samuel beckett, watt, mistaal (5)

door johan_velter

Het oeuvre van Samuel Beckett is doordrenkt van de Engelse/Ierse cultuur, het absurdisme waartoe hij gerekend wordt, heeft niets te maken met een afwijzing van de cultuur, het is geen nihilisme dat de mens wil afschaffen, integendeel, net zoals de existentialisten gaat men op zoek naar de mens, naar wat die mens verloren heeft. Hoe rationeel het modernisme ook moge zijn, binnen het modernisme is er een antiratio aan het werk, een rousseauiaanse afwijzing van de beschaving. Wat men ook moge beweren, Karel van het Reve legde de vinger op de wonde: hoe komt het dan toch dat, ondanks de massaproductie, je zelden twee mensen ziet met dezelfde kleren aan? De overvloed helpt het individualisme – maar het individualisme is hic et nunc geen humanisme, een commercieel consumentisme.

I.t.t. het beeld dat van Beckett soms geschetst wordt, hij die enkel rauwe pijn is en klanken uitstoot, nauwelijks een samenhangend verhaal kan laten vertellen, is hij wel degelijk een schrijver die literaire zinnen schrijft die soms zelfs aan aforismen doen denken. Enkele voorbeelden uit Watt, in de vertaling van Onno Kosters:

De ironie van het leven! Van het liefdesleven! Dat wie tijd heeft de kracht ontbeert, en wie kracht heeft de tijd. (135)

Wat was er, van zijn vurige verlangen zich te verbeteren, van zijn vurige verlangen te begrijpen, en van zijn  vurige verlangen beter te worden, overgebleven? Niets. Maar dat was toch misschien al iets. (141)

Het weer samenzijn, na zo een lange tijd, van wie van de zonnige wind, de winderige zon houdt, in de zon, in de wind, dát is misschien wel iets, misschien wel iets. (155)

Aldus zal een ieder, vroeg of laat, de vlieg benijden, die de geneugten van de zomer nog te wachten staat. (156)

Wanhoop niet, meneer Graves. Op een dag zullen de wolken verdwijnen, en zal de zon, die zo lang verduisterd was, eindelijk weer voor u, meneer Graves, tevoorschijn komen. (161)

[…] en had daarover kunnen vertellen als hij dat had gewenst, als hij niet zo moe was geweest, zo ontzettend moe, van alles dat hij al had verteld, moe nog meer te vertellen, moe aan of van dezelfde oude dingen dezelfde oude dingen nog toe te voegen of af te trekken. (203)

Zo gaat dat met de tijd, die wat donker is doet verbleken, wat licht is verdonkeren. (208)

Onderstaand waardevol, verhelderend materiaal dient zorgvuldig bestudeerd te worden. Slechts vermoeidheid en walging belette de opname ervan in dit werk. (237)

Laten we even teruggaan naar Eugène Ionesco, het stuk De les, La leçon. Ook dit stuk is naar het Nederlands vertaald en kreeg een Nederlandse identiteit, maar dit is geen absolute stijlbreuk, wel een overzetting. De professor vraagt zijn leerlinge de 4 jaargetijden op te sommen. Het gaat moeilijk en hij helpt haar : ‘Het begint als hefboom, juffrouw.’, dan weet de leerling het weer: ‘Ah, ja, herfst.’ Natuurlijk staat dit niet zo bij Ionesco : « Ça commence comme automobile, Mademoiselle » – « Ah, oui, l’automne ». Hier wordt op een creatieve manier vertaald zonder dat er inhoudelijk ingegrepen wordt. Wanneer het over verschillende talen gaat, zegt de professor dat men ‘hier Nederlands spreekt’ – en ook dit is geen breuk met de brontekst (al staat daar dat men Frans spreekt).

Advertenties