneuvelden, verwond werden, hun eigendommen en arbeid verwoest en vernietigd – misschien is dat woke: Europa die de gekolonialiseerden verwijt niet genoeg gevochten te hebben waardoor ze de strijd verloren en Europa verwoest kon worden – geen besef van internationale solidariteit.

En dan was daar Savonarola die zich stelde tégen de Borgia-clan (een Spaanse familie in Italië). Zoals we nu sympathie hebben voor de protestanten die zich verzetten tegen de hoer van Rome, zo heeft elke sobere mens sympathie voor Savonarola en toch bibbert en beeft hij, indien hij ook nog een fatsoenlijk mens is, voor dat levensverachtende, die terreur, die zwijgplicht, die arrogantie van de domheid – net alsof er maar één keuze is tussen decadentie, het uitbundig vieren van het leven en de macht, en de kastijding, de afgunst, de rancune van de pilaarbijter tegen de vreugde te leven. Het is verleidelijk om dan het aristotelische midden als uitweg voor te stellen, wie echter Savonarola ernstig neemt (door hem op een continuüm te zetten), opent toch nog de poort van het moorden en folteren,  laat de machthebbers een uitweg voor hun uitspattingen. Fletcher toont ons hoe de Renaissance een dubbel erfgoed had, christendom en Klassieke Oudheid en hoe de Nieuwe Wereld daar een dimensie aan toevoegde: als tegenwereld namelijk – een mooi voorbeeld overigens hoe kennis van het andere het eigene kan versterken. Het nieuwe bleef dus het onbekende – het is pas een recente fabel dat zegt dat een cultuur andere culturen nodig heeft – het is pas later dat het fabeltje van de edele wilde de ronde zal doen – maar dat beeld had geen invloed op het dagelijkse leven van dagelijkse mensen in een dagelijkse wereld. Hoe komt het toch dat geschiedenis zich niet wil plooien zoals ideologen dat wensen?

In het hele verhaal van Fletcher is Savonarola slechts een ‘voetnoot’, een kort hoofdstuk, meer aandacht gaat naar de Europese oorlogen en de pogingen van de stadsstaten de economie te bevorderen en dus oorlog te voeren, waarbij we niet mogen vergeten dat oorlogsvoering een kunst was en dat handel nog een kunst moest worden, en beide ook samengevoegd werden: al waren de Turken de grote, wrede vijand, dit belette niet dat er handel met hen gedreven werd. Er bestond een oorlogseer: toen de Fransen na hun overwinningen en plunderingen de ‘Italiaanse’ steden vervolgens in brand staken, was dit voor de Italianen onbegrijpelijk (want onnodige wreedheid en verwoesting), heeft dit een ‘trauma’ veroorzaakt – op die manier ontstonden vijandigheden tussen ‘staten’.

De handel in vooral luxeproducten heeft de ‘kolonisatie’-oorlogen mogelijk gemaakt: de koningen leenden gelden van de handelaars, een vroege vorm van vermenging van privé- en landsbelangen, samen ter meerdere eer en glorie. Om het ingewikkeld te maken: het Italiaanse financiewezen financierde de Iberische monarchen. En het zijn Genuese handelaars geweest die 25.000 dukaten betaald hebben om 4.000 Afrikanen als slaaf naar Amerika te transporteren – het geld zoekt, als beer, zich overal een weg – en is 4.000 een laag getal. De dichters hebben de veroveringen bezongen, de schilders verbeeld, de musici gejubeld: hun eigen verdiensten – was het oorlogsgeweld er niet, de talenten waren er toch. De humanisten hebben hun eigen onderzoeksmethoden, en dus kennis, boven alle andere methoden geplaatst – een denken dat resultaten oplevert, heeft gelijk. En het was evident dat de Griekse en Romeinse cultuur superieur was aan alle nieuw ontdekte culturen, de Klassieke Oudheid was immers ook al superieur aan die van de Middeleeuwen en de krochten van het Vaticaan. Toch was er de bewondering voor de Chinese maatschappij en cultuur – daar voelde men zich toch klein bij (en schrik voor het Ottomaanse Rijk). En toch was er een onderscheid tussen ontdekkers en kolonisatoren: ‘It was convenient for Italian authors that Columbus’ personal triumph could be distinguished from the subsequent conduct of Spanish colonisers. It was rather a case of ‘we are explorers, you are colonisers, they are exploiters and oppressors.’ (o.c., p. 101) – ook de Lage Landen hebben onder de Spaanse Furie geleden. En zoals stukken van de Lage Landen het slagveld voor de grootmachten waren, zo was ook Italië het slagveld voor Frankrijk en Spanje.

De vrouwen van de macht spelen in het boek een rol, het elfde hoofdstuk is aan hen gewijd – hun gedrag even beschamend als dat van mannen, de vrouwelijke fijngevoeligheid is een katholieke fabel, de terreur die moeders in het gezin uitoefenen, nu op grote schaal – als tegenvoorbeeld: de Vrede van Kamerijk, de Damesvrede genoemd. Fletcher schrijft: ‘gender roles were not consistent across Italy’ (p. 149) – opdracht: het onnozele begrip intersectionaliteit toepassen. De geschiedenis van de Joden, die een geschiedenis van vervolging is, toont hoezeer machtsstructuren zich slachtoffers zoeken en hoe het establishment steeds weer de gemeenplaatsen, de gemene plaatsen, herhalen waardoor zijn positie verstevigd wordt. Er is een parallel te trekken tussen de architectuurpolitiek van de machthebbers toen, zowel wereldlijk als godsdienstig, en de huidige architectuur: beide emanaties van het geld, vitrines van eerzucht. Bouwkunst staat tegenover de andere kunsten: de rijken mogen wel de kunstenaars betaald hebben, toch waren de kunstenaars er eerst – de relatie moet anders gelegd worden en is eerder toevallig dan gewild: was Leonardo er niet, dan was er een andere kunstenaar met minder talenten. Zelfs voor de eeuwen voor- en nadien was en is da Vinci een uitzonderlijk figuur – niet de macht heeft hem gemaakt. De ambitie van Catherine Fletcher, die in de titel van haar boek te lezen is, The beauty and the terror, is niet gerealiseerd: kunst en macht staan naast elkaar, terreur (macht) en schoonheid (kunst) hebben geen noodzakelijk verband met elkaar – heeft ‘de schoonheid’ zich met vuilheid laten besmeuren, niet alle schoonheid toch. Macht zoekt zich altijd een voorwerp, dat kunst daarbij is, mag niet verwonderen – als die relatie (indien platoons) gelegd wordt, dan dient ze een ideologie van beeldvijandschap, ideeënarmoede en levensverachting. Zoals elke mens een kind van zijn tijd is, is ook de kunst een slachtoffer – maar toch is er ook een inherente vooruitgang in elk domein van het denken aanwezig: kunst is in zoverre autonoom dat ze de regels van de voorgangers toepast of negeert, dat ze de wereld op een andere wijze ziet en weergeeft, niet alleen omdat die wereld dat vraagt, al evenzeer omdat de creativiteit die mogelijk maakt en dus geeft. Bovendien was en is niet elk mecenaat een misdaad, er waren en zijn beschermheren en -vrouwen die de status van de kunst bevorderen zonder zichzelf in de vitrine te willen zetten – de ‘kleine hoven’ hebben een even belangrijke rol gespeeld als de grote en de kerkelijke – zichtbaarheid is een blinde vlek.

Beeld: de dichter Laura Battiferri door Bronzino

schoonheid en terreur (b)


Zelfs Karl Marx kende niet het antwoord op de vraag waarom we klassieke cultuur nog waarderen, terwijl er geen materiële gronden meer aanwezig zijn die dit kunnen onderbouwen, – hoe het vreemde ons toch iets zeggen kan. En hoe zou Europa dan Japanse kunst en Inca-beelden kunnen waarderen? De huidige activisten-fascisten hebben het antwoord: men mag daar immers niet meer over spreken als men zelf geen Japanner of Inca is – de raciale kenmerken worden door ‘antiracisten’ als een toegangskaart gezien, wie toch spreekt is een koloniaal, een racist, appropriatie is een misdaad, hoogstens mag een blanke zich als een zwarte voordoen, black face is aangeraden, als hij maar een blanke blijft. Een zwarte vrouw die cello speelt, Bach laat horen? De fascisten eisen empathie van de anderen maar de empathie is geen morele regel voor de onderdrukkers – dat ze empathie eisen is een intellectuele zwakte, net zoals het zich beledigd voelen slechts gevoed sentimentalisme is. In het huidige discours wordt de jarenlange gevangenschap van Breyten Breytenbach goedgekeurd – de zogezegde antiracisten gekeerd in apartheidsideologie.

De status van het geweld wordt door Catherine Fletcher in The beauty and the terror : an alternative history of the Italian Renaissance (The Bodley Head, 2020) niet begrepen. Een geciviliseerde maatschappij (die niet bestaan heeft en niet kan bestaan in haar ultimiteit) bant in een hedendaagse visie zoveel mogelijk geweld uit – maar er kan ook een civilisatie
bestaan waar het geweld in het centrum staat – de samoerai, het ridderideaal, , de Sioux-krijger, de slagveldideologie, die tot vandaag nog overheersend is en hoe moet die dan nu beoordeeld worden? Oud-strijders uitlachen? Concentratiekampen minimaliseren? Het verzet verdacht maken? Joden achtervolgen? Ketters eigen schuld in de schoenen schuiven? Het begrip ‘op het veld van eer’ is niet een met palmtakken omgeven concept maar een feitelijke en morele realiteit: de tegenstanders moeten elkaar waard zijn, een felle vijand is daarom, slechts wanneer die overwonnen wordt echter, een godsgeschenk: de eigen kracht, macht én inventiviteit worden daardoor eer aangedaan.

Elke maatschappij, en elk gezin, steunt op geweld – de kwestie is het geweld te verzachten of leefbaar te maken, niet het geweld te aanvaarden of te vermeerderen – de realiteit van het geweld kent vele gradaties, het woord daarentegen is eenduidig. Al op pagina 4 schrijft Fletcher hoe de reis van Columbus naar Amerika gefinancierd werd door geconfisqueerd goud, door de katholieke vorst van Joden gestolen – de Joodse kwestie is altijd al een gemakkelijke prooi geweest voor katholieken. Met ongelovige ogen kun je schilderijen en wandtapijten bekijken, niet onaangedaan: het geweld van afgehakte hoofden, het doorsteken van mannelijke lichamen, het doden van burgers (ik denk altijd dit is overdreven maar ik vrees dat ik ongelijk heb: de onmacht eeuwen terug te gaan): dit geweld werd gerechtvaardigd door het wij-zij-denken, gevoed door godsdienst en geldzucht. De menselijke geschiedenis is een triomftocht van de rede, een beschamende processie van emoties. Het socialisme reageerde daarop op een werkelijk geniale wijze, alhoewel in het begrip ‘klassenstrijd’ nog steeds de aloude oorlogsretoriek weerklinkt, was de strijd niet langer tegen personen gericht (de Franse Revolutie had daar al in de praktijk komaf mee gemaakt) maar tegen structuren en de strijd werd met andere middelen dan wapens gebruikt (bezetting, staking, sabotage, rede en studie – de Joodse traditie die door ‘links’ opzij gezet werd) – niet de socialisten maar de machthebbers gebruiken wapengeweld (tot op vandaag, zie Myanmar, zie Hongkong) – vandaar ook de grote verwarring over het gebruik van geweld door anarchisten van de daad of communisten (Mao, Lenin en Stalin hebben slechts de retoriek van het socialisme overgenomen – omdat het socialisme zich per definitie tegen de macht keerde, was het gebruik van machtsmiddelen niet toegestaan: de macht moest komen van de rede en het getal, de democratie steunt op het rationalisme; keert een maatschappij zich af van het rationalisme, wordt de democratie verlaten); dat het islamisme en de woke-beweging geweld gebruiken toont aan hoe rechts ze zijn (de sociaal-democratie heeft de strijd verraden, o.a. door verkiezingen als strijdmiddel te gebruiken en slechts de zetelzitters te vervangen) (de gelijkenis met de vernietiging van de Boeddhabeelden in Bamyan door IS is geen oppervlakkige: zoals de Spaanse Burgeroorlog een voorbode was voor het fascisme in de rest van Europa, zo is IS dat voor de zogezegde woke-beweging – die overigens geen beweging is maar een media-offensief, gesteund door het universiteitsestablishment).

De oorlog, het veroveren van land, behoort in een cultuur van eer tot de hoogste prestaties – omdat de geschiedenis niet gelijk is aan kipkap, blijven die oude appreciaties bestaan – de grondslag van het heden is immers het verleden – en wat  in de 15de eeuw in Europa als prestatie gezien werd, verschilt niet van wat in Afrika, Azië of Amerika praktijk was – al zijn er geweldsverschillen tussen culturen. De veroverden koesterden niet noodzakelijk een vredesideaal en het resultaat van een oorlog was al te dikwijls te wijten aan verkeerde beslissingen, slechte voorbereiding, misdadige slaapkoppen, ondeugdelijk materiaal. Een eervolle strijd was een strijd met gelijke wapens – daardoor kon overleg, creativiteit en kracht tot uiting komen – de koloniale oorlogen waren daarom nooit een eervolle strijd: ongelijke wapens. En hoe bewonderenswaardig waren de Vietcong dan niet, de Tupameros, maar toch vooral het vreedzaam, maar niet lijdzaam, verzet van burgers overal ter wereld!

In het verlengde daarvan ‘ontstond’ het begrip structureel geweld: dat is wat een vervoersmaatschappij als De Lijn dagelijks uitoefent in de steden en op het platteland; de metrolijnen in Parijs, Brussel of Londen hebben hele wijken vernietigd, mensen uit hun huizen gedreven en de metro is vandaag de dag één van de grote ideeën gebleken – het geweld inherent aan mobiliteit tot een minimum beperkt – de voorstanders van openbaar vervoer zijn toch altijd en zeker nu te wantrouwen : dienstmaagden van de macht (mobiliteit is een van de pijlers van het consumptiekapitalisme geworden; de metro was in de begindagen een functioneel instrument : het vervoer van voorsteden naar werkplaatsen). (De platanen van Napoleon: bedoeld om de soldaten in schaduwen te laten marcheren en dus inherent gewelddadig, zijn vandaag een lust voor het oog, een bescherming voor al te tere huid.) (Het gelijk van Mandeville kan op vele domeinen aangetoond worden.) En, niet verrassend, het geweld van een structuur/een maatschappij kan nooit het geweld van een individu rechtvaardigen (de denkfout van de woke-beweging) – al is elk een kind van zijn tijd, men moet de eigen tijd weerstaan. Tegelijk is het begrip structureel geweld conceptueel verwarrend en ethisch wankel: zoals men nu spreekt van systemisch racisme zonder bewijzen op tafel te leggen, zo kan structureel geweld overal gezien worden: opvoeding behoort daartoe, etiquette evenzeer, alles wat een civilisatie maakt. De ethische component is nog de gevaarlijkste: men maakt levende mensen schuldig aan zaken waar men geen schuld aan heeft – men kan niemand verwijten te leven in de tijd en op de plaats van het eigen leven, dit laatste is het inherent en systemisch racisme van het activisme, dat per definitie rechts is omdat de aanklacht onderdrukkend en individueel gericht is – de knecht die slavendrijver speelt. Het verschil tussen het gebruik van de concepten ‘structureel geweld’ en ‘systemisch racisme’ is precies die nadruk op het individuele: in het eerste geval is de chauffeur van De Lijn evenzeer een slachtoffer als de voetganger en de fietser, hij is persoonlijk niet schuldig (zijn individueel wangedrag staat los van het structureel geweld); in het tweede geval is er echter geen sprake meer van een systeem, een structuur maar van een individuele schuld, de religieuze inspiratie van de woke-gemeenschap (sic: Gemeinschaft) is evident, het gaat niet om onderdrukking weerstaan, structuurverandering, volksverheffing of individuele bevrijding: het is de rancune, die onvruchtbaar is, van de kleinburger die macht aspireert – maar wat met die macht moet en zal gebeuren, is onduidelijk. Steeds weer wordt de denkfout herhaald en gereproduceerd, zo ook Canan Marasligil die onder een dekkleed van ‘zorgzaamheid’ de ene leugen op de andere stapelt, de zelfs nog controleerbare feiten worden nu al in een trumpiaanse leugenconstructie gestopt, (o.a. niet begrijpende dat de groep blanke vertalers een al even uitgebuite groep is als de schrijvers die niet door de media geadoreerd worden – het is vies te zien hoe de Kulturkammer-aspiranten zich trumpiaans naar voren dringen – met als doel een burgerchaos, d.i. een burgeroorlog, te ontketenen. (Met als doel aandacht?) De zo reeds in de kiem bestaande burgeroorlog wordt bovendien gedreven door de sociale en economische situatie van de activisten-fascisten: vanuit hun eigen precaire positie (onafhankelijke curatoren, freelancers opererende in de vrije markt) dienen ze  zichzelf te profileren om aan de slag te blijven – het gelijk van Marx: hun ideologie is gebaseerd op hun eigen onzekere positie, hun terreur gevoed door de eigen angst, behept met een vals bewustzijn. Zo hebben we nu ideologische intermediairen die hopen op een regimewisseling, ongeduldig kakelend in de wachtkamer van de Kulturkammer, hopend op een suikertje, binnenkort.

Fletcher wil de cultuur van de Renaissance blootleggen: de  ‘Mona Lisa’ (Lisa Gherardini) was de vrouw van een slavenhandelaar ; de Venus van Urbino (waarschijnlijk Angela Zaffetta) is waarschijnlijk het slachtoffer van een groepsverkrachting geweest – de vraag is wat de relevantie is voor Leonardo da Vinci, die ook oorlogstuig ontworpen heeft (verkrachting is overigens in het Westen nooit ‘goedgekeurd’, was een misdaad, zelfs voor soldaten die na een overwinning weliswaar hun hart mochten ophalen, maar mannen, vrouwen en kinderen verkrachten werd nooit getolereerd, maar het gebeurde wel, de macht die toeliet) én voor ons: de kunst heeft nog weinig met het levende te maken – dat maakt kunst juist interessant – weg van de kruimels en de kruideniers.

Het historisch Humanisme was een activerend begrip: men moest burger in de wereld zijn, het wereldlijke was de basiscomponent – dat dit een nieuwe stap was, na de dominantie van het godsdienstige en het kerkelijke, moge duidelijk zijn: dat wereldlijke splitste zich op in een handelspraktijk en een oorlogsvoering – samengebald was dit de grote motor van de Westerse civilisatie én beschaving, hoe wreed ook, van de wereld. Het begrip humanisme wordt zelden historisch begrepen: men denkt dat Erasmus ’s morgens als humanist opstond, terwijl het begrip een dynamisch karakter had: elk personage, eminent of niet, binnen het historisch Humanisme, had nog middeleeuwse kenmerken, had troebele gedachten – het Humanisme, net zoals later de Verlichting, werd pas verwezenlijkt wanneer men vanuit een ander beeld in een andere tijd kritiek kon uitoefenen: de historische anti-humanisten hebben evenzeer deel gehad aan het uitbouwen van het Humanisme als de humanisten zelf. de vrijheid is veroverd.

schoonheid en terreur (a)

Net wat ze zei te bewijzen, doet ze niet. Catherine Fletcher zegt in The beauty and the terror : an alternative history of the Italian Renaissance (The Bodley Head, 2020) de relatie tussen schoonheid (dus kunst) en geweld te zullen blootleggen en we krijgen slechts een traditionele geschiedenis te lezen, er ligt een denkfout ten grondslag aan haar betoog: een uiteindelijke constellatie is geen noodzakelijke geweest.

Het boek past in de huidige trend van verdachtmakingen en neerhalen – het kleinburgerlijk offensief.
In Frankrijk is er beroering ontstaan rond de grote lichtkunstenaar Claude Lévêque omwille van zijn persoonlijke levenswandel – zijn houding tegenover minderjarigen werd aangeklaagd, sommigen zeggen nu dat dit al jaren geweten is, maar het is nog steeds onduidelijk wat precies gebeurd is. Een voormalige links-liberale krant als Le Monde heeft het voortouw genomen in de beschuldigingen en de tamtam. Hoe laakbaar het gedrag van Lévêque ook moge zijn: zijn kunst blijft overeind. Dat had je gedacht. In musea worden zijn werken verwijderd, collectioneurs halen zijn naam weg uit hun overzichten, het werk is in waarde gedaald en exposities geannuleerd. Wat is de relatie tussen het een en het ander? Tussen schoonheid en geweld (is er geweld geweest?)? Er wordt gesuggereerd: zonder misbruik is de schoonheid van het licht onmogelijk. Het licht van de kunstenaar is geen licht meer maar een troebel donker – en kunstenaars moeten nu voorbeeldmensen zijn: politiek correct knikkend.

In België is geen beroering ontstaan omdat het werk van Raoul De Keyser, vertegenwoordigd door Zeno X en David Zwirner, in Hongkong tentoongesteld wordt, de provincie die door China bezet is en waar het denken (het leven zelf) gekluisterd wordt. Wat Zwirner met kunst te maken heeft, is mij nog altijd een raadsel, een zwendel van beleggingen. Wil men De Keyser niet politiek links links, hij was dan toch een fatsoenlijk mens, wat doet zijn werk in de vergaderzalen van de onderdrukkers en hun collaborateurs? Wat heeft zijn schuchterheid te maken met het geweld van het geld en het bedrog? Wat is dit sollen met een lijk?

De relatie tussen kunst en macht is altijd al een discutabele geweest (Ovidius en Vergilius, beiden als elkaar spiegelbeeld), voor de kleinburger komt daar de persoonlijke levenswandel bij.

1870:
Mama, ik heb een jongen leren kennen.
Toch geen kunstenaar mag ik hopen?
Toch wel.
Zeg het maar niet aan papa.
2021:
Mama, ik heb een jongen leren kennen.
Toch een kunstenaar mag ik hopen?
Zeker wel.
Zeg het maar aan papa, die kent iemand die de wegen van het geld kent.

Wat doen kunstenaars immers?
Vroeger: lang slapen, op café gaan, achter vrouwen/mannen aanzitten, keet schoppen, zich niet wassen, ouderwetse kleren dragen.
Nu: een (invloed)rijke galerie zoeken, een beleggingsadviseur raadplegen, pr-plan opstellen, dossiers schrijven, zich een kostuum laten maken, cocaïne snuiven, huizen opkopen, op het Italiaanse landgoed van liberale politici verblijven.

Moet men om kunst te maken buiten de paden treden? Men kan, dichter zijnde, ook kousen verkopen.

Verzwijgt men ‘in naam van de kunst’ ongewenst gedrag? Is seksuele voorkeur een misdaad? Waarom is het buigen voor geld en politiek ‘in naam van de kunst’ geen misdaad? Of verwart men de zaken? Haalt men het vuile moraliseren binnen waar het niet binnen hoort? Italiaanse renaissancekunst moet veroordeeld worden/verwijderd worden omdat enz. Of staat vakmanschap boven het individuele leven? Is de commotie van vandaag niet te wijten aan een huidig onzorgvuldig denken, een niet meer weten? De angst verdacht te worden medeplichtig schuldig te zijn. De sentimentaliteit toont zich in details: volwassen mensen die spreken van ‘mijn mama’.

Een homofobe moord, een feminicide, een racistische moord worden scherper beoordeeld dan een ordinaire moord. Toch is moord een moord, een mens een mens. Is geweld geweld. Een Beverse burgemeester geeft als raad zijn burgers mee (een man werd in het park van Beveren vermoord): gebruik geen anonieme datingsites – een normale mens zou zeggen dat moord veroordeeld moet worden – de levenswandel van een individu wordt echter veroordeeld, terwijl anonieme seks niet beoordeeld hoeft te worden door de burgemeester die hier hetzelfde zegt als wanneer men, na een verkrachting, vrouwen verwijt: ‘maar welke kleren droeg je!’ – en dus hebben ze er zelf om gevraagd. De pijlen worden op het en de verkeerde gericht: men ziet slechts wat voor de eigen snotneus staat, niet wat er is.
Het homoseksuele wordt slechts aanvaard in zoverre het lijkt op het normale, d.w.z. trouwen, kindjes kopen (letterlijk), een hondje voor de aanspraak en vooral zich gedragen zoals de anderen. Het andere wordt aanvaard in zoverre het gelijk is aan het kleinburgerlijke. De onderdrukking door de identiteitseis.

Zoals de godsdienst de moraal verabsoluteerde – tot in het bed moet de gelovige zich van zijn schuld bewust zijn, zelfs zijn gedachten zijn zondig – zo ook de huidige moralistische terreur : er is geen ontsnappen mogelijk. Het huidig fascistisch beleid van bijvoorbeeld de voormalige bibliotheek De Krook in Gent is géén nieuw feit, alhoewel het verhevigd wordt door terreur die door personen wordt uitgeoefend, maar een gevolg van een al langer lopende tendens: de opheffing van het publiek domein, het verlaten van het abstracte denken voor het concrete (de individuele mens), de vermenging van ethische principes met kleinburgerlijk vermaan. Deze verschuiving is ook te merken in het politiek beleid: publieke middelen gaan niet meer naar publieke infrastructuur maar naar individuele hulpverlening voor interpersoonlijke en persoonlijke problemen (bovendien hier het inschuiven van een intermediair niveau dat zowel structureel als personeel terreur kan uitoefenen: de individuele staat van de hulpzoekende is een criterium geworden, niet zijn ‘abstracte staat’) – er treedt een medicalisering, een psychologisering en een moralisering op waardoor de maatschappij gesloten wordt. Het zelotisme is een burgerdeugd geworden. De individuele vrijheid een ideologische vlag die de lading niet dekt.

Unilever beslist het woord normaal niet meer te gebruiken omdat sommigen zich daardoor buitengesloten voelen – toch blijft het normale bestaan en de argumentatie van de multinational is een islamistische: als men zich ‘beledigd’ of ‘uitgesloten’ voelt, mag men terreur uitoefenen. Geen spot mag nog, geen ironie, geen sarcasme, geen waarheid – in naam van de façade wordt de wereld afgeschaft. Adorno en Debord beschreven de schijn der dingen als de lichtbak voor de konijnen, die hoe dan ook geslacht worden.
De identiteit, het identitaire is daarmee niet een afzonderlijk feit maar een deel van het geheel: het normale wordt afgeschaft opdat iedereen normaal zou zijn, zoals Ter Braak het nationaal-socialisme als de rancune van de kleinburger blootlegde (maar daarmee helaas in een al te psychologische verklaring bleef steken), waarbij het gelijkheidsprincipe verkeerdelijk toegepast werd, zo spreekt ook Adorno over de gelijkheid als ‘de rancune die in het burgerlijke gelijkheidsideaal aan het werk is’ (Negatieve dialectiek, vertaald door Michel van Nieuwstadt, 2014 (oorspr. Duitse uitgave 1966),  p. 172) om daarna dit met ideologie te verbinden: ‘Identiteit is de oervorm van ideologie. Zij wordt als adequatie aan de daarin onderdrukte zaak genoten : adequatie was steeds ook onderschikking onder het juk van de beheersing en in zoverre haar eigen tegenspraak.’ (o.c., p. 173).

nesten (a)

Juli

Ik ben mijn jongen kwijt
goud gaf ik voor geritsel
mijn nest zit me te wijd

Judith Herzberg