het beest (2)

door johan_velter

doctor vlimmen_anton roothaert

Dat er een sentimentalisering in de maatschappij geslopen is, is ook te zien in de houding tegenover dieren. Waar er vroeger een functionalistische en natuurlijke houding was tegenover huisdieren maar ook tegenover het wild, is er nu een privé-houding ontstaan: de dieren worden niet langer als een onderdeel van de natuur gezien maar als een deel van het menselijk bestaan. Men kan dit positief zien, een zekere gevoeligheid, maar even goed als een domheid en als een verdere antropologisering van de natuur (dus het omgekeerde van wat men zegt): dierenrechten toekennen is niet wat men voorstelt – het erkennen van het beest – maar is een naar voren schuiven van een uniek, menselijk perspectief. Het is het ontkennen van de natuur en een al te groot belang hechten aan de cultuur. De tweedeling is niet altijd correct: het is niet omdat men de dieren gerust laat, dat men een dierenhater is; het is niet omdat men alle beestjes een mensennaam geeft, dat men een dierenvriend is. De beste houding is, me dunkt, die van de afstandelijkheid, net zoals we tegenover de medemens een gezond wantrouwen hebben, zo laten we ook de onverschilligheid van het dier tegenover ons bestaan. Het zijn verschillende werelden: het dier is meer dier dan velen wensen.

Daarover denkend, nam ik nogmaals de Vlimmen-trilogie van Meester Anton Roothaert ter hand, een schrijver die nu niet meer bestaat, maar wat een succes heeft die man gehad! Druk op druk op druk, 3 kloeke delen over ‘Doctor Vlimmen’ (eerste druk 1936), een genadeloze aanklacht tegen de katholieke hypocrisie, het vetgemest papendom, een pleidooi voor de wetenschap, een openheid naar het nieuwe, een loflied op het menselijk lichaam, een kritiek op de sociale, benepen en bekrompen normen, ondanks het paternalisme een gelijkwaardigheid van man en vrouw aanvaardend. De vrijmoedigheid van denken, spreken en handelen. En een verteller! Wat een genot om je te laten meeslepen door de humor, de levenskracht, de woede, de eerlijke aanvaarding van voorspoed en tegenslag, de romantiek! Roothaert was een volksschrijver, dit wil zeggen dat hij een boodschap had en dat hij aanduidde dat de toenmalige problemen ook opgelost konden raken, niet alleen op persoonlijk vlak maar ook maatschappelijk: de wereld veranderde en de verandering is positief. Roothaert is een vitalist zoals Den Doolaard en Walschap dat waren. Toch heeft Roothaert een zwarte vlek: tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij lid van de ‘Kultuurkamer’ – in zijn werk heeft hij echter duidelijk afstand genomen van de nazistische ideologie, al bleef hij een genuanceerd standpunt innemen: niet alle Duitsers waren smeerlappen, ook Duitse soldaten wilden vrede. Een gelijkaardig standpunt nam hij in tegenover de katholieken, er zijn er ook goede bij (maar ze zijn ver te zoeken). Ter Braak had kritiek op Roothaert omdat hij in zijn boeken niet ‘het systeem’ blootlegde maar enkel laakbaar gedrag hekelde. Dit is niet helemaal correct: Roothaert toonde wel degelijk een systeem aan omdat elke lezer wel wist dat de typische onderpastoor ook op zijn parochie bestond en omdat het systeem het laakbare gedrag tolereert. Wat wij weten en meemaken: wat aan de top usance is, wordt aan het middenkader opgelegd – zo wordt een hele maatschappij gecorrumpeerd, niet alleen in daden maar ook in gedachten en moraal. Alles wordt vals en voos. Zo waarschuwt men nu voor een nieuw moralisme: we zullen de politici toch niet op hun bonnetjes beoordelen – welnee, maar voor wie corrupt is, gaat de corruptie verder dan de dorpel van het politiek bureau – corrupt gedrag en denken doordringt alles van uur tot uur, van plaats tot plaats, van mens tot mens.

‘A tiger is a tiger not a lamb, mein Herr.’

Doctor Vlimmen is een dierenarts in een achterlijke, katholieke hoek, van Nederland. Hij is gehuwd met een vrouw die een kwezel is en elke lichamelijke omgang met haar man weigert. De boeken zijn een relaas van deze kwelling, de strijd om het huwelijk ongedaan te maken, de geldzucht van de Kerk. Er is ook een kritiek op de hypocriete kleinsteedse burger, de hypocrisie van het lokale establishment. Er zijn de avonturen met de boeren en hun beesten. Hoe was de houding van een open geest in de 20ste eeuw tegenover het dier? Samengevat: er was respect voor het dier, woede voor het pijnigen van beesten, de aanvaarding van de natuur: dieren staan in functie. Zolang een dier leeft moet het goed behandeld worden, maar het dier heeft een functie, staat de mens ten dienste. Een vogel in een kooi houden kan. Maar dan moet de vogel wel verzorgd worden, wie dat niet doet, vertoont slecht gedrag – maar de vogelkooi wordt niet in vraag gesteld. Het perspectief is louter menselijk. Laten we een aantal citaten geven. Maar eerst een citaat van iemand die uit een totaal ander milieu komt, de jeunesse dorée van Frankrijk, een boek dat ik eigenlijk met walging gelezen heb. Of toch die passages waar een schaamteloze rijkdom geëtaleerd werd, hoe men met kunst omging om een liederlijk leeg leven te financieren. Hoe kunst een amusementding voor de rijken is.

yoyo maeght_la saga maeght

Ik spreek van La saga Maeght door Yoyo Maeght, de kleindochter van de legendarische Aimé Maeght, die toch ook vooral geparasiteerd heeft op verworven kunst en op een soms degoutante manier protserige boeken gemaakt heeft – zijn reeks Derrière le miroir uitgezonderd. De ‘valsheid’ van het verhaal wordt geïllustreerd door de omslagfoto van de uitgave die ik gelezen heb (Points 4567, Robert Laffont, 2014): daar zien we Yoyo Maeght als klein meisje met Prévert en Picasso – terwijl Picasso nauwelijks met Maeght heeft willen werken. Ze spreekt over haar kindertijd: « Nous nourissons les poules et les lapins que nous adorons, mais ensuite, lorsque le moment est venu, nous les mangeons. Il n’y a ni pleurnicheries ni sensiblerie, mais un respect total pour tous les êtres vivants. » (p. 40). Men zou de sentimentaliteit juist bij deze klasse kunnen verwachten omdat het dier hier geen functioneel element meer had, maar uitsluitend een amusementswaarde. Dit is echter niet zo: ook zij wisten dat dieren een einde kenden. De laatste zin is revelerend: zolang er leven is: een volledig respect. Maar als de tijd van de dood komt, dan is er geen ‘relatie’ meer: het dier is een object. Misschien had Descartes wel meer gelijk dan men vandaag wil toegeven. Het zou misschien ook verhelderend werken als er een historisch bewustzijn zou zijn dat beseft hoe de relatie mens-dier steeds een problematische geweest is en dat mensen vroeger niet noodzakelijk beesten waren en nog geen godgelijke zoals de Gaia-ideologen, die van holisme een nieuw bijgeloof gemaakt hebben. Men wil geen experimenten meer op dieren uitoefenen, maar dat daardoor straatschoffies in Latijns-Amerika nu voor proefdier gebruikt worden, is ons een zorg. Dat op Afrikanen geneesmiddelen wordt uitgetest, nee, dat weten we niet.

Nu Roothaert, deel 1, Doctor Vlimmen (Bruna, 1971). Het is de vraag wat ‘verstandig omgaan met dieren’ betekent en of Vandenbossche wel gelijk heeft met zijn naïef, vulgair vooruitgangsgeloof dat hem doet geloven dat er vandaag de dag een grotere gevoeligheid voor dierenleed zou zijn, waarbij we steeds in gedachten moeten houden dat sentimentalisering niet gelijk staat aan morele gevoeligheid – waar het rationele overheerst.

‘Dieren hebben het meest te verduren van zogenaamde dierenliefhebbers. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar de meesten houden dieren omdat ze zichzelf liefhebben en het dier is de dupe van de liefhebberij… Mensen, die dieren nodig hebben, zoals boeren en voerlui, behandelen ze over ’t algemeen goed, dat wil zeggen: verstandig.’

‘Zulke bestialiteiten [de dieren nodeloos laten lijden en het kalf letterlijk kapotscheuren uit het lijf van een koe] zijn voor een groot deel de schuld van de oudere boeren, die al niet veel werk meer doen, die ‘in den herd zitten’ en wonderverhalen doen over vaoder, en grutvaoder en Jan van Janne van Kees-oome.’

Over een slager, Van Heusden: ‘Zelfs de boeren ergeren zich over hem. Bartje van Camperhout vertelt me dat Van Heusden bij hem laatst een paar varkens heeft geslacht en hij had ze nog maar amper gestoken, of hij begon ze al met kokend water te begieten … De varkens gingen zo te keer, dat de boeren, die toch heus niet kleinzerig zijn, het niet konden aanzien. ‘Wacht nou toch eventjes!’ riepen ze … Maar de schoft zei: ‘Ik voel er niks van. Gij soms?’ en goot gewoon door … ‘’t Was krek of ie d’r plezier in had,’ zegt Bartje … Ik heb hem al eens gewaarschuwd, omdat hij beesten slachtte zonder schietmasker, …’

Vlimmen is verontwaardigd over een ‘illegale’ slachting: ‘Precies! Geen schotwonde midden op het voorhoofd. Het dier heeft de lange, diepe snede gevoeld en is bij volle bewustzijn langzaam leeggebloed!’

De veearts: ‘Wij zijn geen huisdokters, die maar blijven plukken, wij behandelen kapitaal, en dan nog maar een klein kapitaaltje, zodat het voor de mensen niet te duur mag worden.’

De kalfsziekte: ‘Met de verandering van koe tot melkfabriek is deze ziekte opgekomen, en juist de beste melkgeefsters […] waren de uitgezochte slachtoffers.’

‘Je kent het spreekwoord dat al even oud is als Brabant: Ge moet nie tegen ’t kerkdeurke piesen! … Dat loopt verkeerd af!’

‘[…] gatverdimme en bewijst, dat het ernst wordt, rukt hij de zwevende bijl uit de handen van de overrompelde slager en dreigt hèm de hersens in te slaan, als hij het waagt nog langer zijn koei te mishandelen. Ook de andere boeren dringen op in een houding, die de dronken woesteling te denken geeft.’ En zo wordt deze slager nog genoemd: ‘rotzak’, ‘dieje zot’ ‘die zatlap’.

[Mensen leren elkaar] ‘beter kennen rond het paard, dat zo gemakkelijk wat vriendschap brengt tussen mensen, die er fatsoenlijk mee omgaan.’

‘[…] maar vergeet niet, dat ik alleen maar een stuk gereedschap heb behandeld, een melkmachine, die niets anders heeft te doen dan te zorgen, dat de boer een paar stuivers verdient …’

Een verlichte huisdokter steekt Vlimmen een hart onder de riem, de waardigheid van een mens is verbonden met die van het dier: ‘De boeren doen wel achterlijk, maar stiekem houden ze ergens ’n stuk gezond verstand in voorraad. De pastoor heeft veel te zeggen, maar jij werkt. ’n Koei is ’n koei, en dat is driehonderd gulden en na deze pastoor komt er vanzelf ‘nen andere … Als je voor jezelf overtuigd bent dat het goed is om ’n ander wijf te nemen, dan is het goed en dan doe je dat … Maar je werk is nummer één! Nemen ze je dat af, verzuip je dan maar zonder uitstel…’

Advertenties