museaal vlaams : walther vanbeselaere

door johan_velter

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

In Zaal Z, het informatieblad van het KMSK in Antwerpen, stond een negatief artikel over de vroegere museumconservator Walther Vanbeselaere en dit n.a.v. de positiebepalende tentoonstelling in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle. Hem wordt verweten: zijn nationalistische kunstopvattingen, zijn voorkeur voor de figuratie en zijn volksontwikkelingsgedachte. Vanbeselaere was van oordeel dat ‘het Vlaamse volk’ zijn diepste uitdrukking gevonden heeft in het expressionisme, daaruit afgeleid dat het abstracte ‘de Vlaamse volksaard’ vreemd is, dat zijn ‘generatiedenken’ achterhaald is en dat het volk, nu ja.
Een essentialistische opvatting is natuurlijk ook in de kunst een achterhaalde. Dat het Vlaamse expressionisme beïnvloed geweest is door het buitenland is slechts zeer langzaam doorgedrongen, een conservator had beter moeten weten. Dat Vanbeselaere de Vlaamse abstracten niet zeer hoog schatte, is hem in zekere zin te vergeven: het buitenland was veel eerder al tot het abstracte gekomen en het is niet zo dat Servranckx of Peeters nieuwe hoogtepunten in de internationale kunstwereld vormden, hoe kwaliteitsvol enz. Men is verwonderd dat Vanbeselaere toch een werk van Ben Nicholson voor het museum aangekocht heeft. De verwondering dat dit werk aangekocht werd, is misplaatst want Nicholson was geen Vlaming en het schilderij, ‘Halfrond ovaal’ uit 1950, is een schitterend plastisch werk: wat een intelligentie, bedachtzaamheid, strakke lijnvoering en zacht weemoedig coloriet. Walther Vanbeselaere heeft bewezen dat hij een scherp oog had. (Het oordeel van vandaag zal morgen gecorrigeerd worden.) Denken in elkaar opvolgende generaties kunstenaars is niet de meest verhelderende denkconstructie maar noch in de tentoonstelling noch in de catalogus wordt een tegenzet getoond.
In Deurle toont het museum stukken die Vanbeselaere gekocht heeft, in samenhang met de eigen collectie. Het is merkwaardig hoe een privé-instelling via tentoonstellingen wil nadenken over een collectiebeleid terwijl de verantwoordelijken van publieke instellingen liever bloemenmeisje of hondenmeester spelen, net alsof het intellectuele leven uit de publieke sector verbannen moet worden. U mag raden hoe dat komt.
Dat het expressionisme typisch Vlaams zou zijn, is uiteraard een misvatting. Jef Verheyen was niet minder kunstenaar of ‘Vlaming’ dan Permeke. Moet elke muzikale Vlaming een Peter Benoit zijn, is elke schrijvende Vlaming een volgeling van Felix Timmermans? Het museum geeft helaas geen antwoord op het probleem zelf: waarom wordt tot vandaag (zie de tentoonstelling ‘Oer’) het expressionisme als de essentie voorgesteld; welke ideologie (die zoals elke ideologie tot doel heeft de mens te herleiden tot een instrument) heeft belang bij dit beeld en waarom worden deze beelden, die toch geenszins realistische beelden zijn, als de ware spiegel voorgesteld? In het MDD heeft men een historische tentoonstelling georganiseerd zonder dat er een verband met het heden gelegd wordt – wat jammer is, ook een falen.

Helaas heeft men ook gemeend een ‘confrontatie’ (o pardon, men noemt dit een ‘dialoog’) met hedendaagse kunst te moeten brengen. Kunstenaars hebben de museummuren beschilderd en hun eigen werk aldus gedegradeerd tot decoratie (Jacqy duVal en Bart Lodewijks), Oleg Matrokhin krabbelde droedels op de muren, infecteerde daarmee de schilderijen en betekent helemaal niets. Daarmee toont het museum ongewild het gelijk van Walther Vanbeselaere aan: laten we ernstig zijn. En weer hetzelfde euvel: er zijn ook hier intelligente kunstenaars van wie het werk verdonkeremaand moet worden en dit ten faveure van een gemakzuchtig anti-intellectualisme.

Er zijn ronduit verbluffende werken te zien. Jean Brusselmans, James Ensor, een buste door Rik Wouters, Hippolyte Daeye (jammer dat zijn ‘Baadster’ niet naast het werk van Nicholson hangt: de artistieke verwantschap zou zo duidelijk gemaakt kunnen worden), Frits Van den Berghe, Constant Permeke. Inderdaad, de grote namen. Jan Stobbaerts en George Grard zijn dan weer de minder gelukkige keuzes. Van James Ensor kocht Vanbeselaere meer dan 600 tekeningen – ook dat zou wel eens ter discussie gesteld mogen worden: hoe museumcollecties die een gesloten beleid voeren kunst begraven en niet levendig maken/houden. En in het geval van Ensor een internationale bekendheid belemmerden.

Er is een catalogus voorzien, gul als men is, is dit in de toegangsprijs inbegrepen. Een opvallend klein boekje, een goede vormgeving van Chloé D’hauwe en Rik Vannevel, alleen jammer dat er onleesbare cursieve letters gebruikt werden en de cursief gaat ook in tégen de visie van Walther Vanbeselaere: hier is mooi aangetoond dat een lettertype een ideologische functie heeft. Men mag immers niet denken dat het Vlaamse expressionisme een ‘conservatieve’ stijl was, integendeel: hier zien we het modernisme aan het werk, dit is een stap naar het constructivisme (als een formalisme begrepen) en het is ook maar de vraag in hoeverre de schilders zelf het landelijke (om dat expressionisme ook eens clichématig te omschrijven) als het ideaal zagen: het landelijke was veeleer het zondagse, de kermis, het gezapige. Daarnaast was er wel degelijk ook het weekdaagse aanwezig en zoals schilders betaamt ging men op zoek naar ‘de essentie’ van het bestaan – de figuratie was daarbij bijkomstig: de vormen waren en zijn nog steeds stedelijk. Immers, niet het realisme was belangrijk: de visie wel. Waar Picasso, Braque en Derain Afrika, waar Matisse Oceanië, als een ander beeld zagen, zo zagen de Vlaamse expressionisten het primitieve bij de boeren. Het landelijke werd echter door anderen tot een ideologie gemaakt, de kunstenaars zagen er een herbronning in tégen het industriële, het mechanische en de kleinburgerlijke hypocrisie. Of hoe de schilders geaccapareerd werden door de reactie.

De sociologische would-be benadering, wordt niet doorgetrokken in de catalogus. De teksten over de kunstenaars zijn nietszeggend, clichématig, zichzelf herhalend en de goegemeente bevestigend. Wat is de betekenis van zinnen als ‘Meerdere marines en stillevens van zijn hand zijn bewaard gebleven. […] Zijn aandacht gaat steeds meer uit naar lichtexperiment en surrealistische groteske motieven, wat zich ook vertaalt in zijn oeuvre.’ (over James Ensor), of ‘Wonende in Jabbeke aan de Belgische kust was ook het vissersleven en de zee prominent aanwezig in zijn oeuvre.’ (over Permeke, waar niet alleen een vulgair determinisme speelt maar ook een verwarring in de levenschronologie van de schilder). Inspiratieloos maakwerk, het laatste schoolopstel voor de grote vakantie. Bij bijna elk lemma wordt een foto van de kunstenaar afgedrukt, over de fotografen geen woord. In de catalogus is de breuk tussen opzet en uitwerking pijnlijk te zien. Het opzet is sociologisch, de kunstenaarsportretten zijn oppervlakkig én over de afzonderlijke werken wordt niets gezegd. Had men Walther Vanbeselaere ernstig genomen dan zou men moeite gedaan hebben om een verantwoording van zijn keuzes te reconstrueren én om daarvan een waardebepaling te geven. Hoe schitterend een werk ook kan zijn, daarom is het nog geen museumstuk – en een ‘minder goed’ werk kan een noodzakelijk museumstuk zijn.

De catalogus bevat enkele essays. Het is mij een raadsel waarom Edgard Tytgat en Léon Spilliaert een apart essay ‘verdienen’ en wat daarmee beoogd wordt. Vooral omdat ook hier het geval Tytgat weer zeer omzichtig en leutig behandeld wordt, terwijl niet ingegaan wordt op wat er te zien is – maar dan moet die ‘zondagse’ bril wel afgezet en het morele kleinburgerlijke kader opzijgeschoven worden. Ook wordt niet duidelijk gemaakt wat de relatie precies was tussen de museumconservator en het verzamelende echtpaar Dhondt-Dhaenens (Vanbeselaere zei in een toespraak dat Dhondt een bijzonder harde zakenman was – hoe is dit te verenigen met de Vlaamse volksaard?): het gaat toch niet enkel om namen maar ook om de individuele werken zelf. Het echtpaar heeft verrassend goede werken (bijvoorbeeld ‘De droom (De schepping)’ van Frits Van den Berghe, naast (bijna) prutswerk gekocht: is het ene door Vanbeselaere ingefluisterd en het andere niet? In de catalogus wordt over de getoonde kunstenaars beweerd : ‘wegens het gebrek aan een efficiënte cultuurpolitiek worden deze kunstenaars vandaag vaak miskend bij het ‘grote publiek’ en genieten ze slechts van sporadische internationale interesse.’ Wat het tweede deel van de zin betreft, zie boven. Op wat het eerste deel gebaseerd is, is mij een raadsel. De tentoonstelling waait alle kanten op, het discours is wazig en voor het grootste deel gebaseerd op achterhaalde opvattingen en getuigt dus van die goede Vlaamse deugd: Denken, mijnhere? Denken dat is iets voor in Frankriek. Ier werken wiender en we zwiegen, wiender voelen mèr in oeze buuk, de patatten staon schone hé, ’t is de paster die peinst en ziet, ie ét gèn vrouwe.

Beeld: 1. Oleg Matrokhin dialogeert met Permeke ; 2. Jean Brusselmans, ‘Stilleven’, 1936 ; 3. Jacqy Duval, voor uw interieurinrichting ; 4. Hippolyte Daeye, ‘Baadster’, 1928 ; 5-11. James Ensor, ‘Daken te Oostende’, 1884 ; 12. Frits Van den Berghe, ‘Afstanden’, 1935

Advertenties