tomas lieske, bibliofiel (4)

door johan_velter

24-08-2018_tomas lieske-drei tonk_1

– Wat? Is dit, wat jij (en nu verschijnt er een smalend masker op dat gezicht) boekcultuur noemt? Een doos, een bak!?
– Moedeloos word ik van dat ongeduld, die onwetendheid, die geborneerdheid. Leve de verscheidenheid, weg met jullie industrieel gehoorzamende hersenen! Weet je wat? Ga zelf weg. Ga elders drammen.

Een houten bak, 34 cm lang, 15 breed. Bovenaan afgesloten met een plexiglazen schuifdeksel, een grijpstaafje maakt het gemakkelijk het te schuiven. Een blauwe doek, luxueus, niet zomaar een stofje. Ook de ommezijde is blauw. Er zijn twee woorden op geborduurd, Drei Tonk. Je haalt het doek weg en daar liggen twee houten rollen, daarop is een band papier gerold. Voorzichtig haal je ze eruit en je rolt het papier af van de ene rol naar de andere. Je begint bij de titel: Drei Tonk : acht oraties bij Wedeblauw van Johan Breuker. Vandaar het blauw. En je leest de auteursnaam. Tomas Lieske.

24-08-2018_tomas lieske-drei tonk_2

Johan Breuker is een Nederlandse kunstenaar die heel veel landschappen getekend en geschilderd heeft, weinig mensen aanwezig, veel stilte en geheimzinnigheid in zijn werk. De landschappen zijn als kamers, er is een vertrouwdheid, de natuur als behuizing en troost, een opgenomen zijn. Ook Anneke Brassinga heeft bij zijn werk gedichten geschreven.

24-08-2018_tomas lieske-drei tonk_5_johan breuker

Het boek, en we mogen nu wel zeker spreken van een boek nu de barbaar verdwenen is, het is meer dan een object, werd uitgegeven door De Althaea Pers uit Den Haag. De oplage bestond uit 30 genummerde exemplaren, niet gesigneerd. Het jaartal is 2014. Door de precaire uitvoering, het draaien aan twee rollen, terwijl men leest, de kwetsbaarheid van het papier en de krachten die elkaar tegenwerken, is dit een opperste vorm van boekcultuur geworden. Het lezen, het leespatroon en de -houding, heeft zich gewijzigd, de ervaring van het lezen wordt hier fysieker dan in een gewoon boek, de langzaamheid dat lezen vraagt, wordt fysiek van de lezer gevraagd waardoor het lezen op een andere manier gebeuren moet, de woorden dringen trager en daardoor dieper door. De rollen verwijzen uiteraard naar de Joodse wereld, aan de Joden hebben we de boek- en leescultuur te danken (de uitvinding is 1 zaak, de cultuur een andere), aan anderen hebben we de bommen te danken. De prenten van Johan Breuker zijn opgenomen, uiteraard zou je zeggen, alhoewel dat ‘uiteraard’ niet meer bestaat, ook daar spelen de rollen hun rol: langzaam wordt het beeld ontvouwd, komen de kleuren en de lijnen tevoorschijn. Er is een zekere handigheid vereist om te lezen en te kijken, ook dat werpt de mens op zichzelf terug. Het lezen kan nu niet gebeuren al brevierend, of hangend in een zetel, tafel en stoel zijn noodzakelijk. Streng leven en een leesleven komen bij elkaar, tonen hoe strengheid sprankelend is en lezen leven.

24-08-2018_tomas lieske-drei tonk_3

Er zijn 8 gedichten. Tomas Lieske noemt ze ‘oraties’, ook deze verzen zijn nog niet regulier gepubliceerd. Een oratie is een toespraak, maar kan ook een gebed zijn. Zo, daar is het eerste gedicht: ‘Gebed van het licht dat in zee stort’, Lieske ‘beschrijft’ ‘Wedeblauw I’ van Johan Breuker, houtskool en pastel op papier, een prent van 2013. Wedeblauw is een ‘oud’ soort blauw, vervangen nu vooral door indigo maar was belangrijk in de textielindustrie. De lange meanderende zinnen van Tomas Lieske spelen hier geen rol meer, het papier is breed genoeg, het gedicht kan dus ruimte krijgen en er zijn geen regelbeperkingen. Ook dit is nu iets wat opvalt: de horizontaliteit staat tegen de verticaliteit van het hedendaagse boek, men leest anders, meer van links naar rechts, dan van boven naar onder. Lieske spreekt in dit gedicht van oude goden, kapitalisme en liefde. Als we het woord ‘van’ uit de titel als een bezitsvorm lezen, dan is het, het licht dat aan het woord is: ‘Ik meende dat ik lichtvader was een afgezant van de zon’, het licht wordt gepersonifieerd, het stelt handelingen. Tegelijkertijd is dit gedicht mythologisch en erotisch, een klassieke vrijheid van het lichaam beschreven, een niet door zonden beladen geschiedenis.

‘Wedeblauw II’ is de tekening van een tuin, gouache, houtskool en pastel, meer dan de eerste prent hier de zon, de lijnen die de planten tekenen zijn ijler, de kleuren domineren en volgen de lijnen niet. Daarbij schreef Tomas Lieske ‘Gebed tot de vossen’, (De vrolijke verrijzenis van Arago, 2016!). hier spreekt de dichter tot de vossen, zijn bewondering voor deze dieren, we zijn ver verwijderd van Reinaert de Vos. We hebben zorgzaamheid van de vossen te leren, hun houding tussen cultuur en natuur kan ons een winstpunt worden. Opvallend is dat er ‘slechts’ een zijdelings verband met de prent van Breuker is, maar daardoor des te krachtiger. Zelfstandigheid is een waarde.

Rekelse roodbruine jagers op de grens van beschaving en natuur
jullie beet is roestig ijzer jullie woning een middeleeuwse roofburcht.

Licht is jullie dansante pas jullie zijn de kleuren in wilde tuinen
waar alles dooreen groeit alles druipt van vermiljoen en smaragd.

Waar het katijft het verbast en verbladert het lupijnt waar alles
twijgt en verpluist waar het onophoudelijk kruit van licht vosgeluk.

Vrouwe vos moederste van alle dieren wees ons een voorbeeld
leer ons geduld en waakzaamheid in magere tijd behagen.

Leer ons de kleinen lief te hebben te zogen te drenken te stutten
bemesten begieten verpakken in vloeibladen bloeiende poëzie.

Leer ons hunkeren naar uw lusthof waar de duistere ingang
bedekt wordt door scrupuleus groen waar de amoureuze

takken met dorens en met eigendunkelijk opstandgegroei
de poederbestoven bollen van meisjesbont omhelzen.

Opvallend is de taalrijkdom die een vrijheid is, het maken van woorden, het gebruik van oude woorden, de lenigheid van het ordeloze Nederlands.

24-08-2018_tomas lieske-drei tonk_4

De derde prent van Johan Breuker is een houtskooltekening, getiteld ‘Wedeblauw III’ maar het blauw wordt niet getoond, er is enkel zwart, de kleuren moeten verbeeld worden, de kleur verbergt zich in het oog. Daarbij staat het gedicht ‘Gebed van een verdwaalde sprookjesprins’ – het verdwaald zijn verwijst naar de tekeningen van Breuker die tuinen tekent alsof het oerwouden zijn. Hier spreekt Lieske van Drei Tonk, de vogel, en de woorden die door de prins als een toverformule gebruikt worden, een herinnering aan de paradijsvogel. Dat de gedichten geschreven zijn bij de prenten van Johan Breuker is wel zeker, maar ook dat ze zelfstandig bestaan is een zekerheid – wat alweer een sterk staaltje van de schrijver is: naar aanleiding van en dan zelf weg wezen. De gedichten zijn ‘abstract’, raadselachtig, verzwijgen veel, de concrete gegevenheden verklaren niet, stapelen op, men verdwaalt. Maar niet zonder hoop.

Advertenties