pseudoboekvormgeving, schijnboekcultuur

door johan velter

Dat een boek als Het Nederlandse liefdeslied in de Middeleeuwen (Prometheus 2021), de summa summarum van Frank Willaert, nog is kunnen verschijnen, is een wonder. Deze tijd is nog niet helemaal verloren. Nog lezend in het boek, is er al veel ergernis gepasseerd. Willaert schrijft vlot en met kennis van zaken, maar wanneer hij suspense in zijn ‘verhaal’ wil krijgen, haak ik af, geen flauwe detectivemethodes in een wetenschappelijk werk, we hebben ook weinig tijd. Er is veel pseudo-kennis die door Willaert vakkundig en vriendelijk gefileerd wordt, heel dikwijls is de conclusie dat we iets niet weten (maar dat we ook niet moeten weten, denk ik dan).

Een voorbeeld van een uitgerekte spanning, p. 50-53. Is Hendrik van Veldeke al dan niet in 1184 op de hofdag van Mainz aanwezig geweest? ‘En op het eerste gezicht valt hier ook veel voor te zeggen.’ : ‘…minnelyriek, zou men denken.’ ; ‘Vele germanisten menen dan ook …’ ; ‘… dat hij wellicht …’ ; ‘… mogen we op goede gronden aannemen …’ ; ‘Het is zeer goed voorstelbaar…’ ; ‘Maar is dat echt wel zo waarschijnlijk?’ ; ‘Het lijkt waarschijnlijker …’ ; ‘Zijn we dus geneigd … minder hoog aan te slaan …’ ; ‘Dit is toch de thesis, die we in de volgende paragraaf aannemelijk willen maken.’

Een voorbeeld van het niet weten, p. 54-55: ‘Het lijkt er dus op dat …’ ; ‘Het is dus waarschijnlijk terecht dat …’ ; ‘… met een onbewijsbaar vermoeden ….’ ; ‘We mogen aannemen…’ ; ‘… wellicht…’ ; ‘… weten we niet …’ ; ‘?’ ; ‘We weten het niet.’

Ook de overbodige Engelse woorden (‘in progress’, 63) zijn niet erg aangenaam of passend, het Latijnse actus (p. 57) is een enkelvoud, geen meervoud. Het allerergste is echter de boekvormgeving van Willem Morelis.

De kartonnen omslag heeft een opgekleefde papieren omslag gekregen, wat bijzonder is, de laatste jaren worden boeken met een lelijke, banale, letterlijk nietszeggende pseudoband gemaakt en daaromheen een papieren stofomslag aangebracht – pseudo-deftig. Deze valkuil werd hier omzeild, de lelijkheid letterlijk ingepakt en verborgen, al is de omslag niet geplastificeerd en zeer kwetsbaar. Een boek als dit kent een lange leestijd en zal geregeld uit de kast genomen moeten worden, zelfs na eerste lezing is het papier al versleten. De titel is raar gezet, liefdeslied, de en middeleeuwen krijgen dezelfde waarde, het, Nederlandse en in zijn minder waard. Middeleeuwen wordt volgens de spellingcommissie niet met een hoofdletter geschreven (zo ook Verlichting niet), wat uiteraard nog steeds onzinnig is, de herhaling in het gebruik wist de onzin zelf niet uit.

Het boek wordt met een leeslint geleverd, eigenlijk hadden er twee leeslinten moeten zijn: een voor het tekstgedeelte, het ander voor het notenapparaat, maar is in ieder geval onhanteerbaar. Een leeslint kan maar gebruikt worden wanneer de draagkracht in verhouding staat tot het tekstgewicht: een ideale verhouding vinden we in de Pléiade-uitgaven van Gallimard, die ook dikwijls twee leeslinten bevatten. Het boek mag niet te groot en de bladen moeten licht zijn waardoor men het boek via het leeslint kan openen – in het geval van het Liefdeslied is dit niet het geval: de pagina’s zijn te groot en te zwaar. Bovendien is het leeslint in de eerste helft van het boek aangebracht waardoor de lezer, die in de tweede helft terechtkomt, het lint al veel moeilijker kan hanteren, hij laat zijn vinger achter.

De vormgever dacht waarschijnlijk verrassend en modern te zijn door de paginanummers niet onderaan de bladzijde te zetten maar in de linker- en rechtermarge, niet in het midden, wel in de bovenste helft van het blad, als we het tekstvolume in drieën delen, dan onderaan het bovenste derde deel – wat verwarrend is. In de marge van de rechterpagina wordt nog de titel van het hoofdstuk geplaatst, niet horizontaal leesbaar, wel verticaal onleesbaar en uiteraard in kapitalen om nog meer onrust te veroorzaken. Wat dit voor leesnut heeft? Dat de lezer weet waar hij zit? als dat een criterium zou zijn dan zijn de hoofdstuktitels ‘te breed’ genomen. Blablavormgeverspretentie. Daar waar de paginanummers moeten staan, staat een verwijzing naar het notenapparaat, bijvoorbeeld op pagina 51: ‘NOTEN ZIE P. 538-539’ – wat met de lezer die perziken wil? De vormgever heeft dit sjabloon niet altijd kunnen toepassen, de pagina’s 163-165 bijvoorbeeld, dragen geen paginanummer en de rechterpagina vermeldt geen hoofdstuktitel – omdat de marge door de lange tekstregels te smal werd … Dat de ‘notenverwijzing’ slechts op de rechterpagina (en niet op de linker-) te vinden is, is een bijzondere vorm van gebruiksvriendelijkheid maar ongepast als men gebruiksgemak centraal zou stellen.

Het werk van Frank Willaert is tegelijkertijd een wetenschappelijk werk, een samenvatting van een leven lang lezen, schrijven, onderwijzen, werken, denken, en een publieksboek – het maakt ons duidelijk wat en hoe men over het liefdeslied in de Middeleeuwen dacht en denkt, maar Willaert geeft zijn onderwerp ruimte waardoor we een tijdsklimaat krijgen én een inzicht in wetenschappelijk, pragmatisch denken. De noten zijn soms naakte verwijzingen naar auteur en titel, er is wel een bibliografie opgenomen, er zijn dus verwijzingen naar verwijzingen, maar heel veel behoren de noten tot het tekst- én denkgedeelte: de lezer ziet Willaert in discussie gaan met andere specialisten, de noten zijn dus geen bijvoegsel maar behoren tot de tekst zelf, een verslag van een denken, tekst die bestaat uit argumenten. Het is dus bijzonder lastig voor de lezer om telkens weer naar het notenapparaat achterin het boek te moeten gaan om een tekst te lezen, soms, als de noot ‘slechts’ een vindplaats aanduidt, is die reis overbodig en mag de lezer met hangende pootjes terug naar het tekstgedeelte. Dat onderaan vermeld staat dat de noten op pagina x staan is voor de lezer geen hulp – een degelijk boek als dit verdient een notenapparaat dat dicht bij het tekstvolume staat, noten moeten voetnoten zijn – voor een vormgever is dit moeilijker maar voor een tijd die uitdagingen wil aangaan en the sky the limit is (het Engels is hier gepast), is een degelijke én normale pagina-opmaak toch niet te hoog gegrepen? Een voorbeeld van slordige opmaak toont pagina 58 : bovenaan 2 verloren regels, daaronder wordt een nieuwe paragraaf begonnen – zoiets kan bijvoorbeeld opgelost worden door foto’s iets groter of kleiner te maken – de kwaliteit van het fotomateriaal is niet erg hoog. De typografie is al te dikwijls te veel schoolboekachtig.

In de inhoudsopgave is de paginavermelding een zootje: bij de hoofstuktitels en de eerste onderverdeling wordt de pagina vóór de titel gezet, bij de andere onderdelen achter de pagina. De ongenummerde pagina’s 8 en 9:

Het boek is slordig en bijwijlen vuil gedrukt. Dit is een probleem van deze tijd waar uitgever, vormgever en zelfs drukker niet altijd verantwoordelijk voor zijn – alhoewel. Het boek is geprint waardoor de vetgedrukte woorden nooit echt vet zijn maar een grijs bevatten. Veel letters zijn niet zuiver: de inkt van de letters gaat als het ware zwemmen in het omringende wit, waardoor de letters onduidelijk worden. We weten ook niet of het huidige drukwerk decennia, laat staan eeuwen, zal doorstaan. Het drukken is nu eenmaal printen geworden, alhoewel de combinatie papiersoort en inkt optimaler kan zijn dan wat we hier zien.

Een voorbeeld op pagina 247, onderaan: het woord vrolijk bijvoorbeeld is niet scherp ‘afgelijnd’ maar wordt een inktvlek.

Vergelijk dit met een willekeurige bladzijde van een willekeurig werk uit de 17de, begin 18de, eeuw, hier Historische beschrijving der Grieksche en Oostersche wijsgeeren van Thomas Stanley, waar bij gevoegd is: Levensbedrijf der Grieksche digteren, vertaald door Salomon Bor, uitgegeven door Pieter van der Aa uit Leiden, 1702 – de letters zijn hier loepzuiver: inkt en papier zijn met elkaar in overeenstemming – er waren uiteraard ook boeken op de markt die met afgesleten letters gedrukt waren – ook die boeken waren niet ‘zuiver’ of ‘proper’. Het hedendaagse geprinte boek is echter door het drukprocedé zelf een probleem. Dat alles maakt het lezen van wat een toch vrolijk boek had kunnen zijn, een karwei. De schrijver niet gediend, de boekcultuur nog minder, de lezer helemaal niet.