hugo claus en claude roy (3)

door johan_velter

hugo claus en claude roy 3_omslag censuur_gerda dieltiens

Een andere connectie tussen Claude Roy en Hugo Claus vinden we in Censuur, het veelkoppige monster (1969) van Gerda Schmook-Dieltiens, het derde nummer in de reeks ‘de gekleurde boekjes’ van Uitgeverij Johan Sonneville, in eenzelfde uitvoering als de Galgeboekjes van Uitgeverij De Galge uit Brugge. Sonneville was immers na een conflict met Jan Verhaert, de stichter van De Galge, daar vertrokken en een eigen uitgeverij begonnen. Zelfde auteurs, zelfde boekvormgeving, zelfde onderwerpen, zelfde lot uiteindelijk. Gerda Dieltiens is een tijdje de vrouw van Ger Schmook geweest, de grote bezieler en stichter van het AMVC, wat nu verworden is tot een Antwerps buurt- en bierclubje en ten onrechte Letterenhuis heet – want de opdracht is ruimer. Onlangs sprak ik nog met een verlichte geest en samen kwamen we tot het besluit: geef ons een tafel en een half uur tijd en we hebben een intelligent, innovatief en intellectueel inspirerend programma voor de volgende 10 jaar opgesteld, maar eerst moeten we de dooddoeners buiten krijgen.

Gerda Schmook-Dieltiens (vandaag de dag laten vrouwen uiteraard de naam van de echtgenoot vallen, het gaat hier om een verlichte geest van 50 jaar geleden – België is op dat vlak merkwaardig genoeg nog altijd een voorloper) die in de omgeving van Jaap Kruithof, Hein Picard en Jos Van Ussel (deze laatste geen onbekende in het gezin Claus-De Witte) werkte. Ze was een belangrijk figuur in de bevrijdingsbeweging rond seksualiteit, het CGSO, was een verdediger van de lessen zedenleer en een feministe. Ger Schmook was een verlicht bibliothecaris, zijn ideeën zijn nu nog steeds helderder dan de idiotie van de hedendaagse beleidsmakers die enkel

aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa

(gecensureerd: de leugens en de domheden verdragen geen woorden van waarheid, de samenzwering der idioten heeft zich tegen de beschaving verenigd)

bbbbbbbbbbbbbbbbbbbbbbb

enzovoort, enzovoort.

Van Schmook herinner ik me de uitspraak, die ik volledig onderschrijf en vol bewondering steeds herhaal (bewondering: omdat het van intelligentie getuigt reeds aan de eerste tekenen de problemen te kunnen ontwaren), dat de bibliotheken in hun sociale aanpak niet mogen vergeten dat ze in de eerste plaats een culturele taak hebben, dat het sociale via de cultuur moet gebeuren – en niet omgekeerd. Het sociale kunnen we nu zelfs uitbreiden naar het ‘politiek onderhorige’. Is het een aanwijzing of iemand al dan niet een lemma op Wikipedia gekregen heeft? Wel, het zogenaamde Letterenhuis heeft nog steeds niet de tijd gevonden (of het idee gehad) om een lemma van de stichter en bezieler van het AMVC op te nemen. Zo beschaamd is men toch tegenover de intelligentie en het geweten zichzelf te plaatsen.

De autobiografie van Ger Schmook, Stap voor stap langs kronkelwegen : gedenkschriften (DNB, 1976), is helaas niet erg leesbaar maar nog steeds interessant en relevant. Het is een verdediging van  de vrijzinnige en culturele waarden tegen de machtsusurpatie van de Katholieke Kerk en ook de reactionairen van andere partijen, ja de Kerk is een partij. Zo schrijft hij op p. 627: ‘Wij hebben onze tijd nog steeds nodig om in groten getale blijvend tot rijpheid te komen.’ In deze passage gaat het over het theater én de domheid en onnozelheid van ‘ons volk’, de Vlaming, die voor Schmook tot ‘de Sinjoor’ te reduceren is, die het belang van degelijk en intelligent theater niet inziet. Hij vermeldt Hugo Claus: ‘Het is zo moeilijk voor een Euripides-Claus-Tillemans-prestatie nu de handen op elkaar te krijgen.’ Het gaat hier over de Orestes-bewerking van Claus voor de KVS, door De Bezige Bij in 1976 uitgegeven. Het volk, het publiek maakt zich dik omdat Claus het aangedurfd heeft de grootheid van Conscience te relativeren, in de volgende passage moet men zelf komma’s plaatsen en de tekst ironisch begrijpen: ‘Het overkomt immers knappe lui, gebreveteerde opvoeders met heel wat lektuur, Hugo Claus zo maar af te wijzen? Niet zozeer omdat de auteur op een indringerige manier meent zelfs het poëtisch (folkloristische) vendelzwaaien generaliter als voor de toekomst gevaarlijk te doen afzweren (in ‘Tijl’ b.v.), neen! maar όmdat de auteur zich gemeenzaam, als gelijke, durft neerzetten op de knie van een Conscience, van de grootste onzer beperkte aarde.’

Het boekje van Gerda Dieltiens (een bewerking van haar thesis) is een aanrader voor hen die nu lichtzinnig oordelen over de vrijheidsstrijd van de jaren zestig en zeventig: iedereen die min of meer van het doodlopende straatje afweek, werd vervolgd, de vrijheid van  pers werd aan banden gelegd, de reactionaire partijsocialisten droegen, in hun kleinburgerlijke bekrompenheid, bij aan dit repressief klimaat – nauwelijks 30 jaar heeft deze periode van relatieve vrijheid geduurd, vandaag de dag heeft het establishment de vrijheid vermoord en de mens tot portemonnee vernederd.

Censuur, het veelkoppige monster (niet toevallig herinnert deze titel ons aan de vreemdsoortige wezens die door Claude Roy geïnventariseerd werden) is enerzijds een opsomming van ‘gebeurtenissen’, vandaag zou men spreken van ‘incidenten’, in navolging van een verkeerd begrepen Engels, anderzijds een theoretisering van het streven naar vrijheid en het in vraag stellen van censuur. Elke censuur. Centraal daarbij is de rol van de seksualiteit, er is een niet mis te begrijpen verovering door het volk van het eigen lichaam op de preutsheids- en verbodscultuur van het establishment. De seksualiteit was en is belangrijk omdat juist hierin de vrijheid ligt. Het is ook daarom dat de seksualiteit nu gedomesticeerd wordt, herleid wordt tot een consumptie-artikel, waarover de meisjesbladen advies geven en waar de meisjes wanhopig vragen of ze wel normaal zijn,  waar het niet gaat om voorlichting maar om vertrutting die de seksuele kracht en het gevaar van de seksualiteit niet alleen ontkent maar ook wil vernietigen. De bevrijdingsbeweging had dit niet op het oog.

Uiteraard wordt Hugo Claus een aantal keer vermeld, uiteraard met Masscheroen, maar Gerda Dieltiens ziet het ruimer en spreekt niet alleen over de enge politiek maar kadert dit in een ruimer cultureel kader van repressie – die repressie was, zoals we nu weten, de laatste kopstoot van de morele reactie. Censuur was in die dagen een gevoelig thema, alle kunstenaars en weldenkenden namen stelling in (nu wordt de censuur toegejuicht – zo hebben we geen eigen verantwoordelijkheid meer). Zo ook Paul de Wispelaere die in Celbeton op 15 april 1967 4 stellingen formuleerde: “1. niemand is verplicht een bepaald boek te lezen en zeker niet helemaal ; 2. het appél aan de moraliteit van de auteur is hypokriet, de bedreigde sereniteit is een verdoezeling van de realiteit ; 3. en wie heeft de lezer zo kwetsbaar gemaakt ? Een valse opvoeding o.a. ; 4. ook positieve boodschappen zijn schokkend : men denke aan de reakties van oude mensen tegenover de vernieuwing in de Rooms-Katholieke Liturgie.”.

Om de ‘status’ van Hugo Claus te begrijpen, moet men soms ‘achteloze’ vergelijkingen opzoeken. Zo ook in dit boekje waar de vijand (oh, en dit is niet ironisch bedoeld: de cultuurbarbaren zijn de objectieve bondgenoten van de IS-terroristen) zijn amechtig verweer verwoordt. Men moet weten dat die jaren (we spreken over eind jaren 60) de strijd om de openbare bibliotheek woedde (en wisten de stichters, de verdedigers van de idee van het recht op publieke waarheid en kennis wat er van hun streven verworden is, ze komen uit hun graven om te moorden), een tijd waar de katholieke, socialistische en liberale boekerijen angstvallig waakten over de rechtdenkendheid van hun leden en waar een ‘openbaarheid’ des duivels was. In het volgend citaat wordt de laagheid van De Volksmacht (het ledenblad van de katholieke arbeidersbeweging) geciteerd (laagheid: naar de personen, naar de cultuur in het algemeen, naar de humaniteit): men schreef te hopen dat ‘een nieuwe bibliotheek in Sint-Kruis niet zou uitgroeien tot een “pornografiewinkeltje waarvan het kultureel peil begrensd blijft tussen Zola en Claus” (p. 186). Wij zouden het niet erg vinden met Zola vernoemd te worden, maar de katholieke spreekbuis doelt hier natuurlijk op ‘de lage instincten’ die door beide auteurs verheerlijkt worden.

In haar besluit stemt Gerda Dieltiens in met Hugo Claus, dat hij in een wetenschappelijk traktaat instemmend geciteerd wordt, is een triomf zonder weerga voor de autodidact: ‘Maar wij geloven ook, met H. Claus, dat de vrijheid één en ondeelbaar is en dat bij ons de belangrijkste frontlijn nog rond de seksuele taboes ligt.’ De morale à papa moet vernietigd worden, maar is als een phoenix weer verrezen.

hugo claus en claude roy 3_omslag johan de roey

En Claude Roy? Op de rugzijde van het boek is een artikel opgenomen, getiteld ‘als claus in frankrijk’, de auteur is jdr, we veronderstellen Johan De Roey, de auteur van het boek Hugo Claus : een poreuze man van steen (Lannoo, 1964), journalist bij De Standaard en 1van de redacteuren van ‘de gekleurde boekjes’. Ik citeer de volledige tekst van het artikel (welke journalist durft vandaag nog zo te schrijven, een tijd waar ‘klantvriendelijkheid’ slaafse geesten opgeleverd heeft?):

‘Te midden van het oorverdovende provincialistische geroddel is het goed te weten hoe een Parijs criticus als Claude Roy denkt over de schrijver uit het kleine land, Vlaanderen, Hugo Claus. In Le Nouvel Observateur van 14 april (nr. 231) [1968, jv] vergelijkt hij hem met de Catalaan Salvator Espriu, ook zo iemand uit een gering taalgebied, een cultuur die onderdrukt wordt omdat de Catalanen politiek en sociaal geleden hebben onder de zege van Franco’s legers. Claude Roy schrijft: “Zoals Salvador Espriu de waarheid zegt over zijn land, zegt Hugo Claus de volle waarheid over zijn Vlaanderen. Wat verklaart dat de Belgische tribunalen hun grootste levende toneelschrijver zopas tot een gevangenisstraf veroordeeld hebben (NB : inmiddels omgezet in een voorwaardelijke straf) onder het belachelijke voorwendsel van een aanslag op de eerbaarheid ter wille van zijn bewerking en regie van een oude middeleeuwse legende. Ik heb het gewraakte spectakel gezien en ik zweer dat er niets gebeurd is om drukte over te maken of om een dichter te veroordelen. Maar misschien inderdaad wel iets, om de clericalen boos te maken, wier gewicht op de Vlaamse cultuur weegt als een loden mantel. “ Aldus Claude Roy. En toch … Het is niet zozeer de clericale druk misschien maar wel de druk van een reactionaire groep, waaruit rechters en procureurs doorgaans gerecruteerd worden. Ik zie ook een verband tussen Claus’ veroordeling en zijn toespraak op een meeting bij Clayson in Torhout waar hij protesteerde tegen het embargo door de VS tegen uitvoering van landbouwmachines naar Cuba uitgesproken, en waardoor de fabriek en de arbeiders gedupeerd werden. Officieus werd trouwens van officiële zijde druk uitgeoefend op eigenaars van zalen, opdat zij die ‘communisten’ (Claus en SVB-ers) niet zouden laten spreken. Het is wel eens goed dat luidop te zeggen.’ Ainsi Johan De Roey.

hugo claus en claude roy 3_ johan de roey en hugo claus in celbeton

SVB is de Studentenvakbeweging, Clayson is de producent van landbouwmachines, het grootkapitalisme… Over deze actie schreef Hugo Claus een artikel in De Gids, op DBNL te lezen, ‘de achterlijke streken bloeien’… nog steeds.

Claude Roy heeft dus, naar eigen schrijven, de voorstelling van Masscheroen op het ‘Vierde Experimenteel Festival’ (eigenlijk: EXPRMNTL 4, de vierde editie van het Festival voor Experimentele Film) te Knokke op 30 december 1967 bijgewoond. Er was toen wel meer te zien (o.a. Yoko Ono was aanwezig die zich in een zwarte doek gewikkeld tentoonstelde in de hal van het Casino) maar het is toch merkwaardig dat een Franse schrijver, die weliswaar Chinees kende maar naar onze veronderstelling geen Nederlands, een Nederlandstalige voorstelling bijwoont – ongetwijfeld ook wel omdat hij door de auteur ‘verwittigd’ werd van misschien wel enig spektakel. Hier zien we Claude Roy als journalist bij Le Nouvel Observateur, die de repressie in het buitenland rapporteert. We zien ook hoe er een netwerk gaande is: Hugo Claus – de Antwerpse connectie via de goddelijke toneelspelers – de Nederlandse connectie via Marina Schapers, vriendin van Peter Schat, en Jérôme Reehuis – Johan De Roey bij De Standaard – de Vlaamse georganiseerde vrijzinnigheid – de Knokse connectie – de Brugse vrijzinnige uitgeverij – de buitenlandse rapportering die binnenlands gebruikt wordt. Daarbij ook: het is toch opvallend dat de boekuitgave vooral een foto-uitgave is, de foto’s zijn van Ed van der Elsken en Suzy Embo. Niets is onschuldig.

hugo claus en claude roy 3_athanasius kircher_over china_17de eeuw
beeld: Athanasius Kircher, 17de eeuw

In dat stuk van Hugo Claus is er een rol weggelegd voor Batman, wij denken natuurlijk aan de goede man met zijn schandknaapje Robin, maar Claus legt er toch nog een laag bovenop. De televisieserie begon in 1966 en stopte in 1968, het kan ook dat Claus verwijst naar de strip. Batman betekent ‘vleermuisman’ en de vleermuis is een typische samengestelde figuur. Ze lijkt een muis (het aangezicht zelfs een menselijk gelaat) maar heeft vleugels, de verwarring is compleet omdat ze ook een nachtdier is en daarom wordt ze met de duivel geassocieerd. De vleermuis is op zichzelf al een complex dier (als zo’n dier in de werkelijkheid voorkomt, (de vleermuis als trait d’union tussen de realiteit en de fantasiewereld) dan kunnen een eenhoorn, een zeemeermin, een griffioen of een sfinx dan toch ook werkelijkheid zijn?), maar wordt in de beeldende kunst nog complexer gemaakt als drager van het kwaad. Waarmee we weer bij de huidige cultuurdragers terechtgekomen zijn.

De beeldentuin die in De verwondering beschreven wordt, heeft hiermee te maken: de verschillende gedaanten van het kwaad.

Advertenties