sfcdt

Categorie: b

een geletterd leven : de z

Louis Zukofsky: “A”.

(Het zuur dat ons bijt, dat ons bevriest.
Alle woorden blijven wenken en het donkere voorhoofd
Van de mens beveelt vrouwen en kinderen
Naar hun ondraagbare dood.


Geen God is denken. Geen stem de aarde.

Anoniem zoals ieder begin, het hunkeren
Blijft onzegbaar. Eeuwig is de duisternis.
Mijn hart een branden.

Uit ‘Alfabet’ (1967), H.C. Pernath, Nagelaten gedichten, 1976)

laatste zinnen (168)

Il faut croire que l’amour, la passion, la tendresse, je ne sais quoi encore, se font leur chemin tout seuls ; et qu’à vouloir trop s’en occuper on les rapetisse et on les ridiculise toujours.

Bernard-Marie Koltès, Quai ouest, 1985

een geletterd leven : de y

Over de ypsilon zegt Marguerite Yourcenar: « […], c’est une très belle lettre. Louis Pauwels ou Julius Evola vous diraient que cela signifie toutes espèces de choses, scandinaves ou celtiques, comme la croisée des chemins, ou un arbre, car c’est surtout un arbre, aux bras ouverts. » (Matthieu Galey, Marguerite Yourcenar : les yeux ouverts, Le livre de poche, 2003, p. 54) – de verwijzing naar Pauwels en Evola is spijtig, gelukkig herpakt Yourcenar zich. Is de letter een boom, ook het leven: de weg die te gaan is en op een tweesprong eindigt, of begint met een tweesprong en de weg die te gaan is. De ypsilon als de boom van kennis, goed en kwaad, de rechte weg het individu dat met moraal geconfronteerd wordt en een standpunt dient in te nemen. In diezelfde interviewreeks zegt Yourcenar over een vriend die zei dat geboren zijn gelijk staat aan een rad waarop de mens gebruikt en vernietigd wordt. Ze voegt toe: « Et après avoir vu d’autres êtres autour qu’usé et brisé. » (o.c., p. 207) – de moraal bestaat uit kijken : hoe men zelf gebruikt wordt, maar ook hoe anderen gebruikt worden en dat laatste is erger – zo is het ook te verklaren waarom mensen zich over de neergang van de cultuur ergeren: het zien van de neergang is erger dan de dood van het eigen lichaam – juist omdat het individu in het leven opgenomen wordt en de neergang ook dat individu als betekenis neerslaat. Bij Yourcenar zijn de êtres ook te begrijpen als de andere levende wezens: de dieren, de planten, de bomen, de grassen.

Al tekent Boethius in zijn De consolatione philosophiae op het kleed van de Wijsheid de Π van de praktijk en de Φ van de filosofie, toch staat  de ypsilon ook voor het denken: een mast, een stam, vertakkingen, een ‘louter particulier’ oordeel misschien, maar aangenaam en toegestaan. Wat al niet? Welke vertwijfelingen, tuimelingen, dwaasheden, diepzinnigheden, achteloze en minder rechteloze gedachten, de durf te denken en te zijn: daar is de mens werkelijk aanwezig: in de diepte van het lichaam en de ijle lucht van het denken. Tweemaal een huis, het huis, eindelijk een huis – maar welke deur, welk raam? Te veel geopend, te weinig gesloten – ook de boeken, dan toch weer geopend om te komen bij de helderheid, de durf, de verantwoordelijkheid, de scherpzinnigheid, de breukloosheid – dit alles betrachten, een glimp van vrijheid zien, maakt elke verknechting (en elke verknechte en verknechtende mens) een gruwel – tegen de goegemeente durven in te gaan, de grommende, grollende meute – met vertegenwoordigers die moorden bevelen. Anti-systeemdenkers: Diderot, Herzen, Berlin, de la Boétie, Kropotkin. Sympathie voor Habermas, Adorno – en weten dat dit niet de te gane weg is. Splinters, schilfers zoeken en koesteren.

Yourcenar die het leven boven het systeem stelt, een lucretiaanse filosofie van afstand, reductie, inzicht, aanvaarding en meegaandheid (niet met de meute, wel het leven) – een universalisme die boven het peupelende establishment staat. Het respect voor de ander en het andere, niet zich willen toeëigenen, wel willen begrijpen en meedelen. Over vertalen zegt ze: « On fait de son mieux pour rendre le son d’un autre esprit, et pour éviter le mensonge, mais si l’on ne veut pas construire un Thomas Mann qui vous ressemble trop, il faut relire dix fois de suite le Docteur Faustus et trouver la filière ; c’est épuisant. » (o.c., p. 182) – de vertaler staat hier voor de mens, het gemakkelijke begrip bestaat niet, de oppervlakkigheid heerst nochtans. (Vergelijk dit dan met een ‘vertaler’ als Rokus Hofstede die zichzelf boven de te vertalen auteur stelt en in een slijmerig interview van Guinevere Claeys botweg over zijn ‘vertaling’ van Annie Ernaux’ De jaren stelt: ‘Je leest dan toch in eerste instantie Rokus Hofstede. Onvermijdelijk.’ (DSL, 19 december 2020) – het woord onvermijdelijk toont de intellectuele en karakteriële bekrompenheid aan: net alsof de dienstbaarheid geen rol te spelen heeft, net alsof de deontologie van de vertaler én de republiek geen waarde heeft, net alsof het identitaire het ware is (een voorbeeld van een gesloten wereldbeeld, de ander en het andere ontkennend)– wel wordt weer aangetoond hoe domheid en pretentie broer en zus zijn – waarom zou men Annie Ernaux moeten lezen om Rokus Hofstede te lezen?). Yourcenar toont aan hoe grootse geesten groots zijn – uit de zaak volgt het omgekeerde voor de andere.

De ypsilon is een katapult, te richten op duiven, muizen, ratten, ongerief en ongedierte, het infame, het kikkerdom, het gerief van de jongen.

genoeg ! genoeg !

Nieuwjaar

De nieuwjaarsklokken luiden door de radio.
Stortregen valt. De dag is onbeschrijflijk goor.
Men is alleen gelaten en aanvaardt het zo.
Men vraagt zich zelfs niet af: waarom is ’t en waardoor ?

Tegen het leven is toch immers niets te doen :
De wereld heeft geen oorden meer om heen te gaan,
En ’t hart wordt niet, gelijk de landen, jaarlijks groen :
Er is geen vlucht uit een voorgoed mislukt bestaan.

J.C. Bloem, Enkele gedichten, 1942

1 januari 2021

…………………

op een hoop

Glad this awful year is over.
Next probably worse.

Vivienne Haigh-Wood schrijft in haar dagboek, Wednesday 31 December 1919

Caroline Moorehead, Bertrand Russell : a life, 1993 (first ed. 1992), p. 219

een geletterd leven : de x

De X is de joker. Die kan alles (allen) of niets (niemand) zijn: de weg kan op- of neergaan. De X is het kruispunt: wat als je met die of die was meegegaan; wat als je de enthousiaste hand genomen had; wat als je niet toevallig dit of dat gehoord had, een kans gezien en gegrepen had, welke wegen zijn daardoor afgesloten geraakt? Wat is het nut van banden als ze binden? Het toeval, niets dan het toeval?

X is de onbekende vrouw, de man met het masker, de schrijver zonder bekendheid, de beeldende kunstenaar zonder publiek, de componist zonder gehoor. X is de onrechtvaardigheid – het ongekende dat men verwaarloost, de rafel die nader beschouwd gouddraad bevat.

Welke weg je ook gegaan bent, je neemt jezelf mee en die zegt nee. Er zijn de uiterlijke omstandigheden, de innerlijke dynamiek is wat voortbeweegt, de godsdienstigen hebben deze motor ziel genaamd, maar het begrip ziel blijft zonder religieuze connotaties toch bestaan. De ziel bewaren, is zichzelf worden – niet de omstandigheden maar het ik moet bewaarheid worden.

Xenophanes zei, al wat mensen zeggen is slechts opinie, geen idee, geen waarheid. Alles is één en alles is aarde. Aristokles zei van hem, Parmenides, Zeno en Melissos dat ze de zintuigen en de beelden van de zintuigen verwierpen, dat ze op de rede vertrouwden, dat de zintuigen bedriegen. Xenophanes zei dat men tirannen moet vermijden.

Er zijn boeken die de baan gebroken hebben, een glimp van vrijheid tonend, de zelfstandige idee (de la Boétie (later, wanneer de wil reeds gevormd was), Louis Paul Boon (maar soms de verkeerde). Het moment  dat Karel Appel-schilderijen toonde, werken die de grenzen van het mogelijke, het bekrompene doorbraken. Er is de muziek van Erik Satie, de lichtheid, de vrolijke ironie, de herinnering van zon. De dingen artefacten die op het juiste moment herkend werden – en daarna is de weg gegaan die gegaan moest worden.

laatste zinnen (166)

Peste des gensǃ

Molière, L’amour médecin, (1665)

een geletterd leven : de w

Hij had de beker van de ziel wel leeggedronken,
het bonkend hart van wie niets meer geloofden.
Elke haan een monster. En elke hoop de laatste.
Vliegen die paren op madonnahoofden.

Als hij zich, in verzet tegen deze ellende,
op zijn knieën door de kathedralen zonder mensen
sleepte, riepen stenen die slechts in ruïnesteden
roepen: dans Lowry, en ruk aan je ketens.

’s Nachts de silhouetten der vulkanen, vaal,
als onder handbereik. Mexico, moeder der aarde, word weer
wat je ooit was: nooit slapend, eeuwig rijk.

Neem je vuisten, maak ze de aarde gelijk,
sla rotsen los, voordat de eerste zonnestraal
de aarde toch weer werkelijk maakt en groot.

Wolf Wondratschek, ‘Onder de vulkaan’, De eenzaamheid der mannen : Mexicaanse sonnetten (Lowry-liederen), vertaald door Willem van Toorn (1987) (Die Einsamkeit der Männer, 1983)

(De waarheid is een droeve leugen, een begeren
Dat zich verder sleept.
De hulpeloze is gevallen en bewaart zijn val
Tussen de rimpels van de herinnering.

Uit ‘Alfabet’ (1967), H.C. Pernath, Nagelaten gedichten, 1976)


laatste zinnen (164)

Farewell and be kind.

David Markson, This is not a novel, 2001