aankondiging 22. ‘het relaas : een roman een document’

door johan_velter

het relaas_22

22.
La causa a l’effetto inclina e cede,
onde dall’arte èvinta la natura.

23.
Inmiddels op de redactie van De Scheldebode. Een journalist krijgt de opdracht uit te zoeken wat het sartseutisme inhoudt, wetende dat maffia nooit een alleenstaand geval is, maar medeplichtigen nodig heeft.
De journalist is verdwaald in het schone Vlaanderland, de wiegende weiden als zeeën zo deinend, de grazige koeien zo vetgemest genoegzaam, de varkens florerend in de varkensmoraal. Hij heeft een filière ontdekt, het moest geheim blijven maar in dit land is niets geheim, alles mag open en bloot gebeuren, geen valstrikken, geen smeerlapperij maar schoonheid, schoonheid en Vlaams.
Hij komt terecht aan het sterfbed van een oud moederke, en hij vertelt haar in bedekte woorden wat haar zoon allemaal uitgestoken heeft, oh, hij is maar een meeloper, een uitvoerder, probeert hij te vergoelijken. Zelf doet hij niets, te dom is hij om enigszins creatief te zijn, een meeloper, een conformist, een burgermannetje, een probeersel, een mislukt creatuur. De lafheid van de commerçant.

‘Oh Here God, heb ik dat gebaard? Zo’n beest? Dat monster?’, roept ze vertwijfeld uit. ‘O wee, de dag dat ik benaderd ben, vervloekt de dag dat hij geboren werd! Verdoemd zal hij zijn tot in het derde geslacht! Vergaan moet hij in zijn eigen drek! O nee, heren, red hem, red hem van de dood.’ En onmachtig wenend, valt haar rechterhand op het gebloemde laken, die hand die hem zovele malen getroost en gestreeld heeft, die hand die nu zo gerimpeld machteloos neerhangt, die gezwoegd heeft, emmers water uit de put getrokken heeft, dagenlang geschuurd heeft, wekenlang gestreken met een heet ijzer dat op de kachel stond op te warmen, ja ook in de zomer. In haar linkeroog bengelt een dikke traan. De journalist, een vreemde voor haar, neemt haar hand en streelt, met zijn schone zakdoek droogt hij haar ogen.
‘Maor meniere, toch en ik kenne joe nie, en gie ziet gie zo goed voar mien, in contrarie tot dien anderen, die allene moa mien geld wil. Ge denkt toch niet dat ik in de helle ga komen omdat ik dat smeerlapke, die hypocriet, die verderveling gekweekt heb? Oh, had ik hem maar niet zo verwend, had ik de kolenschop maar kapot geslagen op zijn rug. Och Here God, Moeder Gods, Saint-Antoine, help mij, help mij, uit de nood, of de jager schiet mij dood.’
De journalist, we noemen hem Bartje Bleut, sust en gluurt naar haar lege borsten, heimweet naar urine: ‘Natuurlijk niet, mevrouwtje, een moeder kan toch niet verantwoordelijk zijn voor haar zoon’.
‘Dat heb ik hem ook geleerd’, zegt het oude vrouwtje, haar neus optrekkend, ‘neem nooit verantwoordelijkheid op maar loop met de glorie weg. Laat anderen het werk doen en steek de pluimen in uw ga, op uw hoofd. De mensen weten toch niet wie wat gedaan heeft. Op het gepaste moment moet je een stap naar voren zetten en iedereen zal je zien, mijn schone, grote zoon.’
Op dat moment, verduistert de kamer, de journalist, och, we noemen hem Seule, krijgt rillingen over de rug, hij trekt schielijk zijn hand terug en hij voelt een koude door de lucht snijden. Is daar een kat, of is dat een Turkse tortel, vraagt hij zich vol angst af.

Het is de donder.

Zeus heeft zijn bliksem op aarde gestort, hij laat de trommels rommelen, de lichtflitsen gaan aan en uit, hij jubelt, hij voelt zich op een dansvloer, hij roept Hera, samen staan ze in Kreta te heupwiegen, Hera overdrijft weer, Zeus roept en zijn adem is tot in het Westvlaamse dorp te voelen, ijzig koud geworden vanover de bergen want afgekoeld door het vieze Vlaamse water, de lucht die zuur is van het vele fijne stof, hij verzamelt als in een windzak alle Vlaamse vuiligheden, niet alleen van de lucht maar ook van de mensen zelf, de zak weegt door en valt bijna op de aarde neer, zo zwaar heeft de adem van Zeus het nog nooit gehad. Vlaamse middenstanders! De Italiaanse maffialeden zijn misdienaars daarbij vergeleken. Vlaanderen is het learning centre van de 21ste eeuw! Hera roept hem, maar Zeus is plots Jupiter geworden. Boven hem zweeft zijn adelaar, hij fluit en als een arend van de 21ste eeuw vliegt hij uit, onderwijl verzamelt hij vogels, bijt hun koppen af en spuugt die tot op het sterfbed van het oud vrouwtje, dat schooit om wat water, een verfrissing na al dat vuur van de bliksem. Hier, het bloed, ziehier mijn lichaam. Het geschenk der goden, de echte. Geen metaforen meer! Geen symbolen! Het crapuul kent alleen maar de eigen uitwerpselen. Hier, roept Jupiter. Daar, bevestigt Hera. Voor alle vondelingen van Ameland, voor alle Kasper Hausers die door jullie soort verdoemd zijn. Daar, jubelt Hera, en ment haar vurig paard, dat draait op zijn achterpoten en als Banco schiet het weg. Daar zoekt Hera de verdorven zoon op. Ze strooit zand in zijn ogen, zijn hersenen te vol reeds van het afwaswater, en door de kristallen, zeshoekig, ziet hij wat gebeurt met zijn moederke – en zo ziet hij zijn eigen toekomst. Ik kom eraan, roept hij. Hera lacht hem uit, in de put, in de put, roept ze. Een engelenschaar komt uit de hemel gedaald, hemelse muziek vervult haar oren, trompetten schallen van vreugde, een handharmonium een tuin van klanken, de zoetgevooisde stemmen van de engelen veranderen in een gruwelijk geschreeuw, de muziek wordt pannengeklets: dat nooit, dat nooit, hier, roepen ze, ze zwaaien met hun handen en wenen, niet bij ons, niet bij hen, zelfs de duivels zullen dat addergebroed niet verdragen. Geen hel, geen vagevuur, geen hemel, geen Styx, geen voor- of nageborchte, geen maagden, geen wit van het niets. Het bruin van de beerput!

Daar ontvangt ze het bloed, het bloed van laffe vogels die gaan vliegen zijn en geen verantwoordelijkheid opgenomen hebben. Daar wordt in haar gezicht de ingewanden, die reeds stinken en verdorven zijn, van ontelbare vogels, runderen, kamelen en olifantenstronten gegooid. Hera roept: Heks, heks die een duivelskind op de wereld gezet heeft. Boeten moet ze, Zeus, boete! Boete! Het is Bernadetje niet. Dat ventje zal zijn moeder gebruiken om zijn smeerlapperijen uit te halen; hij zal medelijden opwekken met een zoon, hijzelve, die zijn moederke verloren heeft, och gottekes toch, zodat men hem niet openlijk zal bekritiseren. Hij zal zeggen dat hij het o zo lastig heeft. De huichelaar. Zeus, roept ze, Zeus, sla haar maar ook hem, sla hem in zijn gebroed, laat slangen uit hun kelen ontsnappen, laat de stank van drek uit hun darmen opstijgen, laat hun ogen zwemmen in de pis.

Zeus werpt zich weer in de strijd, aangemoedigd door de vurige woorden van Hera die eindelijk eens haar man in de teugels heeft en hij die eindelijk de bevelen van Hera kan opvolgen, Eros is verdwenen en Hera werkt op dit moment al haar jaloezieën uit, te meer daar er in de sterfkamer van het oud vrouwke, geen jaloezieën noch gordijnen te bespeuren zijn.

Hera somt alles op wat die zoon gedaan heeft en met haar zienersblik ziet ze ook wat hij nog zal doen, de vloek van het oud moederke, verdubbelt ze nu, nee, zo hebben ze de mensen niet willen maken, het zijn de duivels die het op aarde hebben overgenomen.

Op dat moment roept Zeus de kobolden uit de onderwereld, de duivels uit de hel (weer werd er door het goddelijke establishment een compromis in een achterkamer gesloten), de djinns worden opgetrommeld, de oni verzameld, de trollen verleid, de saters achter de hand gehouden, de demonen als een kudde schapen bij elkaar gedreven. In een triomftocht, een ware ensoriaanse fanfare trekt men op door Vlaamse steden alwaar de mensen niet verwonderd zijn maar naar hun binnenzak grijpen en denken dat hun ziel op de dool geraakt is. Ze juichen die zo vreemde en toch zo nabije stoet toe en moedigen hem aan: ja, roepen ze, haal die heks en verdoem die heksenzoon. De heks van Maldegem verzet zich, een heks is geen heks, roept ze en ze slaat haar benen uit elkaar, ze wipt naar boven en toont haar fluosportschoenen, haar puntmuts valt op de grond. Djinn Ahmed raapt hem op en zet hem op zijn eigen hoofd. Oecumene, krijst hij, kukeleku.

De stoet marcheert verder, ik ken ze de heren van fatsoen, ik zal ze nooit vergeten, ik ken ze de hoeren van het geld, ik zal ze nooit vergeven, en als een golf gaan de kreten, de uitroepen van de kop naar de staart, de vreugde is groot, eindelijk had men werk, eindelijk werd de slechtheid bevochten, eindelijk zou het kwaad het kwaad met kwaad vergelden, de heks moest dood opdat haar zoon vervloekt zou kunnen worden. Daar dragen ze een pispot, daar een kakpot, ginder een boschiaanse kakstoel, ginder een wc-borstel waarmee zijn anus zal doorboord worden.

Vlaanderen viert feest!

Daar komen de kinderen aangedanst, de meisjes in een wit kleed, de jongens in een zwarte broek en een bloedrood hemd, ze hebben linten bij zich, we zullen de smeerlappen ophangen, we zullen de moordenaars doden, de vijanden van het volk, de verdelgers van het verstand, hoe gruwelijk was dat om te horen, die wrede, maar terechte zinnen!, uit de mond van onschuldige kinderen waarvan sommige met armen of benen in het gips ronddrentelden, gevallen waren ze van trappen, speeltuigen en afgetuigd door het Vlaamse kwaad, betaald met Vlaams zweet.

Daar treedt Mars naar voren.

Kom mee, de maan, kom mee planten, sterren en zie hoe het kwaad verdelgd wordt, hoe de bokken de woestijn in gedreven worden. O jubel, goede zielen, jubel en zie de zwarte rook omhoog krinkelen, de dag des wraaks is aangebroken!

24.
(Ondertussen: de uitgeverij)
Femke, Liesje en Joke zitten te wachten. Ze zijn lid van de communicatie-afdeling. Ze praten, ze kwebbelen, ze wiebelen. Communiceren en collaboreren, duidelijk is het niet. Wie bedriegen? Gerda komt binnen op haar rode pumps. Haar billen kortgerokt, haar boezem rimpelend bloot. De vriendelijkheid van het serpent. Meisjes willen Gerda worden.
Gerda opent de vergadering. Jullie hebben huiswerk gekregen. En gemaakt, juichen de meisjes gezamenlijk. Laat horen, Liesje, jij begint. Wel euh, ik dacht, misschien kunnen we auteurslezingen organiseren, zo wat interactief, we kunnen een scherm en zo plaatsen en filmpjes draaien en dan zegt de auteur iets en dan gaan wij rond met wijn en koekjes en… Goed Liesje, zeer innovatief. En jij, Femke? Ho, ik heb megagedacht en gebrainstormd en bedisseld. Het boek dat uitkomt heeft een rare titel, Het relaas, is het nu een roman of een document. Ah ja, dat is niet duidelijk. Er staat relaas, er staat document, er staat roman. Maar zo kunnen we vragen of de lezers wel interesse hebben naar een relaas en samengevoegd met de titel van de uitgeverij komen we tot iets nieuws dat 1 en 1 niet drie maar vier is, ja, dat is raar, ik weet het ook dat we het anders geleerd zijn maar we zijn toch creatief genoeg om daar een evenement van te maken en dan kunnen we dat beleven en hangen we dat wagonnetje aan een locomotief. Mooi Femke, misschien kunnen we ook clowns vragen, nee, twee clowns, wat denk je? Joke, bij de les blijven hé, ik weet dat je liefdesverdriet hebt maar je hebt je status zelf verandert dus na gedane zaak komt er geen keer. Heb je tussen je tranen een parel gevonden? (Joke hijgend) Wel, euh, euh, ik heb wat in de boeken zitten kijken en ook in het verleden ben ik gedoken en ik dacht misschien kunnen we badges maken en folders en ook banners en dat hangen we dan op over de straten en als er per straat 50 mensen passeren dan zijn dat 50 potentiële kopers van dat boek hé! Dat is echt wel veel. Ik heb zo eens gekeken in welke straten we dat allemaal zouden kunnen hangen, en ik reken niet op een doodlopende straat hé en ik ben moeten stoppen met tellen, want veel dat dat zijn en veel! Maar de return is grandioos groot en mensen gaan er veel over spreken en we gaan verkopen, veel verkopen, het zal zijn gelijk, ja gelijk, gelijk, ik kan er gelijk niet opkomen. Meisjes, zegt Gerda, ik zie dat jullie de problemen met dat boek begrijpen. Dat is goed, maar we zijn op de verkeerde weg beland. Dat boek is iets anders dan normaal. Het is ook de vraag of die auteur wel toonbaar is, ik heb daar rare verhalen over gehoord, ik begrijp hem misschien maar ja, wij zijn van een andere branche en wij moeten het anders doen. De meisjes knikken heftig, de knoopjes van de blouses worden losgeknoopt, de voetjes in de laarzen geschoven, dan wat wiebelen en klaar voor de strijd. Liesje vraagt: Maar Gerda, is dat allemaal waar wat daar staat? Gerda: Het ziet er naar uit, ik heb zelfs horen zeggen dat hij niet alles weet, dat het nog veel erger is. Liesje: Maar dan is het wel megaerg hé. En omdat hij dat weet hebben ze hem willen vermoorden? Femke: Brrr, het lijkt wel een maffiafilm uit Italië te zijn. Dat is spannend! Misschien moeten we vragen dat de schrijver zijn baard laat groeien, maar hij moet hem wel wassen hé! Kunnen we misschien een parfummerk als sponsor zoeken? Meisjes! Luister, als we nu eens een aantal thema’s, motieven, lijnen uit dat boek zouden halen en daar creatief mee zouden omspringen, je kent dat hé. Creative city, creative busy, creative licky. Ah, zegt Femke, weet je wat mij intrigeert, het sartseutisme. Ik heb zo iemand gekend, echt een beest, misschien is het wel dezelfde, tijdens elke vergadering moest hij wegsluipen om met zijn hoofd in de piscines van de mannen te gaan hangen. (De anderen gezamenlijk EEEEh.) En dan kwam hij weer binnen met een rood hoofd en een geurtje, hij was echt verslaafd hé. En weet je wat hij kreeg voor zijn verjaardag? Twee flessen pis! (De anderen gezamenlijk HaHaHa.) Wel ja, laten we dat eens uitwerken, we gaan een strategie opbouwen, een parcours uittekenen, we leggen doelen en middelen vast, we zijn serieus en toch weer niet. Targets! roepen de meisjes gezamenlijk uit en gooien de armen in de lucht. Het okselhaar van Liesje is wel echt bruin en authentiek. Ja, lekker sartseuten, spelen met het niets en toch doen alsof we serieus zijn. Da’s gelijk het epibreren. Meisjes, we zullen planmatig werken. We zullen woorden zoeken, een beetje Engels, maar niet te Engels want we moeten het nog zelf begrijpen hé. Best een combinatie van Engels en Nederlands. Dan zullen we onszelf op de markt zetten. Door ons op te blazen. YesIS, roepen de meisjes verheugd uit, plots klinkt er geklik vanonder de tafel: de knieën worden tegen elkaar geslagen. En weet je wat, we zullen een speciale actie ondernemen. Het sartseutisme wil zeggen dat er niets is en dat men toch probeert zich interessant te maken, grootspraak, bluf. Piqueurisme, roept Liesje. Een valse paus, roept Femke. De smeerlap, mompelt Joke (ze denkt aan haar beertje dat nu op een jonger meisje zit te scharrelen). We gaan een actie lanceren, de kopers van de eerste 100 boeken zullen een geschenk krijgen. Ik stel voor een ballon. Met een belofte van eeuwigheid, zegt Liesje. Met gouden stippen, zegt Femke (Gerda denkt, juist, het goud van de pis die hij adoreert, de valsaard). En een strik errond, mompelt Joke (ze denkt aan haar eigen nekband). En we zullen ervoor zorgen dat elke ballon al doorgeprikt is: de sartseuterie kan zelfs de eigen lucht niet behouden! Maar, waarschuwt Liesje, dat zal veel werk geven. Met een grote return, juicht Femke. En ik zal het weer mogen doen, weet Joke. Joke, jij zult de ballonnen kopen, opblazen, doorprikken en met een strik versieren, schuift Gerda door. Joke knikt, gij zegt het. Maar welnee, zegt Gerda die een sartseutmoment krijgt, dat is het juist, we hebben het boek niet in de finesse begrepen. We zullen zeggen dat de eerste 100 kopers een geschenk zullen krijgen maar niemand zal een geschenk krijgen. Dat is het ware sartseutisme, het doet niets zelf en laat een ander werken, dat is de sartseutige manier, er is niemendal, nikske resultaat. Boven Liesje verschijnt een lamp. Maar we kunnen natuurlijk wel op Facebook een foto plaatsen van een winnares, ik bijvoorbeeld, die wél een geschenk krijgt. Ik zou graag een schone collier hebben voor de trouw van mijn ex-schoonzuster met haar nieuw lief. Boven Femke verschijnt een grotere lamp: En op Twitter en dan tweet ik naar Trump en Beyoncé en Lotje Vanmaele en zij zullen dat retweeten en dan zullen er veel, veel boeken verkocht worden. We gaan niet genoeg papier en letters hebben! Joke besluit: En ik zal weer het licht mogen uitdoen, zeker? Joke, schenk ons eens een kopje koffie in, besluit Gerda triomfantelijk. De sartseuterie gesartseut.

25.
‘Sol per sfogare il core’
– afgrijselijk en licht, helder en luister, kelder en zolder.

26.
Te zeggen:
‘Geklaard, getrokken, geschreven.’
‘Zedelijk verdorven, zoals alle Kopfmenschen.’
‘Een deprimerend tijdsdocument.’
‘We hadden Serry de opdracht moeten geven.’
‘Volgens mij is dit literatuur.’
‘De ‘Inleiding tot de sartseuterie’ is in haar horreur een sterk staaltje waarheid maar geen humor.’
‘Duister, onontwarbaar geraaskal.’

27.
De waarheid? Ondergronds.
Tegen het huichelen en de kwaadaardigheid: de volkse grollen.
Tegen het charcuterieboek van de leugen: de feiten.
De moraal? De laatste zin.

28.
Ni dieu, ni maître
Ni maçon, ni curé
Ni spic, ni span
Een samizdatuitgave.

29.
Een document met personages zonder naam, en toch herkenbaar.
Een roman zonder fantasie, en toch de feiten.

Advertenties