een leven, getekend

door johan_velter

erik satie_tekeningen à la paul klee

In het boek L’ineffacé : brouillons, fragments, éclats (IMEC, 2016) heeft Jean-Christophe Bailly enkele tekeningen van Erik Satie opgenomen. O.a. een Klee-achtige en 2 Picabia-achtige prenten, de eerste is 1893 gedateerd maar van de 2 andere is de datum niet gekend. Ook daarom zijn archieven belangrijk: om te weten hoe oeuvres in elkaar verstrengeld zitten.

erik satie_tekeningen à la francis picabia

Handschrift en tekeningen zijn duidelijk dezelfde hand. Bailly heeft daarvan geen voorbeelden opgenomen maar in het boek Picasso et le théâtre (Le club françois du livre, 1967) staan enkele voorbeelden van dat eerste.

erik satie_brief

Dit lijkt een tegenstrijdigheid te tonen: de vaste hand die bedachtzame lijnen trekt, denkende lijnen, geen verrassing voor de auteur maar een consequent en traag opbouwen van een tekst of een beeld, geen chaotische inval maar vooraf geconcipieerd, de woorden bij de prenten zijn een verduidelijking vooraf, geen achteraf gegeven betekenis. Hoe kan dit verenigd worden met de frivoliteit van de muziek van Satie? De oplossing is dat de muziek van Satie niet frivool is, maar duidelijk ontworpen binnen een systeem, een denkbeeld: de vorm van de peer is geen grap, het is ernst. De lichtheid, de oppervlakkigheid van de componist zijn bewuste daden, het is geen vluchten, wel een wegsnijden van het overtollige, de fiorituren (al lijkt het dat de versierselen alleen nog overgebleven zijn), de vormen zijn inhoud geworden. Wat een verademing is dit tegenover de zwaarte van de metafysica en de oorlogen die komen en haar zullen versterken.

‘Wat ik heb geleerd
[…]
van Max Jacob: dat de schilderachtigheid een gevaarlijke vijand is, dat bepaalde reizigers dood blijven, verpletterd door schilderachtigheid;
[…]
van Erik Satie : dat een vies gezicht het tegengif is tegen het narcisme;
[…].’

(Jean Cocteau, Dagboek van een duizendkunstenaar, vertaald door Joop van Helmond, 26/02/1954)

Wat opvalt is ‘de zekerheid’ die in het handschrift te bespeuren is: hier geen zoeken, geen aarzelen maar een bewustzijn dat de rechte weg bewandelt. Satie is niet overgeleverd aan emoties of de demon van de creativiteit maar de geest die zichzelf bewust is en voortschrijdt, is hier zichtbaar. Ook: een vriendelijkheid om het de lezer niet al te moeilijk te maken: de letters zijn leesbaar, moeten niet ontcijferd worden, het gissen is niet nodig: je leest de letters, je hoort de stem.

michel leiris_journal_27 oktober 1922

Bailly heeft niets van Michel Leiris opgenomen, maar zijn boek deed me herinneren. De ontroering die ik kende toen ik in de catalogus Leiris & Co (Gallimard, 2015) op p. 23 de eerste woorden van zijn journal afgedrukt zag, « Vendredi 27 Octobre 1922 – Diner chez André Masson. ». Leiris is dan 21 jaar oud. Zijn handschrift is nog schools, hij schrijft traag, hij is zich bewust van een begin, hij zal schrijven en denken, zijn leven vastleggen. De onbezonnenheid van een jeugdvoornemen dat in die tijd nog werkelijkheid kon worden, homme de lettres, een mogelijkheid om binnen de letteren te leven zonder zelf noodzakelijk een verhaaltje te moeten schrijven. Het diner (voor een Flaam zou dat het belangrijkste zijn) is slechts decor: zijn eerste zin is een kwaliteitsoordeel: André Masson is met Picasso de belangrijkste hedendaagse kunstenaar.

michel leiris_journal_7 november 1989

En op het einde van die catalogus op p. 365, we zijn dan 7 november 1989 (hij zal op 30 september 1990 sterven), zien we een afdruk van zijn laatste dagboekaantekening, nu werkelijk een dérive, een op drift geraken, een verloren lopen, een wegvloeien en wegzinken. De tekst is niet langer een manier van communicatie met zichzelf of de ander, is een in zichzelf verzonken zijn, een laatste teken van een wegdeemsterend leven. De woorden volgen geen lijn meer, er is geen eindpunt, er is de put van het zelf, de dood, een stamelen. We zien hoe de schrijver fysiek wankelt, strompelt, hij valt, hij richt zich op, de hand zoekt de stok, de ogen tranen, de benen trillen. Toch is dit geen verlorenheid, geen aarzeling. De geest wankelt niet, de luciditeit is nog aan het werk. Het is de hand die verloren loopt, nog doet ze wat ze moet doen, alleen wankelend. Want nog is er betekenis, de schrijver schrijft, hij denkt, hij leeft. Nog leeft en denkt de mens, het is het lichaam dat verworden is. De coördinatie, het geregel tussen wil en zijn is verstoord, de desintegratie begonnen.

De laatste zin die hij schreef: « Vouloir interrompre cette vie, pas très prudemment, ne vient que de moi. » Een flits van licht.

Advertenties