het intelligente beeld van lieve d’hondt

door johan velter

Het Museum Dhondt-Dhaenens wordt vernieuwd. De vloer moest uitgebroken worden, het voorstel kwam van Lieve D’hondt om dat op een intelligente manier te doen – wat een groot idee opleverde. D’hondt is een ruimtelijke kunstenaar, het canvas, het blad papier is de wereld. De vloer is ons wat voor Archimedes de grond als steunpunt was, draagt Atlas het hemelgewelf, ook hij dient de aarde als een vast punt te hebben. De vloer is een gemeenschappelijk gegeven, daar waar mensen samenkomen, elkaar ontmoeten, een vloer wordt niet in vakjes opgedeeld, de toevalligheid en onzin van grenzen zijn hier geen gegeven – wat bij een ander klef kan zijn, wordt bij D’hondt naar een intelligent niveau gebracht en daardoor overstijgt ze de eigen tijd.

Toch is de vloer zelf ook een grens, een ruimtelijkheid, als plat vlak definieert hij hoe ver ons oog mag reiken, bepaalt hij wat hier en niet daar mag gebeuren – de modernistische architectuur die de vloeren onder de kamermuren liet doorlopen, wilde de beperktheden en bepaaldheden van de architectuur opheffen (plicht: ‘vrij zult gij zijn!’) – de vloer is zowel dwang als vrijheid, binnen de grenzen is er ruimte. Is de vloer een vast gegeven, bruut, zwaar en ‘eeuwig’, de vloer is lichtheid, wordt nauwelijks waargenomen, is een evidentie. Wat op een vloer gebeurt, is een onzichtbaar spoorwegennet: er zijn lijnen van het ene punt naar het andere, van een mens naar een ander mens, blikken worden gewisseld, handreikingen beantwoord, rakelings gaat ook het langs mogelijkheden die niet gebruikt worden: wat is, had nog veel meer en anders kunnen zijn.

De vloer staat gelijk aan de grond, de aarde, dat wat een gemeenschappelijk goed zou moeten zijn – zoals lucht, zuurstof, water, ruim genomen: de natuur – een bijna Indiaanse opvatting, was die niet ook Westers. Het is in die traditie (en niet die van het modieuze, al te gemakzuchtige ‘publieksgebeuren’) dat we het werk ‘The floor is yours’ moeten situeren, want subtiel is het woord ‘yours’, niet ‘ours’. De oude tegelvloer werd uitgebroken, het publiek kon ‘deelnemen’ aan de actie door een brokstuk aan te kopen, daardoor werd de nieuwe vloer gemeenschappelijk bezit, niet echter als een ‘kapitaalbezit’ – wel als een ideële republiek waar gelijkheid heerst: een vloer is neutraal, neemt geen standpunt in, zwijgt (o!), ontvangt veel, ziet veel af – maar is een wereld van mogelijkheden – de ene voetstap is niet meer waard dan die van een ander. De kijker die een stuk vloer gekocht heeft, heeft dit niet passief gedaan: hij neemt deel aan een artistieke praktijk, die iets anders is dan ‘het kunstgebeuren’. De vloer komt daarmee gelijk te staan aan het huis zelf, het museum. Het tweede deel van het werk is de individuele ingreep van D’hondt die in de vloer een messingstrip aanbracht – de terechte suprematie van de kunstenaar wordt daarmee bevestigd: het is de artistieke blik die bepaalt.

Bijna onopvallend (eigenlijk onopvallend), aan de rand van de museumzaal werd de strip in/op het beton aangebracht: de kunstenaar is aanwezig, maar hoeft niet al te zichtbaar te zijn, een artistieke ingreep is niet noodzakelijk een overweldiging, een godsgericht, maar is hier als een ‘godslamp’ (in niet-godsdienstige zin te begrijpen): een sterke, aanwezige bescheidenheid. Daarmee verzet Lieve D’hondt zich tegen het regressieve figuratieve geweld van vandaag, de opdringerigheid van het kapitaal en de marketing in de kunstwereld, de verloedering van het beeld en het museumbeleid, de schreeuwerigheid van het lelijke. Het project ‘The floor is yours’ werd nu, tot rust gekomen, het werk ‘The floor, a place of connection 2020-2021’.

John Ashbery begint zijn gedicht ‘This room’ met de regel ‘The room I entered was a dream of this room’. Rainer Maria Rilke, de laatste strofe van » Herbsttag «:

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Over het werk van (of n.a.v.) Dante schreef Peter Weiss in zijn Esthetica van het verzet I (vertaald door Peter Kaaij, 2000, Die Ästhetik des Widerstands I, 1975): ‘[…] of de kamer waarin wij ons bevonden deel was van een droom of dat de droom je kamer overviel, […].’. Gerrit Kouwenaar verlangde: ‘laten wij nog eenmaal de kamer wit maken, / nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik’. H.D. begint ‘Evening’ aldus: ‘The light passes / from ridge to ridge,’.

In de zaal waar het nu permanente kunstwerk van Lieve D’hondt aanwezig is, heeft ze (er zijn ook foto’s van eerdere interventies te zien) een ‘draadwerk’, een ‘koordtekening’ geplaatst/gemaakt: met rode draad is een ruimte gecreëerd. Binnen de kunstcontext, binnen de filosofie van het wonen, binnen het museum en binnen de zaal is een kamer aanwezig, een ruimte gemaakt, de draden spannen zich tot een verhouding met wat luchtledig lijkt, maar niet is – alsof de atomen zich samenballen, zich tonen en wat eerst niet was, nu mogelijk maken – de ‘futiliteit’ van de draad wordt plots een kracht, de strakheid een spanning, een niets tot iets gemaakt, letterlijk is ruimte creëren vrijheid mogelijk maken. Wat de kunstenaar maakt, is een geven: de kijker moet willen kijken, dus aanvaarden – de kunstenaar behoudt de regie. In de huidige context wordt dit werk dan ‘moeilijk’ genoemd, omdat het werk zichzelf niet volledig geeft, maar vraagt (niet in de participatieve betekenis van vandaag), een vraag aan het intellect stelt, dus een aanbod biedt: het werk geeft een aanzet én is een inzicht, een verte gloort.

De strakke lijnen tonen de cartesiaanse helderheid, het rationalisme van de zekerheid, de rust- en hechtpunten van de wetenschappelijke arbeid – maar er is meer, niet alleen de kleur is uitnodigend. Zoals een vreemde uitgenodigd wordt het huis te betreden (Lieve D’hondt verbetert Rilke), zo komt het licht hier binnen –  de lijnen (draden) bakenen de ruimte af maar het binnendringende/binnenvallende licht trekt zich daar niets van aan en maakt een ruimte binnen de ruimte zichtbaar die haast tastbaar is : het licht wordt materie én ruimtelijkheid. De draad, die een spel van lijnen vormt, staat tegenover het beton; de ‘lege’ ruimte tegenover de wanden, de warmte van het licht en de adem van de lucht tegenover de beperkende hardheid van het huis; de vluchtigheid tegenover de vastheid. Niet alleen de uitgetekende ruimte wordt zo gracieus en licht, de hele context wordt in een nauwgezette opmerkzaamheid veranderd waardoor de barre wereld plots een elegante wordt. De kennis die daardoor ontstaat wordt gekenmerkt door schuchtere gevoeligheid; de beheersing van de ruimte is niet een verovering maar een begrijpen en zijn; de ingreep is geen agressie maar een openen; de zuivere rationaliteit is een bevrijding uit de zwaarte van het leven. De ruimte en de draad (die altijd Ariadne en de Moira oproept) is het spinozistisch beeld van de vrije wil binnen de onwrikbare wetmatigheden.

Niets is ruimte – tot er iets gebeurt. Het is de kijker die een denker moet worden, hij moet zien wat er gebeurt en het proces moet begrepen worden – de relatie tussen een werk en het subject kan niet passief ondergaan worden, maar moet een actieve werking zijn, en die kan niet zomaar aan de kijker overgelaten worden: de kunstenaar geeft en ook dat moet een betrokken houding zijn. In dit draadwerk wordt veel gerealiseerd. Lieve D’hondt maakt een werk dat onmiskenbaar van haar is, een ruimte in het museum is een tweede gegeven, het werk wordt overgelaten aan de ruimte, en het licht en de zon spelen een autonome rol, de kijker ziet niet alleen een werk, een plaats, een mogelijkheid maar ook de tijd zelf (het werk vermenigvuldigt zich) – zoals de zon licht maakt, zoals de zon opkomt en verdwijnt, zo verandert het werk uur na uur en dag na dag – het verglijden van de tijd (en in dit geval ook van de ruimte) is een intellectueel proces: de tijd wordt het leven zelf. (Jan Dibbets: My studio, 1969). Dit is een engagement dat de ander au sérieux neemt, zijn capaciteiten aanvaardt waardoor er een blijvend proces ontstaat, terwijl het werk ‘eigenlijk’ hetzelfde blijft, het geeft niet toe, er is een weerbarst – daartussen glimpt het leven, een zachtheid van het warme licht, die een welkom is, een openheid naar het leven terwijl duidelijk aanwezig blijft een vrouwelijke strengheid.

Al te dikwijls blijft bij dit soort ruimtelijk/architecturaal/fotografisch werk vergeten dat het werk een beeld is. Er is in teruggetrokkenheid
schoonheid aanwezig, als die een zelfbewuste aanwezigheid is.