mene mene tekel ufarsin (1)

door johan_velter

literatuur_lijnen_sfcdt_1

Miklόs Bánffy (1873-1950), Geteld, geteld, vertaald door Rebekka Hermán Mostert, Veen, 2016

Een Hongaarse roman, in 1934 verschenen. We lezen een andere zijde dan die die Robert Musil in zijn roman De man zonder eigenschappen gekozen heeft. Het standpunt van de aristocratie die grotendeels blind blijft, niet ziet wat er aan het veranderen is, zich staande houdt. Zoals Lev Tolstoi kan Miklόs Bánffy de exemplarische  personages vermenselijken, maar hij toont ook aan hoe emoties (en dus relaties) klassegebonden zijn en onbegrijpelijk worden voor een andere klasse.

Er is de afschuwelijke Jodenhaat, niet de haat van de nazi’s (nog niet, maar we voelen ze komen), maar de haat van de Übermensch tegenover het ongedierte. Er is geen menselijke categorie. In zinnen lees je hoe de meest rechtse en mensonwaardige ideologie het huidige politiek-correcte denken ontmoet. Over de roman hangt een wolk van onrust, onzekerheid, de lezer ervaart de angst – die hij kent van zijn eigen leven.

Er is de onverschilligheid tegenover de ander, hij die dient, hij en zij die knecht en meid zijn. Een figuur, een artistiekeling, wordt min of meer sympathiserend beschreven. Zijn onverschilligheid tegenover een verkrachting die op nauwelijks enkele meters van hem gebeurt, is onthutsend. Zo staat een boer te kijken op zijn konijnen.

De roman is in 2012 in Nederlandse vertaling verschenen, in 2016 is er een derde druk gekomen. Voor een onbekende schrijver, voor een kloef van 670 bladzijden een waar succes. Maar dit boek, Geteld, geteld, is slechts het eerste deel van een trilogie. Er is geen vervolg op dit werk aangekondigd. Hoe onbegrijpelijk dit is, daar wil ik het niet meer over hebben, alleen dit: een uitgeverij die met twee (terechte) subsidies van het Nederlands Letterenfonds is geholpen, zou wel wat meer daadkracht aan de dag mogen leggen.

Zeker, een roman in de traditie van de 19de eeuw, maar met moderne inzichten reeds, met een nieuw levensgevoel al bijna, een geest die de vorm soms tegenwerkt en de vorm die een geest wil modelleren – de geest ontsnapt door de ironie. Zinnen opsporen die tonen welke crisis gaande is.

Een ‘oude roman’ bevat levenswijsheid, de auteur is niet bang om algemeen-menselijke wetten te stellen, soms aforisme-achtig, soms genadeloos scherp. Er gaat een troost vanuit, maar ook een appèl aan wat moet, aan wat menselijk is. Niet de chaos moet verbeeld worden, de chaos moet overstegen worden. Zo overstijgen realistische romans de realiteit duizendvoudiger dan de realistische romans – u moet zelf de tijdsaanduiding toevoegen.

Een politiek systeem dat vergaat onder het juridisme, waar eerkwesties dood en leven bepalen, waar het duel een normale zaak is maar wel gereduceerd wordt tot een belachelijk ‘aanraken’, waar vertegenwoordigers alleen zichzelf kennen, waar politici vervreemd zijn en zichzelf bedienen, waar het systeem door en door vermolmd is en waar men met blinde ogen het nazistisch beeld oproept – zoals vandaag dus. En toch niet hetzelfde, maar de menselijke waan, dwaasheid, arrogantie veranderen van vorm en inhoud en zijn naar vorm en inhoud toch gelijk. Als de domheid regeert, dan zal de domheid zegevieren. Hoe een individu die het al bij al toch goed meent, door een systeem vermorzeld wordt – de doem in een tijd, op een plaats te moeten leven. Of is het de domheid van de macht die we lezen, de macht die steeds hetzelfde is, uit op wraak, uit op geld, steun zoekend bij andere dommeriken, ach, noem hem Erdogan, noem hem Trump, noem haar May, laat me niet een binnenlandse vijand met naam moeten noemen, potentaten. Hoe klein hun gebied ook is, niet creativiteit is hun kenmerk, maar steeds weer dezelfde domme kracht: vernietig de ander, dan ben ik groot.

Een boek waarvoor het woord fresco bestaat: politiek, maatschappij, individuen, groepen, anderen, natuur: alles wordt in de vuist van de schrijver gebald, hij is heerser, hij laat zijn poppen dansen in een strikt ritme, het gezelschap stelt hij zelf samen, onontkoombaar op weg naar het einde.
[…] en ze eisten van alles en op allerlei niveaus : er moest een volledig eigen Hongaarse strijdmacht komen, of ten minste Hongaars gesproken militaire commando’s, maar op zijn minst toch wel sabelkwasten in de Hongaarse driekleur.

Het kostte pijnlijk veel zelfdiscipline om zich niets meer aan te trekken van andermans meningen.

[…] toen hij dit alles de revue liet passeren in langzame, opeenvolgende gedachten zoals beperkte mensen plegen te doen.

Met de wijsheid van mensen die enkel op hun instinct kunnen  vertrouwen, had hij nog diezelfde dag vastgesteld dat hij op de sympathie van Judith Milόth mocht rekenen, […].

En er was stilte, onpeilbare stilte.

De volgende dag al was alles anders! Alles wat hij gezegd had, was helemaal anders, alsof het maar een verhaaltje was geweest, zomaar, verhaaltjes!

[…], had oom Louis zijn eigen kamers succesvol beschermd tegen de stilistische dweepzucht van zijn echtgenote. Hij was gehecht aan zijn gebruikelijke comfort en gaf geen sikkepit om de heersende mode.

[…] en de ophef hierover is bijna onbegrijpelijk, tenzij iemand zich achteraf verdiept in het kunstmatige wereldje dat mijlenver van de realiteit van het dagelijks leven stond en vervuld was van juridische frasen en haatdragende retoriek waar de meeste Hongaren in die tijd door beheerst werden.

[…] en er klonk een duistere profetie: ‘Als het land nu niet tot bezinning komt … volgt straks de ontnuchtering en het ontwaken na de bittere ervaring van een grote nationale ramp!’

Hij voelde plotseling een hevige weerstand tegen dit alles. Wrang en teleurgesteld verliet hij de zaal.

In die tijd was dat zeer ongebruikelijk, men droeg hoogstens een monocle of in het ergste geval een nauwelijks zichtbaar lorgnet. Maar een bril!? Dat was een regelrechte provocatie. Dit was een uiting van soberheid, pretentieloosheid, werkmansgeest en een moderne wereldbeschouwing. Ook zijn bewegingen onderschreven dit. Hij liep enigszins log, boers en zijn donkerblauwe kleding was volledig gespeend van elke opzichtigheid.

[…] maar het ergst van al was het hoogmoedige gedrag van het bedienend personeel op het kasteel. Hun minachting was voelbaar wanneer hij als enige in een ruimte verbleef : in zijn aanwezigheid bleven ze niet als starre beelden staan, maar gingen ze gewoon zitten en praatten ze zelfs met elkaar, […].

Deze vormweelde en materiële overdaad gaf een uitzinnige en onrustige indruk die echter opgeheven werd door het gulzig neergolvende licht uit de kandelaars  op tafel en de lampen aan het plafond waardoor het geheel vereenvoudigd werd tot een schitterend geheel.

O! Jij schijnheil! lachte Magda hem toe, en in haar stem klonk de blijdschap van een jong meisje dat iets ondeugends zegt, waar ze eigenlijk niets van mag weten.

Advertenties