louis paul boon en w.l. bouthoorn

door johan_velter

De boeken van Louis Paul Boon zijn voor mij nog steeds verbonden met de prenten van W.L. Bouthoorn voor omslagen en binnenwerk, ook al is hij maar voor een zeer klein deel met dat oeuvre verbonden. Zijn sterke tekeningen kenmerken zich door een forse lijnvoering, een expressieve taal, een verwantschap aan het expressionisme maar vooral door de gebaldheid van de figuren. Bij hem is er nauwelijks ruimte naast en boven de mensen (ruimer: het afgebeelde) die in elkaar verstrengeld lijken maar toch aparte eenheden gebleven zijn, de ene figuur vloeit niet over in de andere in die zin dat de contouren wazig worden, wel zijn de personages met elkaar verbonden. Deze prenten, de een al meer dan een ander, hebben een band met Pablo Picasso, Zadkine. Soms zijn de gezichten bijna kubistisch gevormd, de hoofden zijn altijd groter dan de lichamen (vandaar steeds weer de indruk van hongerigheid). De figuren staan gebeeldhouwd, het zijn beeldengroepen. Bijzonder is ook dat Bouthoorn geen plichtmatige illustraties maakt, maar wel een eigen wereld tegenover (beter: met) dat van Boon zet. Hij voelt dit werk bijzonder goed aan, dat beiden de mens centraal stellen is clichématig maar heeft wel een grond van waarheid. Hier zien we hoe de kunst had kunnen evolueren: een expressieve figuratie i.p.v. een verdergaan op het abstracte van Mondriaan en de grappigheid van Marcel Duchamp.
De omslag laat dat niet zien, maar de tekeningen van Boutshoorn (W.L., Wil, Willem, Willy Leo) (1916-2014) in De zoon van Jan de Lichte zijn al van mindere kwaliteit. Ze willen naturalistischer zijn, de lijnvoering is minder dominant (de beste prenten zijn die die op houtsnedes lijken (of zijn?), de gebaldheid is voor een groot stuk verloren gegaan (ook door het spaarzamer gebruik van zwart) en de figuren zijn stunteliger.

Over hem is niet zoveel te vinden. Er is een website aan hem gewijd, maar over zijn boekillustraties wordt daar niets gezegd. Hij was een Haagse schilder die wat succes gehad heeft, wat tentoonstellingen, ook in Nederlandse musea, in Den Haag les gegeven heeft. Hij had een schilderende broer, waarover men nog minder te weten komt. Na die figuratieve periode evolueerde hij meer naar de abstractie, een opeeenstapeling van kleuren, wat echter helaas te veel Ecole de Paris, te zwakke Nicolas de Staël is. Op de website is dit alles te zien. Merkwaardig is dat de tekeningen die op het einde van de 20ste eeuw gemaakt zijn, ouder lijken dan de expressieve zwart-wittekeningen uit de jaren vijftig. Ze zijn traditioneler van opzet, braver van uitvoering, naturalistischer in uitbeelding.

Uit een interview met hem (1994):
“De exaltatie van een Greco, de intimiteit van een Rembrandt, de demonische sensuele kwaliteiten van Goya, Cezanne. Ik wil ze allemaal in één pot doen en koken – om er dan wel mijn eigen soep van te maken. Misschien ben ik negatief over de kunst van vandaag, ook over mezelf, mijn inspanning is erg groot, misschien levert het ondanks mezelf een expressie op hier en daar – zelf vind ik het onvoldoende.”

Bouthoorn heeft eigenlijk alleen maar het werk van Louis Paul Boon geïllustreerd en dan ook nog niet alle boeken. In Boonboek (Julien Weverbergh en Herwig Leus, Paris/Manteau, 1972) staat op p. 133 vermeld dat Boon de vignetten voor De paradijsvogel heeft getekend, dit is onjuist. Ook deze zijn een ontwerp van Bouthoorn. Voor het boek Val, bom (1956) van Gerrit Kouwenaar heeft hij het omslag getekend en dat is het zowat. Waarom heeft zo’n begaafde mens niet meer opdrachten gekregen en waarom heeft de geschiedenis hem niet meer eer gegeven?

gerrit kouwenaar_val bom_1956_wil bouthoorn

De boekomslagen van Boon werden in die periode vormgegeven door Helmut Salden, de illustraties, als die er waren, waren van anderen. De letters werden door hem ontworpen en getekend. Het lijkt er op dat De Arbeiderspers nooit een echte keuze heeft kunnen of durven maken: typografisch, figuratief, een allesbepalende hand, … In het boek Helmut Salden : letterontwerper en boekverzorger (010, 2003) wordt Bouthoorn niet vermeld. Wat ongepast is, letters en beeld zijn op de omslagen van Boon tot 1 geheel verwerkt. Ook in het themanummer Reinold Kuipers 1914-2005 : uitgever (ZL, jrg. 9, nr. 3, 2010) wordt Bouthoorn weliswaar tweemaal genoemd, maar wordt verder toch geen woord over hem gezegd.

In 1964 gaf De Arbeiderspers Het nieuwe onkruid van Louis Paul Boon uit. De omslag daarvoor was getekend door Jef Koning, een Jaap Jungcurt-probeersel. In 1965 werd Het reservaat uitgegeven. De omslag is ontworpen door David Houthuyse. Een Willem Sandberg-overblijfsel.

Ook de Nederlandse boekcultuur (en boekgeschiedenis én boekwetenschap) is een geschiedenis van verloren kansen.

In De bende van Jan de Lichte (de 1ste en de 5de druk hebben een andere prent gekregen, de paperback een blote borst), schrijft Boon op p. 187-188: ‘Vlak voor ons, en tussen twee tenten in waar men schuimend bier uitdeelt aan wie de kroezen grijpen wil, is iets aan het gebeuren dat Breughel nooit heeft mogen aanschouwen. Hier op deze plaats zijn de kreupelen samengekomen, al dezen die misvormd zijn van voeten en benen. Dicht tegen de grond van Vlaanderen hebben zij geleefd en gestrompeld, dicht tegen de grond hebben zij zich voortgehaast naar elke plaats waar er gebedevaart of gekermist werd, en hun stronken en stompen en krukken en rollende houten bakken, tentoongesteld.’
Wij weten wel beter, Bruegel heeft ‘De kreupelen’ geschilderd.

louis paul boon_w.l. bouthoorn_de bende van jan de lichte_1972_binnen

Advertenties