mene mene tekel ufarsin (2)

door johan_velter

literatuur_lijnen_sfcdt_2

Miklόs Bánffy (1873-1950), Geteld, geteld, vertaald door Rebekka Hermán Mostert, Veen, 2016

Hij zag dat de mode van die dagen wel erg diep uitgesneden avondjurken voorschreef.

Heel goed. Tegenwoordig is dat de beste keuze! Je kunt maar beter nergens actief aan meedoen. Blijf wel op de hoogte, hou je ogen en oren open. Alles in de gaten houden, mensen en dingen. En sluit je nergens bij aan. Deze wereld blijft niet lang overeind!

Wat er voor in de plaats moet komen? […] Grondwettelijkheid uiteraard. Het recht van de statistiek; De cijfers spreken voor zich.

[…] en zo observeerde hij de nieuwe golf van vergadertechnische obstructies en hoorde hij de ontelbare redevoeringen geërgerd aan. Hij vond de argumentaties buitengewoon onbenullig, evenals de holle leuzen uit het idioom van de tegenpartij, om niet te spreken van de misselijkmakende kunstmatige opwinding, de onechte verbazing en het onophoudelijke rumoer, allemaal ten dienste van partijbelangen en partijgrillen. Wanstaltig vond hij alle geveinsde misverstanden en de bestudeerde verontwaardiging van de oppositie, ongeacht alle redelijke argumenten […].

Alles benaderen vanuit de statistiek, alle beslissingen op cijfers en getallen baseren, natuurlijk, niets was eenvoudiger! Aan een bureau kun je binnen een uur alles oplossen. Of in puin doen vallen. Ja, alles kon simpelweg opgelost worden, als mensen apparaten waren, allemaal van hetzelfde type, en als er niet duizenden uiteenlopende unieke eigenschappen, doelen, hartstochten en tradities bestonden. Als eeuwenlang onderwijs en ontwikkeling op allerhande gebied niet de duizenden vormen van loyaliteit en ontrouw tegenover de staat hadden voortgebracht.

U zit hier net als de Denker van Rodin, precies zo!, klonk opeens een lachende vrouwenstem.

Er werd discreet geapplaudisseerd. Zoals dat goed gezelschap betaamt.

Zo kon hij niet leven, de onzekerheid was moordend! Haastig doorkruiste hij keer op keer zijn kamer, het ijsberen werd bijna rennen, soms liep hij bijna tegen een stoel aan, en opeens voelde hij zich beklemd en verschrikkelijk opgesloten in de ruime kamer.

[…] en haar de vraag te stellen die bulderend weergalmde in zijn hart.

Maar zo, met de kale bomen, de kaalgebrande akkers, het schier eindeloze schilderachtige landschap, alles bedekt en getemperd door een mistige sluier die het geheel een geheimzinnig aanzien gaf, zo sprak alles van troosteloze vergankelijkheid, en de jongeman voelde dat de natuur hierin haar uitdrukking gaf aan haar verdriet en verweesdheid.

Heel nieuwsoortige en ongenadige muziek was dit, de pijn was tastbaar en eindeloos veel krachtiger dan andere kamermuziek waarin het gezucht van droeve zoete mineuren klonk.

Zo gaat dat met mensen die een klap op hun hoofd hebben gekregen – ze lopen zonder nadenken de oude route, want alleen hun benen herinneren zich nog wat er moet gebeuren. Geruisloos sloot hij de deuren van de kleine salon, heel langzaam en met feilloze zelfdiscipline. Weggejaagd! Ik word weggejaagd! Ik word er simpelweg uitgegooid! dreunde het almaar door zijn hoofd.

Hij had een fenomenale pen, en hoewel Balίnt bij het lezen van diens teksten objectief probeerde te blijven, kon hij nauwelijks iets inbrengen tegen de geniale argumentatie en de onmatige, maar reusachtige kracht van zijn woorden.

En hij begon weer aan een van de bombastische zelfbewierokende litanieën die zijn redevoeringen kenmerkten.

Moest hij zich bij dit rapalje voegen? Moest hij zijn naam te grabbel gooien in dit gezelschap?

Een mens kan tenslotte niet altijd op zichzelf zijn, iedereen heeft een weerklank nodig, iemand om mee te praten, al was het maar een eenvoudige echo.

Maar het ging helemaal niet van een leien dakje.

[…] dat de samenwerkende oppositie met furieuze demagogie flonkerende beloften deed over een onafhankelijk douanegebied, een nationale bank en een eigen leger – verworvenheden waar alleen de grootste dromers in geloofden – , dat alles schiep een sfeer die niet in bedwang kon worden gehouden door de tot nog toe machtige organisatie van de regeringspartij.

Het waren interessante tijden van stilte voor de storm.

De nieuwe mode kwam ook ter sprake: zou men boa’s of omslagdoeken dragen, zouden de jonge meisjes beter tule, mule of mousseline onder hun rokken kunnen dragen. Nog maar nauwelijks waren ze aan deze belangwekkende onderwerpen begonnen of […]

[…] om ten slotte zijn zorg uit te spreken over al die brave lieden die tot nu toe in dienst van de overheid waren geweest en die nu beducht moesten zijn voor wraak. Ze hadden geen keus! Ze moesten de overheid wel dienen! En nu werd hun positie hun ondergang, […].

En eindeloze stilte.

Maar mijnheer, wat er allemaal gepraat wordt, dat kan een mens toch niet geloven, en die mocani [het Roemeense volk] hier in de bergen zijn behoorlijk onnozel!

De coalitie die nu de meerderheid vormde, leefde in een overwinningsroes en schalde van de daken dat ze tot geen enkel compromis bereid was. […] Wat de oorzaak ook was, of de toonaangevende politici geen vat meer hadden op hun achterban, of dat de gematigde en koningsgezinde Andrássy toch ook enige nationale eisen stelde, feit was dat er een gevaarlijke patstelling ontstond. De voormalige oppositie bleek nu gehinderd te worden door haar eigen leuzen, waarmee ze als oppositie vooral populaire verlangens verwoordde, maar die nu onbruikbaar bleken als parool voor een regeringspartij.

Gelukkige nieuwe mensen. Ze straalden allemaal een reusachtige zelfverzekerdheid uit. Allen geloofden dat ze op de drempel van een duizelingwekkende carrière stonden. Ze voelden zich als eindexamenkandidaten na hun laatste examen, enkele dagen levend in de zalige veronderstelling dat ze nu alles wisten wat er te weten viel en dat ze morgen of op zijn laatst overmorgen de hele wereld in hun zak staken!

Advertenties