literatuur, toch: anton roothaert en georges simenon

door johan_velter

roothaert_dautzenberg

Het werk van meester Anton Roothaert blijft voor controverse zorgen. Sommigen vragen zich af waarom die ‘meester’ altijd bij de auteursnaam moet staan. Roothaert was advocaat maar door zijn scheiding en zijn nieuwe relatie kon hij zijn praktijk niet in stand houden of uitbouwen. Het is een typerend geval van broodroof: het katholieke Brabant verhinderde hem te leven. Roothaert vluchtte naar Antwerpen en van daaruit schreef hij zijn boeken.
De kleine stad Tilburg stond model voor het gefictionaliseerde Dombergen, in Tilburg werd Roothaert geboren. In 2009 werd in Tilburg gevierd dat het provinciestadje 200 jaar stadsrechten had (niemand vroeg zich blijkbaar af wat die stadsrechten nog aan betekenis hebben). De schrijver A.H.J. Dautzenberg stelde voor om Roothaert te eren, er zijn immers niet zoveel Tilburgse schrijvers. Direct kwam er reactie, nee, dat kan niet. WANT: Roothaert is geen literatuur en bovendien heeft hij zijn boeken niet in Tilburg geschreven maar in Antwerpen en dus, gezien de bodemideologie, kan er geen sprake zijn van een Tilburgse schrijver. Ah en wee, de resultaten van het nationalistisch-citistisch kromdenken: het is de grond mijnheer, de grond die bepaalt of iemand van ons is of niet, bij ons hoort of een vijand is.
Dautzenberg schreef daarover een pamflet, Hoe de grote schrijver Mr. A. Roothaert uit Tilburg werd verbannen door Ed Schilders en andere lafaards (Tilt, 2013), uitgegeven door het onvolprezen Knust uit Nijmegen. Natuurlijk zijn er persoonlijke aanvallen, zoals uit de titel blijkt is voor Ed Schilders de rol van slechterik weggelegd, hij wordt verweten het katholicisme te steunen door Roothaert aan te vallen. Schilders is een raar figuur, iemand die de joligheid van het rijke Roomse leven tot onderwerp van artikels maakt en daarmee het geloof niet ridiculiseert maar interessant wil maken, het Bomans-effect. Hij schrijft over alles en nog wat, maar juist iets te oppervlakkig om te beklijven. De katholieke goedzakkigheid, inderdaad. Dat hij bovendien nog een eng figuur als Peerke Donders bejubelt, doet voor Dautzenberg de deur dicht.

In het pamflet wordt de carrière van Roothaert overlopen, worden zijn boeken kort samengevat, het geheel is een levensschets, een pleidooi om geëngageerd te lezen. ‘Eenmaal verhuisd [uit Tilburg] en ‘vrij’, zet hij [Roothaert] zich als auteur fel af tegen conformisme, beknottende moraal en vooral tegen de in zijn ogen onzinnige katholieke normen en waarden. Eigenlijk tegen alles waar Tilburg in zijn ogen voor staat. Je kunt zijn oeuvre lezen als een exorcisme, een uitdrijving van de geestelijke verminking die hij de eerste dertig jaar van zijn leven ervoer. In die zin gaat zijn hele oeuvre over Tilburg.’ (o.c., p. 24).

Dautzenberg heeft wat Roothaert betreft, volledig gelijk. Wat de Tilburgse zeden en veten betreft, ach, laat die maar zijn wat ze zijn. Als buitenstaander kun je je alleen maar afvragen (en dit op een niet-neutrale manier) waarom men niet elke gelegenheid aangrijpt om een schrijver te eren die hoe dan ook een belangrijke rol in de emancipatie gespeeld heeft en daarvoor de Verlichtingswaarden heeft gebruikt. Zelfs als die veronderstelde niet-literaire waarde van dat oeuvre minder zou zijn, dan nog zou men moeten inzien dat het werk van Roothaert leesbaar, zinvol en vandaag misschien nog meer dan 2 decennia geleden relevant is. Laat dit door islamisten lezen en misschien zal men begrijpen waarom de autochtonen zo wantrouwig tegen Kerk en zwartrokken staan.

Toch behoort het werk van Anton Roothaert ontegensprekelijk tot de literatuur (1 van de Tilburgse verdedigers van Ed Schilders wilde de irrelevantie van de Vlimmen-trilogie bewijzen door het grote aantal tweedehandsexemplaren op het internet – net alsof dat een argument is). Hij schrijft zijn oeuvre binnen een literatuurkader, met verwijzingen naar andere schrijvers en schrijfmethodes, hij gebruikt literaire middelen, hij schrijft rond een spilthema en lardeert dit met subthema’s, hij kan spanning creëren en geeft informatie door. Hij is een verteller die iets te zeggen heeft. Hij is bewust een volksschrijver, zoals Multatuli dat wilde zijn: het volk moet niet beziggehouden worden, het volk moet zich verheffen. Ik heb eerder de namen van Gerard Walschap en A. den Doolaard (hebt u overigens ooit de Adriaan van Dis-aflevering met deze laatste gezien? (ook op Youtube te zien) – wat een cultuur, wat een beschaving en wat een taal!) laten vallen. Maar de meest nabije schrijver is ongetwijfeld Georges Simenon. Ook iemand die niet tot de literatuur gerekend mocht worden. En Roothaert een aantal boeken van Simenon vertaald.

roothaert_vlimmentrilogie

De drie Vlimmen-boeken die als een reeks zijn uitgegeven door Bruna (1970-1971) hebben hetzelfde omslagbeeld, een iconische Dick Bruna. De prent is eenvoudig, een lineaire tekening met egale bruine tinten ingekleurd. Is dit een veeartsentas of een huisdokterstas? Of als het toch het eerste is, dan eerder een tas voor een huisdierenarts dan voor een dokter die koeien, paarden en varkens te verzorgen heeft. Het beeld is niettemin duidelijk en voor de inhoud van de boeken typerend, een voorbeeld van hoe uitgevers zorg hadden voor het boek en zijn inhoud en niet de gemakkelijkheidsoplossing van vandaag gebruikten door lukraak een onnozele foto van Getty Images op te rapen.

roothaert_simenon

In 1963 verscheen van Georges Simenon Marie qui louche. In datzelfde jaar verscheen al de vertaling van Mr. A. Roothaert bij Bruna (Zwarte beertjes 620) als Schele Marie. Het omslagbeeld toont een vrouwenhoedje, een strik als hoedband, een gehavende pluim als sierstuk. Weer bijzonder eenvoudig, een duidelijke omtreklijn, nauwelijks kleur, de details zeer sterk uitgewerkt en als symbool bijzonder doeltreffend. We zien voor ons een vrouwtje dat op een benepen manier leeft en zich conformeert aan de omgeving, zich toonbaar vertoont. Het detail komt rechtstreeks uit het boek: ‘Zij droeg een klein hoedje, ook donker. […] Misschien was het hoedje met de veer, dat zij af en toe zag bewegen tussen de schouders van de soldaten, dat van Marie?’ (p. 112-113).

Schele Marie is een top-Simenon, geen Maigret, maar toch weer een genadeloze schets van deerniswekkende mensen. Omdat de aanleiding van dit lezen ‘het beest’ was, kan ik het niet nalaten om ook hier een citaat over het dier in te voegen. De eerste baas van de beide jonge vrouwen, Sylvie en Marie, die in zijn hotel werken, wordt zo gekarakteriseerd – weer zien we de manager voor ons, en we herinneren ons ook het citaat van Roothaert over de ploert: ‘Hij was laf en wreed; dat hadden zij beiden ontdekt, toen hij een zwervende hond, die in de vuilnisvaten woelde, zo met een stok had geslagen, dat de ruggegraat brak en het dier moest afgemaakt worden. Vol trots had hij de meisjes toen nog een triomfantelijk knipoogje gegeven.’ (p. 11). Deze passage is niet toevallig, want dezelfde baas zal even later een geestelijk gehandicapte inbreker in een bezemhok opsluiten waar deze zich uit wanhoop aan zijn bretellen zal ophangen.

Sylvie en Marie zijn twee arme meisjes die hun geboortedorp verlaten om rijk te worden. Sylvie is de rücksichtslose, die haar normen verlegd heeft, zich zal prostitueren maar zich later als minnares zal settelen in een jarenlange relatie met een rijke erfgenaam, niet als minnares zullen ze leven maar als man en vrouw. Marie, schele Marie, is eerder het dutske dat altijd in een onderdanige, nederige betrekking dient, zij is het sloofje, zij doet het werk, haar bazen zijn tevreden en zij lijkt niet meer te willen.

Simenon is de meester van de onderhuidse spanningen, verlangens. Hij doorziet en wat hij ziet is de hel. De manier waarop hij de lezer bij zijn nekvel grijpt, is ongeëvenaard – hoe komt het toch dat we bij bijzonder getalenteerde schrijvers naar clichés moeten grijpen, o onmacht, o onvatbare schoonheid. Stap voor stap drijft hij de spanning op en op het einde is er nog een onverwachte ‘ontknoping’ waarmee hij zelfs Les bonnes van Jean Genet overtreft. Simenon, geen literatuur?

Sylvie is hard en koud, ze stelt zich maar 1 doel en dat is geld. Het geld is echter niet positief maar negatief: het is de niet-armoede. Heel haar leven richt zich naar dat ene doel: onafhankelijk rijk te zijn. Sylvie lijkt haar eigen leven in de hand te hebben, meesterlijk te leiden. Marie is de vrouw die ‘de mindere’ van Sylvie is. Ze blijft, i.t.t. Sylvie, contact houden met haar moeder, ze blijft hangen in nederige dienstbetrekkingen en het doel van haar leven is er niet, het is overleven, leven op de baren van het lot. Bij Simenon is het uitzonderlijk dat er een groot tijdsverloop is, normaal gezien wordt alles gecondenseerd in een beperkte tijdsruimte en in een beperkte plaats. Hier omspant het verhaal meer dan 20 jaar. Het eerste deel verhaalt oe beide meisjes in Parijs verzeild geraken, hoe ze naast en bij elkaar leven, elk een eigen uitweg gaan, hoe Marie ondanks alles voor Sylvie zorgt. Het tweede deel is 23 jaar later. Sylvie ziet toevallig Marie. Daarna gaan er nog enkele jaren voorbij, waarover niets verteld wordt, om dan uiteindelijk de twee vrouwen weer te verenigen. De oude minnaar ligt op sterven, hij had Sylvie in zijn testament opgenomen (geld en huis) en nu vreest zij (terecht) dat de familie alles op alles zal zetten om hem het testament te herroepen.

Ze zoekt Marie op die haar moet helpen. Marie helpt haar daadwerkelijk om het testament te redden. Beide vrouwen zijn weer in elkaar verstrengeld geraakt, leven in hetzelfde huis. Maar niet Sylvie geldt als de overwinnaar, wel Marie. Sylvie vergaat in een alcoholische vegetatie – haar doel is voorbijgestreefd – en ze weet nauwelijks nog te leven. Marie vindt nu haar bestemming, ze is nu wat ze altijd wilde zijn: de dienstmaagd van Sylvie, zij die het haar van de meesteres verzorgt, zij die zorgt, zij, de onderdanige, die heerst.

Simenon vertelt dit verhaal van gruwel en ambitie op een onderkoelde manier. Hij registreert, oordeelt niet. Hij treft de hardheid van het volk, de gevoelloosheid, de anti-humanistische zelfvernedering, de verborgen, materialistische verlangens, de onkunde iets te realiseren dat voorbij het voor de hand liggende is. Simenon gaat niet de sentimentele toer op, hij laat Sylvie rijk zijn. Het verderf dat hij belangrijk vindt is een ander verderf. Dat van de ziel. Het verraad aan zichzelf.

Het zijn de kleine zinnen die het meesterschap van Simenon tonen. Hij legt niet uit, hij verklaart, hij constateert. Er zijn de kleine details die een sfeer weergeven, een donder aankondigen.

‘Hij was al begonnen de waarheid te versieren en moest nu wel verder gaan.’
‘Hij was nu weer helemaal op zijn best, weer in staat een zwervende hond de ruggegraat te breken.’
‘Zij sprak zonder haar lippen te bewegen, zoals vrouwen, die veel naar de kerk lopen, dat kunnen.’

Een van de bijzondere stijlkenmerken van Simenon is de tegenstelling: man-vrouw, volwassene kind, autochtoon-toerist: over de zandbanken die na het seizoen bloot komen te liggen: ‘[…] waarvan de badgasten het bestaan niet hadden vermoed en waar nu de vrouwen van de streek oesters verzamelden.’ In een realistisch beeld herinnert Simenon er ons aan dat we de wereld niet kennen, dat we in kartonnen decors leven, dat er achter het zichtbare een andere wereld is.

Lees hoe Simenon Marie, het dorpsmeisje, in Parijs, de grote stad tekent: ‘Zonder het zelf goed te weten had zij zich aangewend op een steelse manier langs de trappen te sluipen, alsof zij zich schaamde voor alle geluiden, die zij hoorde, voor al die deuren, waarachter onbekenden woonden.’ Schaamte, als de doem van de kleinburger.
Langzaam laat Simenon de balans tussen beide vrouwen kantelen, het is Marie die gevoelloos wordt/is, Sylvie bijna hysterisch van angst en spijt om een verloren leven: ‘Aan Marie was geen goed- of afkeuring te bespeuren.’

Sylvie: ‘Zij vond het niet nodig nog eens te bedanken. Zij wist, dat het tussen hen beiden niet ging om goedheid en dankbaarheid.’ En nog, in een prachtige passage hoe Simenon onverenigbaarheden niet bij elkaar wil brengen, de kloof van onwetendheid en onbegrip in stand houdt en zelfs in dat besef een kloof kan aanbrengen: ‘Zij was zo koud als een snoek, placht haar moeder destijds te zeggen, en Sylvie had nooit begrepen, waarom ze sprak van een snoek, terwijl ze toch altijd aan de kust hadden gewoond.’

De laatste zinnen van het boek. Twee vrouwen die wonen in een gigantisch huis, geld in overvloed en daar hokken in één kamer, in hetzelfde bed slapen, elkaar bewaken:
‘Eens had Sylvie op haar beurt gevraagd:
“En jij, walg jij er niet van?”
Marie had het niet doelmatig gevonden antwoord te geven. Hun wereld had zich beperkt tot het herenhuis aan de Avenue Foch en van die enorme woning bleef er dan nog maar één kamer over, waar een vrouw dronk, daarbij de blikken van de andere ontweek, en waar zij ’s avonds in bed elkaars ademhaling bewaakten, alsof zij bang waren elkaar kwijt te raken.’ Alsof.

Advertenties