ach vogelmijn, ach vogelmijn / wat zijt gij mij nabij

door johan_velter

Ik was aan de passage in Gilbert Ryle’s The concept of mind (Hutchinson’s University Library, 1949, p. 159) gekomen waar hij een verband legt tussen het moderne idee van het bewustzijn en het protestantisme: het goddelijke licht van het individuele geweten dat werkzaam is ‘without the aid of confessors and scholars’. De metafoor van licht werd door Descartes en Galilei gebruikt om het menselijk verstand uit de mechanica te redden : het bewustzijn speelde dezelfde rol in het menselijk bestaan als het licht in de mechanische wereld: het denken als een zelf-Verlichting. We zijn vergeten wat licht betekent.

De merelaar was zenuwachtig, een voortdurend getik, metalig, zelfs snerpend en indringend, ik durf het haast niet te zeggen maar het was zo: enerverend en vervelend.

Er is geen zanglijn, geen melodie maar korte, scherpe geluiden te horen. Ik volg hem met mijn ogen, hij zit op plaatsen waar hij normaal niet zit, hij wipt van de ene dakgoot naar de andere, hij heeft een worm in zijn snavel. Het is alsof hij van alle kanten de 16 m² in het oog wil houden, zijn gebied wil afbakenen en bewaken, zit te speuren naar wat? Naar gevaar? Naar bedreiging? Wat is het probleem? Kan een vogel zenuwachtig zijn of is dat een projectie? Ik hoor angst en ongerustheid. Ik denk natuurlijk aan de buren die sympathiek een kat willen hebben maar dat wanbeest overal laten rondsluipen, haar vlooien verdelend over de buren, vogels beloerend, haar achterbaks en lui en vadsig gedrag overal etalerend, een monster van egoïsme van monsters van egoïsme, geroemd om de onafhankelijkheid, in werkelijkheid een vraatzuchtig onbeest. Het is voor dat duivelding te warm, het is nergens te zien, de kat steunt de uitbuiting van de aarde en eet het kattenvoer uit blik, wat een decadente maatschappij: grondstoffen gebruiken om overbodige, schadelijke beesten te voeden, er is geen kat te zien.

mereljong_1

Daar zie ik het mereljong, nog te jong om uit het nest te kunnen vliegen. Als hij daar in dat kot blijft zitten, is hij een vogel voor de nu figuurlijke kat, die de natuur is. Ik krijg het vogeljong buiten, maar wat nu? Natuurlijk is het angstig, ook in deze hitte, moet de vogel het koud hebben.

Is het mereljong een Icarus, een Prometheus? Uit het nest gevallen/gevlogen, heeft hij nog niet de kracht om echt te vliegen.

Het merelpaar is de hele dag, tot laat in de avond, te horen, ongerust. Of maakt het lawaai om de aandacht van het jong af te leiden? Wil de merel zich opofferen om het jong te redden? Dan is de merel, zoals hij door dichters en kunstenaars soms is gezien, (de pelikaanfiguur een sprookje), een Christusfiguur, geeft hij zijn eigen leven, is dit een zelfmoord.

Zoals ik een organisatie ken waar men wacht op een zelfmoord om pas dan in actie te moeten komen. Preventiebeleid heet dat. HRM.

Effectief: de merel wordt door de kat bedreigd, deze komt aangeslopen, de merel ziet haar niet (zogezegd!), ik sla de handen in elkaar, de kat, het symbool van de lafheid, vlucht angstig weg. Maar haast zich niet, niet uit trots, uit lamlendigheid, te vet om zich te kunnen bewegen.

De merel wipt op de scheidingsmuur van de andere slechte buren, hij slaat met zijn vleugels, dat heb ik hem nog nooit zo zien doen. Om een dwaze vergelijking te nemen: het is als een Parkinson-patiënt die maar steeds met zijn benen blijft slaan. Is het een misinterpretatie als hij zijn mereljong wil wijsmaken dat het met zijn vleugels moet slaan om te kunnen vliegen en weer in het nest te geraken? Het jong kan niet naar het nest in de klimop vliegen, zelfs de ouders hebben het daarbij te lastig, de klimopstructuur te zwak. Dus blijft het op de grond en de grond is voor een vogel gevaar.

Ik vul de waterbak met vers water, ik strooi rozijnenbrood (is dat dan geen decadentie?) op de grond, en weet niet wat gebeuren zal.

’s Anderendaags, weer is de merel zenuwachtig, het mereljong leeft nog, er zijn verse uitwerpselen, ik zie hem loeren als een uilenjong en het lijkt erop dat de merel op de grond gevoed wordt. Nu is de 16 m² verboden grond voor mensen. Ik hoor geritsel in de klimop, maar klimop is een geschikt camouflageschild. Ik zie niets. Weer geritsel, ik hoor de merel in de boom vallen en dan zie ik hoe hij het mereljong voedt. Omdat de klimop geen takken maar bladeren heeft, kan zelfs een vogel die niets weegt zich nauwelijks in de klimop handhaven en daar hangt hij net boven het jong te fladderen zoals een mees rond een vetbol kan hangen, hij slaat met zijn vleugels maar kan dat niet volhouden, hij vliegt weg, geen eten meer in zijn bek, het jong is gevoederd.

mereljong_4

Plots 3 meter hoger in de klimop een geritsel. Daar zit een ander mereljong, al even hulpeloos, al even dwaas. Daar vliegt de merelin in de klimop, nog net is haar staart te zien, ook dat lukt.

’s Anderendaags, de mereljongen zitten in de boom, uit het net maar wel gemakkelijker te voeden en ze worden niet belaagd door het kattengespuis.

Guido Gezelle, de zogezegd nederige, beschrijft de merel zoals hij in dienst van de mens moet staan. Niet de merel staat centraal, wel de mens die naar het goddelijke moet reiken én door het goddelijke wordt neergeslagen. In de tweede strofe betekent ‘sperel’, spar, we lijken dus in een bosomgeving te zijn. De combinatie van het merelgezang en de vallende avond is altijd een succesnummer: zo ontstaat melancholie: twee uitersten die tegelijkertijd samenkomen, stemmen de mens droef en vrolijk, de essentie van geluk: weten en aanvaarden dat wat is en weten dat het anders kan. Gezelle is een speelvogel, het laat hem toe hetzelfde te herhalen, altijd maar andere woorden opnieuw te hanteren waardoor hij de muziek met de eindeloze herhalingen en variaties kan ‘imiteren’. In de derde strofe vergelijkt hij het vogelgeluid met bijbelse gezangen, kerkelijke muziek: de natuur is een tempel Gods – een natuurliefhebber zou de vergelijking anders gelegd hebben: zie hoe de mens dat gezang wil imiteren en overtreffen. Strofe 9 is die keer: hij hoort in de kerk iemand zingen, wiens stem hem aan de merel doet denken. In de volgende strofen vraagt Gezelle zich op een socratische manier af wat de merel doet, dit is een truc, geen interesse. Hij blijft door de vragen stilstaan, hij laat zijn speeldoos horen, het zijn bijkomende mogelijkheden om zijn taalvirtuositeit te laten horen. Het is dezelfde truc die pastoors in hun preek gebruikten: ‘deed hij dat om zijn moederken te eren?’ ‘of deed hij dat om zijn deemoed tegenover God te tonen?’ ‘nee, zeg ik u, hij deed dat omdat hij luisterde naar de duivel!’ ‘de duivel Beëlzebub!, de door God verstotene!, hij die de hoogmoed in het oor van de mens gefluisterd heeft!’. In de voorlaatste strofe is de merel een ‘soter’, een verlosser, hij lenigt het leed van de dichter door zijn gezang dat jubelt en waarbij het leed verbleekt. Guido Gezelle zou zich een ware metafysicus tonen, ware daar niet de laatste strofe die hem aards doet klinken. Het gedicht eindigt niet met het goddelijke of het menselijke (de top wordt afgebroken, de pointe staat naast het verhaal) maar met de merel zelf die autonoom is, zich niet laat leiden en bepalen: hij zingt een laatste lied en weg is hij. De deemoedige dichter is een humorist, hij weet dat tussen zijn woorden en de natuur een kloof gaapt. Het lied is uit en de olifant heeft een fluit.

mereljong_5

Hebt gij nog geluisterd
naar den merelaan,
’s avonds, als het duistert,
als de sterren staan?

Op den hoogen sperel,
daar hij verre ziet,
luide zingt de merel
nu zijn avondlied.

Hoort zijn’ kele galmen
haal en wederhaal:
’t zijn lijk Davids psalmen
’t is lijk orgeltaal.

Kout hij met de blâren
van den boom, misschien;
die, al slapenvaren,
hem goên avond biên?

Kijft hij op de winden,
die, voorbijgegaan,
hem, den blijgezinden
vogel, ’t zwijgen raên?

Wenkt hij naar een’ sterre,
die hij ginder ziet
blinken, hooge en verre?
Ai, ‘k en wete ’t niet!

Een alleene het wijs is,
wat de vogel zingt,
weer het luide of lijze is
dat zijn’ tale klinkt.

Hoort zijn’ kele galmen
haal en wederhaal:
’t zijn lijk Davids psalmen,
’t is lijk orgeltaal.

Somtijds, in de kerke,
hoore ik stemmen aan,
lijk die lieve en sterke
van den merelaan.

Als ‘t, te zeker’ stonden,
sursum corda klinkt;
en ‘t, uit de orgelmonden,
zingt en wederzingt.

Rijzen doet mijn herte
naar den hemel, dan;
lijde ik pijne en smerte,
’t leed verlicht ervan.

Al met eens, hij schettert,
tiert en tureluit;
‘Vier slaat’ hij dat ’t spettert:
en … ’t is uitgefluit!

Guido Gezelle, 1880-1881?

Advertenties