het beest (3)

door johan_velter

Een van de eigenaardigheden bij Anton Roothaert is zijn bewondering voor het … vrije, levenslustige, positieve Vlaanderen. Antwerpen, en in iets mindere mate Brussel, is voor de gevangene van het Nederlandse katholieke Brabant een oord van genot, in de eerste plaats lichamelijk, maar ook naar de geest: de mensen zijn er minder op uit om anderen te koeioneren. Roothaert laat Vlimmen naar de Antwerpse hoertjes gaan, ‘sympathiek maske’, neemt later een vaste vriendin die hij ergens installeert, er is ook sprake van masturbatie. Men kan zich voorstellen dat zo’n schrijver niet tot de literatuur mag behoren. Ook strategisch is Roothaert moediger dan men nu nog denkt. Het ‘Humanistisch Verbond’ zou aanraden om daar niet over te schrijven, want ‘de anderen zullen dan wel denken dat we zedeloos zijn, zulke dingen kun je beter verzwijgen.’ Zo niet Roothaert: hij schrijft wat hij te schrijven heeft, zoals hij het schrijven wil. Een vrije geest schrijft niet tégen of mét anderen maar zichzelf.

In het tweede deel van de trilogie, Vlimmen contra Vlimmen (oorspr. 1953) gaan de avonturen van de veearts verder, hij wordt een kind in de schoenen gestoven, er is een gelukkige ontknoping en verder gaat het steeds dezelfde kant op met zijn strijd tegen Rome (Rome wint altijd). Er is atypische romantiek.

Vlimmen/Roothaert legt een meisje uit dat de houding van een boer tegenover zijn dieren anders is dan haar houding tegenover haar hond: ‘Als zij [de boeren] er net eender over dachten als jij en evenveel van al dat gedierte hielden als jij van Bobby [de hond], waren ze allang van verdriet gestorven. Ze moeten immers telkens afstand doen van al die lievelingen om ze te laten slachten. […] Daarom weten ze, dat ze hun nuchter verstand moeten gebruiken, en daarom beschouwen ze hun beesten eenvoudig als iets dat geld opbrengt. Dat ze hun vee goed verzorgen, doen ze om de zelfde reden waarom ze hun graan niet laten verstikken, hun hooi droog houden en hun machines niet laten roesten …’

Ook hier een pragmatische houding, de economie van gevoelens. Het slachten wordt niet ter discussie gesteld; het eten van vlees is een fundamentele ‘aanname’. Dieren staan ten dienste van de mens: binnen dat ecologisch systeem is er een hiërarchie, dat geldt ook voor de ongelovige Vlimmen: de mens is niet de koning van de schepping, er is wel een natuurlijke functionaliteit: gras wordt door koeien gegeten, koeien door mensen. Beter dan een moralisme is een functionalisme.

Het dier staat ten dienste van de mens, of beter: de mens gebruikt het dier, maar er zijn toch grenzen die door de beschaving en een persoonlijke moraal gesteld zijn. In de volgende passage legt Vlimmen uit waarom het pasgeboren kalf van de moeder wordt weggehaald: ‘[…] dat de koe nu een maal melk moet geven voor de mens en niet voor het kalf. Wel krijgt het beestje de eerste melk, de zogenaamde biest. Die is bijzonder voedzaam en er zitten stoffen in, die het kalf nodig heeft. Maar die krijgt het dan te drinken uit een emmer, niet uit de spenen, want als het kalf gaat zuigen, geeft de koe veel minder melk, alleen genoeg voor het kalf en dat is maar een liter of tien per dag, terwijl zij nu twintig tot dertig liter geeft. Het zou dus een enorme verspilling zijn, nietwaar? Tja, dat is een van die noodzakelijke wreedheden om de mens aan goedkope melk te helpen. En de koe is het overigens gauw te boven …’.

Een mooie passage omdat hier allerlei zaken voorbijkomen die toentertijd misschien minder in het oog sprongen (maar de socialistische beweging kende al vanaf het begin een vegetarische en veganistische richting) omdat er een combinatie is van moraliserende begrippen (wreedheden, het beestje) en economische begrippen (verspilling, goedkoopte). Het economische wordt bovendien goedgepraat door de zorg (de biest voor het kalf en de koe die er niet veel last van heeft). Het dogma blijft overeind: er is een hiërarchie tussen mens en dier, in een meer moraliserende omgeving spreekt men van uitbuiting van de mens – wat correct is: de koe geeft meer melk (aan de mens) dan wat natuurlijk is. Niet alleen is er meer melk, ook werden de koeirassen zo ontwikkeld dat de koeien niet langer op een natuurlijke wijze konden werpen.

Deel 2 van de trilogie, is de minst veeartsenijkundige, in het derde deel, Vlimmens tweede jeugd (oorspr. 1957, ik citeer uit Bruna, 1971), herpakt Anton Roothaert zich ietwat. De Tweede Wereldoorlog zaait terreur, Roothaert beschrijft hoe het boerenleven zicht tracht recht te houden, er is de eerste naoorlogse periode waar de wetenschap grote sprongen voorwaarts neemt en de veeartsenij een wonderlijk technisch kunnen wordt. Niet alleen de relatie dier-mens wordt door Roothaert beschreven, ook de verhouding mens-mens wordt genadeloos correct weergegeven.

‘Terreur is een tweesnijdend wapen : alle ondergeschikten houden zich zoveel mogelijk buiten schot.’ Het zijn de omgeving en de omstandigheden die mensen moreel devalueren.

De psychologie van de dierenmishandelaar, dezelfde als de manager: ‘Vroeg of laat krijgt die ellendeling zijn trekken wel eens thuis. Ergens achter in zijn weke hersens weet hij heel goed, dat hij maar een stom, klein ploertje is, en daarom deinst hij voor niets terug, als hij zich maar groot en machtig en slim kan voelen …’

‘Maar is het niet krankzinnig, dat hij zich hier uit de naad werkt om twee koeien te redden, terwijl vlak naast de deur jonge kerels aan flarden geschoten worden?’

‘In België gaat immers alles veel beter; daar laten de mensen zich niet ringeloren. Hier moeten we lijdelijk aanzien, dat van het dagelijks leven één grote kinderkamer wordt gemaakt en alle levensvreugde kapot georganiseerd … Het dringt nauwelijks door; men heeft het veel te druk met kankeren.’

‘Onderweg vindt hij, dat zo’n staaltje van dierengetroetel (onwetende, dus nodeloze, zorg om een loopse hond) haast ergerlijk is bij alle mensenleed van de laatste jaren, atoombommen en concentratiekampen. Op zijn minst genomen is het belachelijk en toch geeft het je weer een beetje vertrouwen in de mensheid. Dit is ten slotte een vorm van beschaving. In ieder geval is het heel wat verkwikkender dan die lange, dikke bajonet in de buik van die ongelukkige koe […].’ Hier zien we een andere moraal doorglinsteren, waar er namelijk geen hiërarchie is: het is niet omdat de wereld vergaat, dat het kleine veronachtzaamd moet worden. De graankorrel in de handpalm bevat de hele kosmos. Er is geen sprake meer van nut, economie of functie. Er is beschaving.

‘De practiserende dierenarts is als de zee van Kloos, hij zwoegt voort in eindeloze deining, […].’

Beeld. Ik kwam buiten om wat kruiden te verzamelen. Daar vliegt een mot tegen mijn bril. De merel had een tweede broedsel. Ook deze keer is er een mereljong te vroeg uit het nest gevlogen. Ik hoor geritsel tussen de droge bladeren, de schutkleur van de vogel geïllustreerd. De merelin zit in de boom, ietwat angstig en ongerust te piepen naar het jong: blijf daar, verroer je niet, maar waar ben je? Twee bessen in de snavel. De mot duikt in het potje. Een mees komt razendsnel aangevlogen en duikt in het bakje, de bleekbruine mot is bijna groter dan de mees zelf, de mot in de mees. De merel duikt naar de grond, het mereljong spert zijn snavel wijdopen, meer snavel dan lijf. Er is leven. Er is beschaving.

Advertenties