hugo claus en claude roy (2)

door johan_velter

hugo claus en claude roy 2_arts fantastiques_omslag

Een eerste duidelijk traceerbaar contact tussen Claude Roy en Hugo Claus is de Franse vertaling van De verwondering (1962) door Maddy Buysse, « L’étonnement » (Editions Complexe, 1976). Dit was een Brusselse uitgeverij en in werkelijkheid was dit voor Claus een achteruitgang: wie de Franse literatuur wil veroveren, diende in Paris (of nu in Arles) uit te geven. Ook Maddy Buysse was niet langer een autoriteit. Voor dit boek schreef Claude Roy een voorwoord. Hoe komt het dat Claude Roy dit deed? De Brusselse uitgeverij werkte gewoonlijk met een eigen entourage (vooral Brussels), Claude Roy was daaraan vreemd. Hij publiceerde voornamelijk bij Gallimard, maar niet uitsluitend. Hij behoorde dus tot de kern van de Franse cultuur. Het kan haast niet anders dan dat Claus zelf Claude Roy heeft voorgesteld. Ook het omslagbeeld van De verwondering (dat niet voor de Franse of een andere vertaling) gebruikt werd, is via Claude Roy gekomen. Maar daarover heb ik al eerder geschreven, ook de vertaling van een gedicht van Claude Roy in Dichterbij (2009) heb ik al eerder vermeld. We zitten dus al met drie duidelijke raakpunten.

Het boek Arts fantastiques (Robert Delpire, 1960), let overigens op het meervoud, dat ik hier toon, behoorde toe aan Guy Selz, de grote verzamelaar van populaire kunst. Claude Roy signeerde zijn exemplaar.

hugo claus en claude roy 2_arts fantastiques_guy selz

In een gesprek met Jean Weisgerber werd het boek van Claude Roy vermeld (Hugo Claus (Profielreeks, Manteau, 1976). De tekst van Roy is echter niet erg innoverend of diepzinnig, de prenten zijn een samenraapsel, hebben een encyclopedische waarde omdat ze een overzicht en een verscheidenheid bieden, maar ook de bijschriften zijn oppervlakkig en behandelen alleen maar de oppervlakkige gelijkenissen, vreemdsoortigheden. Wie wat gedaan heeft, wordt zelfs niet altijd vermeld. Beeld en tekst zijn niet met elkaar verbonden. Het belang van het boek ligt in het feit van het boek : het bijeenbrengen en presenteren geeft een recht van bestaan, het figuratieve heeft een geschiedenis en dus een toekomst. Toch zijn die ‘vreemdsoortige’ beesten en wonderwezens niet manifest opgedoken in het literaire en plastische oeuvre van Claus (wel in dat van Pierre Alechinsky en Camille D’havé, schilders waarmee Claus zich in verschillende periodes van zijn leven verwant voelde). Claus gebruikte deze wereld van irrealiteit als metafoor – zoals hij bewezen heeft met het omslagbeeld van De verwondering. Het gaat om de bepalende strategie van een beeld (een tekst), niet zozeer om wat er precies afgebeeld staat. In het hoofdstuk ‘Esquisse d’une philosophie du fantastique’ schrijft Claude Roy: « Le fantastique est une rupture avec l’ordre naturel, avec le déroulement logique des faits, ou bien avec nos habitudes, nos prévisions irraisonnées. » (Wat Stéphanie Vanasten het groteske noemt, is hier het ‘fantastische’ – de termen hebben allerlei nevenassociaties gekregen, een aanduiding dat onze denk- en leefwereld grondig verstoord zijn, maar een aanduiding dat Vanasten in haar bepaling van Claus’ oeuvre als grotesk, op de juiste weg zit.) De definiëring van Claude Roy loopt gelijk met Claus’ werkwijze: hij schetst een combinatie van mogelijke en onmogelijke elementen; hij creëert een situatie en laat daarin handelingen zien die op het eerste gezicht onlogisch zijn, maar, gegeven de situatie, daaruit voortvloeien.

Of laten we dit beseffen: « Il y a toujours dans le fait fantastique une tonalité d’angoisse et de crainte. » In Claus’ œuvre wordt de angst gemaskeerd : de angst voor de atoombom, de angst om door de mand te vallen, de angst niet aanvaard te worden, de angst te mislukken, de angst ontmaskerd te worden. Het maskeren is daarom een levensnoodzaak, het is een gesteldheid die door een boek gejustifieerd kan worden. De maatschappelijke context is evident: het fantastische, het ongewone, het chaotische, het misvormde (allemaal elementen die niet hemels, niet orthodox zijn) floreren (sic) in crisissituaties maar geven ook een ongehoorde vrijheid: niet langer gebonden aan het naturalistisch bedrog (zoals dat van hedendaagse charlatans als Christoph Büchel die onder het mom van engagement anderen uitlachen). Claude Roy: « Il est vrai que le fantastique jaillit dans les sociétés en état, sinon de crise, du moins de tension. Les civilisations qui ont élaboré un art de vivre équilibré et accompli ne connaissent ni la tentation, ni les menaces du fantastique. » Maar hier zit Roy verkeerd : de Romeinse schilderkunst heeft de fantastiek gekend, ook in meer vredige periodes en die figuratie is in de aristocratische decoratie van de 18de en de 19de eeuw terug opgedoken, niet omdat de aristocratie in gevaar was, wel omdat ze in een eigen wereld leefde. Het vormeloze werd hier teruggeschroefd tot een decoratie die een charmante lieftalligheid en sensualisme uitstraalde, een lichte erotische toets toonde.

hugo claus en claude roy 2_villa rothschild, nice

Beeld: villa Rothschild, Nice

Het boek van Claude Roy is typisch Frans: een oriëntatie naar de universele vormen, zoals een André Malraux zijn musée imaginaire opvatte: niet gebonden aan geografische grenzen of afgebakende tijdsperioden (deze opvatting heeft meer te maken met een neoplatonisme dan met een sociologische of iconologische benadering van de wereld, in België is Paul Vandenboeck hiervan de esoterische navolger). Zo verbindt Claude Roy het Gentse Liber Floridus (1125) met de Oosterse wereld, omdat er krokodillen te zien zijn, niet op een wetenschappelijke manier (men kende elkaars cultuur door handel en oorlog) maar door een gemeenschappelijke, ‘Jungiaanse’ oergrond: « Mais ce qui est déterminant, ce n’est pas l’influence de la Perse sur la Flandre, c’est l’état d’esprit commun de l’enlumineur ou du tailleur de pierre flamand et de leurs confrères d’Asie. ». Een voordeel van deze benadering is dat er geen hiërarchie meer is (maar een republikeinse zienswijze hoeft niet gelijk te zijn aan een irrationalisme en een afkeer van de wereld) waardoor volks- en officiële kunst naast elkaar komen te staan, dat de nadruk op de Westerse kunst niet aanvaard wordt, dat verdoken kunst (in boeken en prenten) evenveel waarde krijgt als een paneelschilderij, dat morele en esthetische richtlijnen geen censuur kunnen opleggen: elke vorm is een vorm. Enerzijds benadert deze richting kunst als vol van inhoud, anderzijds als vorm van vorm.

hugo claus en claude roy 2_petrus christus_denijs de karthuizer

Beeld: Petrus Christus, Portret van een karthuizer (sommigen veronderstellen dat dit Dionysius de Karthuizer is)

In dit boek vinden we op de voorlaatste pagina een verwijzing naar Denys de Ryckel (1402-1471) . We weten dat deze figuur voor Claus belangrijk was, (de verteller in De verwondering heet Victor-Denijs De Rijckel), er zijn verschillende mogelijkheden waarlangs hij deze Vlaamse mysticus (Dionysius de Karthuizer) heeft kunnen leren kennen – naast William Gaddis blijft zijn vader ook nog een mogelijkheid. Ik citeer de passage in extenso, waarbij ik de nadruk wil leggen op de terloopsheid waarmee de Vlaamse geleerde vernoemd wordt, maar het is juist dan dat Claus bijzonder attent was en via een ‘detail’ een ‘kern’ van De verwondering bepaalde:

« Les imagiers des séjours infernaux, de l’Enfer des Très Riches Heures de Chantilly à celui du chartreux flamand, Denys de Ryckel, ne nous communiquent pas impassiblement une décision de Dieu, qui a jugé que les pêcheurs seront brulés à petit feu, tenaillés et éternellement suppliciés. Ce qui rend leurs représentations de l’Enfer à la fois convaincantes et troublantes, gênantes et angoissantes, c’est la connivence qu’on y devine entre les décrets du Seigneur et les instincts les plus bas de l’artiste. »

Belangrijk hierbij is dat Claude Roy een decisieve functie legt bij de kunstenaar zelf, het werk laat bepalen door diens ‘lage instincten’, ook zijn gevoelens van wraak, zijn rol van beul, zoals de passage verder gaat. Ook dit behoort tot het fantastische/groteske: er zijn machten in het spel die voorbij de menselijke rede en logica gaat – we noemen iets chaos en ordeloosheid omdat we er de structuur niet van kunnen zien. Wij leggen hier de beïnvloeding van Claude Roy naar Hugo Claus, maar de vraag kan ook gesteld worden hoe het komt dat Roy Denijs de Karthuizer kende, of waar hij gegevens over Pieter Huys, de fantastische schilder gehaald heeft. Er is ‘uiteraard’ geen bibliografie opgenomen in het boek Arts fantastiques, dat toch een onderdeel van de Encyclopédie essentielle was.

Advertenties