samuel beckett, watt, mistaal (3)

door johan_velter

We weten dat Samuel Beckett zich van het gemeenschappelijke afgekeerd heeft – al stond hij in de wereld. Er is een kloof tussen wat gedacht en gezegd kan worden en hoe er geleefd wordt – dit heeft geen enkele consequentie voor het waarheidsgehalte van het denken en handelen. In Watt wordt gezocht naar patronen, die worden aanvaard zonder enige bijgedachte: zo is de gang van de wereld – ook bij Beckett staat het denken over de vrije wil centraal, bij hem is het de treurnis om de teloorgang van het individu én die van het collectieve: ieder staat alleen maar dit is géén individualisme (dit laatste immers een absolute voorwaarde om tot een humane maatschappij te kunnen komen). Het is een gedachtenloos leven dat beschreven wordt, dat van een automaat zonder bewustzijn (de taal valt uit elkaar) – vergelijk dit met het Cogito, ergo sum van Descartes en we lezen een tegengestelde: vanuit die hoek gezien is het werk van Samuel Beckett een treurnis om de teloorgang van … het cartesiaans rationalisme.

Samuel Beckett – Robert Musil

De man zonder eigenschappen toont een leven dat vrij zou kunnen zijn, dat niet langer gemodelleerd wordt naar normen uit het verleden. Ondanks de vele trammelant is dit een optimistisch boek, al treurt het ook om het vergaan van een maatschappijvorm. Beckett toont aan hoe die ongecontroleerde, grenzeloze vrijheid zich keert in een tegendeel, in een niet-leven: de twijfel (en ook hier zijn we terug bij Descartes) aan het instrument vernietigt het instrument zelf. Wie twijfelt of de hamer zal kunnen kloppen, kan niet langer kloppen, hij neemt een nijptang en staat machteloos met de nagel in de hand – het feit van de werkelijkheid is geen oplossing omdat ook bij Beckett het primaat bij het denken ligt (in zijn anticartesianisme is hij cartesiaan). Tegen het ontsporende delirium van het denken zijn de begrenzingen van het denkende ‘gezonde’ verstand niet opgewassen (esoterisme en complotdenken zijn beide een fenomeen van het grenzeloze denken).

We kunnen hier een keerzijde van zien: het schrijven van Beckett is een literaire toepassing van het kubistisch kijken. Zoals een schilder een voorwerp tegelijkertijd van alle kanten laat zien om daarmee de ‘platheid’ van het canvas te tonen, het illusoire van het beeld (‘net echt’, ‘nee, echt’), zo laat Beckett binnen zijn filosofisch schrijven alle facetten van het denken en spreken de revue passeren. Binnen het boek Watt spreekt hij een aantal keer de lezer aan, ‘de oplettende lezer’, omdat hijzelf bewust is van de tegenstrijdigheden in wat hij schrijft, maar ze niet ‘oplost’, integendeel ze bewust laat bestaan en die interne tegenlogica moet maar genomen worden voor wat ze waard is. De wereld wordt dus complexer gemaakt, niet alleen hebben we de last van de gewone logica en werkelijkheid, er is nu ook nog een andere mogelijke wereld in het geding – die geen betere is. De coherentie is weg, things fall apart, er is geen hoop. De zin ‘het zou kunnen dat’ leidt bij Beckett tot een waterval van mogelijkheden, alle gebaseerd op die ene vooronderstelling. Zo ontstaan ruzies tussen mensen, worden oorlogen gevoerd,  wordt kunst misbegrepen: het is de ‘aanname’ die juist moet zijn, het vertrekpunt kan niet willekeurig zijn.

Niets is te begrijpen, tegelijkertijd is er geen mysterie. De mens bij Beckett heeft geen ‘talent’ voor religie, voor het sublieme, het hemelse. Hij is een aards ding dat geen metafoor kent, dat de dingen neemt zoals ze zich voordoen. Zelfs de wirwar van mogelijkheden is geen andere wereld, maar wordt in deze wereld geïncorporeerd. Geen personage zal van zichzelf zeggen dat het doordraaft, wat gedacht en gezegd wordt als mogelijkheid is daarmee ook een mogelijkheid en dus een werkelijkheid (zijnde deze realiteit ook slechts één mogelijkheid). Het boek volgt een interne logica maar staat daardoor los van de realiteit, als het denken niet getoetst wordt aan de werkelijkheid ontspoort het denken. Daarmee schrijft Beckett het failliet van de continentale filosofie waar die door Descartes gedomineerd wordt, ten faveure van de Angelsaksische filosofie waar het scepticisme het resultaat is van een experimenteel denken. Maar het scepticisme stopte niet met handelen en plaatste zich, i.t.t. de metafysica die altijd een doorgeschoten theologie is, in de wereld en die wereld niet als een abstractie gezien maar als een verzameling reële eenheden.

In 1950 verscheen van Eugène Ionesco La leçon, de ondertitel is drame comique (herinner u hoe ook Thomas Bernhard met deze tegenstelling gewerkt heeft: het ernstige belachelijk maken, het belachelijke ernstig nemen, nog een parallel: in Les chaises laat Ionesco een oude man aan het woord die zijn hele leven vernederd en onbegrepen is maar nu zijn grote levenswerk, de redding van de wereld, zal uiteenzetten). In dit toneelstuk wordt een professor met een delirerende taal tegenover een leerlinge geplaatst die een examen wil halen, het doel is onzinnig, een ‘doctoraal in het algemeen’. De professor vraagt het meisje een aantal simpele zaken, de basisgegevens, en daarop kan ze soms wel, soms niet antwoorden. En net zoals bij Beckett (maar chronologisch is het naar publicatiedatum omgekeerd, Beckett heeft de roman Watt gedeeltelijk tijdens zijn onderduikjaren geschreven) worden zowel de wiskunde als de taal onder vuur genomen. Het zogenaamde absurd theater is natuurlijk zelf niet absurd maar het spreekt van een absurde wereld – tot in haar consequentie doorgedacht, zonder rem van het gezond verstand. Het is alsof de autist zelf plots in metaforen begint te spreken.

Ook Ionesco verwijst naar Descartes – zonder hem te noemen, we zijn in Frankrijk immers, iedereen is cartesiaan. De professor: ‘Dat is een tamelijk nieuwe wetenschap, een moderne wetenschap eerder gezegd, liever gezegd eerder een methode dan een wetenschap … Het is ook een therapie.’ (De les, vertaald door Feliks Arons, in De koning sterft, De les, De stoelen, Slachtoffers van de plicht, De Bezige Bij, 1968). Het moderne, de methode, ook een therapie (nl. de onrust doen verdwijnen, Descartes en Spinoza waren broers): dit is een karakterisering van het cartesianisme. Op dat moment interrumpeert de meid die het gezonde verstand, de maatschappij incarneert: spreken over cijfers is gevaarlijk want maakt de professor hitsig. Maar dit is juist het omgekeerde van wat niet alleen Descartes beoogde maar ook de gebruikers van de methode: niet de emoties maar het verstand moeten door de wiskunde verhoogd worden. De wiskunde heeft de bedoeling te objectiveren, niet te individualiseren. Ionesco bouwt aldus een kritiek op het Westerse denken op. De leerling heeft moete met aftrekken. De professor wil haar doen inzien: ‘U hebt steeds de neiging tot optellen. Maar aftrekken moet men ook. Men moet niet alleen integreren. Men moet ook desintegreren. Zo is het leven. Dat is wijsbegeerte. Dat is wetenschap. Dat is de vooruitgang, de beschaving.’ De professor is aldus een anti-professor die het tegenovergestelde van de maatschappelijke en intellectuele norm wil opleggen. Daarmee gaat hij in tegen het cartesianisme en de handelingsfilosofie: men moet ageren, men moet vooruit. Ook bij Ionesco wordt het continuïteitsdenken onderuitgehaald (eenzelfde redenering zouden we kunnen opzetten voor Cioran, die nochtans niet tot het absurdisme gerekend wordt – de literatoren zijn vermomde moralisten). Al kan het meisje niet aftrekken, ze kan wel rekenen, zelfs op een in zijn absurditeit moeilijke vermenigvuldiging geeft ze probleemloos het juiste resultaat. De professor is verbijsterd. Haar antwoord: ‘Omdat ik niet kan vertrouwen op mijn rede, heb ik al de mogelijke uitkomsten van al de mogelijke vermenigvuldigingen uit het hoofd geleerd.’ (cursief jv). De rede, de wiskundige methode, wordt niet vertrouwd en daarom wordt het geheugen ingezet – maar het geheugen is een premodern instrument, het is in de moderniteit vervangen door de materialiteit van de tekens (boeken, communicatiemiddelen, opslagplaatsen) én door de wetenschappelijke methode die elkeen tot eenzelfde resultaat kan brengen (het project van Descartes is precies dat: gebruik uw verstand verstandig en iedereen kan inzien dat …). Ik loop al een tijd rond met het idee een reeks op te zetten rond ‘René Descartes, ook een personage’ en zie, hier ben ik al bezig. Dit terzijde. Maar stel dat ik nu al bezig ben, dien ik deze blog dan reeds zo te noemen, en ook de voorgaande? En wat als ik de voorgaande dusdanig had benoemd, had ik dan ook niet in de tijd terug moeten gaan en hier en daar een cartesiaanse kei moeten oprapen en verzamelen, en als ik dit gedaan heb, ben ik dan ook verplicht om de reeks echt op te starten en gesteld dat de start er is, moeten dan niet eerst de boeken gelezen worden. Dit mogelijkheidsdenken is een doodlopende straat, leidt wel naar een ondergraving van zekerheden.

Wat is een beschaafde mens? Iemand die kan lezen en tellen. De meid: ‘Rekenkunde leidt tot taalwetenschap, en taalwetenschap leidt tot misdaad …’ (« […] l’arithmétique mène à la philologie, et la philologie mène au crime … » – zo, dit is nog eens het redeneren van het gewone volk.

Advertenties