yeats vertalen (2)

door johan_velter

De twee laatste regels van de eerste strofe (van Yeats’ gedicht ‘The Second Coming’):
7-8: The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

PC: De besten missen elk geloof, de slechtsten
Zijn met hartstochtelijke kracht bezield.

MvdB: de beste mensen willen niks, terwijl de slechtste
vol vuur zijn en volledig overtuigd.

JE: de besten missen elke overtuiging, terwijl de ergsten
vol zijn van hartstochtelijke kracht.

SpvdEp: de besten missen alle overtuiging, de slechtsten
zitten vol vurige kracht.

ARH: de besten zijn onovertuigd; de slechtsten
zijn vol hartstochtelijke hevigheid.

De eerste strofe kent aldus een cirkelbeweging, of is als een spiraal. Het gedicht begint met een redeloosheid en het einde van de eerste strofe bevestigt dit om daarna verder te gaan in de tweede: erg wordt erger, chaos wordt misdaad. Ook deze regels zijn van een indringende waarheid: zij die weten, zij die nog een hoofd hebben, hebben geen band meer met de werkelijkheid, ze missen het geloof (de valk-valkenier-relatie is verloren gegaan). De tegenstelling besten-slechtsten is belangrijk: de eersten zijn de verstandelijken, de tweeden de redelozen. Hartstocht is, net zoals enthousiasme, geen positieve waarde; het is een zich overleveren aan het kwaad, het bandeloze. Enerzijds is er de sceptische democratie, anderzijds het vlaggengezwaai van de dictatuur. De woorden ‘worth’ en ‘passionate’ zijn de stapstenen naar het kwaad dat zich manifesteert in het beest.

De tweede strofe begint aldus:
9-10: Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.

PC: Jawel, een openbaring is in aantocht;
Jawel, de Wederkomst is daar in aantocht.

MVDB: Nu zal de openbaring toch dichtbij zijn;
nu zal de wederkomst toch heel dichtbij zijn.

JE: Zeker is er een openbaring in aantocht.
Zeker is de Wederkomst in aantocht.

SpvdEp: Voorwaar, er is een openbaring ophanden;
voorwaar, de Wederkomst is ophanden.

ARH: Een openbaring moet ophanden zijn;
de Tweede Komst moet wel ophanden zijn.

Het woord ‘surely’ wordt door de vertalers anders opgenomen. Bij Adriaan Roland Holst zit dit geborgen in het werkwoord; de ‘Spiegel’ is de enige die de bijbelse plechtigheid opneemt met het woord ‘voorwaar’, Eijkelboom vertaalt eenduidig met ‘zeker’, Van der Beek vertaalt affirmatief met het woord ‘nu’ dat een zekerheid verwoordt en Claes gebruikt het dagelijkse ‘jawel’.

11-17: The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.

De dichter heeft het angstvisioen van de Wederkomst onder ogen gehad en nu ziet hij daadwerkelijk Het Beest: in de dorre vlakte, die de woestijn is, ziet hij een dier, een leeuw met een mensenhoofd, het beweegt zich traag voort en vogels cirkelen rondom hem. De hybride, de sfinx, verenigt in zich dier en mens, de kracht en het hoofd, maar door de ‘misvormdheid’ is het mensenhoofd niet het teken van intelligentie maar wel van een duivels verstand: de hersenen die door de brute kracht beheerst worden, doen alleen het kwaad, zijn niet langer het ‘geschenk’ van het goddelijke. Met ‘Spiritus Mundi’ zitten we in een hegeliaanse geschiedenisopvatting (Weltgeist). Waar Hegel de culminatie van de geschiedenis op een positieve manier in zijn eigen tijd verwezenlijkt zag, ziet Yeats slechts ondergang. De hegeliaanse denkwijze van these-antithese-synthese_these-antithese-enzovoort is te vergelijken met het beeld van de spiraal, waar elke opgang tevens de grond vormt voor een verdere opgang. De ‘Wederkomst’ wordt verbonden met de Christusfiguur die terugkomt op aarde om orde op zaken te stellen, maar is bij Yeats hier de antichrist. Uiteraard is de Spiritus Mundi ook gelijk te stellen aan of een afgeleide van het goddelijke – de wereld staat immers in een afhankelijkheidpositie. Yeats, zegt men, gebruikt dit beeld echter ook als een soort vergaarbak waar symbolen en beelden van de hele mensheid zijn verzameld en waaruit geput kan worden (dromen, angstvisioenen, jungiaans te interpreteren). Yeats kende Jung uiteraard niet, hij was wel een occultist en mysticus – net zoals Jung had hij een vergaarbak tot zijn beschikking. Maar het is niet zomaar een beeld uit die speelbak die hij kan bovenhalen: wat hij ziet herkent hij als een emanatie van de Wereldgeest, die zich tot beest getransformeerd heeft. Het dier is hem niet vreemd: hij ziet en het zien is weten en herkennen. Was het maar enkel een beeld – dan konden we het nog als een nachtmerrie zien. Het Kwaad is echter binnengetreden. De associatie met de zon (het vuur, de hitte) brengt de aandacht naar de hel.

PC: De Wederkomst! Het woord is pas verklonken
Of een immens beeld uit de Wereldgeest
Verwart mijn blik: door het woestijnzand waart
Een leeuwenlichaam met een mensenhoofd,
Dat ongenadig starend als de zon
Zijn dijen traag beweegt, terwijl rondom
Gedaanten van verstoorde vogels warrelen.

MVDB: De wederkomst! Het woord is net gevallen
als een verschijning van de wereldgeest
mijn beeld verstoort. Ergens in het woestijnzand
beweegt een leeuwenlichaam met een mensenhoofd
en met de lege harde blik als van de zon
de trage dijen. Alle kanten op
schieten de schaduwen van bange vogels weg.

JE: De Wederkomst! Net is dat woord eruit
of een reusachtig beeld uit de Spiritus Mundi
verontrust mijn blik: ergens in zand van de woestijn
beweegt een vorm met leeuwenlijf en mensenhoofd,
een lege blik, meedogenloos als de zon,
zijn trage dijen, terwijl overal rondom
schaduwen draaien van verontwaardigde vogels.

SpvdEp: De Wederkomst! Nauwelijks zijn die woorden gesproken
of een reusachtig beeld uit Spiritus Mundi
vertroebelt mijn zicht : ergens in het zand van de woestijn
verroert een gestalte met leeuwenlichaam en het hoofd van een mens,
Met een blik leeg en meedogenloos als de zon,
zijn trage dijen, terwijl om hem heen
de schaduwen van de verontwaardigde woestijnvogels rondwervelen.

ARH: De Tweede Komst! Aanstonds met deze woorden
verstoort een machtig beeld uit Spiritus Mundi
mijn blik ; ergens in het woestijnzand gaat
’n gedaante, een leeuwenlijf met menschenhoofd,
zijn trage dijen roeren, wijl rondom
tuimlen schaduwen van de gebelgde vooglen
der woestijn ;
(Adriaan Roland Holst heeft regel 15 laten vallen en daardoor komt de regelval bij hem ook anders te liggen – het lijkt een vergetelheid te zijn, niet op basis van een of andere Yeats-versie.)

Ik hoef toch niet zeggen dat dit gedicht een groots gedicht is? Kijk hoe de dichter op een nauwelijks bewogen manier (ingehouden ontzetting) beschrijft wat hij ziet, hoe hij feilloos spanning opbouwt en hoe hij met minieme bewegingen het afzichtelijke en bedreigende van het beest schetst. Eijkelboom maakt de angst voelbaar doordat hij spreekt over ‘een vorm’ – het onduidelijke maakt het beestige tastbaarder, ook in het ‘ergens’ blijft hij dichter bij Yeats die alles meer in het vage laat. De vogels laten schaduwen zien, ook dat draagt bij tot de unheimliche sfeer: we zijn immers banger voor wat gebeuren kan dan voor wat gebeurt. Dat laat ook toe om een platoonse associatie te leggen: de mensen zien niet de ware dingen maar slechts schaduwen: als ze het echte zouden zien, dan zou de brute kracht van het geweld en de leugen niet losgelaten worden.

18-22: The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

PC: Weer valt de duisternis, maar ik besef nu
Dat twintig eeuwen van versteende slaap
Gewiegd zijn tot een barre nachtmerrie.
Welk monster, dat zijn uur gekomen weet,
Sleept zich naar zijn geboorte in Bethlehem?

MVDB: Het wordt weer donker, maar ik weet nu
dat twintig eeuwen stenen slaap
een nachtmerrie beleven door een schommelende wieg
en welk ruig beest, nu eindelijk zijn tijd komt,
kruipt richting Bethlehem, en wordt daar dan geboren?
JE: Het donker valt weer; maar nu weet ik
dat twintig eeuwen van versteende slaap
tot nachtmerrie worden gekweld door een bewogen wieg,
en welk rauw beest, zijn uur nu eindelijk gekomen,
schuifelt naar Bethlehem om te worden geboren?

SpvdEp: Het duister valt weer, maar nu weet ik
dat twintig eeuwen van ijzige slaap
door een schommelende wieg tot een nachtmerrie zijn gemaakt,
en welk wild beest, zijn tijd eindelijk gekomen,
sluipt naar Bethlehem om geboren te worden?

ARH: […]; weer valt het donker, maar nu weet ik,
dat twintig eeuwensteenen slaap tot spookdroom
werden gekweld door een schommelende wieg;
en welk rauw beest, nu zijn uur ten laatste sloeg,
sleept zich naar Bethlehem om te worden geboren?

In een andere versie sprak Yeats van ’30 eeuwen’, dan bedoelde hij de Westerse civilisatie. In de definitieve uitgave is er echter sprake van 20 eeuwen, daarmee is de visie verengd tot het christendom en komt hij dicht bij Friedrich Nietzsche te staan. Het christendom wordt als een zwakke, ‘decadente’ levenshouding beschreven (wiegenslaap) die alleen maar een nieuw monster kan baren – weer zal het zich naar Bethlehem slepen. De laatste interpretatie is een lastige: bedoelt Yeats dat de Christusfiguur na 20 eeuwen een monster geworden is, of moet Bethlehem allegorisch gelezen worden als een nieuwe geboorteplaats? Het donker dat valt, verwijst o.a. naar Goede Vrijdag maar is algemener gesteld een verduistering van wereld en hersenen, de aankondiging van groot onheil. En in dat duister weet de dichter toch nog wat de ellende van de geschiedenis geweest is, hij weet wat er nu voor zijn ogen afspeelt maar wat de toekomst zal brengen, weet hij niet – de laatste twee regels zijn een vraag – maar veelbelovend is het niet. Het verleden is verdwenen, de toekomst is er niet en het heden is ellende.

Coda.
In zijn dichtbundel Almanak (1982) nam Hugo Claus een gedicht op, getiteld ‘Doctoranda’ (7/8):

Zij rouwt bij het graf van Yeats
en trekt haar kleren uit
want daar komt de draak al aan
zoals steeds in een vers van Yeats
verkrachtensklaar.

In de Gedichten 1948-1993 (1994) en in de tweedelige, losbladige editie Gedichten (2004) van De LosbandigelosBladige Bij is dit gedicht zonder titel opgenomen en nu ‘90’ genummerd. Het lijkt flauw en altijd weer hetzelfde, maar ook hier treft Claus Yeats goed. De vrouw, het vrouwelijke, de doctoranda (staat lager dan de dichter en is dus tweederangs, bovendien: de reflectie laat zich overweldigen door het redeloze) geeft zich gewillig aan de draak (de sfinx, rough beast) die haar natuurlijk verkracht. Maar omdat wij ‘de vrouw’ allegorisch kunnen lezen, staat zij voor het zwakke christendom dat zich gewillig overmeesteren laat door de barbarij – met zo’n luchtig versje heeft Claus het oeuvre van Yeats doorgrond, de onderliggende structuur blootgelegd.

Paul Claes: Dat gedicht van Claus lijkt me te zinspelen op Yeats’ gedicht ‘Michael Robartes and the dancer’.

Advertenties