passerend

door johan_velter

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Uit het Museum Dhondt-Dhaenens te Deurle stappend, passeer ik voor de zoveelste maal de stenen die daar in de grond verankerd liggen. Is het achtergebleven natuur, een merkteken om, de hoek afstekend, niet op het gras te kunnen lopen? Nee, het is een werk van Bernd Lohaus. Op de website van zijn stichting wordt het werk niet genoemd en op de website van het museum wordt het ook niet tot de ‘hoogtepunten’ gerekend. Wel vinden we informatie. Het werk dateert uit 1991, de materie is Noorse leisteen. De stenen liggen met de rand op elkaar, er is daardoor een opwaartse beweging gaande. Lohaus heeft niet zo heel veel werken met stenen gemaakt, en toch verschillen die niet zo veel met zijn meer gekende hout- en touwwerken. Net zoals met de balken heeft hij op deze stenen geschreven, gekrast is een beter woord, hier zie je de oerbetekenis van het woord inscriptie gedemonstreerd.

Hout en steen fascineren ons, de oerkrachten zijn aanwezig. Lohaus schrijft woorden op zijn werken (niet altijd), tussenvoegsels, plaatsbepalingen, primaire begrippen als ich en du. Ook daarmee trekt hij ons naar het begin van de beschaving, een tuin, een paradijs. Het begin van de menselijke samenleving, van het denken. Zijn werk is een uitdrukkelijke vraag naar plaatsbepaling, naar relaties, wat zijn de verhoudingen tussen het ik en de ander, tussen het ik en de ruimte. Taal staat voor beweging, hier zijn de woorden gestold in oeroude materialen en krijgen daardoor een bijna sacrale betekenis. Er hoeft niet veel gezegd te worden om zinvolheid te bereiken.

De woorden die gebruikt worden zijn een reflectie van de plaats die de materialen tegenover elkaar innemen. Het is zelden dat Lohaus een werk uit 1 stuk maakt, er moeten verbindingen zijn, verhoudingen gecreëerd worden. De stukken hout of steen verhouden zich tot elkaar door (in) elkaar te grijpen. De nadruk op het ik en de ander leidt niet naar een besef van eenzaamheid maar wel naar verbondenheid. De schikking van de afzonderlijke delen wordt niet geometrisch bepaald maar organisch, het leven komt eerst, de vormloosheid ervan viert zege, de orde van de kunstenaar is gebaseerd op de levensvormen.

De stenen vormen samen de zin » Wellen zur Hand gegebenes Echo «, wat niet eenvoudig te vertalen is, de exacte betekenis is ruimer dan de woorden zelf. Golven veroorzaken een echo. De golven van Bernd Lohaus zijn hier echter onbewogen stenen, verzonken in de aarde, grafstenen bijna, en toch, klinkt hun waardig en menselijk geluid als een echo in het hoofd van de beschouwer die zijn fiets neemt en verder rijdt naar Sint-Martens-Latem.

Nu we toch beschouwelijk zijn en de ellende van het provinciestadje, daar enige kilometers verder, overdenken, laten we naar het kerkje van Sint-Martens-Latem gaan. En nu we Ooidonk passeren, laten we eerst naar het zwarte katholicisme gaan kijken. De Ooidonkdreef, ooit een van de mooiste dreven, is nu een kale vlakte geworden. Men kan naar de maan vliegen, men kan windmolens in zee bouwen maar een riolering aanleggen kan niet zonder eeuwenoude bomen te kappen. Dat kerkje was voor enige jaren een restant van het oude katholicisme, duister, wierook, merkwaardige attributen. Maar … sinds 2014 is dit gebouw geklasseerd en het interieur is ‘opgeknapt’, d.w.z. dat het katholicisme verdwenen is en dat het protestantisme zichtbaar is. De muren zijn helder wit geschilderd, de relikwieën zijn verborgen en in de kerk zelf heeft men een toonkast geplaatst met kerkelijke voorwerpen, zoals men dat doet op een ‘koloniale expositie’, kijk eens in wat die negers allemaal geloven. En nu is het kijk eens in wat jullie allemaal moeten geloven, want ondanks alle zogezegde Verlichting heeft het katholicisme nog geen enkele dwaling afgezworen: de duivel bestaat, exorcisme is toegelaten, hel en verdoemenis zijn een realiteit, in de mis wordt het bloed en het lichaam van Christus zichtbaa – de transsubstantiatie is géén metafoor – , iedereen is zondig en de vrouw is minderwaardig.

In de kerk is een processiemeubel uit de 18de eeuw aanwezig: het hoofd van Johannes werd op de Sint-Jansommegang rondgedragen. Toen de kerk nog niet mismeesterd was, was dit 1 van de meer lugubere stukken. Nu is het helemaal vooraan bij het altaar geplaatst (niet toegankelijk voor het publiek) en opgepoetst, het is van zijn betekenis ontdaan.

sint-martens-latem_kerk_gustave van de woestyne

In de oude kerk van Sint-Martens-Latem, nadat we het huis waar Karel Van de Woestijne en Gustave Van de Woestyne, broers met een andere naam, Karel heeft zijn naam vernederlandst, gewoond hebben, gepasseerd zijn en een vers gemompeld hebben (‘De zee wacht, maar ik doe mijn deure dicht’), zijn we weer overdonderd door het schilderij ‘Maria geeft de rozenkrans aan Sint-Dominicus’, het is een groot altaarschilderij, duister geworden, bovenaan is nauwelijks te zien dat daar een schare heiligen staat (maar op foto is dit wel duidelijk), het onderwerp van het werk is nog steeds zichtbaar adembenemend. De dominicanen hebben de rozenkranscultus in het katholicisme geïntroduceerd, de dominicanen zijn ook verantwoordelijk geweest voor duizenden en duizenden moorden op andersdenkenden en ongelovigen. Nog nooit heeft de orde een excuus geformuleerd. Gustave Van de Woestyne dacht als jongeman in het klooster te gaan.

Hij heeft het werk uit dankbaarheid geschonken aan de kerk omwille van de mooie jaren die hij en zijn kameraden in het dorp doorgebracht hebben. Het werk is geïnspireerd op de ‘Vlaamse Primitieven’, de verhouding van de boom tot de figuren klopt niet, Dominicus is naar verhouding te klein, maar dit zijn naturalistische opmerkingen: het gaat immers om een gradatie van waarden. De verfijning van het schilderij is verbluffend, de hiëratische houding van de figuren wekt eerbied op, de heilige is niet op een vernederende manier afgebeeld maar als een zelfbewuste figuur die weliswaar de handen in de hoogte houdt maar dat niet doet uit wanhoop, er is nauwelijks emotie te zien, wel uit een onderwerping vanuit een sterke wil, een diep geloof. Het schilderij is 1900 gedateerd maar Piet Boyens maakt daar 1905 van. Zijn argumentatie is gebaseerd op een brief van Alfred Dutry en op stilistische kenmerken: in 1900 kon de schilder nog niet zo’n volmaakt werk afleveren. Waarom hij toch 1900 gedateerd heeft, maakt Boyens echter niet duidelijk. Gaat het om een ‘opdracht’ die de schilder meent gekregen te hebben in 1900? Een visioen?

In de kerk hangt theatraal hun stichter.

sint-martens-latem_kerk_christusbeeld

Rond het kerkje is het oude kerkhof nog aanwezig. We groeten Albinus Van den Abeele,

sint-martens-latem_kerk_graf albijn van den abeele

en gaan nog eens naar het grafwerk van George Minne kijken, een ‘Moeder en kind’, een gelijkaardig beeld (Minne heeft nogal gemolken) staat ook op het kerkhof van Sint-Denijs-Westrem. De werken op beide graven zijn geen topwerken, Minne werkte niet altijd met goede ambachtslieden waardoor de kwaliteit van zijn beelden sterk kan verschillen: te grof, te ruw, te bruut, tegengesteld aan de stilering die hij betrachtte.

En er is een beeld van Leon Sarteel.

sint-martens-latem_kerk_leon sarteel

Advertenties