het universum hangt los – over ‘het jaagpad op en af’ van saskia de jong (1)

door johan velter

Eerst is er het boek, en weer worden we meer dan aangenaam verrast. Uiteraard is de vormgever Michaël Snitker, die ook de vorige boeken van Saskia de Jong heeft mogen/kunnen/willen vormgeven. Hij drukte zijn stempel (deze keer wel heel letterlijk) op het werk, ongetwijfeld, maar even ongetwijfeld is dat De Jong haar stem (en meer) liet horen. De dichtbundel Het jaagpad op en af is in de eerste plaats een materieel object, een vormgeving die direct herkenbaar is als hedendaags, al is die nieuw en niet een cliché volgend, tegelijkertijd klassiek en het klassieke verwrongen. Het boek heeft andere afmetingen dan wat een bundel heden ten dage blijkbaar moet zijn, de verticale vorm is duidelijk, de letterzetting op de omslag versterkt dit, en toch is de bladspiegel breed : de dichtregels kunnen deinen en uitbreiden. Een boek met flappen refereert naar een andere tijd – ook al is die nog niet zo veraf verwijderd – hier zijn de flappen functioneel, ze bevatten geen blurb of zwijgen niet hautain, ze behoren, al zijn ze ook vormelijk, inhoudelijk tot het boek.

De omslag. De titelwoorden worden onder elkaar geplaatst, het ene woord dat twee lettergrepen telt wordt gesplitst, er is een centrale as. ‘Het jaagpad’ komt van het woord jagen en betekent trekken, zoals mensen of paarden vroeger boten trokken: zij op de oever, de boot in het water. ‘Op en af’ kan dan cynisch begrepen worden: op het land en in het water, oh Nederland. Of levensfilosofisch: wie raakt soms niet van de weg af? Of verkeerstechnisch: het pad is onderbroken wegens werken. In de titel is meerduidigheid aanwezig. Staan de letters verticaal, geeft het boek een verticale indruk, dan zijn de twee horizontale banden die ‘als het ware letterlijk’ op de omslag liggen de dwarsliggers – zo hebben we Saskia de Jong graag – er is ruimte tussen en die leegte kan gevuld worden, met springen, met lucht, met woorden, kijken we aan de ommezijde zien we dat het hier gaat om een preegdruk én dat het resultaat apart bedrukt geweest is – een technisch hoogstandje van Wilco Art Books, gefaciliteerd door Uitgeverij De Harmonie. Lof!

De ommezijde van het boek bevat de inhoudsopgave en weer met twee dwarsbalken maar nu verticaal geplaatst, gedeeltelijk op de woorden, de banden zijn min of meer doorzichtig, hier geen blinddruk maar enkel een gedrukte oppervlakte. Dit ‘opgedrukte’ refereert naar schildersmateriaal, dit gebruiken huisschilders om boorden te schilderen van bijvoorbeeld ramen en kunstschilders doen dit eveneens om rechte vormen te schilderen of om papier te bevestigen (Kees Goudzwaard die de plakband als volwaardig element gebruikt, Philippe Van Snick als hulpmiddel) – de lijm van dit materiaal is stevig maar is gemakkelijk los te maken, dus een andere lijm dan wat de onafhankelijke boekhandel voor etiketten gebruikt om boeken kapot te maken. De indruk is dus dat de omslag van het boek van Saskia de Jong minstens dubbellagig is, dat onder het oppervlak nog iets anders schuilt.

Op de flappen zijn gedichten afgedrukt – in de inhoudstafel opgenomen. Het eerste gedicht, dat als motto kan gelden, is een aansporing: ‘als de wind niet gunstig is / als bomen niet lukt / al zijn de paarden gelaten / laten we jagen’, de wereld moet niet meezitten om te jagen, dus te sleuren, te zwoegen, tegen de wind in te gaan – we zouden de dichter al van ‘positivisme’ kunnen beschuldigen, ware daar niet haar superieure glimlach, om de mondhoeken spelend, en de waarlijk vernietigende blik. Op de achterflap staat ‘aan de in ellende liggende liefhebbers’ – De Jong is een groot liefhebber van de alliteratie, een stijlmiddel die niet enkel goed in het oor ligt maar een oorlogsbetekenis heeft: het allitereren wordt ingezet om het andere te benadrukken, om de woorden aan te vallen, de betekenissen te ondergraven: dollen met de taal omdat de taal onbetrouwbaar is.

Om dit gedicht te begrijpen, moeten we naar de verschijningsdatum van deze bundel kijken. 2020! 2020! Haar vorige regulier verschenen bundel is van … 2010, en was een kinderboek, zogezegd, natuurlijk niet alhoewel toch zeker wel, de kinderen hadden deugd van De deugende cirkel, het boek verlucht met prenten van De Jong zelf, een waarlijk boek. Resistent, een dichtbundel voor sommige volwassenen, dateert al van 2006! In 2014 werd Het jaagpad op en af aangekondigd als binnenkort te verschijnen. Tijd is natuurlijk een subjectief gegeven, maar toch, dat Het jaagpad … in 2020 en niet in 2022 verschenen is, mag toch een wonder heten.

Echter: de tussentijd heeft de dichter niet in ledigheid doorgebracht. Er was o.a. de samenwerking in 2015 met De Veenfabriek, een muziektheaterproject, muziek van Yannis Kyriakides, een regie van Paul Koek en een tekst van Saskia De Jong, TULPMANIA, waarover niet alleen ik enthousiast was, maar waar de dichter zelf afstand van neemt, niet dat ze zichzelf verloochent maar dit kadert in haar opvattingen over en praktijk van de ‘negatieve poëzie’, naar analogie van de ‘negatieve dialectiek’ van Theodor W. Adorno en kom, ook de ‘negatieve theologie’, het ‘negatieve’ die ook de zwarte gaten van de quantumgravitatie vertegenwoordigen – het negatieve is natuurlijk het positieve van het verzet tegen de wereld, de taal en de poëzie – binnen de poëzie de poëzie met poëticale middelen ondergraven; lid van de wereld zijn en die wereld onbegrijpelijk maken en weergeven, de ontkenning als de kern van het leven.

Het gedicht begint zo: ‘zo jongens de kop is eraf jullie dachten toch niet werkelijk dat het om de tulpen ging?’ – de tulpen verwijzen naar haar tekst Tulpmania – die niet in deze bundel is opgenomen – een dichter die het niet om succesteksten gaat. Overigens is de uitdrukking ‘de kop eraf’ hier in 2 tegengestelde betekenissen gebruikt: de kop eraf, het begin is doorstaan, maar ook de kop, Tulpmania, er letterlijk afgeslagen. Het gaat en ging, gaat de dichter verder, om de manie, en de tulpen waren slechts een tussenstadium. Haar levensregel: ‘geen rechte wegen’. Weliswaar ‘geen bagage’ maar toch een overdaad, niet de karigheid van de levensverachters (toch ook niet de oppervlakkigheid van de optimisten), het vele, een nieuwe barokke literatuur, Saskia de Jong als de ware opvolger van Lucebert en H.H. ter Balkt – niet de esoterie, wel de vreugde, niet het resultaat maar de praktijk, ‘niet de prijs maar het prijzen, niet het loof maar het loven’. Dit gedicht toont hoe veel gedichten opgebouwd zijn: een begin uit het quasi luchtledige (‘wat is dit allemaal?’), een ernstig deel dat door overdrijvende humor, baldadige woordenstapeling een ontkenning inhoudt van het gezegde en, hoe merkwaardig ook, het ontkennende bevestigend werkt. De veelheid van de stemmen in deze bundel (uit de fysieke en de culturele wereld) werken als een echokamer, ook in dit gedicht ‘dwalen is menselijk, zei hoe-heet-ie, laten we dwalen!’ – wat een verwijzing naar het errare humanum est van Hieronymus, de kerkgeleerde, de patroon van vertalers en intellectuelen, in navolging van Cicero, de ironie is door de dichter vastgelegd: het weten heeft een wankele basis en het wankelen wordt een morele stelregel. De ‘citaten’ worden eigenzinnig toegepast, net zoals de agressie en de geluiden van de straat en de buren, komen de woorden van de cultuurdragers ons tegemoet: geluiden die niet noodzakelijk waarheden of werkelijkheden zijn, en/of die door de context of door een kleine verdraaiing een nieuwe betekenis krijgen. ‘Alles van waarde is wezenloos’ is een echo van Lucebert maar evengoed een nieuw adagium: de dingen hebben geen essentie, het wezen bestaat niet, het zijn de vormen die tellen – zoals een boekvorm, zoals deze bundel. Het gedicht wordt plots een brief, ondertekend door Flora, de Romeinse godin, maar ook een gewoon meisje, met een oma en goede vrienden – het baldadige van de lente.

Wat jagen we na? En waarom?