k. schippers, vanuit het hoofd

door johan_velter

In 2015 was K. Schippers de poet-in-residence aan ‘de Van Eyck’ in Maastricht en ook van hem werden gedichten in een bundel gepubliceerd. De oplage bedroeg 100 exemplaren, alle genummerd. Een tweetalige editie, de gedichten werden in het Engels vertaald door David Colmer, ook hij een gerenommeerd vertaler van poëzie van o.a. Hugo Claus, Nachoem M. Wijnberg en Martinus Nijhoff. Het grafisch ontwerp was van Céline Mathieu en Christophe Clarijs.

De bundel is eerder een brochure dan een boek, er is geen harde kaft. Bovenaan staat prominent de naam van de auteur, daaronder de titel, Hozen in de regen, onderaan het blad begint het eerste gedicht. Aan de linkerkant is er een grijze zone en op de grens van grijs naar wit zijn er twee nietjes aangebracht, het binnenwerk van het boek is daardoor 3 cm smaller dan de omslag. Op de achterzijde is het colofon in dat grijs opgenomen. Doordat een lezer toch het boek wil openen, komt de plooi door de punt van de auteursnaam te staan, wat jammer is, want niet langer vormelijk interessant.

De Engelse vertaling is in het boek opgenomen, auteur en titel zijn daar veel minder prominent gedrukt. Het gedicht op de eerste pagina beginnen is een vormgevers‘truc’, toegepast omwille van de specificiteit van de gedichten: zo kan het eerste gedicht onderaan een bladzijde eindigen en kan het tweede bovenaan beginnen. De vormgevers hebben wel meer gespeeld met de plaatsing van de gedichten. Op die manier is de bundel ook vormtechnisch een verrassing, een speels ding dat in al zijn eenvoud toch bijzonder aantrekkelijk is en blijft. Ook door de ‘valse’ rug van het boek blijft elke pagina een vervreemding in zich houden. Dit alles toont aan dat ze de gedichten gelezen en begrepen hebben.

Schippers lezen is het geheim van een poëtische stem ontmoeten. Hoe komt het dat we in 8 woorden de dichter horen, dat die 8 woorden zijn gedachten, intelligentie en opmerkzaamheid kunnen weergeven? De 2de strofe van het 1ste gedicht, ‘Maskers’ (het gedicht springt op de 2de en 3de regel in, als een omgekeerde trap, WordPress kan dit niet weergeven):

Een zwevende afspraak
wel het uur
geen datum

‘Normaal’ hebben we wel een dag en een maand, maar blijft het uur in het ongewisse. Schippers zet de wereld niet op zijn kop, maar verschuift de dingen ietwat waardoor de wereld niet, maar het hoofd wel helemaal overhoop gegooid wordt. De meester van de subtiliteit laat ons op een bijna onzichtbare manier de wereld anders zien – niet om een revolutie te ontketenen, wel om een poëtische dimensie te ontdekken waardoor de wereld van de realiteit en de fantasie in elkaar geschoven worden en een nieuwe werkelijkheid tevoorschijn komt. De toon van de gedichten is daarbij belangrijk: de Barbarberstijl van registreren wordt aangehouden maar de betekenis van de woorden en de uitspraak als geheel zijn helemaal niet zakelijk waardoor er een interne spanning ontstaat die een vonk geeft, de lezer ziet plots iets anders, de Aha-Erlebnis, is een bevrijding uit het keurslijf van wat we denken te weten.

Het gedicht ‘Maskers’ bevat wel meer van die bevreemdende situaties. Wat gemeenzaam onder masker bedoeld wordt, is iets anders dan wat Schippers hier brengt – hij doet hier wat de surrealisten, en dan vooral René Magritte, deden, de verschuiving van 1 component, men behoudt de taal maar men stelt er een ander beeld tegenover, door het woord al dan niet letterlijk te nemen, of door het beeld te manipuleren. Schippers is een über-bewustzijn, dat het tegendeel van zwaar, integendeel, speels en licht is. Zijn poëzie bestaat niet alleen uit flitsen van kijken maar zijn ook ademstoten van fijnzinnige spiritualiteit. De mens is niets zonder zijn rede, zijn fantasie.

Het geheugen, de herinnering, het gekleurde, ook dat zijn essentiële elementen in het schipperiaanse universum. De dichter constateert, beschrijft wat hij ziet en hij doet dat op een niet-psychologische wijze, wel een registrerende. Hij verschuift niet de werkelijkheid, het zien gaat uit van het subject. De poëzie van K. Schippers gebeurt in het hoofd, de wereld wordt niet betoverd: het is de blik die beweeglijk is. Er is een vervreemding gaande maar die gaat niet tegen de mens in, integendeel, het menselijke wordt beklemtoond, het andere is daardoor aanwezig gemaakt. Merkwaardig is dat Schippers niet de indruk geeft een dichter te zijn (gezwollen bombast, plechtig, poëtisch), eerder een journalist is maar als journalist een dichter is.

Deze blik heeft oog voor het absurde (‘Een zandkorrel zit / ook niet in een talkshow.’) maar dit gaat verder dan een bon mot. De omkering van de wereld door de blik heeft hier geen maatschappelijke consequentie, is ook geen grap. Wie het werk van Schippers leest, ervaart geen wereld, er is geen wereldlijke context: de enige wereld is het eigen hoofd. Dit gaat hier om de ‘eeuwige mens’ – hoe paradoxaal dit in de Barbarbervisie ook mag lijken – er is dan ook geen maatschappelijke discriminatie of onderscheid aanwezig. Het is de mens. Dit wordt mooi geïllustreerd (wat uiteraard een omgekeerde oorzaak-gevolgredenering is) in het gedicht ‘Waar je bent’, de wereld is slechts aanleiding, ik citeer de eerste strofen:

Je zit in de bus tegenover
iemand en je denkt ’t is
m’n spiegelbeeld.

Zo lijkt ook de echo van je
voetstap op straat van een
ander te zijn.

De eerste strofe begint met een ‘valse je’, wat een ik is, het lijkt er op dat de dichter de wereld in zijn poëzie trekt maar in de tweede strofe gaat het ik (letterlijk) verder, ook al lijkt het over ‘een ander’ te gaan. Het gedicht maakt een cirkelbeweging, het herhaalt zichzelf. De laatste regels zijn:

[…]
zo is ook dit

gedicht van een ander, iemand
zegt het zacht op als hij me
voorbij loopt op straat.

In het begin en op het einde van het gedicht, staat er ‘zo’, steeds een terugbrengen naar het bekende, naar het herkenbare. Op beide plaatsen is er een ander maar die ander bestaat niet echt, is er slechts ter bevestiging van het eigen hoofd. Dit alles mag natuurlijk niet moreel begrepen worden, het gaat niet over een ethisch egoïsme, het gaat wel over een solipsisme dat in staat is te overleven, te leven in een wereld die industrieel en stedelijk is, uniform en grijs – de poëzie van K. Schippers is geworteld in het modernisme, het artificiële. Uiteindelijk komt het altijd hierop neer: we moeten leven met onszelf.

Hozen in de regen is als water dragen naar de zee of als schrijven in de regen, zoals Marcel Broodthaers. Het is een metafoor voor het nutteloze, het onzinnige en het toch. Hozen betekent ook fel regenen, dan wordt het beeld nog dichterder: het is regen in de regen, de regen die in de regen schuilt. Een derde betekenis: hard werken om de boel kwijt te raken, en dat gebeurt in de regen: wat we kwijt willen, onder welke omstandigheden dan ook. Dat alles komt niet voor in het gedicht ‘Hozen in de regen’, wel zijn er 22 observaties die de verwondering vieren, ook de nieuwsgierigheid, de vraag naar het hoe en het wat: ‘Regen op een hoed, welke stof zou het zijn? De lange japon van mevrouw, hoe zal de regen daar op vallen?’. Ook de vraagstelling is typisch schipperiaans. Een gewone schrijver beschrijft de hoed, eventueel de kleur en de stof, Schippers laat ons aandacht hebben, niet door te benoemen, maar door de vraag te stellen en dan weten we: een regendruppel valt anders op een vilten hoed dan op een leren pet.

De observaties balanceren op de grens van wat nog net kan: is dit niet te poëtisch-gewild, te veel pseudo-gevoeligheid, de kitsch te naderend? Afzonderlijk genomen, of door een andere dichter geschreven, ja, eigenlijk wel, maar Schippers slaagt erin om de grenzen uit te breiden door de zinnen in te bedden in een ‘normale gang’ van kijken en schrijven, normaal, omdat het beginpunt de rest aanlokkelijk maakt. De slotervaring van het gedicht is de regen, het vele water, de verkwikking.

De laatste regels van het gedicht ‘Het gebruik der dingen’: ‘om het hout en het ijzer / een menselijke maat / te geven’ – nog zijn er die niet weten waarom poëzie ons noodzakelijk is.

Advertenties