samuel beckett, watt, mistaal (2)

door johan_velter

samuel beckett_graf_montparnasse

Het werk van Beckett kan enerzijds geplaatst worden bij de taalkritiek van de 20ste eeuw – maar daar wordt het m.i. misbruikt voor een al te gemakkelijk denken over taal, deze houding wordt uiteraard door filologen tot misbruikens toe geëxploiteerd maar er komt geen schot in de zaak, men blijft draaien in dezelfde cirkels, de ene keer is het woord modernisme centraal gesteld, dan weer avant-garde, dan weer gaat het over Derrida, Deleuze, enzovoort en dan weet je dat men maar aanmoddert om iets te moeten doen en ja het is waar wie zich daar mee bezighoudt loopt niet over straat te drentelen maar denkdrentelen is misschien nog veel erger.

Anderzijds mogen we niet schromen dit werk binnen de Westerse filosofie te plaatsen (daarvoor is een ‘vroeg’ werk als Watt geschikt omdat Beckett op dat moment, alhoewel al een groot schrijver, nog niet zijn definitieve vorm gevonden heeft, hij toont dus nog vanwaar hij komt én hij geeft ons al een glimp van wat de gerealiseerde belofte zal worden), de opponent is René Descartes (of toch dat personage dat doorgaat voor wat men het Westen ‘verwijt’) die ook in de poëzie van Beckett expliciet gethematiseerd wordt. Descartes geldt als de grondlegger van het mathematische denken, het denken moet de wiskundige methode navolgen. Het is die basisstructuur die Beckett in Watt aanvalt, neutraler: aanspreekt.

Dat wiskundig beheersen van de wereld wordt door Beckett in deze roman onderuitgehaald door het simpel poneren dat de som van getallen niet de som van getallen is, de som is niet correct (en binnen de context juist weer wel) daarmee de wiskunde reducerend tot 1 mogelijkheid, een toevallige vorm van denken maar daarom niet de enige, laat staan de correcte. Als die ruggengraat van het denken gebroken wordt, dan blijft ons niets anders over dan contingentie en is de dragende structuur van mens en wereld een conventie: de hemel wordt neergehaald. En daarmee ook het Westerse denken: het cartesianisme ίs het Westerse denken. Beckett grijpt terug op een precartesiaans denken, nogmaals: in de kern van het modernisme, bergt zich de weigering modern te zijn.

Een som is het resultaat van een aantal getallen, die in een vaststaande onderlinge verhouding tot elkaar staan. Context wordt daarbij uitgesloten, als het regent of als het droog is, 2 en 2 is vier. Niet alleen de uitkomst is zeker ook de voorafgaande bewerking is gecontroleerd en sluit het onzinnige uit. Bij Beckett worden beide elementen onderuitgehaald. Het resultaat blijft wazig en kan snel veranderen, ook de methodologie geeft geen zekerheid: vertrekkende van wat is (een resultaat) zijn de mogelijke oorzaken menigvuldig en ongeloofwaardig tegelijkertijd, wat rest is de contingentie. Er is een voorzichtige vorm van serialisme in deze roman, een herhaling van een herhaling waardoor het tijdselement, in de Westerse wereld een continuüm (het nu is altijd een eindpunt), afgebroken wordt en een cirkelvormig rad tevoorschijn komt: geen vooruitgang, een ter plaatse trappelen, een eeuwige eentonigheid, een herhaling van steeds hetzelfde, een veranderen zonder verandering.

De culturele wereld heeft (en ooit was dat anders) het tellen afgestoten: dat was immers de rationele wereld en de cultuur was die van de emoties, het sublieme, het onbewuste, het hoge: noem het ook het domein van het gevoel, de moraal, de romantiek. Adriaan Roland Holst schreef in dat nog steeds fascinerende gedicht ‘Een winter aan zee’: ‘Wierp zij de kroon verloren / voor telbaar goud en lust?’. Hier heb je een andere kant: enerzijds het materiële dat blinkt en in eenheden is opgedeeld (want telbaar), anderzijds de lage lust, de instincten die niet getemperd worden door de norm. De kroon staat hier voor het immateriële: dat wat een mens tot adeldom brengt.

Daarom ook is de culturele kritiek op de wereld die wereld voorbijgegaan: de afwijzing kan geen oplossing brengen omdat de ruggengraat van die maatschappij juist het rationele-mathematische was. Terwijl de analytische kritiek én de utopie enkel gebaat kunnen zijn door (gebaseerd op) het rationele, het afwegen van pro en contra, het doordenken. Ook het cijfer bevat een waarheid, een esthetica en een moraal.

Die contingentie zit ook in het verhaal van Watt. De roman begint met meneer Hackett en zijn  vrouw die een wandeling maken, ze ontmoeten Watt. Het lijkt dus alsof het koppel het hoofdpersonage zal worden en Watt een toevallige (!) passant is. Niets is minder waar: Hackett en zijn echtgenote komen in de roman verder niet meer voor, Watt heeft ook verder geen bedenkingen over of herinneringen aan hen. Ze zijn verzwolgen. Hetzelfde geldt voor de medeknechten van Watt, ze zijn er en dan weer niet, ze vormen een wereld maar ook weer niet en dat geldt ook voor het personage met de naam Sam die in het ijle blijft – alhoewel het opschrijven van het Watt-verhaal natuurlijk essentieel is. Dit geeft als gevolg dat elk een eigen solipsisme ten toon spreidt – en ook dit is het a-mathematische denken: een cijfer is niet alleen een absoluut maar ook een relatief gegeven.

Samuel Beckett – Robert Walser

Schrijft Samuel Beckett een kritiek op de taal met taal als middel? Schrijft hij een kritiek op taal als vervoermiddel of als betekenisgever? Is taal neutraal of bevat taal een ideologie? Is het de taal die Beckett wil ontmantelen of is het het denken en dan vooral de pretentie van dat denken de wereld niet alleen te kunnen begrijpen maar ook te grijpen? In Watt laat hij de personages op de rand en over de rand leven, een gelijkaardige situatie als bij Dante – echter zonder moreel begrippenkader, maar is dat dan de normale toestand, een idealiserende of een negatieve situatie? Blijft Beckett m.a.w. in de negatie steken? In het naoorlogse Frankrijk, en het absurdistisch theater was daarvan het spilpunt, stond het wantrouwen tegen de taal zelf (en het onrechtmatig gebruik ervan) centraal (ook al was die trend al vooroorlogs ingezet). Niet alleen wat ermee gedaan werd maar de taal zelf was verdacht en moest afgebroken worden, net zoals dat ook met de syntaxis moest gebeuren (en in Watt gebeurt dit ook effectief: het derde deel beschrijft hoe Watt niet alleen de woorden ‘verliest’, de woorden achterstevoren uitspreekt, de klanken vervormt maar ook de gebruikelijke zinsvolgorde (en dus de maatschappelijke logica) niet langer hanteert – en voor Sam toch, alhoewel niet volledig, begrijpbaar is. De negatieve Franse filosofie is via de literatuur besmet. Vergelijk dit met het project dat Jürgen Habermas heeft opgezet en we zien twee verschillende werelden. Enerzijds de grens van de emotie waar het absolute heerst, anderzijds de kalmte van de burgermaatschappij en de wil het menswaardige op te bouwen. Terug en terug en strompelend en missend.

Beeld: graf van Samuel en Suzanne Beckett, Paris, Montparnasse

Advertenties