hugo claus en claude roy (6)

door johan_velter

claude roy_françois poulenc en pablo picasso_1954

Claude Roy was een dichter, en niet eens zo’n slechte. Hij heeft veel ‘parlando’-gedichten geschreven maar ook een lang epos in 12 delen, Sais-tu si nous sommes encore loin de la mer? : épopée cosmogonique, géologique, hydraulique, philosophique et pratique en douze chants et en vers (1979, hier: Gallimard, 2010, Collection Poésie 177) waar hij een algemeen menselijke en individuele geschiedenis neerschrijft – de ondertitel is tegelijkertijd ironisch (want niet zo zwaarwichtig) en ernstig (want inderdaad dit alles samen). Hij gebruikt teksten van ‘alle’ culturen: Lucretius, Herakleitos, Goethe, Keats, T’ang dynastie, Japan, Homeros, Azteken, enzovoort, enzovoort. Hij bezingt de veelvormigheid van het menselijke, hoe een andere cultuur een ander standpunt inneemt en toch steeds weer bij dat menselijke samenkomt. Ondanks de ambitie is er geen pretentie: de cultuur wordt in haar dagelijksheid, het ambacht beschreven en verheerlijkt. Daar tussendoor weeft Claude Roy een persoonlijke geschiedenis (een spel van cursief (het koor) en romein). Bij Roy is er steeds iets van een kinderlijkheid gebleven, een verrukking om het leven, een ernst van het spel. In dit gedicht geeft hij 1 van de mooiste definities van metafysica: « la métaphysique n’est que de la physique à l’état d’enfance ». Waar meta-fysica in de klassieke filosofie gedefinieerd wordt als een kennen boven (na) de fysieke wereld, ziet Roy de metafysica als een speelse wereld waar de fantasie van het kind nog vrij spel heeft, dus vόόr de fysica. In dit epos staat het water centraal, het vloeiende dat het leven is en dat zijn rustpunt in de dood, de zee vindt. De regel « Sais-tu si nous sommes encore loin de la mer? » wordt verschillende keren herhaald en herinnert aan het beroemde vers “Dis, Blaise, sommes-nous bien loin de Montmartre ?” uit La prose du Transsibérien et de la petite Jeanne de France van Blaise Cendrars, nog altijd 1 van de grootste gedichten van 1 van de grootste dichters.

Het lange gedicht van Claude Roy is een verzameling van culturen, kennis en wijsheid, verworven levenskunst. In sommige gevallen, ook in ritmiek, vertelstof en intellectuele en levenshouding doet het denken aan Het teken van de hamster (1979) van Hugo Claus. Het is een belijdenis voor het leven, weg van verstarring, ideologie en domheid. Het is een gul gedicht, het beschrijft een geven, een schenken, een dankbaarheid voor het krijgen. In de 7de zang bijvoorbeeld: « Je n’ai à te donner / que le pot de miel figé cet hiver / qui coule maintenant liquide sur le pain / qu’un lièvre et son poil hérissé / dans la luzerne cache-perdrix / et que le jaune aigu du bec / d’un merle luisant noir ». Wat is het leven ? : de geneugten van het veld, de zang van een zwarte merel. Hoe aards deze ook zijn, het is het enige wat waarde heeft.

Omdat het over het leven gaat, wordt de tijd gethematiseerd en Claude Roy gebruikt in sommige gedeelten daarvoor de Islamitische tijdsopvatting, zoals in de laatste zang: « Car le temps n’est pas une durée continue / mais une constellation une Voie Lactée d’instants ». We noemen de tijd de onverbiddelijke, we noemen onszelf zijn slachtoffer, maar Claude Roy ziet zijn goedgunstigheid: « Que fait le temps ? Il passe il passe il passe son temps à brouiller nos traces Mais parfois soudain le temps nous fait grâce ralentit le pas un doigt sur la bouche pour qu’on le dépasse et voici qu’on reste un si bref instant en amont du cours en avant du temps ».

In de 5de zang beschrijft hij een ervaring in Vlaanderen :

Te souviens-tu du jour d’été sur le canal des Flandres?
Le pont de la péniche ? Le chemin de halage ?
La voiture à cheval et l’eau au même pas
Seuls les arbres bougeaient sur le ciel sans repère

Deze uitstap moet op Claude Roy indruk gemaakt hebben want jaren eerder had hij dezelfde zomerdag ook al opgeroepen in het gedicht « Oestrich » (Poésies [1939-1953], Gallimard, Collection Poésie 60)

Ecoute maintenant écoute jusqu’au très plat des Flandres
les carillons rieurs et doux ricocher dans l’après-midi calme
Nous descendons en péniche le canal d’Oestrich
en compagnie des cloches long-courrières
dans l’odeur naïve de vase et de goudron
Nous ne disons plus rien Simplement c’est la demie qui sonne au beffroi de Bruges
le long du lent chaland qui redescend sur Gand
et l’eau l’eau sage l’eau secrète l’eau qui vient d’aussi loin
que notre silence d’aussi loin que des cloches songeuses
d’aussi loin que notre mort qui coule son eau noire
et monte à nos genoux très régulièrement.

Het motief van het water, de dood als terugkerend thema, de tijd die verglijdt, elementen die het œuvre van Claude Roy bepaalden. Het beeld dat hij hier schetst is dat van het voor ons valse Vlaanderenbeeld dat ook Jacques Brel (gelukkig heeft deze ook ‘Les Flamandes’ geschreven) geschetst heeft: het trage, gemoedelijke, landelijke leven dat door de natuur en verre geluiden beheerst wordt, de klanken van de klokken zijn menselijke, want historisch bepaalde, geluiden. Gent en Brugge worden genoemd, overblijfselen van een middeleeuwse mentaliteit. Dit is het beeld dat Claude Roy in zijn voorwoord bij L’étonnement (de Franse vertaling van De verwondering van Hugo Claus) geschreven heeft. (Oestrich, het kanaal van Oestrich is misschien een Franse verbastering van Oostkerke (bij Damme)). Roy beschrijft niet het Vlaanderen van Tijl Uilenspiegel, maar dat van Lamme Goedzak; niet de collaboratie en de tot vandaag durende corruptie, wel het leugenprentje van Felix Timmermans. Zo dichtbij en zo ver af.

Het gedicht « Les mystères du télégraphe » is opgedragen aan Françoise Gilot en beschrijft het kinderspel van vandaag en de zorgen die komen zullen. Gilot was enige tijd de vrouw van Picasso, hun kinderen Claude en Paloma. Claude Roy heeft teksten over en voor Pablo Picasso geschreven. In La guerre et la paix (1954) besprak hij het gelijknamige werk van Picasso maar het voornaamste was dat hij heel wat voorstudies in dit boek opnam waardoor het ontstaansproces én de rijkdom van het werk tot uiting konden komen. Maar later meer hierover. Hij schreef ook L’amour de la peinture (1987, version revue et corrigée) waar hij achtereenvolgens Rembrandt, Goya en Picasso behandelde. Het essay over Goya is veruit het belangrijkste en origineelste: op een intelligente manier combineert hij de schilderkunstige en de maatschappelijke problemen die leidden tot de kunst van Goya. Dit sprankelen wordt getoond in bijvoorbeeld een zin als « Il n’y a pas de clair-obscur dans les grands portraits officiels de Goya, parce qu’il n’y a pas de volonté de juger. ».

Claude Roy en Françoise Gilot hebben een korte relatie met elkaar gehad – tijdens haar periode met Picasso. Vrienden vonden het nogal straf dat hij met de vrouw van de meester ging tijdens het verzamelen van gegevens en het schrijven van het essay over de meester. Picasso de horens opgezet. Maar Roy was niet de enige, ook de filosoof Kostas Axelos was korte tijd een begunstigde en na de breuk met Picasso is Gilot snel getrouwd met een andere vriend, Luc Simon. Om ook eens een andere zijde te laten horen: de kringen rond Picasso, de kringen van wat jeugd is, hadden een vrije moraal, dus ook een vrije seksualiteit.

De kring rond Picasso reageerde uiteraard furieus en hitste de meester op , die zich gewillig in een slachtofferrol liet duwen. Er was nog een ander facet. Gilot, die zelf schilder was, riep nog meer woede over zich af omdat ze beweerde dat zij, en niet hij, de toekomst van de kunst belichaamde – wat een audace! Maar in die tijd had Gilot gelijk: de abstracte kunst werd algemeen gezien als de enige toekomst van de schilderkunst, de figuratie was anekdotisch en Picasso was blijven steken, meer nog, hij heeft nooit de sprong naar het abstracte gemaakt. Het waren de jongeren die het kubisme verder naar de abstractie wilden doorvoeren. (Gerard Reve: ‘Kunst’ ‘De schilder Aldert K. te R. / Werkt overdag, voor het Bestel, abstrakt / Des nachts, in het geheim, / Schildert hij figuratief.’)

Die tijd was het einde van de ‘ezeltijd’: het ‘tableau’ was verouderd (zelfs een Matisse geloofde dat, dacht dat de kunst collectief zou zijn en de ruimte zou veroveren). Picasso heeft nooit de stap naar de abstractie gezet omdat hij het gevaar toen al zag (wat ook bewaarheid werd): abstracte kunst wordt een steriel systeem en vervalt in decoratie, Oosterse versiering. Een schilderij moet niet behagen, maar bijten. Kunst moet transformeren, niet in een kader geduwd worden.

Er is de ‘handdrukken’-keten (‘the six degrees of separation’ van Stanley Milgram), men zegt dat elke mens 6 handdrukken van elke andere mens verwijderd is.

Hugo Claus gaf mij een hand.
Claude Roy gaf Hugo Claus een hand.
Pablo Picasso gaf Claude Roy een hand.

Maar het kan nog beter.

Brigitte+Bardot+and+Pablo+Picasso+1956

Brigitte Bardot gaf Pablo Picasso een kus op de linkerwang.
Met zijn rechterhand raakte Pablo Picasso zijn linkerwang aan.
Die hand gaf Pablo Picasso aan Claude Roy.
Claude Roy gaf Hugo Claus een hand.
Hugo Claus gaf mij een hand.
Ik zwijmel.

Beeld 1: Claude Roy, Francis Poulenc en Pablo Picasso, 1954, voor het schilderij ‘La Paix’, Vallauris ; beeld 2 : Brigitte Bardot en Pablo Picasso, 1956

Advertenties