hutsige kluchten (1)

door johan_velter

oer_gustave-van-de-woestyne-de-slechte-zaaier_1908

Zoals we weten uit de geschiedenisboeken, uit de verhalen van ouderen en uit de dagelijkse ervaring: dictaturen gebruiken de cultuur om propaganda te voeren. Het domein dat niet dwangmatig gestructureerd is, waar de verbeelding niet gebonden is aan externe normen en regels, waar de vrijheid niet denkbeeldig is, waar het geluk voorbij het wereldse gaat moet in een dictatuur aan banden gelegd worden. De dictator verwijt de ander wat hij zelf nagelaten heeft, wat hij zelf vermoordt.

Dictatuur is een groot woord en is geen absoluut concept, er zijn dictatoriale wegen, beginpunten, soms een vergissing of een omweg – maar wanneer de tendens zich vertoont, moet dit beschreven worden. Dictatuur is steeds de installatie van de angst, het terugdringen van het menselijke. Een van die kenmerken is de nadruk op volk en bloed, vanuit de macht worden die begrippen gekaderd en omdat die weinig realistisch zijn en louter ideologisch omschreven worden, is het gemakkelijk om tegenstanders als onzuiver of verrader te beschuldigen. Vandaag wordt de bloed-en-bodemtheorie gekapitaliseerd naar ‘het merk’: een concept dat zogezegd abstract is, geen belangen dient en nauwelijks met praktijken verbonden is. Wie kritiek heeft op corrupte en anti-intellectuele of anti-culturele daden wordt niet rechtstreeks, d.w.z. inhoudelijk, weersproken maar men verlegt de woorden naar een aanval op ‘het merk’ – en wie het merk niet dient, is een verrader – men houdt buiten beschouwing dat het merk een valse constructie, dus ideologie, is. De vergelijking met het katholicisme ligt voor de hand: de kritiek op de volgevreten en bedriegende paap, is niet een kritiek op een misdadig handelen maar wordt beschreven als een kritiek op het goddelijke zelf en dus niet alleen een aardse misdaad maar vooral een tegen de hemel en dus is de dood als straf de evidentie zelf. Het is een kenmerk van het dictatoriale om de tegenstander uit te schakelen, het uitschakelen toont de domheid van de machthebber.

De tentoonstelling ‘Oer : de wortels van Vlaanderen’ is georganiseerd door Fernand Huts, zogezegd The Phoebus Foundation, de plaats is het Caermersklooster in Gent, een gebouw van de Provincie Oost-Vlaanderen en als dusdanig een propagandacentrum geworden: de overheid associeert zich met het volksvijandige – en hier wordt het woord volk niet als een ideologische maar als een sociologische werkelijkheid gebruikt. In de menswetenschappen worden woorden als oer en wortels zeer selectief gebruikt: de werkelijkheid is immers niet zo zwart-wit als dikwijls voorgesteld. Wie de taal simplistisch maakt, heeft een ideologisch doel. Wortels (roots) is verbonden met bodem en alleen al daarom verdacht (anderzijds maakt de ander ook misbruik van de bedorven taal: de migratie in het Westen is zelden gebeurd vanuit het Oosten maar was een interne migratie: Vlamingen die naar Holland trokken, Franse protestanten die het katholieke Frankrijk moesten verlaten: binnen de grenzen van een humanistische wereld – externe migratie creëert steeds geweld, de geschiedenis heeft ons niets te leren over de huidige migratieproblematiek). De taal is vervuild, maar daarom moet de werkelijkheid nog niet ontkend worden: iedereen groeit op in een bepaalde taal en een bepaald taaluniversum. De nadruk op het verleden is een essentialisme: het reduceert het huidige tot wat was, wat nu is, is altijd een deformatie, een decadentisme, men moet terug naar de bron. Maar ook de humanisten deden aan herbronning: om het katholicisme te zuiveren.

Dat soort particuliere begrippen (de Vlaming, de Waal, de stedeling) wordt verbonden met algemene begrippen en deze laatste worden daardoor als exclusief gezien. De Gentenaar staat open voor het vreemde, de Gentenaar is humoristisch, de West-Vlaming is gesloten, de Vlaming is een noeste werker. Men ziet in deze voorbeelden de logische leugen: er zijn mensen die hardwerkend zijn en er zijn mensen die dat minder zijn, dit soort persoonlijkheidskenmerken is niet gebonden aan een geografische grens – maar vanuit de macht geredeneerd is de Gentenaar die ‘werkelijk’ humoristisch is, een gevaar want de opgelegde en toegelaten humor is natuurlijk de door de macht gecontroleerde humor.

Dat de tentoonstelling ‘Oer’ verder gaat dan wat vrijblijvend kapitalistisch-ideologisch gezwam is te illustreren met een overduidelijk voorbeeld. In het ledenblad van de socialistische mutualiteiten, S-magazine’ (juni-juli 2017), wordt een paginagroot artikel opgenomen, de titel is ‘Vlaamsche klei’ en is niet zoals men zou mogen verwachten en zoals het zou moeten, een kritisch artikel. Het artikel is geschreven door Henri Lens en besluit met het amateuristisch zinnetje: ‘OER toont aan dat de werken van deze oerschilders niets van hun oerkracht hebben ingeboet en tijdloos zijn.’ Over Huts: ‘We kennen Fernand Huts vooral als de flamboyante ondernemer die niet om een boude uitspraak verlegen zit. Maar Huts profileert zich ook als een kunstminnaar en daar wil hij het volk mee van laten genieten.’ Wat een onzin: Huts zorgt voor zijn p.r. en hij gebruikt daarvoor de Oostvlaamse provincie. Opvallend is dat hij in een socialistisch blaadje een ‘flamboyante ondernemer’ genoemd wordt en dat de kunst dient om sociale conflicten te bedekken.

We mogen er dus zeker van zijn dat er al een geheim akkoord over de havenarbeid gesloten is tussen Huts en de zogenaamde socialistische beweging.

In dat artikel wordt het persbericht van Huts klakkeloos nagebrauwd. Oer verwijst naar ‘de wortels van Vlaanderen die zo mooi in beeld werden gebracht door de kunstenaars van het interbellum.’ Dat denk ik niet, de wortels zijn maar zelden afgebeeld. Maar als we de krakkemikkige zin laten voor wat hij is dan is ook dat onzin: in het interbellum zijn niet de wortels van ‘Vlaanderen’ te vinden, de geschiedenis is al eerder begonnen. De kapitalistische ideologie wordt dus door een zogezegd socialistisch blaadje klakkeloos overgenomen. Even onnozel is het dat er zoiets zou bestaan als een ‘Vlaams expressionisme’, er bestaat een late variant van het expressionisme zoals die in Vlaanderen geschilderd werd maar een ‘uitvinding’ is dat niet geweest. En als we de kunstgeschiedenis in haar geheel bekijken dan is dat ‘Vlaams expressionisme’ een laat afkijksel.

Wat in de pers voorgesteld wordt als ‘de collectie Fernand Huts’ is voor wat de tentoonstelling ‘Oer : de wortels van Vlaanderen’ in het Caermersklooster van Gent betreft, niet juist. Wat we zien is een deel van de collectie van Huts en dit aangevuld met werken van andere particulieren en van de Provincie Oost-Vlaanderen. The Phoebus Foundation is een stichting van Fernand Huts en het is dit soort constructies dat politici zich tot voorbeeld gesteld hebben. Er is een duidelijke tweespalt in deze expositie. Er worden uiteraard ‘grote’ namen getoond maar daarom niet altijd het grote werk. Van Gustave Van de Woestyne zijn er een aantal ‘koppen’ aanwezig en die tonen ons hoe de ‘middeleeuwer’ series maakte en aan de lopende band produceerde. Er is het campagnebeeld van ‘De slechte zaaier’ maar dat is geen werk van The Phoebus Foundation, wel van de Collectie De Bode, d.i. de NVA-politicus Herman De Bode. Er is veel van Rik Wouters te zien, maar nauwelijks gedegen werk: schetsen uit het atelier, al te vluchtig om betekenis te hebben, niet gesigneerd maar gestempeld, dus ja, atelierwerk. Het zwaartepunt van de tentoonstelling is niet de collectie Huts, wel die van De Bode. Het is opvallend dat Huts wel de gekende namen wil kopen, maar het grote werk niet gevonden heeft – omdat het grotendeels in musea en in andere grote collecties zit. Hij moet zich tevreden stellen met wat op de markt kwam. Al denkt men dat Huts een vrijbuiter is, hij is dat niet: hij volgt braaf wat reeds lang en breed gezegend is. Zijn collectie oude kunst is daarom niet beter maar wel interessanter, niet zozeer om de artistieke waarde wel om de iconografie: daar is het werk van mindere meesters dikwijls interessanter omdat ze beelden tonen die ingaan tegen het … nationalistisch-katholieke gezever.

De tentoonstelling is, zoals altijd bij Huts, hutsig opgebouwd: er mag al eens gelachen worden , nietwaar en we mogen al eens een kluchtje vertellen, nietwaar en het moet niet allemaal zo juist en zwaarwichtig zijn, nietwaar, we zijn Vlaming, nietwaar, Bourgondiërs, nietwaar. En dus zien we bij het werk van Edgard Tytgat een kermismolen, tot overmaat van ramp met de bijbehorende muziek en staan er midden in de expositie ‘echte’ bomen, wit gekalkt, om een ‘impressie’ van het oervlaamse wezen te geven. Wat een onnozelheden! Maar onnozelheden zijn nog te verdragen als ze in de juiste omgeving door kinderen gebeuren: hier hebben ze de enige bedoeling om het werk van kunstenaars naar beneden te trekken en op het niveau van de Vlaamse slemperij te zetten.

De tentoonstelling is didactisch, maar op een valse, gemene manier. Men wil ‘ons Vlaamse volk’ tonen van waar het komt en dit moet een moraal opleveren die past in een reactionair ideologisch kader. Het gaat natuurlijk om het harde werken, de boerenstiel, het echte, het authentieke maar vooral ook om het intellectloze, het is een appèl aan de emoties, het ruwe, het echte. Natuurlijk gaat het ook om ‘de bourgondische levenswijze’ maar dan enkel na het harde werk, er is geen verheerlijking van de marginaal of de lamme goedzak. De tentoonstelling is ook zo opgebouwd: op een weinig subtiele manier wordt gejubeld over wat het Vlaamse land en dat volk wel is (Louis Neefs zingt een lied, o gruwel van de gruwel). Heel dit opzet wordt niet in een internationaal kader geplaatst : het lijkt wel alsof enkel Vlamingen boeren waren. Maar de agrarische maatschappij was er eveneens in nogal wat meer landen, ook Frankrijk, Nederland en Duitsland (om maar drie buurlanden te noemen) konden boerenmaatschappijen genoemd worden. Wat is dan het typisch Vlaamse? Denkt men echt dat er in andere landen niet gewerkt werd? En omdat het om nationalistische onzin gaat, worden de klassentegenstellingen weggewerkt: de tirannie van pastoors en fabrieksbazen (die van de managers werd door hen voorbereid) is weggelaten, het lijkt wel alsof de Vlaming vroeger een ideëel wezen was, een engeltje – maar het tentoonstellingsbeeld van Gustave Van de Woestyne weerspreekt dit: zo blind zijn de makers voor hun eigen ideologie. I.p.v. onnozelheden had de tentoonstellingsmaker beter een beerput geplaatst met bijbehorende stank – want dat was het vroegere leven, zowel hier als elders. En ook nu. Maar wie in Vlaanderen de beerput openlegt, die wordt vermoord.

Er is een catalogus. Op een grijze dag, het was 13.30 uur, sloeg ik het boek met schaterende verachting dicht.

Advertenties