de tuin, de dood, de lust en anneke brassinga

door johan_velter

anneke brassinga_verborgen tuinen_omslag

4 gedichten bevat de bibliofiele bundel Verborgen tuinen van Anneke Brassinga, de dichter was eind 2016 een kleine maand poet-in-residence aan de Van Eyck in Maastricht. Ze schreef deze reeks gedichten voor de tuinenwandeling The hidden garden. De bundel bestaat uit twee uitgaven, een Nederlandstalige en een identiek uitgegeven Engelstalige versie, de gedichten werden door John Irons, de bijzonder productieve vertaler, omgezet. Hij is iemand die ook het hedendaagse werk durft aan te pakken en zijn vertalingen zijn een staalkaart van het hedendaagse poëtische denken en kijken. Wie zijn vertalingen volgt, blijft bovendien ook op de hoogte van  de Scandinavische poëzie, de vertaler is geen poortwachter maar een schenker.

De natuur behoort tot de grote thema’s van Anneke Brassinga, de beide krachten: zowel het leven als de vergankelijkheid ervan. Er is veel pijn aanwezig, een besef van tragedie en tragiek, anderzijds ook veel tegendraadsheid die vreugde geeft. Brassinga is nog 1 van de weinigen die in het openbaar durft te roken en dus ook zo gefotografeerd wil worden en die in deze bundel daar zelfs een gedicht aan wijdt. De taal, en daarmee zitten we in het midden van de cultuur, is een ander groot thema. De tijden zijn veranderd: waar de Vlamingen vroeger (voor W.O. II) een taalparticularisme beoefenden en daardoor in de taalarcheologie doken, zijn het nu (na W.O. II) vooral de Nederlanders die dit doen, ik noem slechts Lucebert en H.H. ter Balkt – beiden al gestorven –  en ook Anneke Brassinga. Daarmee samenhangend: de Nederlanders zijn grotere natuurdichters dan de Vlaamse – waar de natuur als cultureel element nauwelijks nog bestaat.

Er is een vrijheid, niet meer een drang, maar wel een verovering, in haar oeuvre zichtbaar. Dit heeft ze gemeen met Charlotte Mutsaers, een zich afkeren van wat ‘mag’ en ‘moet’, maatschappelijk, cultureel, intellectueel. De vormen zijn vrij, zo ook de gedachten. Dit wil niet zeggen, juist integendeel, dat de beheersing er niet is: de gedichten zijn doorwrocht, de dichter neemt het vak (de taal) ernstig. Het leven is ook ernstig, plechtig is het betere woord voor wat Anneke Brassinga is en presteert.

anneke brassinga_verborgen tuinen_schutblad 1

De bundels Verborgen tuinenHidden gardens zijn elk op 100 genummerde exemplaren gedrukt. Wie de vormgevers zijn is onduidelijk. Voor ‘de Van Eyck’ zijn de boeken traditioneel uitgegeven (en omdat het ‘de Van Eyck’ is moeten we zeggen ouderwets), de boeken zijn in het Charles Nypels Lab gemaakt. Een groot formaat, 19 x 26 cm, rechttoe-rechtaan zijn de gedichten op het papier gezet. De Baskerville is een mooie, maar niet een opvallend lettertype, de tekst werd met de hand gezet op zwaar Munkenpapier, dit alles en ook het volgende laat ons toch op een boekliefhebbende honger zitten. Uit het omslag is een cirkel gehaald, daardoor zien we een fragment van een foto die Anneke Brassinga genomen heeft: in een halve cirkel (op het ‘schutblad’ achteraan is de andere halve cirkel te zien) schieten enkele schrale planten uit het zand op, een beeld dat haar werk wel bijzonder goed typeert, maar wat boekvormelijk daarmee gebeurt is niet echt spiritueel te noemen. Onderaan het eerste gedicht is een custode opgenomen om duidelijk te maken dat het gedicht op de volgende pagina verder gaat. Ook dat is een oude gewoonte.

anneke brassinga_verborgen tuinen_custode

Het eerste gedicht, ‘De geheime tuin’, begint met twee bomen die zich aan elkaar voorstellen, Vleugelnoot en Krimlinde – Brassinga benoemt de boomsoort, altijd een teken van kennis, aandacht en zorg. Er is ook een Miss Ginkgo, een boomhazelaar. De bomen leven, spreken elkaar aan. Brassinga lijkt hier een sprookje te schrijven. ‘Het stralende is gewichtloos’, een variant op ‘Alles van waarde is weerloos’. De natuur groeit en bloeit, jubelt. Er is pracht en praal. Brassinga verbindt in de 5de strofe die natuur met de klassieke cultuur, het verhaal van Zeus en Danaë (denk aan die fantastische Jan Gossaert):

Zo, als rinkelende glinster van lichtcascaden, kwam ook Zeus
zijn dodelijke weelde strooien in de torenkamer
bij de opgesloten maagd:
ontvangenis, neigend steeds ten einde.

Dit is een overgangsstrofe, het beginwoord ‘zo’, verbindt het voorgaande maar de strofe zelf gaat voort naar dat wat nog komt, hier reeds wordt de dood geïntroduceerd maar op een zachte, bijna onopvallende wijze. We blijven hangen aan woorden als rinkelend, glinster, licht, Zeus, weelde, ontvangenis. De dodelijke weelde verwijst naar de gevolgen van Zeus’ verlangen: voor de mensenkinderen ellende.

De zesde strofe zet zacht in, lijkt een verzonken mijmeren aan te kondigen maar de laatste twee regels zijn een donder:

Alles zweeft naar de bron omlaag –
een kenmerk van herfst
net zoals jij die daar al ligt
te slapen onder mos.

‘Jij die daar al ligt’, roept een verbond op met de dichter zelf: hij/zij is haar al voorgegaan, maar straks zal ook zij volgen. Het ‘slapen’ als een beter woord voor de dood, het ‘mos’ als een natuurlijker woord dan de grafsteen. De dood is toch niet dat afschrikwekkende, die horror, is nabij en natuurlijk.

Dan gaat het gedicht terug omhoog naar de lucht en gakkende ganzen. De dood wordt opgenomen in het geheel. De negende strofe is een bevestiging van de materialistische, lucretiaanse visie: niets vergaat, wat bestaan heeft, blijft, maar verandert. De laatste strofe spreekt de dode weer aan, een bevestiging van het leven in de dood, een omkering ook: de neerwaartse val van het blad is de opwaartse zucht van onder het mos:

Je zwijgt maar we horen je toch:
elk blad dat valt een zucht
van onder het mos.

‘De wintertuin’ begint met een wens: dat de amberboom en de rozelaarblaren een stem zouden hebben als de zangeres die het Kyrei van Mozart uit de Hogemis KV 427 aanzet. Het Kyrei eleison van Mozart is weinig devoot, eerder een jubelen over de menselijke conditie, een wellustig zingen van toon naar toon. Brassinga brengt die wellust ook in haar gedicht binnen door een beeld van de ‘stenen vijverdolfijnrug’ met de zangeres te verbinden. De dolfijn, het symbool voor de seksuele lust immers.

De wellust wordt in de tweede strofe verder taalkundig uitgewerkt, een uitbarsting van grote gebaren dat in de voorlaatste regel met een aanspreking lamgeslagen wordt om in de laatste regel uitgelegd te worden:

[…]
Nog zijn wij uitblinkers, met weerbarstig, lyrisch lament
om zelfvergooide paradijzen, om het eeuwig wenkende:
graflegging dreigt – u voelt ‘m al – van wat des mensen was,
in casu melodie, hymne, zielsontlading.

Het woord ziel is een voorbereiding voor de laatste zin van het gedicht, een regel die apart staat en verwijst naar het begin van het gedicht Mei van Herman Gorter: ‘daagt al een nieuwe winter en een nieuw geluid’, een contra-Gorterregel, verbonden met een andere zielsbetekenis.

De derde strofe is een afkeer van de wereld die is zoals ze nu is: de industrie, de natuurvernietiging, het anti-leven, de degraderende consumptie. De dichter veroordeelt niet de wereld (de natuur behoort tot de wereld) maar wel wat mensen ervan gemaakt hebben – en weten dat het anders kon geweest zijn. De volgende regels zijn immers ook een lofzang op dat menselijke, op de betere mens – niet zij die de macht misbruikt hebben om een antihumane wereld te creëren:

[…]
wat menselijk maakt, is immers die verbeelding.
Laat al wat leeft nu snakken naar adem met laatste lofzang:
de ware glorie is aan de natuur, dat stinkende, verzuurde ginds –
in gassen die ons gaan verstikken’

De laatste regel is een verwijzing naar de dood, de nucleaire, de chemische, de industriële winter.

Het derde gedicht, ‘Tuin der lusten nou nee’, baadt in een joodse sfeer. In de titel horen we het schilderij van Jheronimus Bosch en de eerste regels brengen ons in de paradijselijke tuin van Adam en Eva om dan in de derde de Joodse wereld op te roepen: de sjechina is de goddelijke vonk die in de wereld aanwezig is. De eerste strofe is bijbels plechtig, draagt in zich toch het ongeloof om dat geloof: de band tussen het goddelijke en het wereldlijke is gebroken.

De tweede strofe maakt het gebrokene concreet. Deze, onze, wereld van overvloed, vraatzucht, misbruik van voedsel, perversiteiten, overdreven moralisme en voortdurend zelfbeklag: hoe kan die nog geheiligd zijn (en bij Anneke Brassinga is dit niet een concreet geloof maar een humanisering van de wereld: de adem van intelligentie, verantwoordelijkheidsgeloof, aandacht en menselijkheid)? Brassinga spreekt niet zozeer van een ontheiliging, wel van een dehumanisering: het menselijke project is afgebroken, met de Willem Kloos-verzuchting ‘O, de bloesem zo broos,  […]’, de mens heeft zichzelf verloren, heeft zijn eigen humanisering verlaten.

In de derde strofe keren we terug naar het aards paradijs waar de sjechina schreit om wat komen zal en beschreven is in de 2de strofe. Toch is ook hier het besluit van de dichter dat de mens een kern in zich draagt die waardevol is en buiten het goddelijke staat, al zijn we sukkelaars (het woord ‘gesjochten’, dat een hebreeuwse oorsprong heeft):

[…] Gesjochten zijn we
totter dood. Maar de tuin bloeit voort, verborgen
plek in ons waar een god zichzelf toegang verbood.

Ondanks al het gerechtvaardigd pessimisme, blijft Anneke Brassinga het waardevolle van de mens beklemtonen, dat wat een mens mens maakt – cultuur, beschaving.

Het vierde gedicht, ‘Tuin uit mijn duim gezogen’ bestaat uit twee strofen en begint met een Paul Snoek-achtige boutade (‘Zwemmen is losbandig slapen […]’): ‘Roken is verhevigd ademen.’ Het roken is hier letterlijk bedoeld, het laatste moment van de dag waar de tijd stil gezet wordt, de dag wordt verlaten, de nacht nog niet aangebroken, de lichtheid van de rook als een gazen gordijn tussen doen en denken, het mijmeren over de dag. De rook van de sigaret is de rook van het leven, het vervlieten, de as wat rest, in het leven nog de aanvaarding van de dood. Het slapen als een sterven herinnert aan het sterven als een slapen van het eerste gedicht.

Adem al het duister in – laat witte rook ontbloeien,
rankend. Aan broze stengel opent zich je lelie,
sterren zwermen eromheen. Dageraad
is maar een droom, je kunt nu rustig sterven gaan.

Vier gedichten – de reële tuin, de wereld als tuin, de tuin in onszelf, de tuin als verbeelding. Vier maal de dood, vier maal het leven. Vier maal een top-Brassinga.

Advertenties