de kou der jaren

door johan velter

19 februari 1951. 81 jaar geworden. De laatste woorden in zijn dagboek genoteerd, het was toen 21 november 1950 en André Gide was nog actief: « […] mais où me réfugier ? », laten gelden als een levensprogramma: er is geen schuilplaats.

Nu de winter verdwijnt en Hadewijch in ‘Lied 1’ tot ons spreekt: ‘Ons naket saen een somer stout / Die ons ute dien bedwanghe / Schiere sal bringhen;’), weten we terug hoe deugddoend de warmte is, hoe bevrijdend het is het huis achter zich te kunnen laten – tijdens de wintermaanden zag je tijdens de wandelingen overal in de verlichte huizen gekooide dieren zitten, gevangen in de toverij van hun lichtbak, veroordeeld tot eenzame arbeid, wel in korte hemdsmouwen (de mannen), de vrouwen licht gekleed, soms vulgair in stoffen gehuld die geen kleding zijn, blootshoofds, geen trui, de warmte zichtbaar gemaakt.

Zoveel wordt gezegd over de klimaatsverandering, hoe alles zich zal wijzigen en niets gelijk zal blijven. Zo wordt gezegd dat na W.O. II er een ‘ongekende plundering van natuurlijke rijkdommen’ (over Bruno Latour, Knack, 10/02/2021) heeft plaatsgevonden. Die beperktheid van historisch besef is stuitend – in Europa zijn de oerbossen verdwenen, om landbouwgrond te ontginnen (de overbevolking is een systeemfout) maar vooral om het hout op te stoken, om de kou te verdrijven. Eeuwenlang is er in Londen een smog ‘geweest’ – veroorzaakt door houtverbranding – ook in Groot-Brittannië werd het hout opgestookt om de winter te verjagen, de bossen verdwenen. Een ander voorbeeld, geestelijke warmte dan: om de Notre-Dame in Parijs te restaureren zoekt men kalksteen – de kerk werd gebouwd met steen uit de plaatselijke steengroeven, die zijn uitgeput, men zoekt een gelijkaardige steen. In Nederland zijn de veengronden afgegraven. Steeds weer, door de eeuwen heen, heeft de mens, de Westeuropese mens, de natuur (en de ander) als ontginning gezien.

Maar hoe zou dat nieuwe, bewuste, ecologische leven er dan uitzien?

André Gide was niet alleen een groot schrijver, hij was ook beroemd en fotogeniek. Veel foto’s werden van hem genomen in de intimiteit van zijn huis – een plaats die normaal gezien ‘heilig’ is, althans in een humanistische opvatting, en nu door de nieuwe arbeidsmoraal opengesteld wordt voor al te veel opdringerigheid waardoor stukken van de individuele vrijheid afgeknabbeld worden – dat belet niet dat we toch een afstand bemerken, al dan niet een protestantse terughoudendheid, een strengheid van het individu die zich niet zo maar aan de ander geeft. We zien de schrijver als schrijver schrijvend, de foto is van Laure Albin-Guillot. Hij rookt, hij heeft een muts op, een zware kamerjas, een sjaal – Gide was weliswaar kouwelijk en oud, de kou is toch zichtbaar – achter hem een doek dat misschien een tochtscherm is.

Op een andere foto, ook binnenshuis, zien we Gide (maar dat gold niet alleen voor hem, ook een Picasso droeg binnenshuis ‘buitenkledij’) met een hoedje op, een hemd, hoog gesloten, een trui, een sjaal, een vest. Steeds weer: veel en warme kledij. Gide behoorde door zijn afkomst en door zijn eigen werkzaamheid tot ‘de rijken’, rijk in het begin van de 20ste eeuw had een andere betekenis dan nu – men kon arm zijn en toch dienstpersoneel ‘nodig hebben’ – de rijkdom was vooral een mogelijkheid vrij te leven, niet zozeer de luxe (van vandaag). ‘Iedereen’ heeft verwarming, stromend water, elektriciteit, dit alles niet te vergelijken met de huizen van toen – al was er veel, veel was primitief en onvoldoende. In de 18de eeuw klaagden de rijken op de Rapenburg in Leiden over de aanhoudende kou (en over het lawaai), nergens kon men in het eigen huis schuilen en warm krijgen – zoveel rijkdom en zoveel fysiek afzien. (De kachel van René Descartes – en de grap die de geschiedenis met hem uithaalde: te sterven van kou.) André Gide woonde in een groot huis, teken van rijkdom en had alle dagen kou. Dat mensen er op oude foto’s ouder uitzagen dan ze waren, had een reden: fysiek lijden. Een sigaret roken als een neuswarmertje.

Men zegt dat een ‘enorme bewustzijnstransformatie’ nodig is – wat een al te metafysisch woord is – en dus een misleiding: de klimaatverandering betekent een andere vorm van leven – ondanks de isolatie van de huizen (er wordt veel energie gebruikt voor productie, transport, plaatsing en vervanging die verloren gaat, de isolatie van huizen is een dwaalweg) zal men anders moeten leven: is het nieuwe normaal in de winter thuis in zomerkledij lopen? Zich verwarmen is, denkt men, geen luxe maar evidentie. Wat is het verschil tussen comfort en luxe? – woorden die jaar na jaar verder uit elkaar komen te liggen. André Gide moet gelukkig geweest zijn met een warmere kamerjas, een dubbel gebreide sjaal. (Dikketruiendag is een kinderachtig feestje, een schamelheid, zelfs geen bewustwording mogelijk.)  

Consuminderen is misschien wel iets anders dan men denkt te weten in de lifestyleboekjes. Het Latijnse woord consumere duidt het negatieve aan, verbrassen, verkwisten, alles wegnemen, nutteloos gebruiken – en ‘plots’ werd consumptiemaatschappij een vormende instantie, die niet ter discussie staat – iets meer of minder consumeren is niet de kwestie. Gezellig samen aan de barbecue – zo viert men de eigen ondergang, een teken van een hoog beschavingspeil. Een Vlerick-idee als afleidingsmanoeuvre: het concept van een hippe nachtmuts lanceren (de neuswarmer is nooit doorgebroken).

Zoals wij ons verbazen over de tijd van Gide, verbaasde hij zich over die van Rousseau: « Ainsi donc, du temps de Rousseau, la mortalité infantile était, s’il faut l’en croire, pour le moins de 50%. » (22 december 1942) – in werkelijkheid schommelde de mortaliteit rond 27%.