vlaamse koppen. derde serie (c)

door johan_velter

Geen dingen, geen dieren, geen spiegels, geen dubbele tekens
die het menselijk evenement willen verbeelden
dat even vreemd zal creperen als het geboren is.

Geplant bij de zee, in een weide vol wormen
zingen zij niet, noch beven
maar leven als je niet luistert in je slaap.

Excrementen, achtergelaten door de eerste vis
die zich op het strand heeft opgericht, werden
stekels, ketenen, staketsels, grote wezens.

Over hun huid van mutant en penitent zie je
geen vingerafdrukken en dat maakt hen mooier
dan mensen, en dooier en gaver en kwajer.

Zij lekken niet als de mensen, noch kraken
noch kraaien om de kieteling in hun kruis
dat gepantserd is en fluorescent.

In hun gebeente : de gretige rotors
snurkend in hun metalen ornament.
Om hen heen : wij : grappige kevers : mama’s en papa’s,

starend naar de fonteinen van staal
die zich zichtbaar wikken en schoren
tot tentakels binnen onze wijde, gore tent.

Hugo Claus, Ontmoeting met de grote wezens van Tajiri, uit Van horen zeggen, 1972 (deze versie verschilt ietwat van de versie in Gedichten 1948-1993 (1994)

Advertenties