het gestolde: ‘de sculptura’ van philip van isacker

door johan_velter

philip van isacker_amélie bakker

De titel is een verwijzing naar, een eerbetoon aan, tevens een zich meten met de traditie. Met zijn boek De sculptura : beschouwingen over beeldhouwkunst verwijst Philip Van Isacker naar het standaardwerk van de grote theoreticus Leon Battista Alberti, De pittura, een werk uit 1435, geschreven voor de leek. (Maar ook de titel herneemt van Pomponio Gaurico, 1504.) Zoals Battista een leerboek voor het schilderen schreef (zowel een handboek als een introductie), zo schreef Van Isacker een studieboek voor de hedendaagse amateur en kunstenaar waarin hij de beeldhouwkunst niet zozeer verdedigt maar wel uitlegt. Als theoreticus en als kunstenaar houdt hij zich aan het driemanschap translatio, imitatio en aemulatio : het nadoen, het opnieuw scheppen, het overtreffen van de meester. Hij doet dit met dit boek, hij doet dit met zijn eigen oeuvre. De ambitie van Van Isacker is groot en terecht, de lezer, die ook toeschouwer is en daarmee denker wordt, wordt intellectueel deelgenoot gemaakt: inzicht en vreugde.

Het boek heeft een opvallende lay-out gekregen, die is van Amélie Bakker, het is uitgegeven (2016) door de Grafische cel van Sint-Lukas, die zich nu Luca School of Arts noemt. De tekst is gezet uit een kloeke letter, een bold, de bladspiegel is daardoor gevuld zonder overladen te zijn. De foto’s zijn zwart-wit afgedrukt en geven toch alle nodige informatie. Enerzijds is het boek door de lay-out een echt kunstboek, verzorgd, opvallend, esthetisch aantrekkelijk, uitzonderlijk; anderzijds is het boek aangenaam lezend, informatief, traag en daardoor ernstig. De bijschriften bij de foto’s zijn op een apart blad gezet, ook deze in een groot font, de fotobladzijden behouden aldus hun eigen esthetiek. De paginanummers zijn bovenaan afgedrukt en niet in het midden van het blad gezet, alleen dit al is een intelligentieproef; in de bovenmarge worden de hoofdstuktitels herhaald. Door de vormgeving is dit een boek dat je met plezier weer uit de kast haalt en op een instructieve manier je geheugen aan het werk zet. (Het is jammer dat de redactie dan zo slordig is gebeurd.) Van een hedendaags boek over kunst verwacht je dat de prenten direct bij de tekst staan, wat technisch mogelijk geworden is, is algauw evident. Dat gebeurt hier echter niet én het is geenszins storend, integendeel de normaliteit zelve. Dit komt omdat er een consequente keuze gemaakt is en vanaf het begin volgehouden wordt: enerzijds de statige tekst die op zichzelf staat, anderzijds het beeldmateriaal dat een eigen verhaal vertelt maar waartussen toch wisselwerkingen mogelijk zijn. Consequentie vanaf het begin, jawel. Ook tot het einde? Nee, want op de laatste tekstbladzijde is er een beeld afgedrukt, midden in de tekst, als ware het een beeldvoetnoot, als wilde de vormgever duidelijk maken wat ze eerder gedaan heeft en het nu daarom anders doet. Wat een intelligente vormgeving mogelijk is! Want op dezelfde bladzijde wordt zowel een gedicht als een beeld van Michelangelo getoond. De voetnoot is een orgelpunt geworden.

Hoe in de hedendaagse beeldhouwkunst de menselijke figuur nog vormgeven, is de kernvraag van het werk van Philip Van Isacker (net zoals in de schilderkunst, hoe nog een lijn te tekenen de kernvraag is). Hij bekijkt daartoe de geschiedenis – hoe is het zover gekomen – en de hedendaagse praktijk. Hij is bijzonder gul tegenover zijn voorgangers en zijn tijdgenoten. Wie het werk van Jan De Cock op een intelligente en onbevooroordeelde manier kan analyseren, heeft bij mij uiteraard een winstpunt gemaakt. Enerzijds is dit boek een geschiedenis van de beeldhouwkunst, anderzijds ook een introductie tot het werk van Philip Van Isacker zelf. Het is een merkwaardige kwaliteit om op een persoonlijke manier een objectiviteit te tonen. De werkwijze is ‘bevrijdend’: hij kijkt naar het werk zelf en niet zozeer naar de stijlgroep, -periode, of godbetert de afkomst of het land. Hij laat op een intelligente manier zien welk probleem de kunstenaar wilde oplossen en hoe hij dit aanpakte. Er is dus veel techniciteit maar niet op een hermetisch-technische wijze: hij toont welke begrippen we nodig hebben om de beeldhouwkunst te begrijpen en hij toont aan hoe de ene kunstenaar op de andere reageert, of beter hoe de oplossing van het ene probleem de beginpositie van een ander kunstwerk is en hoe dit verder geproblematiseerd en ontwikkeld wordt. De kunst als een intellectuele houding, en dit i.t.t. tot de leugen van de ‘ervaring’ die door de zogenaamde cultuurbemiddelaars tot norm verheven is, een filosofisch begrip dat door laffe dommeriken gestolen is om eigen siersel te kunnen worden.

Philip Van Isacker keert ook op een andere manier naar het werk zelf terug door de woorden (geschriften) van de kunstenaars te lezen en ernstig te nemen. Hij legt zo de interne structuur (als gevolg van een noodzaak) van een werk bloot, toont ons de logica van de oplossing. Hij maakt daarbij uiteraard geen onderscheid tussen figuratief en niet-figuratief, integendeel, hij toont ons ook de abstracte momenten in bijvoorbeeld de barokke beelden van Bernini en maakt aldus duidelijk dat het abstracte géén breuk is met de geschiedenis. Hij beschrijft de individuele werken alsof ze elk op zich de volledige kunstgeschiedenis omvatten, beginnen en eindigen. Elk werk krijgt een afzonderlijk aura en is tegelijkertijd een nederig moment, want opgenomen in de universele geschiedenis van de menselijke geest. Men zou dit zelfs een terugkeer van de hegeliaanse geest kunnen noemen, maar dan wel zonder de teleologie erbij te nemen: in elk kunstwerk opnieuw ontstaat, wordt en eindigt de mens.

Dat De sculptura een verdediging is van de beeldhouwkunst komt tot uiting in haast terloopse zijbemerkingen (en is daardoor des te effectiever). Zo bijvoorbeeld, n.a.v. ‘One and three chairs’ van Joseph Kosuth: ‘[…] de mogelijkheden van de beeldhouwkunst om via een geconcentreerd beeld tot interpreterend denken aan te zetten. Het toont aan dat de beeldhouwkunst de kunst van het resumeren is, het naar de essentie graven tot men niet meer verder kan en men op de kern stuit. De taal is met haar discursieve eigenschappen het communicatiefste medium, de muziek gaat verder dan de taal op het emotionele vlak, de beeldhouwkunst op het fundamentele vlak.’ Het parti pris van Philip Van Isacker wordt hier aangeraakt: van de schilderkunst is geen sprake.

Maar het werk is ook een algemene verdediging van de cultuur: ‘zie hoe groot de mogelijkheden zijn, zie de verscheiden wegen, zie de menigvuldige probleemstellingen, zie de vluchtwegen’ – en dit alles tegen het moordend handelen van de zogenaamde cultuurdragers.

Beeldhouwkunst wordt terecht breed genomen, alhoewel het tragisch is dat het beeldhouwen zelf naar de marge van de kunstbeoefening gedreven is en meer verwantschap met de kitsch toont dan met een waarachtig streven naar inzicht.

Het gecondenseerde, het resumé van de werkelijkheid, dat is waar het in de beeldhouwkunst om draait, een gestold moment – en daarbij is de graad van materialisatie onbelangrijk: niet steen, brons of goud is noodzakelijk maar de kracht van de visie, de intelligentie van het oog. Zo spreekt Philip Van Isacker: ‘een geresumeerd beeld van hun werkelijkheid’, ‘een gebalde en niet-discursieve visie op de werkelijkheid’, ‘haar rol vervullen van het resumeren van een visie, zelfs al gebeurt dat niet in een gecomprimeerd ding’, ‘waar de taal dit met haar discursieve mogelijkheden om de werkelijkheid te analyseren nooit op dezelfde compacte manier zou kunnen’, ‘de idee als een synthese van esthetische perfectie’, ‘het legt nog een andere eigenschap van de beeldhouwkunst bloot die het gevolg is van het onpersoonlijke en kernachtige, namelijk de mogelijkheid tot openheid’, ‘het beeld als tijdloos, immobiel object’.

En om terug te keren naar de problematiek van de menselijke figuur: ‘Omdat het lichaam met meer dan alleen zuiver lichamelijkheid te maken heeft, maar met het menselijke in het algemeen.’ Op basis van dit inzicht wordt de conceptuele kunst (met alle verdiensten) een hopeloze poging genoemd : het menselijke gaat samen met materialiteit. En zoals Van Isacker ook impliciet meegeeft, met het gemaakte beeld.

Advertenties