hutsige kluchten (3)

door johan_velter

oer_hutskluts_3

Bij de tentoonstelling ‘Oer : de wortels van Vlaanderen’ (Lannoo, 2017) verscheen een gelijknamig boek in een ouderwetse, achterhaalde vormgeving van Paul Boudens (boektechnisch klopt het boek ook niet: op de plaats waar een auteursnaam moet staan, staat de naam van een geciteerde, het is visueel onduidelijk hoe het boek in elkaar steekt: waarvoor dient boekvormgeving eigenlijk?) en vol overbodige, nietszeggende en onjuiste woorden. Het boek kan eigenlijk ook geen catalogus genoemd worden, het is een ideologisch pamflet, het houdt zich minder met de schilderijen dan met de politieke en sociale boodschap bezig: Vlaanderen moet overtuigd worden dat het dom en mak is. Toch is dit boek een typisch Vlaams boek: het toont ons dat ons ons kent. Het geheel stond onder leiding van Katharina Van Cauteren (gisteren zagen we wat Luc Van Cauteren te vertellen had), er is dus heel wat ‘ik-gedoe’. Er zijn ‘gedichten’ van Patrick Bernauw opgenomen, samen met hem heeft Katharina Van Cauteren nog jeugdboekjes geschreven. En dan werden mensen uitgenodigd om een ‘lievelingswerk’ te kiezen en daarover iets te vertellen. Mensen die een eeuwige schande over zich afgeroepen hebben, wie kan hen ooit nog serieus nemen? Wat doen mensen als Koen Broucke, Leen Huet, Jean Paul Van Bendegem in deze omgeving? Andere namen zijn dan weer evident: Wim Opbrouck, Karin Hanssen, Mia Doornaert. Maar wat kan het ons interesseren dat onbevoegden iets al dan niet ‘schoon’ vinden? Het is dan normaal dat een oninteressante schilder als Léon Spilliaert een favoriet is.

Over de kinderstijl van Katharina Van Cauteren kan niet veel gezegd worden buiten het feit dat het kinderdenken kinderwoorden voortbrengt. Op p. 16 van de catalogus, ze spreekt over de periode tussen de Middeleeuwen en de 19de eeuw , ‘was het geen vetpot’. Ze spreekt over de godsdienstoorlogen van de 16de en 17de eeuw, de 18de eeuw wordt niet vermeld. Haar conclusie: ‘Wat overbleef, was de noeste boerenstiel.’ Geen ambachten, geen notarissen, geen onderwijzers, geen stedelingen, geen handelaars. Geen Rubens, geen Plantin, geen Moretus, geen Lipsius. En vooral: noest. Ziedaar de zogezegde wortels van Katharina Van Cauteren. ‘Precies die uit de klei getrokken aardse mensen zijn onze voorouders. Over hen gaat dit verhaal.’ Ah, de literatuur moet weer misbruikt worden. De boodschap is duidelijk: als dat onze voorouders, onze wortels zijn, dan moeten we zo blijven, geen intellectuele ambitie hebben, geen betere leefwereld creëren, geen omslag naar een geciviliseerd bestaan. Nee: noestheid.

oer_hutskluts

De mythologie gaat verder: Lieven Bauwens is een ondernemer-held (Fernand Huts was zijn voorbeeld) die diversifieerde (sic) en hij smokkelt de Spinning Jenny naar Gent, ‘de stinkende stad’. Eerlijker zou zijn te schrijven dat hij liet smokkelen en dat Bauwens bepaald geen heilige was. Die stinkende stad wordt natuurlijk veroorzaakt door de wateren als open riolen: de arbeiders laten daar hun excrementen in uit komen. Eerlijker zou zijn te zeggen dat het openbaar bestuur zo achterlijk geworden was dat men zelfs niet meer wist hoe men riolen moest aanleggen en dat de Leie stonk doordat de fabriekseigenaars van het levende water dood water maakten. Het openbaar bestuur bestond overigens ook uit die zo heilige eigenaars, renteniers en kapitalisten. Men weet dat het in Vlaanderen veel waait (« Quand le vent est au rire, quand le vent est au blé, / Quand le vent est sud écoutez le chanter, / Le plat pays qui est le mien »), maar dat ‘het uit Engeland overgewaaide victoriaanse denken’ hier in een kramp schiet, is toch wel een merkwaardig fenomeen. En het is altijd bijzonder aangenaam om iets te vernemen over de laatste stand van de genetica, lees dus aandachtig: ‘Maar in feite is [Emile] Claus veel meer dan een luminist. Hij is een verre nazaat van Jan van Eyck, want de fascinatie voor het licht zit al sinds de late middeleeuwen in de Vlaamse kunstenaarsgenen.’ (p. 27) – ‘Claus taferelen zijn levensecht.’ (p. 27). Hallelujah, het essentialistisch denken van bloed en bodem heeft zich gemetamorfoseerd naar het hedendaagse genetische denken. Overigens zijn de taferelen van Claus niet levensecht maar geënsceneerd, een toneelstuk, een zon die te zuiders is.
Op p. 31 spreekt Van Cauteren van een Gents begijnhof als ‘een neogotische ideaalstad in de stad, als het egalitaire en door en door religieuze model voor de hele maatschappij.’ Egalitair? Ideaalstad? Het sprookje der begijnen. Van Cauteren denkt dat de begijnen van Sint-Amandsberg een eenvoudig en godsdienstig leven wilden, in vrede. Ze heeft nog nooit een begijnenreglement gelezen. Ze vergeet te vermelden dat de begijnen uit de stad verdreven waren omdat ze een negatieve invloed op het stedelijke leven hadden. Godsdienstigheid is nog iets anders dan valse devotie, afgoderij en georganiseerde roddelpraat. En dat het Patershol in de 18de eeuw het ‘SoHo’ van Gent was, ‘de hippe luxebuurt’, is al even dwaas historiserend.
Op diezelfde pagina wordt de ‘stippeltechniek’ van Henry Van de Velde uitgelegd op een cauteriaanse wijze. Ze vergeet te vermelden dat de kunstenaar niet ‘de rigide regels van de academiekunst’ vervangt, hij nam de techniek én de politieke overtuiging over uit het buitenland – in de beginjaren van het pointillisme werd deze techniek gelijkgesteld met het anarchisme – een woord dat in dit Vlaamse land niet uitgesproken mag worden.
Op p. 35 wordt ‘De baadster’ van George Minne afgebeeld, een werk uit 1929 en in het bezit van ‘The Phoebus Foundation’ – het is een duidelijk voorbeeld van een minderwaardige uitvoering van dit werk – er wordt niet vermeld dat dit een editie is die door een andere beeldhouwer gemaakt is, en dat er verschillende werken dezelfde (Franse) titel dragen. Het is ook een voorbeeld van hoe deze collectie opgebouwd is: ‘Was George Minne niet een kunstenaar daar aan de Leie en heb ik daar al iets van? Ah nee, awel koop dat dan hé.’
Wat bijzonder stoort is het totaal gebrek aan originaliteit, aan intelligentie: er wordt weer een soep met vermicelliclichés over ons hoofd uitgestort, elke zin die we lezen moeten we zelf aanvullen, weerleggen of verbeteren met gedegen kennis en feiten. Er is een beperkte kennis, een paardenbrilvisie op kunst en geschiedenis. Doordat er geen eigen intellectueel werk verricht wordt, vervalt ze algauw in allerlei onnozelheden. Het is toch alleen maar iemand die Bruegel niet bekeken heeft die kan zeggen dat deze een meester van de anekdotiek is en dat Valeer De Saedeleer het beter doet want deze ‘puurt […] zijn taferelen uit tot essentie.’ (p. 39). Onzin over Ensor: ‘Maar licht en kleur zijn Ensors zwakke plek [sic] – en zijn sterkte tegelijk.’ (p. 43), het zal wel een woordspeling zijn zeker? Dat haar beschrijving van Ensor regelrecht ingaat tegen de eigen vooringenomenheid, heeft Katharina Van Cauteren, ze doceert ‘beeldende kunst’ aan de Universiteit Antwerpen, nog altijd niet in de gaten.

Of wat te denken van de lof voor Stefan Hertmans’ Oorlog en terpentijn : ‘Nergens [sic] wordt het kraken van de tijdgeest zo raak gevat als in Stefan Hertmans’ magistrale [sic] Oorlog en terpentijn: ‘Maar ergens [sic] was een veer gesprongen, en dat wisten de zwijgend toekijkende soldaten die niet mee juichten […].’ Lees toch liever een goede roman want het citaat bewijst het antimagistrale. De kunstenaars worden door Van Cauteren telkens weer misbruikt om een eigen, particulier, nationalistisch verhaaltje (sic) à la Huts te vertellen – feiten zijn daarbij onbelangrijk, kunsthistorische inzichten zeer zeker en het prentmateriaal dient toch vooral om te behagen. Hutskluts.

Zelfs geen metafysica, eerder een Vlaamse vorm van esoterie, alchemie. Volgens Van Cauteren komen Permeke en Gustave De Smet ‘uit bij een eigen mensentype – een menselijke oervorm, gedistilleerd uit Vlaamse mannen en vrouwen.’ (p. 49). En hoe moet je een uitlating als ‘Permekes al dan niet bewuste echo’s van primitieve Afrikaanse kunst dragen alleen maar bij tot de sfeer van authenticiteit.’ (p. 49). Wat is de inhoud van dit geschipper?
Het probleemgeval Frits Van den Berghe (waarover later meer): niet bij Tytgat, niet bij de Smet maar ‘Pas bij Frits Van den Berghe verschijnt een ranzig randje.’ (p. 52) – en kan dat wel, bij zo’n ‘oervlaming’? Laten we dit schoolopstelletje van Katharina Van Cauteren verlaten, deze gifbeker aan ons voorbij laten gaan.
En dan zijn er ‘autoriteiten’ die iets van een schilderij mogen zeggen. Rick de Leeuw, de grote dichter, is aanwezig en spreekt over zichzelf en de achterlijkheid van dit land dat maar niet volwassen wil worden, dat zegt hij niet, dat vindt hij juist zo tof.
Paul Huvenne is iets gedegener. Hij doet een persoonlijk verhaal maar duidt aan dat die Vlaamse expressionisten niet zo vooruitstrevend waren als hier altijd gedacht werd en dat de abstractie misschien wel interessanter was, en hoe jonge mensen plots een wereld zagen opengaan met het werk van Raveel, Alechinsky en anderen.
Jean Paul Van Bendegem over ‘Op de dijk van Oostende’ van Léon Spilliaert: ‘Wij zijn er en wij zijn er niet, dat wringt er met dit schilderij en daarom blijven we wanhopig kijken.’ – wat niet hoeft, want de beschrijving van dit werk is onjuist. Moet ik ook nog spreken van Mia Doornaert, Patrick Bernauw (die notabene ons Jung wil opsolferen!), die Maeterlinck een ‘literair popicoon’ noemt, die blijkbaar Max Elskamp of Charles De Coster niet kent, die over Verhaeren boudweg stelt dat die ‘het minst gelezen of gespeeld [sic]’ wordt van de drie Franstalige schrijvers (Rodenbach is de derde). Of moet ik iets zeggen over Nadia Naveau die bij het werk van Ensor iets over zichzelf zegt? Wat een egotripperij is dit boek, een Story voor de NVA-leden.
Leen Huet schetst een idyllisch-vals beeld van de bohème, haar vergelijkingen met de huidige tijd gaan zoals steeds bij haar niet op en wie als argument koning Albert I citeert heeft wel zeer weinig inhoudelijke noten te kraken. Het cliché dat de fotografie een bepaalde schilderkunst vervangen heeft, is een cliché en heeft geen werkelijkheidsgrond – er was wel degelijk sprake van een intrinsieke evolutie: het impressionisme had immers de naturalistische weergave van de wereld al vervangen, net zoals de barok en de rococo ook geen werkelijkheidsbeeld gaven. Al zal het misschien waar zijn, ik begrijp de volgende zin niet: ‘Wij begrijpen deze kunstwerken, zeker, maar nog veel meer begrijpen zij ons.’ – soms moet ik de neiging onderdrukken om een positivistische storm door de kunstgeschiedenislessen te jagen, blijkbaar is daar nog altijd niet doorgedrongen dat woorden een betekenis hebben. Oervlaams is dat men de woorden galerij en galerie niet correct gebruikt.

oer_hutskluts_2

Oervlaams is dat men niet kijkt. Niels Schalley van The Phoebus Foundation, beschrijft ‘De fietster’ van Hubert Malfait en wijst ‘de aandachtige toeschouwer’ op de ‘dikke wollen broekkousen’ van de vrouw – die echter geen broekkousen draagt.

Herwig Todts haalt voor de zoveelste maal zijn Ensorinterpretatie boven, de zoveelste variant van steeds hetzelfde verhaal zonder zelfs te verwijzen naar de magistrale (sic) inzichten van Bart Verschaffel, een zogezegde niet-Ensorspecialist die zwart op wit bewezen heeft dat de biografische invalshoek bij Ensor een valse is en dat er maar al te veel sprake is van vulgair determinisme. Een even grote intellectuele domheid is het werk van Ensor te verbinden met … slam poetry (p. 211).

Constantijn Petridis schrijft een twijfelachtig artikel over het primitivisme in België waarin hij de inzichten die Robert Hoozee voor de tentoonstelling ‘Vlaams expressionisme in Europese context’ verzameld heeft afdoet met de raadselachtige zin: ‘Of deze vermeende overeenkomsten daadwerkelijk het gevolg zijn van directe inspiratie of beïnvloeding kan zonder verdere getuigenissen natuurlijk moeilijk worden bewezen en lijkt overigens weinig waarschijnlijk.’ (p. 241). Het valt ook op dat de auteur niet weet dat Frits Van den Berghe het boek Negerwoordkunst van Amaat Burssens geïllustreerd heeft…

Geloof het of niet, maar het meest intelligente essay van dit boek is geschreven door Mark Eyskens, de oude man, de oude schilder, de ironische beschouwer. Op een losse manier laat hij de vragen los die werkelijk betekenis hebben: wat zijn dat voor dingen, grenzen in de kunst? Hij is de enige die die Vlaamse expressionisten in een internationaal kader plaatst, hij relativeert hun betekenis en invloed, hij verheerlijkt dat domme Vlaanderen niet, dat Vlaanderen dat zich wentelt in minderwaardigheidscomplexen en steeds de ander de schuld van het eigen falen geeft, hij is de enige die duidelijk maakt hoe die Vlaamse schilders de internationale, culturele wereld opgezogen hebben en dat er van een authentiek Vlaams element dus nauwelijks sprake kan zijn, hij is de enige die enige intellectuele achtergrond heeft om te duiden waarover het werkelijk gaat: het kijken, het zien, het weergeven om tenslotte toch weer te eindigen in een Vlaams klaaggezang over ‘de mensen’ en ‘de elite’ en dat kunst niet moeilijk mag zijn en dat de goede Vlaming dat weerstaat: ‘De vervreemding van een deel van het publiek van de ‘moderne’ kunst, vooral in de schilderkunst en de muziek, wordt immers veroorzaakt door allerlei vormen [sic] van hermetisme. Zij komen erg elitair over, omdat ze het waarderen van het kunstwerk onmogelijk [sic] maken voor niet ingewijden, terwijl de zogenaamde [sic] ingewijden niet zelden in de vangnetten verzeilen van snobistische kunstpromotoren of critici. In deze valkuil zijn de [sic] Vlaamse kunstenaars alvast niet getrapt.’

Zelfs Mark Eyskens, een intellectueel, wentelt zich in een gemakkelijk populistisch anti-intellectualisme – moeten we dan ook de moderne wetenschap afschaffen omdat die toch zeer hermetisch is? Dit is de tragiek van dit land: zelfs als er intelligentie aanwezig is, dan is er geen bodem. Boek en tentoonstelling tonen ons de Vlaamse ziekte: de gemakzucht, de weigering te denken, de bekrompenheid, de benepenheid van de grenzen, het opgesloten zitten in het reactionaire, achterlijke denken, het buigen van hoofd en lichaam voor wie macht en geld heeft. En er is nog iets ‘oervlaams’ waarmee deze tentoonstelling ons voor de zoveelste keer confronteert. Toen ik het schilderij ‘Portret van Edward Anseele’ …

Advertenties