het gewone leven van gewone jongens

door johan_velter

Men zou zijn naam niet direct verbinden met Paramaribo, maar Stanley Brouwn (1935-2017) was wel degelijk daar geboren. Telkens weer is het de oude imperialistische mentaliteit die de kop opsteekt: de uitgebieden (niet-West-Europa, niet-Amerika) worden als folkloristisch bestempeld, ze mogen deelnemen aan de culturele wereld maar zij moeten pittoresk en authentiek zijn, een beetje naïviteit is daarbij noodzakelijk, kinderlijkheid is zeer gewenst. Dat een Afrikaan een conceptueel artiest zou kunnen zijn, nee, zoiets mag niet op straat komen en zo is de hele integratiepolitiek ook in deze gedachte gevat.

Het museum van de Herbert Foundation is en blijft een verademing. Er is een verwilderde binnentuin, op de gelijkvloerse verdieping vier zalen, boven 1 grote ruimte, een omgebouwde fabriek, vooraan aan de Coupure nieuwe woningen voor rijk volk. De industrie weg, in de plaats het geld. Ook dit is en blijft een paradox waar ieder het moeilijk mee moet hebben. Niet enkel de ruimte is een verademing (licht! hoogte! ruimte!), het is toch vooral de collectie die rust geeft, die teruggetrokken en nederig zichzelf is. Al die oude, fragiele werken en boeken die zichtbaar verouderen, waar watersporen op te zien zijn, die door zovele handen gegaan zijn, de stoffen die vervagen, de kleuren die vervalen, en wij met die verhalen. Time extended 1964-1978 is de titel van de huidige tentoonstelling. De eerste zaal toont werk van Niele Toroni, boeken en grafiek van Donald Judd, Ed Ruscha is vertegenwoordigd met zijn baanbrekende kunstenaarsboeken. De tweede zaal Robert Barry maar vooral toch weer Daniel Buren, altijd een vreugde zijn werk te zien, het opgaan van de kunst in het dagelijkse leven, de rust van een soort serialisme, de opwekking van de kleur. In de derde zaal werk van On Kawara en Stanley Brown, drie plattegronden en een reeks fichebakken. De laatste zaal Joseph Kosuth, Art &Language, Baldessari. In de ruimte boven het bekend werk uit het SMAK van Luciano Fabro, Bacinelle (Iconografie) (1975). Het is ook een verademing in een museum te kunnen rondlopen en niet gereduceerd te worden tot een voyeur die de ellende van een ander moet bekijken zoals men in de dierentuin een aap gaat bekijken. België kent een grote traditie in het tonen van ‘de ander’: er werden op koloniale tentoonstellingen negers getoond, nu toont men vluchtelingen. De nieuwe missionarissen zitten in de culturele instellingen, ze tonen hun trofeeën.

Intellectuele en intelligente kunst staat ver van het straatrumoer, toch kun je niet beweren dat het de conceptuele kunst niet om de realiteit te doen geweest zou zijn. Er is de paradox. Door het materiaalgebruik en het medium (papier, foto) wordt de conceptuele kunst niet alleen naar het dagdagelijkse gebracht, ook de status van de kunst wordt veranderd: niet meer het eeuwige, maar het efemere. De toeristische postkaarten van On Kawara worden getransformeerd, terwijl ze juist hetzelfde zeggen als de eerste de beste toeristenkaart. On Kawara meldt dat hij om 10.15 uur opgestaan is, Marcel en Gertrude schrijven dat de frieten goed zijn en het bier gelijk thuis is. De kunstenaar stapt van zijn piëdestal en daardoor wordt zijn werk ‘ontheiligd’, het is opgenomen in de realiteit, ook de sociale omgang (Ian Wilson), het verdwijnt in de wereld (Richard Long). Maar tegelijkertijd komt die kunstenaar zelf in het brandpunt te staan. On Kawara doet dag na dag verslag van zijn leven door de datum (naar plaatselijk gebruik) op een klein doek te schilderen. Roman Opalka fotografeert zichzelf elke dag, Stanley Brouwn vraagt toevallige voorbijgangers hem de weg naar X te wijzen en vraagt hen een plannetje te tekenen.

Steeds gaat het over de verhouding van de kunstenaar tot de dimensies van tijd en plaats, wie ben ik als ik waar ben, wie ben ik die ook een ik is maar wel 10 jaar later? Ruimte, tijd en subject. Het serialisme (dat zowel een herhaling als een voortgang is) is een essentieel onderdeel van de conceptuele kunst en daarmee een bij uitstek Europese kunst: de lineariteit van het denken wordt tot uitdrukking gebracht. Er is enerzijds een ontindividualisering en een objectivering van het ik, anderzijds staat dit ik in het centrum van de kunstvorm. Vergelijken we dit met 3 andere kunstenaars die ook het dagelijkse leven tot onderwerp van hun werk genomen hebben: Cindy Sherman, Tracey Emin en Sophie Calle: geen objectivering, geen ontindividualisering maar een vuurwerk van spiegels en aandachtvragerij. Toch is er een gelijkenis, een expressionisme dat geen heftige gevoelens kent maar zichzelf als uitgangspunt van de wereld en betekenisgeving ziet.

Stanley Brouwn heeft heel wat kunstenaarsboeken gemaakt. De vormen zijn geëvolueerd tot hij bij een definitieve mal gekomen is: witte boekjes (dikwijls bijna een vierkant, soms ook 1 meter lang), in het midden op de rectozijde een maat, een lengte (bijv. a distance of 464 feet), wie alle bladen optelt komt op de titel van het desbetreffende boek uit (bijv. a distance of 2444601 feet). Meer nog dan de grote kunstenaars van de barok, de romantiek of een andere richting hebben deze kunstenaars het eigen leven gedocumenteerd én bewaard. Het is de bevrijding van de extase, het sublieme, het expressieve. Het burgerlijke leven is vlak geworden, er gebeuren geen tragedies, er valt niets te lachen, het schouwspel van de voorstad. Het is de nostalgie naar een heden zonder verleden, een nu zonder zwaarte.

Advertenties