een gentse connectie in ‘doctor vlimmen’ van anton roothaert

door johan_velter

roothaert_marcel vandeplassche

Naast Antwerpen en Brussel, is er bij Meester Anton Roothaert in het derde deel van de trilogie over Doctor Vlimmen, Vlimmens tweede jeugd, ook nog een Gentse connectie. Het katholieke Nederlandse Brabant moet wel zeer erg geweest zijn als Roothaert het Vlaamse katholicisme menselijk vond. Maar niet alleen de Vlaamse levenswijze is superieur, ook de wetenschappelijke kennis is dat. Vlimmen heeft een Westvlaamse veearts leren kennen, deze heeft een praktijk in Poppelare, (een verbastering van Poperinge?), en die kent een zekere Lode Vanypere uit Roeskapelle ‘niet ver van de Franse grens’ (p. 367), (Ramskapelle?), de Westhoek. Vanuit Nederland rijden Vlimmen en zijn nieuwe vrouw, via Gent. De reis is een echte studiereis want Vlimmen wil leren hoe een keizersnede wordt uitgevoerd, in Nederland is deze ‘techniek’ volledig onbekend. ‘Decorte [de Vlaamse veearts] sprak van een Gentse professor, die daar in een kliniek een keizersnede heeft gedaan, met volledig succes.’ (Bruna, 1971, p. 342).

De Gentse universiteit kent een veeartsenijschool, er is dus een grond van mogelijke waarheid aanwezig.

Hoofdstuk XXVIII begint met een voetnoot: ‘In dit hoofdstuk is wat geschipperd met de chronologie. De dagelijkse toepassing van keizersnede in de Westvlaamse practijk ontstond eerst enkele jaren later.’ Zo ver gaat de verering dat de tijd zelfs ten gunste gekeerd mag worden.

Er is bewondering voor het ‘fameuze Ras van West-Vlaanderen’ (koeien), de weiden zijn zware grond, het land rijk, Vlimmen citeert ‘Vlaanderen, o welig huis’, zonder Karel Van de Woestijne te noemen, alles is beter dan het schrale Brabantse leven. Verder zal Roothaert nog een volledig gedicht van Karel Jonckheere opnemen, een geestesgenoot, een medestander tegen de terreur van de Kerk.

Die veearts heeft zijn kennis niet volledig in de praktijk opgedaan. ‘Ja, het is een hele revolutie in de verloskunde en die hebben we hier in België te danken aan onze Professor Van der Plassche in Gent. Hij heeft er ook een boekje over gepubliceerd.’, zegt Vanypere. ‘Ja, dat heb ik’, zegt Vlimmen, ‘ik kon het alleen in het Engels krijgen.’ (p. 373).

Verder wordt beschreven hoe tijdens de keizersnede die Vanypere aan Vlimmen en vrouw demonstreert, het omentum niet doorgesneden wordt: ‘Nee [zegt Vanypere], dat deden ze wel in het begin, in Duitsland, in Oostenrijk. Dit is een vondst van Professor Van der Plassche, een prachtige vereenvoudiging. Het omentum wordt heel gewoon over de baarmoeder weggeschoven.’ (p. 383). Terloops wordt op een duidelijke manier aangegeven hoe wetenschap werkt: internationaal en met kleine, betekenisvolle stappen.

Die professor Van der Plassche is geen verzinsel maar is de Gentse universiteitsprofessor Marcel Vandeplassche, zijn levensdata 1914-2001. In het Liber memorialis 1960, een gedenkboek van de veeartsenij-afdeling, wordt de carrière van de professor droogweg opgesomd, het is alsof hij niets gedaan heeft, de lijst publicaties is indrukwekkend maar ook die is droog opsommend: ‘Hij deed onderzoekingen vooral op het terrein van venerische onvruchtbaarheid en van inseminatie bij runderen, keizersnede bij runderen, dracht- en geboortepositie van het veulen.’ (p. 479). Het Engelstalige boekje waarover Vlimmen spreekt zou dan Caesarean section in the bovine, (met F. Paredis), Erasme-Standaard Boekhandel. Antwerpen-Parijs, 1953, moeten zijn. Roothaert’s opmerking over de tijdslijn is dus correct, zijn verhaal is direct na de Tweede Wereldoorlog gesitueerd, in werkelijkheid was die veterinaire revolutie in de jaren vijftig gebeurd.

Anton Roothaert was dus niet, zoals Menno ter Braak, suggereerde, kortzichtig kritisch op de katholieke kerk, er was wel degelijk sprake van een wetenschappelijke, vooruitstrevende geest. (De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Ter Braak enkel over het eerste deel sprak (maar ook daar was die vooruitstrevende levens- en wereldvisie al te zien) en dat wij over de 3 delen samen kunnen spreken.) Dat vertaalde zich (weliswaar op een, in onze ogen althans, gebrekkige manier) een vooruitstrevende visie op de rol van de vrouw, haar verlangens en lichamelijkheid, een emanciperende houding tegenover individu en maatschappij maar ook een vertrouwen in de menselijke kennis en het belang van een wetenschappelijk denken. De kerk was een sta-in-de-weg voor het menselijk geluk en de maatschappelijke verbetering.

Tegelijkertijd was er ook een economische component die misschien wel de belangrijkste was. Niet de veearts was de belangrijkste figuur bij het toepassen van de keizersnede (al die nieuwerwetsheid!) maar wel de boer, die ‘van nature’ wantrouwend is. Hij moest beslissen of men een risicovolle operatie zou toepassen waardoor niet alleen het kalf maar ook de koe zelf het leven zou kunnen laten – en zou ze later nog drachtig kunnen worden? Het zijn de resultaten die telden en er waren nauwelijks mislukte keizersnedes. In 1968 kon Marcel Vandeplassche dan ook triomfantelijk zeggen: ‘De keizersnede heeft grote voordelen bij de verloskunde bij het rund. De economische resultaten die met deze methode worden verkregen, zijn onverwacht heel goed’. (A. de Kruif, De geschiedenis van de veterinaire verloskunde, Vlaams diergeneeskundig tijdschrift, 2011, p. 371).

Advertenties