de marktkramerij van bozar en david hockney

door johan velter

Bozar is één van die instellingen die bewijzen dat wanneer de terreur ooit binnengebracht is, i.c. door Paul Dujardin, de chouchou van het Belgisch kapitalisme, die terreur niet meer weg te krijgen is.

De tentoonstelling David Hockney wordt voorgesteld als een ‘dubbeltentoonstelling’, bovendien ‘2 voor de prijs van 1’ – net alsof een expositie gelijk is aan de marktkramerij die slecht materiaal aanprijst en dat met hoeveelheid verdoezelt – in het geval van Hockney is dit niet alleen een slechte, moreel verderfelijke verkooptruc, het is bovendien een leugen. Er is één tentoonstelling, werk uit de Tate-collectie en een volledige zaal posters boven elkaar gehangen, die zaal dient als apotheose begrepen te worden: hoe men charlatan wordt.

In Bozar mogen er geen foto’s genomen worden, zoals men weet kunnen de muren van Bozar, die immers oren en ogen hebben, dat niet verdragen: het kaartenhuisje zou kunnen instorten.

Er is geen bezoekersgids, op de muren zijn pancarten aangebracht met minder dan minimale informatie, volgens Bozar kan een kunstenaarsleven ingedeeld worden naar de ruimte van de zalen, die uitleg is van een onnozel allooi, net alsof een kunstenaar verandert als hij ergens anders woont – de mythe van Californië wordt weer herhaald, net alsof Hockney daar een ander mens geworden is – dat er een schilderkunstige evolutie zou kunnen zijn, dat er nieuwe inzichten komen door het gedane werk, is bij Bozar onbekend, men vergeet ook dat wanneer een schilder een hedonistische levensstijl in beeld brengt, hij daarom zelf niet hedonistisch moet leven, Hockney is een leven lang een harde werker geweest, een arbeiderskind. Dat hedonisme (het vrolijke zwembadleven) mag ook gerelativeerd worden (in kunst kan men verder kijken dan het plaatje – dat weet men in Bozar niet) – wanneer we weten welke rampzalige levens geleefd werden, hoeveel scheidingen er gebeurd zijn, hoeveel doden (niet alleen als gevolg van aids) er te betreuren geweest zijn, hoeveel agressie, angst en falen er onder dat ‘schone tapijt’ verborgen ligt, men zou anders spreken. Dat de Gentse komiek Philippe Van Cauteren over Hockney spreekt als ‘de grote geruststeller’ toont zijn laag intellectueel niveau aan, zijn visueel onvermogen en is een zoveelste illustratie van zijn honds ‘mededogen’.

Op de bordjes die de titels van de werken aangeven, staat soms vermeld ‘eigen collectie’ – Bozar heeft geen eigen collectie, men heeft de gegevens van Tate letterlijk vertaald – de verantwoordelijke voor deze tentoonstelling, Sophie Lauwers, is dan ook gebombardeerd tot vervangster van Dujardin, nu ze directeur-generaal is, kan ze hetzelfde desastreuze beleid verder zetten.

Bozar meent van zichzelf een Europese en hedendaagse instelling te zijn. De website, waarvoor ongetwijfeld veel betaald is, is niet informatief, is gevuld met leegte, kennis moet niet doorgegeven worden, kennis is, zoals het in de hedendaagse museumwereld bon ton is, verdacht – het anti-intellectualisme  is een kenmerk van het fascisme – veel kan men klikken, veel kan men lege pagina’s zien, veel kan men in een cirkel ronddraaien. Men zou toch minimaal mogen verwachten dat de ‘pancarte-teksten’ van de tentoonstelling op de website te vinden zouden zijn – oh nee, dat is immers geheime kennis.

Men wil een overzicht geven van het werk van Hockney – zijn niet-overtuigend onderzoek over de hulpmiddelen van de oude meesters wordt daarbij niet vermeld – en zeker niet getoond – een expositie is immers een modemagazine geworden, je bladert, je mag niet nadenken en vooral moet je rap passeren zodat er nog meer geld de zalen kan binnenstromen.

De Bozar-tentoonstelling is een samenwerking met Tate – in werkelijkheid heeft Tate het werk gedaan en is Bozar enkel receptief – wat Sophie Lauwers over zichzelf ook mag vertellen, het is omdat David Hockney een vriendelijke mens is en zijn p.r. weet te verkopen, dat hij mensen ontvangt en spreekt en dus ook Sophie Lafaards – blabla. Bla.

Al zijn de teksten van de tentoonstellingspancarten niet op de Bozar-website te vinden, er is wel een onnozele tekst te lezen, gelijk aan wat een reclamebureau over waspoeder kan verzinnen, maar hier wordt bovendien de indruk gegeven dat er nagedacht wordt, bijvoorbeeld: ‘Zijn naam klinkt jou misschien bekend in de oren, maar zijn zwembaden groeiden uit tot iconen waar je zo een duik in wil nemen. Wij nemen een diepere duik, dan wel in zijn hele artistieke carrière.’ – wat doet het woordje ‘maar’ daar? en wat is de betekenis van ‘dan wel’? Die Diepere Duik, een variant op de diepe draai van pater Versteylen, bestaat uit 5 (jazeker 5, Sophie Lauwers telt tot 5!, net zoals er ook ‘5 redenen zijn om je tickets te boeken, de promotietekst is een promotekst, nietszeggend, onwaardig en van Bozar-niveau.

‘Veelzijdig en vernieuwend’, is de eerste reden (of de eerste diepe duik) waarom Hockney een groot kunstenaar is, er wordt over polaroidfoto’s gesproken, maar de controverse rond Stefan de Jaeger wordt verzwegen, als dubbel bewijs het gebruik van iPad door Hockney – alhoewel de tentoonstelling daar geen voorbeeld van geeft, integendeel wat hier getoond wordt is regressieve schilderkunst : iPad-tekeningen zijn géén ‘vernieuwing’ van de schildertechniek (zoals olie- en acrylverf dat waren) of zoals suikeretsen dat waren binnen de grafische wereld. Wat Hockney ‘schildert’ heeft geen uitstaans met de schildertechniek en wat hier als de tweede tentoonstelling, als een hoogtepunt voorgesteld wordt, ‘De komst van de lente’, tekeningen uit de eerste corona-lockdownperiode, is een winkel van posters, weliswaar ingelijst en een afbeelding bovendien, met weliswaar kleuren, toch ook niet picturaal interessant. Bozar leent zich voor een verderfelijke verkoopstunt, is aldus een filiaal van het David Hockney-winkeltje. (Zelfs Damien Hirst heeft het trucje van Hockney overgenomen – ook alles hoogstpersoonlijk artistiek uitgevoerd.)

De tweede reden waarom volgens Sophie Lauwers Hockney ‘een buitengewone artiest’ is, is omdat hij ‘Een Brit met Californische smaak’ is, zo zijn er Belgen die graag Indisch eten, of Fransen die graag rijst eten, of directeurs-generaal die culturele instellingen anti-cultureel maken, ik ken zelfs Vlamingen die Franse boeken lezen. Lauwers hanteert de Nederlandse taal op een zeer artistieke manier, haar ‘argumenten’ zijn al bijzonder ‘logisch’, haar woordgebruik eveneens: ‘Hockney heeft de gewoonte om te schipperen tussen Europa en Amerika, waardoor hij in twee verschillende levensstijlen en landschappen terechtkomt.’ En uiteraard is dat schipperen positief, Sophie is ook Mathilde, ‘Maar laat dat nu net de kracht zijn van Hockney, om hoe dan ook en waar dan ook schoonheid terug te vinden – op de meest uiteenlopende manieren.’ – zoals alles altijd een kracht kan zijn en schoonheid gevonden kan worden op verschillende manieren: door te spitten, door de straat te vegen, door te wauwelen, door de neus te snuiten, enzovoort.

Reden 3, ‘Van vlees en bloed’ – inderdaad voor een schilder is dat een bijzondere om hem een uitzonderlijk artiest te noemen – dit argument begint met een hoogst origineel kunsthistorisch inzicht: ‘Wat de portretten van Hockney zo bijzonder maakt, is hun hoogstpersoonlijke noot.’ Let wel: ‘noot’ – en dat wordt verklaard: ‘hij maakte ze nooit op bestelling.’ – Lauwers vergeet te vermelden dat ze wel verkocht werden, zelfs als edities.

Reden 4: ‘Subtiel maar gewaagd’ – het is echter niet omdat Hockney homoseksualiteit toonde dat hij een uitzonderlijk kunstenaar was. Hij leefde in een beschermde wereld, zijn Kaváfis-etsen werden in beperkte oplage gedrukt én verspreid – zoals vroeger erotische werken onder de toonbank verkocht werden. Toch is het naturel waarmee Hockney zijn levensstijl leefde en schilderde, belangrijk.

En de vijfde reden (de vijfde duik) is ‘Cheeky and stubborn’, David Hockney is een man met een wil en volgens Bozar daarom een groot kunstenaar.

Dat Hockney één van de weinige ‘leerlingen ‘ van Pablo Picasso is geweest, wordt niet vermeld – de zaal met zijn ‘Picasso-visie’ had weliswaar de beste zaal kunnen zijn, was er een verstandige selectie gemaakt. De etsen die Hockney maakte bij het werk van Kaváfis zijn allemaal te zien, de reeks The blue guitar, bij het werk van Wallace Stevens, geïnspireerd op Picasso, weliswaar veel belangrijker, wordt niet getoond of vermeld. De hele tentoonstelling is opgevat als een Benetton-catalogus, we moeten zorgen dat er veel kleurtjes zijn, dat hebben de mensen graag. Dat het oeuvre van Hockney één geheel is, dat het ene uit het andere kan voortvloeien, dat er, zelfs bij Hockney, een connectie met de toenmalige wereld was, wordt door Bozar ontkend, daarmee een ouderwetse museum- en kunstopvatting dienende, maar toch vooral zichzelf: laten we niet moeilijk doen.

Wilt u bedrogen worden, ga naar Bozar. Nu is het het moment: voor de prijs van 1, wordt u dubbel bedrogen.

Die terreur komt ook tot uiting in de randprogrammatie en in de mailing – een Belgische culturele instelling communiceert met de eigen burgers enkel in het Engels – Nederlands, Frans of Duits zijn volgens de Bozarterroristen talen voor achterlijken, raar Engels is ook Engels, denkt men bij Bozar; net zoals dat onjuist gebruik van Nederlandse uitdrukkingen, ook gewoon Nederlands is volgens Sophie Lauwers, die de terreur van Dujardin waardig is, want ook in de Roger Raveel-tentoonstelling heeft ze moedwillig een werk van Raveel beschadigd en dus de betekenis van de kunst van Raveel – en bij uitbreiding van zijn tijd – vernietigd – dit uit ideologisch-fascistische redenen, de terreur bepaalt wat Entartete Kunst is. En ook toen stond de expositie in dienst van het geld. Terreur wordt in dit land beloond.

Op 24 november 2021 komt Marieke Lucas Rijneveld naar Bozar vertalen we uit de ‘mailing’ die we toegestuurd gekregen hebben, als meervoudige persoon heeft ze een gedicht geschreven – zou ze dan ook meervoudig betaald worden?


At the request of Bozar, they [onderstreping jv] wrote a poem to accompany an etching from the series Illustrations for Fourteen Poems from C.P. Cavafy (1967) by David Hockney. The poem is in the catalogue and the etching is on display in the Bozar exhibition. Rijneveld will talk about their [onderstreping jv] work in Bozar but will also make excursions into the work of Hockney.

In Bozar zal ze (niet: zullen ze) door Jelle Van Riet geïnterviewd worden – u moet er snel bij zijn want alle personen van Rijneveld zullen in de zaal zelf moeten zitten, voor het publiek zijn slechts enkele stoelen op het podium beschikbaar. Wat we hier meemaken, en waar Bozar doelbewust aan meewerkt, is letterlijk het einde van het humanistisch individualisme. Hier wordt de neoliberale ideologie gediend, er is geen grond waarop gedacht moet worden, alles gaat mee in de flou van het anti-intellectualisme, terwijl het resultaat verre van interessant is, of zelfs maar nieuw of vernieuwend – een verkooptruc. Daardoor wordt elke ethiek en menselijkheid vernietigd, – Bozar hoeft de fascisten niet te verwelkomen, de fascisten zijn reeds aanwezig. Wat Rijneveld met Hockney te maken heeft, komen we in die ‘aankondiging’ niet te weten, dat een museum gedegen en wetenschappelijke uitleg moet geven, weet ook Sophie Lauwers niet. Maar het is ook nog (ongewild want Bozarterroristen kennen geen humor) komiek: Rijneveld werd geweigerd om de preek van Amanda Gorman te vertalen uit het Engels naar het Nederlands, allerlei redenen, zelfs de meest seksistische en racistische passeerden de revue, uitgeverij Meulenhoff nam als De Zwarte Schouw de fasces in handen en zocht een handlanger, en zie, nu wordt Rijneveld in het Engels aangekondigd en zal ze ongetwijfeld ook een Engels gedicht geschreven hebben dat dan weer door ‘het team’ van Gorman vertaald zal worden naar het Nederlands – een team zal zeker nodig zijn want ‘they’ zullen wel heel veel gedichten hebben kunnen schrijven. Als men stelt dat taal macht is, dan mag ook gesteld worden dat taal domheid kan zijn. Q.e.d. In het meervoud!