de natuur gebiedt

door johan_velter

de pisser_lebensztejn_sfcdt

Walther Vanbeselaere heeft als conservator van het KMSKA groot werk van Constant Permeke aangekocht, maar ook een tekenblad gevuld met volksfiguren, 1919 gedateerd en nu te zien in het MDD.

constant permeke_de pisser_vissersvolk 1_1919

Constant Permeke, Vissersvolk, 1919

Een merkwaardige tekening door de op- en neergaande beweging, figuren die bijna karikaturaal Jules De Bruycker-achtig zijn weergegeven, een meesterschap tonend door met een simpele lijnvoering volume en ambiance te bewerkstelligen.

constant permeke_de pisser_vissersvolk 2_1919_detail
Constant Permeke, Vissersvolk, 1919 (detail)

In de linkerbenedenhoek zien we een mannetje kakken, daarnaast een pissend meisje op de schoot van een vrouw; die kijkt argwanend of het water toch niet op haar kleed terechtkomt. Permeke tekende het ruwe volk dat dicht bij de eigen natuur staat, een bonte stoet van mensen die op elkaar leven, waar de privacy-gedachte, toch een civilisatiegraad, geen rol speelt – of althans materieel niet mogelijk is.

In het eerste deel van de Vlimmen-trilogie, Doctor Vlimmen, vertelt Anton Roothaert hoe deftige kinderen met stilzwijgende toestemming van hun deftige ouders op straat komen om een liedje te zingen over het vermeende vaderschap van de veedokter. Vlimmen wordt een kind in de schoenen geschoven, hij zou zogezegd zijn eigen meid zwanger gemaakt hebben. De jeugd komt, opgehitst door de brave burgers die hun ouders zijn, in de straat zingen:
‘En de-n hond van dokter Vlimmen
Die pieste in het zand
En het zand begon te stuiven
En de meisjes riepen brand
A-di-é-é-é, a-di-o.
De voorlaatste regel vervingen de kinderen door ‘En de meid die riep toen brand’.’ Het piesen en het zwanger maken worden gelijkgeschakeld, eenzelfde instrument. Danaë werd door Zeus bevrucht, hij zond zijn gouden regen.

de pisser_danaë, 1527_jan gossaert mabuse
Jan Gossaert (Jan Mabuse), Danaë, 1527

In het gedicht ‘Theater’ (‘Alibi’, 1985), 6de strofe: ‘Fortinbras staat nog – hij komt pas later op – / tegen het Belfort te pissen.’ In het stuk van Shakespeare is Fortinbras het tegendeel van Hamlet, de moedige, de waardige. Claus laat de held in het openbaar pissen. De theaterrol is een masker, daaronder schuilt een mens van vlees, bloed en vocht. Er is ook een je m’en foutisme: de acteur heeft nog veel tijd, hij moet pas in het tweede deel optreden, niet de zenuwachtigheid kent hij van de antiheld Hamlet. Toch moet hij pissen, misschien ook wel uit onzekerheid.

Op de prent ‘Suzanna en de ouderen’ van Agostino Carracci, de 16de-eeuwse kunstenaar die o.a. de bekende prenten bij de sonnetten van Pietro Aretino maakte, is te zien hoe 1 van de geilaards zich terugtrekt en het gebaar van de pisser/onanist maakt, hij kijkt naar Suzanna, niet naar zijn eigen deel.

figures pissantes_agostino carracci_suzanna en de grijsaards_onanie
Agostino Carracci, Suzanna en de ouderen

Jean-Claude Lebensztejn schreef een overzichtswerk over de pissende mens in de kunst, ‘Figures pissantes 1280-2014’ (Editions Macula, 2016). Een overvloed aan afbeeldingen, veel die ik niet kende, een geluk erbij: er zijn nog afbeeldingen die Lebensztejn niet kent: ‘banden 42’.

De professor vertrekt van het Brusselse ‘manneken pis’, gaat in het verleden zoeken en haalt heel wat beelden uit de hedendaagse wereld tevoorschijn. Hij doet een eerste poging om een classificatie op te stellen. Het is een vreugde te beseffen dat er ook in de universitaire wereld mensen zijn die zich met ‘randverschijnselen’ bezighouden, originele geesten dus, en niet de platgebaande deleuzewegen opagaan. Het boek is stevig vormgegeven, het lettertype Tiina Pro is een boldachtige die duidelijk leesbaar is, de foto’s werden door de vormgever Schaffter Sahli buiten de tekst geplaatst, de voetnoten staan onderaan de tekstbladzijden, wat een genot, en er is veel witruimte overgehouden, de benedenmarge is ruimer dan bovenaan waardoor het boek een luxe-uitstraling krijgt, door het zwaardere papier nog verder benadrukt. Men kan betreuren dat de foto’s iets te klein zijn afgedrukt, de kwaliteit ervan en het aantal maakt dit goed. Er moesten keuzes gemaakt worden.

Een mogelijke categorisering kan er als volgt uitzien. Er is het kinderspel, het onschuldige wateren, het plassen van een kind, dat zelf nog altijd meer natuur dan cultuur is, het vermaak voor de volwassene, zijn afgunst of heimwee naar een natuurlijke staat.
Het onschuldige wordt echter problematisch wanneer we beseffen dat het kleine, mollige jongetje ook Amor kan zijn, dat het om een liefdesspel gaat.
Er is een verschil tussen het pissen zelf en het gebaar, soms staat dit voor masturbatie en wordt het gelinkt aan voyeurisme. Er is afgunst maar ook spijt, het pissen vervangt het wenen.
Pissende mensen afbeelden is een tegendraads loflied op het ‘gewone leven’, het gaat wel verder, ook zonder ons. Verhevigd wordt dit wanneer Bacchus wordt afgebeeld en impliciet een mirakel herhaald wordt: water wordt wijn.
Omgekeerd: het lage leven wordt afgebeeld om dat van de geest te prijzen.
Er is het exhibitionisme dat vooral hedendaags in een homoseksuele context getoond wordt, zo bijvoorbeeld ‘Drie matrozen’ van Charles Demuth, een doorzichtige (sic) truc om het mannelijk geslachtsdeel in zijn volle glorie te tonen.
Het verleggen van grenzen, de pisseks van Andres Serrano, gemengd met een tikkeltje dominantie.
De uitdaging van het pissen kan eenzelfde betekenis krijgen als het spugen en wordt verwoord als ‘ik heb schijt aan jullie wereld’. Dat is het ambivalente: enerzijds de glorie van het leven (water als bron), anderzijds de verachting van het ‘vuile water’ (urine als afval). Dit kan nog ambivalenter gemaakt worden: niet alleen werd urine gezien als ‘graadmeter’ van iemands gezondheid, urine was en is ook de grondstof voor geneeskrachtige middelen (zoals de geur ook in parfum verwerkt kan worden) en beer uiteraard niet alleen land vruchtbaar kan maken maar ook rijkdom kan betekenen. De stankputten van Berlare zijn daarvan nog overblijfselen. Wratten? Ochtendpis is de beste remedie.
Misschien is er ook een metaforische vorm van nederigheid aanwezig. De jongenskwestie: als god overal is, dan ook in onze kak en pis?

In het verhaal van Lebensztejn is de ‘Hypnorotomachia Poliphili’ van Francesco Colonna een belangrijk werk, het brengt nadrukkelijk een Romeinse geest in de katholieke wereld. We weten niet wie de prenten gemaakt heeft. Bellini? Mantegna? Ze getuigen van een meesterhand, een zelfbewuste lijnvoering van de hand, geleid door de rationele geest. Er is het beeld van een mechanisch jongetje: als men op een trede stapt, gaat hét deel automatisch naar omhoog. Lebensztejn neemt een prent op waarin getoond wordt hoe het jongensdeel daar een mechaniek begint te pissen, in de Nederlandse vertaling (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2006, vertaling door Ike Cialona) is die niet opgenomen.

de pisser_francesco colonna_de droom van poliphilus_01

In een Bacchusscène zien we een putto op een wijnkruik staan en naast de pot pissen. (p. 175)

de pisser_francesco colonna_de droom van poliphilus_02

Er is een tegenreeks te maken: de spuitende borsten – een andere keer.

banden_pissers 3_fabrice hyber_fontaine
Fabrice Hyber, Fontaine (een hybride combinatie)

De verborgen pisser die op veel Bruegelschilderijen te zien is, maar ook bij James Ensor in een ets van 1889 (rechterbenedenhoek). De vreugde het leven te voelen.
banden_de pisser 3_james ensor_ets 1889

Advertenties