pierre alechinsky en de woorden (2)

door johan_velter

De 61 vrienden-kunstenaars die hij samenbracht voor zijn boek Le test du titre : 6 planches et 61 titreurs d’élite tonen een dwarsdoorsnede van de Alechinsky-wereld (of kunnen we ook spreken van een ‘-imperium’?). Pierre Alechinsky heeft steeds de gave gehad zijn vrienden te kiezen, te blijven steunen en sommigen heeft hij ook in hun carrière meer dan gesteund. Het was wederzijds, Bram van Velde blijft een goed voorbeeld: door BvV te steunen, heeft Alechinsky zich een ‘nonkel’ uitgekozen die hem in een familie ondergebracht heeft, daardoor heeft hij de initiële vriendenkring van Cobra kunnen uitbreiden, heeft hij zich een ruimer werkveld en publiek kunnen opbouwen. Zijn vrienden-kunstenaars waren zowel schilders als schrijvers, mensen uit de filmwereld ook. Zeer generatiegebonden en een of andere vorm van, Cobra en surrealisme is het gemeenschappelijke element. Opvallend is ook dat hij zijn hele carrière zijn Belgische vrienden, de Belgische surrealisten, in zijn omgeving heeft behouden, velen zouden die vroegere, ‘provincialistische’ kliek achter zich laten om zo een tegelijkertijd sterker individueel en internationaal parcours uit te tekenen.

Nemen we de schrijvers die een bijdrage geleverd hebben, we geven een selectie, daarmee beschermen we onze eigen onwetendheid : Philippe Audoin (Frans surrealist), Yves Bonnefoy, Michel Butor, Roger Caillois (ook filosoof), Italo Calvino, Achille Chavée (Belgisch surrealist), Hugo Claus (schrijver van enkele gedichtjes), Julio Cortazar, Gaston Ferdière (Franse surrealistische dichter, niet onbesproken arts, o.a. Antonin Artaud heeft hem vervloekt, maar vergeet ook niet hoe die andere kwakzalver Jacques Lacan kunstenaars mismeesterd heeft), Carlos Fuentes, Julien Gracq, Uffe Harder (Deens schrijver), Maurice Henry (Frans dichter), Eugène Ionesco, Alain Jouffroy (Frans dichter), Robert Lebel (Frans schrijver), Marcel Lecomte (Belgisch surrealistische dichter), Joyce Mansour (Franse surrealistische dichter), Maurice Nadeau (Frans schrijver, heeft o.a. een geschiedenis van het surrealisme geschreven), François Nourissier (Frans schrijver/uitgever), Jean Paulhan, André Pierre de Mandiargues, de broers Marcel en Gabriel Piqueray (Belgische surrealisten), Ernest Pirotte (Belgisch surrealist), Jean-François Revel, Maurice Rheims (Frans schrijver), Christiane Rochefort (Franse romanschrijver), Claude Roy, Jean Schuster (Frans surrealist), Louis Scutenaire (Belgische surrealistische dichter), Philippe Sollers (Frans mandarijn), Philippe Soupault. U heeft ze geteld: 32 auteurs (de broers Piqueary worden als 1 geteld).

Men zou kunnen zeggen: dit is normaal: het woord is aan de schrijvers en dus zijn ze de betere ‘titelgevers’. Niet correct: Yves Bonnefoy heeft 6 keer « Sans titre » als titel gegeven en dus 6 keer de taal verloochend, dubbele Petrus.

Zoals het surrealisten, en ruimer intellectuelen, past, zijn er velen die verschillende disciplines beoefenden, ik heb hier de ‘duidelijke’ schrijvers opgenomen, er zijn uiteraard randgevallen. De belangrijkste is misschien Robert Muller, de in België geboren maar vergeten vredesfilosoof. Bovenstaande lijst maakt duidelijk wie en wat tot de denk- en leefwereld van Pierre Alechinsky behoort, surrealisten die aan de rand van het dominante beeld aanwezig zijn, overleven. Er zijn er natuurlijk heel wat gestorven, maar dan nog. Een Calvino, een Cortazar zijn grote namen maar behoren niet echt tot de grote canon. Zelfs een Ionesco is nog steeds een randfiguur en Michel Butor, de enige schrijver die meer dan 1000 boeken geschreven (althans uitgegeven) heeft, behoort daar ook toe – we mogen niet vergeten dat alles wat ‘nouveau roman’ was en is, van tafel geveegd is.

De titels kunnen de prent beschrijven maar ze kunnen ook het omgekeerde zijn: het beeld is wat je niet ziet, interessantdoenerij. Bay, Butor en Ionesco zijn de schrijvers (Bay is een schilder) die een verhaaltje verzonnen hebben en dus de fantasie van Alechinsky in een andere fantasie hebben omgezet, net alsof de tekst nu verder gaat. Het werk van Alechinsky is verhalend en elke prent kan een onderdeel van een groter verhaal zijn, Bay, Butor en Ionesco hebben dit begrepen. Andere schrijvers geven korte titels en blijven dicht bij wat ze zien, hun werk is dan eigenlijk minder interessant. Wat hier toch bewezen is, is dat de verbeelding een plezier is, een vreugde geeft.

We nemen de eerste prent.

pierre alechinsky_le test du titre_ets 1

Enrico Baj schreef: « Le Comte Valencia de Don Juan recontrant [sic] Guillaume de Plantavit de la Pause commença à lui raconter ses aventures galantes. »

Wat ik eergisteren schreef wordt min of meer ontkend door 2 schrijvers. Wat schreef ik? Dat de prenten oorspronkelijk een tweede kleur hadden en dat de editie van Rivière slechts 1 i.p.v. 2 drukgangen gekend heeft. 2 schrijvers spreken over een ‘leeg schilderij’, maar het kan natuurlijk ook dat de foto’s die Alechinsky opgestuurd heeft, onduidelijk waren. Calvino, de mogelijkheidsschrijver doet zijn epitheton eer aan: « Le dernier cadre a toujours plus qu’un candidat » En Ionesco is werkelijk subliem, hij brengt Goya op het toneel én de aapproblematiek (de schilderkunst is immers een naäperij – niet in de negatieve betekenis te begrijpen): « Dans l’atelier du Goya-singe, des portraits et des caricatures de singes et d’hommes. Accrochée au mur, une toile vierge sur laquelle le Goya-singe va commencer à peindre le portrait d’un autre singe. Le Goya-singe porte en guise de tablier, une sorte de manteau dont le traine est par devant ». De mooiste is van de broers Piqueray, die zich ook hier tonen als de echte surrealisten (zij die het leven surrealiseren, tegen de systemen in, niet willen meedoen, zich afzijdig houden, leute hebben en het nihilisme aanvaarden): « Skounk brol two ».
Hugo Claus (die in dit boek met 6 zinnen een verborgen gedicht heeft): « La belle invalide dans les faubourgs le matin » – bij het werk van Alechinsky mag de schoonheid een attribuut zijn, de schoonheid moet toch ook anders begrepen worden. Typisch voor Claus: hij zet een situatie neer.

We nemen de tweede prent.

pierre alechinsky_le test du titre_ets 2

We zitten duidelijk in de fantasiewereld van Alechinsky, een periode waar hij ook langer dan 2 minuten aan een prent gewerkt heeft. Er is de ensoriaanse wereld, er zijn doodshoofden, slangen, halfmens-halfdierachtigen, er is tumult en beweging, niet noodzakelijk een centraal punt, geen boodschap maar wel een overgang van de ene toestand naar de andere. Laat ik er weer een aantal titels uithalen. Een mooi verhaal van Michel Butor: « Hé hé hé, tout s’écroule, l’épagneul est en capilotade [de spaniël is geradbraakt ] ; les fleurs étaient astucieusement fourrées de serpents, et avec toutes ces peaux de bananes que les gosses ont glissés sous les escabeaux, j’en connais qui n’en mènent pas large ; un peu plus de panique, s’il vous plaît ! ». Cortazar : « On a trop exagéré sur l’instinct d’agression », een kropotkiniaans idee. Wifredo Lam : « Un coup de dés ». Mesens : « Allez-vous vraiment à gauche ? ». Weer zijn de broers Piqueray iedereen te slim af : « Chatouille Hi-Fi ».
En Claus?  « Proserpine menacée ». Proserpina is bedreigd. Claus gebruikt niet de meer gekende naam Persephone, omdat ‘serpent’ in Proserpine aanwezig is – in de naam toont hij het beeld. (Ook hier: de vruchtbaarheidscultus die hem zo dierbaar was.) Door wie wordt de godin bedreigd? Door Hades. Claus heeft een tweede aspect van Alechinsky begrepen. Alhoewel deze laatste een vrolijke kunst lijkt neer te zetten (en de eerste een olijke), heeft hij, net zoals de ander, een gitzwart mens- en wereldbeeld: het gaat om bedreigen, om elkaar opjagen, om uitbarstingen, om achtervolgen. Het lijkt speels, het is niet speels.

Advertenties