de opgeblazen bijen van michel onfray (2)

door johan_velter

bijen_michel onfray 2_la sagesse des abeilles_robert combas

In deel 2 van La sagesse des abeilles : première leçon de Démocrite maakt Michel Onfray het nog bonter. Niet bekijkt hij de bijen als een op zichzelf staand natuurgegeven, wel bekijkt hij de bijen doorheen een ideologische bril: de wereld is en zal zijn zoals Onfray die wil. En dus is de bijenorganisatie niet gelijk aan een monarchie, maar is ze wel een republiek, een toppunt van democratie. Immers, de koningin heeft haar positie niet te danken aan afkomst en bloed maar ze wordt door de andere bijen verkozen en als ze niet meer voldoet wordt ze afgewezen en komt er een nieuwe verkiezing.

Dan zijn er de banale levenswijsheden, die niets vandoen hebben met de bijen maar waarvoor die toch misbruikt worden:

Le miel pour l’onctuosité avec quiconque
Le dard pour la réponse aux ennemis.

Na de republiek, moet het determinisme in de natuur verankerd worden: het lot, het fatum heerst. Onfray loopt zijn basisstellingen af en verandert het onderwerp naar ‘bij’, zo simpel werkt het (niet). Een filosoof of een schrijver wil een probleem oplossen, zoekt en geeft dus voorbeelden die de eigen stellingen ondergraven om uiteindelijk toch de eigen stelling te bewijzen. Het sterk maken van argumenten. Onfray doet dit niet: hij debiteert, hij leest zijn missaal. Door zaken te poneren, zijn ze nog niet waar voor de lezer, die heeft meer dan losse woorden nodig.

Le bipède se croit libre/
Et ne l’est pas,
L’abeille se croit libre
Et ne l’est pas,
Le plus libre des deux n’est pas qui l’on croit…

In poëzie is de herhaling een efficiënt middel, ook in de retoriek is dit zo. Maar filosofisch is dit een zwakte. Omdat het filosofische denken vooruit moet gaan, zich niet kan beperken tot een moment, een reflectie: een probleem moet in zijn geheel beschreven worden én er moet een opening naar een oplossing komen, hoe zwak of gedeeltelijk die ook moge zijn. Door deze werkwijze, een filosoof is zijn eigen wachter, wordt hij behoed voor de irrationele verleiding, de afleiding naar de gemakkelijkheid. Onfray valt door zijn ‘poëzie’ in het ravijn van de antidemocratie, de anti-rede, het anti-menselijke, hij geeft geen argumenten, omdat hij zichzelf als een wijze poneert, moet het volk zijn wijsheden als honingkoek slikken:

L’abeille est sagesse,
Mais ne le sait pas:
Ce qui est sagesse supérieure.

Onfray komt in de problemen door zijn beide geloofspunten samen te brengen: hij brengt echter geen oplossing. Enerzijds zegt hij dat het fatum heerst, anderzijds ziet hij het bijenvolk als een vrije republiek. De bijen ‘willen’ immers een koningin, de koningin ‘wil’ haar volk. Het is het niveau van de wil dat Onfray poneert maar niet verklaart.

Het derde deel handelt over de honing. Het eerste deel daarvan is « Le miel des initiés » getiteld, mijn tenen krommen zich. Honing is in elk aards paradijs aanwezig, net zoals helder water dat is en bomen vol vruchten dat zijn. Maar dan gaat Onfray weer de profeet spelen:

Le miel nourrit ceux qui doivent savoir,
Ceux qui sauront.

door een natuurelement te verbinden met een menselijke conditie – de denktrant is verkeerd, dus ook het resultaat. Onfray denkt te poëtiseren maar metafyseert slechts. Hij antropologiseert de bij, de korf, de honing – dit brengt ons niet verder, laat ons de natuur ook niet op een andere manier bekijken: de visie is vals. Het wordt nog erger wanneer hij de bij verbindt met het « surhumain », meer zuur dan zoet. Cliché zoveel: wijsheid is simpel, we moeten het mysterie van de initiatie bewaren. (Dit is een rousseauiaans anti-intellectualisme, een verdedigen van de niet-cultuur, een terugkeer naar een natuurtoestand, weg van de civilisatie). Dat dit antirepublikeins en anti-humanistisch is, anti-filosofisch en een anti-kunst is, hoeft hier niet betoogd te worden. Het boek eindigt zoals het begonnen is, met de dood. Er is een kleine verwijzing naar de bijensterfte (« Quatre ans sans abeilles / Et la mort régnerait sur toute la planète. »), maar dat is niet ‘de les van Demokritos’, want Onfray gebruikt dit in zijn antimenselijk betoog: het zijn ‘de mensen ‘ die de bijen doden (terwijl er meer mensen zijn die de bijen niet doden) – zoals alle rechtse denkers verwart hij het concrete met het abstracte: niet dé mens is schuldig, een economisch systeem heeft gevolgen.

Onfray zingt een Pan-liedje en gaat dan terug naar de les van Demokritos, die zegt wat Onfray wil dat hij zegt, hoe schoon de les ook is:

Ralentir doucement la vie
Raccourcir petit à petit l’énergie
Calmer l’élan vital
Ne plus le nourrir.

Helaas eindigt het relaas met « Alors Rien sera devenu Tout », een mysticisme dat hier misplaatst is, want niet uit de gelopen gedachte gekomen. Even misplaatst zijn de illustraties van Robert Combas, de Franse Pjeroo Roobjee. Zijn werk staat haaks op de tekst van Onfray, heeft weinig te maken met denken of met bijen, is druk (wat een ontkenning van de les is), simpel (wat een ontkenning van het Griekse denken is), al te duister (wat een ontkenning van de honingheldere moraal is), al te stripachtig-verward (een bevestiging van wat hier betoogd wordt).

De waarheid is dat de bij, en bij uitbreiding de natuur, de mens niets te leren heeft – zoals de arend ook niets van de mug te leren heeft. De mens moet zijn natuur zijn.

Advertenties