meester raveel

door johan_velter

Telkens weer: wat is dat museum van Stéphane Beel toch doordacht, intelligent, evenwichtig, verrassend en teruggetrokken degelijk. Het Roger Raveelmuseum zou voor elke publieke dienst een voorbeeld moeten zijn: smaak en intelligentie kunnen dus wel samengaan – de voorwaarden zijn echter smaak en intelligentie.

Er is een kleine thematentoonstelling nu, de vroege Roger Raveel. Het is niet de beste expositie die ik er al gezien heb, te weinig structuur, je weet op het einde nog altijd niet wat men wilde duidelijk maken, een groot gebrek is dat er geen tijdskader gegeven wordt, de merde van zo veel tentoonstellingen: men doet alsof het schilderkunstig genie alleen op de wereld stond, dat hij zijn inspiratie uit de appelboom haalde en dat die mens alleen maar schilderde en kunst bedreef. De bezoeker krijgt een a4-papiertje mee met anderhalve bladzijde tekst. Als je een zin leest als ‘De intieme kamers van de voormalige pastorie bieden een ideaal kader voor een optimale esthetische ervaring van dit werk.’ dan heb ik de neiging om de woorden intieme, voormalige, ideaal, optimale, esthetische te doorstrepen. Als er dan nog dt-fouten en andere ongeregeldheden te bespeuren zijn, woordvulsels en zouteloze inzichten en opsommingen dan heb je niet veel aan een curatorschap. En als er zinnen zijn als ‘We zien ook een werk op papier in dezelfde geest.’ dan beschouwen we deze tekst als een spooktekst.

De tijdsafbakening is onduidelijk: er is werk uit de jaren 40, 50 en 60, dat is dertig jaar, vroege jaren duren blijkbaar lang, voor het RRM dus alles onder de 50 jaar (Raveel is geboren in 1921, gestorven in 2013). De vroege periode is ook voor literatuurliefhebbers interessant: zo kunnen ze zien wat voor Hugo Claus belangrijk was – Claus wordt in de tentoonstelling niet genoemd, toch bestrijkt de brievenuitgave die door Katrien Jacobs is uitgegeven precies deze jaren (Hugo Claus-Roger Raveel : brieven 1947-1962, Ludion, 2007). Roger Raveel heeft tijdens zijn leven twee grote dichters bij hem gehad. De eerste periode Hugo Claus, de tweede Roland Jooris. Er zijn nog anderen, zelfs na zijn dood wordt de schilder nog uitgemolken (ha, voor subsidies doet men veel) en dicht men eigenlijk altijd hetzelfde. Een mooie uitzondering was Charlotte Mutsaers.

Er zijn werken te zien die ‘geen echte Raveel’ zijn, merkwaardig toch is dat ook dat vroege werk weliswaar een twijfelende Raveel laat zien (Raveel die twijfelt!) (welke richting uit te gaan) maar dat telkens toch weer op een schilderkunstig overtuigende manier doet: hij klungelt niet (zoals hij dat op het einde van zijn leven (dat eigenlijk ook enkele decennia geduurd heeft) gedaan heeft. Zijn schilderijen zijn zelfbewust en de problematiek wordt steeds binnen het schilderij zelf uitgewerkt. Er is bijvoorbeeld het schilderij ‘Het rood van de ruimte in mijn tuin met karretje’ uit 1953, dat uiteraard doet denken aan Henri Matisse’s ‘Rode kamer, of Harmonie in rood’ uit … 1908. De titelpretentie van Raveel is hier zelfs groter dan bij Matisse maar toch, alhoewel de figuratie en het onderwerp verschillend zijn, hebben beide schilders dezelfde betrachting: ze streven naar een harmonie tussen mens en omgeving. Bij Matisse staat de mens centraler dan bij Raveel, deze laatste schildert veel roerloze natuur, zijn stillevens worden uitgebreid tot de mens (vandaar de roerloze figuur, de man op de rug gezien). 45 jaar verschil is er tussen het werk van Matisse en Raveel – een zoveelste argumentatie om een Europese cultuurgeschiedenis te onderwijzen.

Als Raveel begon te schilderen was de Dada-beweging al gerecupereerd, was het abstract expressionisme de hoogste vorm van vrijheid en kwam het conceptualisme als kunststroming al in zicht. De dorpsideologie van Raveel heeft hemzelf klein gehouden. Vandaar zijn groot commercieel succes bij de Vlamingen.

‘Vrouw aan tafel met zeester’ uit 1948 en ‘Vrouw’ uit 1949 doen denken aan Jean Brusselmans, bijvoorbeeld ’De dame met rode roos’ uit 1939. Bij beide schilders heb je niet alleen een stilte, maar vooral een stilstand, de werken lijken in de tijd gestold te zijn, het is alsof de schilders de mensen en voorwerpen in hun dood betrapt hebben – dit staat in contrast met de kleurrijkdom die beiden hanteren en ook dat draagt bij tot het intrigerende van die werken: er is een contrast tussen wat afgebeeld is (de figuratie – de ‘gemoedsgesteltenis’) en de middelen (de kleuren, de eenvoud). Beide schilders werken met kleur maar beide zijn ook meesters van de lijn.

Een aantal ensembles, tekening en schilderij met hetzelfde onderwerp, werd samengesteld, maar het is onduidelijk wat beoogd wordt. De status van de tekening verschilt bij Raveel al naargelang: soms is de tekening een eerste (?) ruwe schets, maar soms is de tekening een uitgewerkt kunstwerk. Soms staat de tekening als een voorontwerp, maar soms wordt jaren later een tekening naar het schilderij naar de werkelijkheid gemaakt. Dan zie je hoe ook bij Roger Raveel een « retour au classicisme » (het « retour à l’ordre » van Jean Cocteau) gespeeld heeft: men verwacht dat eens men abstract gewerkt heeft, men verder die weg zal bewandelen. Maar ook bij Raveel is er een ommekeer geweest: na een vorm van abstract en lyrisch expressionisme is de figuratie op de voorgrond getreden, waarbij nogmaals wordt aangetoond dat het abstracte en het figuratieve conflictueus zijn maar evengoed elkaars compagnon kunnen zijn.

roger raveel_retour au classicisme

Rechts een schilderij, ‘Vier witte paaltjes in mijn tuin’, 1948, links een tekening, ‘Vier gearceerde palen in mijn tuin’, 1951 gedateerd. Het schilderij is een vage herinnering aan de tweede Latemse school, maar de tekening is dat helemaal niet: geen symbolisme, geen expressionisme maar wel de lijnvoering van Jean Brusselmans: een trage, bedachtzame lijn met meer aandacht voor de details en de afzonderlijke elementen. Het schilderij is veel vager, is ‘slechts’ een boerenzicht – ware daar niet die 4 witte palen. Het schilderij is ‘abstracter’ dan de tekening en toch is deze laatste later gemaakt, de tekening is hier een zelfstandig medium, geen hulpmiddel op weg naar een schilderij. Toch is de tekening ook abstraherender dan het schilderij omdat het niet meer de natuurvormen ‘slaafs’ volgt maar een nieuwe realiteit ontwerpt: dan is het schilderij slechts een tussenstadium geweest. Niet toevallig zijn de kleuren verdwenen: er komt een cartesiaanse helderheid, i.p.v. de amorfe gevoeligheid van het expressionisme, weer een ander intrigerend moment: op de tekening zijn de boomvormen bijna spoken.

roger raveel_twee boompjes_1955

En dan is er een schilderij als ‘Twee boompjes’ uit 1955. Zijn de bomen bomen of danseressen? Zien we een boom of een faun? Hoe verhouden die vrije bewegingen zich tot het abstracte? Waarom zijn de kleuren grotendeels verdwenen en eenduidiger geworden? De natuur is een podium geworden waar de kunstenaar zijn vormen en ideeën geplaatst heeft. Roger Raveel heeft zich gevonden, meester Raveel. (Later zal hij zichzelf verloochenen.)

Advertenties