hugo claus, con amore ?

door johan_velter

hugo claus_con amore_dooreman omslag

Hugo Claus, con amore (Lannoo, 2018) is het boek bij de gelijknamige tentoonstelling in Bozar te Brussel. Het is een raadsel waarom dit er als een kinderboek moet uitzien, de hele miserie van de ‘Claus-studie’, de ‘Claus-melkerij’ is hier zichtbaar, dus toch nog een document.

De omslag toont het portret van Claus in een lijntekening ‘van’ Roger Raveel, bij de fotocredits (sic) wordt gemeld dat dit ‘een vrije interpretatie’ is ‘van het werk Zonder titel van Roger Raveel uit 1993’. De decorateur van dienst, in dit geval Dooreman, weet het beter dan de kunstenaar, eigenaardig is dan wel dat hij te veel spatie gezet heeft tussen de woorden ‘Claus,’ en ‘Con’ (niet toevallig dit woord), terwijl die witruimte geen enkele betekenis heeft, noch inhoudelijk noch beeldmatig: de leegte van de figuur wordt daardoor niet beklemtoond of in evenwicht gebracht, integendeel, de letters zijn er op een slordige manier op de figuur gezet, de omslag is leeg van inspiratie en inhoud. Claus wilde volte. De bladen van het boek zijn te zwaar en te stijf voor dit soort boek.

Er is geen Franse titelpagina, direct op de verso-titelpagina, men moet besparen, begint het voorwoord van ‘Sven Gatz, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Media en Brussel’, een niet-verkozen politicus die toch minister is, de democratie in dit land is een hersenschim. Hij beklemtoont dat ‘Een haast ontelbaar aantal [sic] prijzen, waaronder heel wat van de Vlaamse Gemeenschap, […].’ De haan kraait. Het is onvoorstelbaar dat een minister een voorwoord mag schrijven om een oude anarchist te eren, komt men niet te pas en te onpas aandraven met het adagium « ni dieu, ni maître»? De leegheid wordt beklemtoond door de opgeblazenheid : ‘[…], hij was telkens weer een van de kanshebbers voor de Nobelprijs Literatuur en in 1998 kreeg hij voor De Geruchten effectieve Europese erkenning met de Aristeionprijs.’ In het Nederlands is de romantitel De geruchten (in het hele boek wordt dit stelselmatig door elkaar gehaspeld: het is niet De Sporen, wel De sporen), en wat het woord effectieve hier komt doen, weet enkel de broodschrijver van de minister. (Zo is het ook niet Ijzerkruis, verderop in een gedicht van Claus, maar wel IJzerkruis – een redacteur zijn werk laten doen is te veel gevraagd. Ook de splitsing van woorden is slordig gebeurd.) De minister is dan ook nog zo schaamteloos om de ‘nieuwe literatuurprijs’ te vermelden: de ‘Hugo’s’ is 1 van de grote schanddaden, het bewijs dat er geen literatuurpolitiek is, een illustratie van het ijdel gebruik van andermans naam.

De vormgeving van het boek is ouderwets oubollig ongeïnspireerd. De tekst wordt op een witte achtergrond gezet en de randen krijgen een grijze schutkleur, wat is dit voor rommel. Uiteraard komt er rood aan te pas, men is Dooreman: de naam van de minister staat in het rood. Heeft de kleur een functie? Nee, decoratie, zelfdecoratie. En dan is er een voorwoord van Etienne Davignon, Paul Dujardin en Sophie Lauwers: de macht van het geld. Wat moeten we met een zin als ‘Dat Claus en het Paleis elkaar als gegoten zaten […].’ ? Of pseudo-kennis als : ‘Zo wordt BOZAR drie maanden lang ‘Het huis van de liefde’ met een ‘heidens altaar’ van en voor Hugo Claus.’ Weer wordt het onjuiste beeld van de schrijver bevestigd – gemakkelijkheidsoplossingen. De haan kraait.

De catalogus is een prentjesboek geworden, met een nadruk op het biografische. Stond het volk te popelen om de « titre de séjour » van Claus te zien en te bewonderen? Er zijn prenten opgenomen die beneden elk niveau zijn. Jan De Maesschalck (in de catalogus spreekt men van Jan De Maesschalk) is een karikatuurschilder, van hem is Untitled uit 2005 opgenomen, waarom dit ‘ongetiteld’ moet zijn, is onduidelijk: de schrijver wordt als een bezopen, verlopen figuur afgebeeld, in de rechterbenedenhoek een pseudo-authentieke, pseudo-artistieke verfvlek: de mythe van de slordige kunstenaar. ‘Zeno X Gallery’. Biedt men dit op de rommelmarkt aan: 20 euro en nog kun je afbieden. De haan kraait.

Deze ‘hommage’ heeft als doel om van een schrijver een goedzakkige beer te maken. Het beeld van de ‘liefdesschrijver’ staat daarbij centraal, de ‘Bourgondiër’, de ‘filmstar’, de mens. Dat de schrijver nogal wat schopte, wordt verdoezeld: wie geëerd wordt, wordt in dit land ontmand.

Nee, ook onthoofd: letterlijk: het intellectuele wordt veronachtzaamd, weggestoken.

Marc Didden wil zich niet beschouwen als een vriend van Hugo Claus, hij doet alsof. In zijn voorstelling, zelfverdediging, schrijft hij dat hij vies is van het woord curator maar dat hij toch maar curator geworden is – men heeft hem moeten smeken, ah, de mythe van de bescheidenheid: naar eigen inzicht een beeld van iets of iemand brengen. Het opzet is best sympathiek: iemand eren door hem een context te geven, de vraag is of die context wel eerlijk en correct is. Nu overwoekert de context het onderwerp en spreekt het die tegen. Veel prenten en foto’s zijn al gepubliceerd, de vraag is waarom die nu nog eens opgenomen moeten worden.

Er worden gedichten van Hugo Claus opgenomen, er wordt niet gezegd uit welke bundel of uit welk jaar die stammen. Ook het fotomateriaal wordt in het luchtledige gepresenteerd. Waarom dit hotel op de Zeedijk van Oostende, wat was die reis naar Amerika, … ? De lezer van het werk van Claus weet dit misschien, maar kon er niet wat meer moeite gedaan worden om de zaken toch nog interessant te maken? Nee, want dit is het euvel: wat met Claus te maken heeft is onder het mom van ‘zeezucht’ ‘gemakzucht’. Het gedicht ‘Theater’ (uit Alibi, 1985) wordt niet volledig opgenomen – waarom niet, vindt de curator het begin van het gedicht (6 regels!) te zwak? Of was er niet genoeg plaats op de pagina? Kon er geen kleiner lettertype genomen worden, dit is toch geen gedicht voor ‘beginnende lezertjes’? De haan kraait.

Marc Didden had het goede inzicht om hedendaagse kunstenaars met Claus te verbinden, helaas heeft dit niets te maken met Claus maar wel met het cafébezoek van de curator (het is dan toch zijn eigen tentoonstelling). Zo ontmoette hij Lisa Vlaemminck en nam hij werk van haar op – wat dit werk met literatuur of Claus te maken heeft, moet niet duidelijk gemaakt worden. ‘Je moet dat voelen hé, in je buuk.’ (Of de verkoop van dit werk een sektarische sekte in stand houdt, is dan weer een andere kwestie waarover Claus zijn gal had kunnen uitspuwen – wees maar zeker.) Claus maakte bijna altijd portretten, menselijke figuren wemelden op zijn bladen, dan is het bijna noodzakelijk om menselijke figuratie op te nemen, laten zien hoe de menselijke persoon in hedendaagse beeldende kunst nog kan werken. Men zou een intellectueel probleem kunnen stellen – ware dit niet het Vlaamse vlakke land. Want immers: de beeldende kunst van Claus werd en wordt door de kunstwereld niet ernstig genomen. Hetzelfde geldt voor Simon Verheylesonne: een cafékennis van Didden die in dit boek opgenomen wordt – het verband met Claus hoeft blijkbaar niet uitgelegd te worden.

Bernard Dewulf, de zogenaamde kunstkenner: ‘Laat ik terloops wijzen op de spiegeling die ikzelf, als enige zo te zien, al jaren zie tussen Hugo Claus en Marcel Duchamp. Allebei overtuigde players, […].’ Dewulf heeft blijkbaar geen weet van de tweespalt Picasso-Duchamp die de 20ste eeuw heeft gedomineerd. Hugo Claus is met zijn werk in het ‘kamp’ van Picasso te situeren, niet in het cerebrale van Duchamp. De intelligente en intellectuele figuratie heeft in de laatste decennia van de 20ste eeuw het onderspit moeten delven, maar de strijd is nog niet ten einde. Men vergeet al te gemakkelijk dat Claus jarenlang verguisd is geweest: omwille van zijn ‘kinderlijke’ gedichten, zijn platte prentjes, zijn oubollig theater, zijn lachwekkende films. Een schrijver uit het verleden. Hij heeft het zelf moeten meemaken dat zijn theaterstukken nog enkel door het amateurtheater gespeeld werden en dat hij als een ledenpop werd opgevoerd. Het is pas met De geruchten (1996) dat hij weer in de armen gesloten werd – de Dutroux-affaire heeft hem daarbij geholpen, alweer een verkeerde, niet-literaire reden. Voor de rest gaat het babbelstukje van Dewulf over zichzelf. ‘Claus zou ongetwijfeld weer even schaterlachen om dit alles.’ De haan kraait.

hugo claus_con amore_dooreman

Eenzelfde vervalsing is het werk van Michaël Borremans in verband met Claus te brengen. Borremans heeft pas na de verdwijning van Claus succes gekend. Hier wordt een werk van hem opgenomen, maar alhoewel dit een menselijke figuratie is, heeft dit met Claus niets te maken. Te afgelikt, te proper, te dood, te gemaakt – het maniërisme van Claus was levendig, expressionistisch, ondergronds en stokend tegen de maatschappij. Hetzelfde geldt voor Luc Tuymans, die hier vertegenwoordigd wordt met het schilderij ‘Vlaams dorp’ uit 1995, een beeld van Lissewege. Ik weet wel dat beide schilders (overigens ook zij uit de stal van Zeno X, de anti-galerie van Claus, die immers behoorde tot de stal van ‘De zwarte panter’, dus Bervoets hadden we hier moeten zien, overigens om de kloof Picasso-Duchamp te verhelderen: De Zwarte Panter is jarenlang verguisd geweest door de kunstwereld en -kritiek, maar het is wél déze galerie die Hugo Claus steeds is blijven steunen – dit wordt in dit boek niet duidelijk gemaakt en is dus geschiedvervalsing) door De Bezige Bij gebruikt zijn om covers van Claus’ boeken te sieren, maar dat zegt niets – die uitgeverij speelt alleen maar op safe en verbindt bekend met bekend, publiekstrekkerij, clausmelkerij. Op pagina 143 wordt in de catalogus het werk ‘Weight’ (2005) van Borremans afgedrukt, links daar tegenover een foto van Claus en Elly Overzier in 1949. Claus heeft een raar teken op zijn trui , zeker voor 1949 (is dit een scoutsteken, dan is het niet erg raar). Op de trui van het meisje van Borremans is een Vlaamse Leeuw of een Belgische Leeuw gebreid/geborduurd. Wat is de overeenkomst? De vrouw-het meisje? De gebreide trui? De ideologie? Wat wordt geïnsinueerd? Dit is een typisch voorbeeld van een oppervlakkige boekvormgeving: ha, we hebben iets gezien, terwijl het inhoudelijk nep is, valse kennis voorwendt, een pseudo-diepzinnigheid suggereert.

hugo claus_con amore_ever meulen

Wel mooi en relevant is de prent van Ever Meulen (die dus ook een lezer is), die ‘Keizer Hugo Claus (1984) afbeeldt, een prent die in Vrij Nederland verschenen is. Hier zien we een intelligente mens die een zinvol portret van Claus toont: de keizer, de pen, de drank, de boektitels, het schilderspalet, de klassieken, Leopold II, de prijzen, het katholicisme, de ongelovigheid van de Romeinen, een kleine zelfrelativering met ‘Heer Everz’ en als achtergrond een Ensoriaans beeld, niet van Oostende maar van Gent. Nog een neppagina echter is een manuscriptbladzijde op bladzijde 153, de uitsnijding rechts onderaan is Vlaams amateurisme:

Het schilderij van Luc Tuymans staat tegenover een ets van James Ensor, tja. Het beeld staat ook verkeerd in het oeuvre van Claus. Het ‘diepe Vlaanderen’ dat hij beschrijft is niet het dorp (zoals men maar al te dikwijls poneert, De Oostakkerse gedichten en zelfs de vruchtbaarheidssymboliek hebben niets met het platteland te maken). De wereld van Claus is een (klein)steedse in de traditie van Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde, Marnix Gijsen, Herman Teirlinck en Raymond Brulez. Het platteland en de natuur spelen bij Claus geen rol, er is geen sprake van een heimatliteratuur (ook al kunnen de modellen ervan een onderliggende structuur uitmaken in sommige romans).

Caroline Lamarche heeft een bijzonder goede tekst geschreven n.a.v. Hugo Claus in de Franstalige wereld, geen nieuwe inzichten worden geleverd, wel een visie getoond – men ziet dat het mogelijk is. Maar ook zij brengt via Coetzee Claus’ werk in verband met Bosch – wat onjuist is. Bosch was een pezewever, Claus was een tegendraadse moralist. (Over de bijdrage van Tjitske Jansen zal ik het een andere keer hebben.)

Een hilarisch-beschamende tekst is die van Kurt De Boodt en Paul Dujardin (‘en Paul Dujardin’!?) omdat die alleen maar dient om het eigen beleid als de ultieme waarheid naar voor te schuiven. Het artikeltje staat bol van zogezegd plezante opmerkingen maar dient alleen maar om de voorgangers in de zak te zetten en belachelijk te maken, niet wetende dat het huidige beleid enkel geld en macht uitstraalt en dat de vele verenigingen vroeger een daadwerkelijk inhoudelijk pluralisme te zien gaven, waar het modernisme aan bod kon komen en dat nu verdwenen is. De auteurs schuiven hun achterhaalde centralistische visie naar voren als het toppunt van efficiëntie – maar cultuur heeft daar niets mee te maken. In de kantlijn noteerde ik op de ene bladzijde ‘blabla’ en op de andere ‘de joligheid van het geld’, een kromme zin als ‘en loodsten zo Provo, seksuele bevrijding en cultuurpolitieke consternatie het Paleis voor Schone Kunsten binnen’, is bombast om de leegte te verdoezelen. Paul Snoeck is een onbekende figuur, wel gekend is Paul Snoek. In dit stuk wordt een aantal kunstenaars met het werk van Claus in verband gebracht (Ensor, Rops, Alechinsky enz., maar geen Karel Appel of Corneille) en worden Panamarenko (!), Jan Fabre (!) en Borremans ook vermeld. De ‘opgang’ van deze laatste is echter maar in 2002 begonnen en kan dus niet met Claus in verband gebracht worden. De auteurs schudden maar wat uit hun mouw, wat momenteel goed in de markt ligt noemen ze en hebben geen historische noch kunsthistorische inzichten. Hetzelfde kan gezegd worden over Berlinde De Bruyckere, wiens werk zich begon te positioneren bij het begin van de asielcrisis. Opvallend is dat er geen sprake is van een Dan Van Severen, een Maurice Wyckaert, Michael Bastow of een Philippe Vandenberg, schilders waarmee Claus effectief heeft samengewerkt. De haan kraaide hier tweemaal.

Een efficiënte Clausactie, in zijn geest én met zijn toestemming, zou zijn dat al die establishmentpoppen die zich in culturele instellingen genesteld hebben, verzameld worden in de inkomhal van het Paleis voor Schone Kunsten, wat nu terecht Bozar heet, de bazaar van het geld, en dat ze daar verplicht moeten luisteren naar de volledige tekst van Belladonna terwijl de slachtoffer-kunstliefhebbers, de geciviliseerde mensen hen in de arena bekijken en uitjouwen. Dat ze ten schande gemaakt worden!

Het meest droevigmakende hilarische stuk is achteraan gezet. ‘Een herinnering’ van Suzanne Holtzer, is een herinnering aan zichzelf en hoe de meester eigenlijk en in feite niet zonder haar kon. Er is een door haar gemaakte prent opgenomen, tja. Holtzer is de redacteur van Claus geweest, ze zorgde voor alle fouten in zijn boeken, die ook bloemlezingen samengesteld heeft, een eigen visie daarmee doorgedrukt, verantwoordelijk voor het slordige beeld dat van de schrijver blijft. Om de eer van De Slordige Bezige Bij en haar eigen falen te beklemtonen en te illustreren, neemt ze in een citaat van Hugo Claus een nieuwe drukfout op: ‘pastelkrijg’ bestaat niet, ‘pastelkrijt’ wel. En bovendien, men gelooft me toch niet: p. 242, citeert ze nog verkeerd.
Het begin van het citaat bij Holtzer: ‘Ik verberg zo goed als het kan mijn ontsteltenis, […].’
In Een zachte vernieling, 1988, p. 90 staat ‘Ik verberg zo goed als ik kan mijn ontsteltenis, […].’
In deze enkele regels staat nog een fout. Claus schrijft ‘rue Sainte-Huile’ correct, Holtzer schrijft onjuist ‘Rue Sainte-Huile’. Veel wordt aldus verklaarbaar. Een menigte hanen kraait. (De andere citaten heb ik maar overgeslagen.)

Krijg aan de domheid en de zelfgenoegzaamheid! Krijg aan de slordigheid! Krijg aan de gemakzucht!

(Nu viel me op dat het ‘pastelkrijt’ dat verdwijnt op het blad en juist daardoor als kunstwerk waardevol geworden is, op p. 153 heropgenomen wordt maar dan als metafoor van het leven: ‘Ik ben er niet geweest, verpoederend pastelkrijt, een naamloze, lichaamloze pretendent, een geurtje uit een leeuwekooi.’)

Het boek sluit met een flauw gedicht van Remco Campert, ‘Bij de dood van Hugo Claus’.

Hoe sympathiek sommige dingen ook leken, hoe vruchtbaar het concept van Marc Didden ook had kunnen zijn, de tegenvaller is te groot, alles te gemakzuchtig, te veel valse noten, te overbodig. Hanengekrijs.

Advertenties