louis paul boon en de merel

door johan_velter

In 1957 verscheen bij De Arbeiderspers Grimmige sprookjes voor verdorven kinderen, van Louis Paul Boon. Het jaar voordien was Zomer te Ter-Muren verschenen, het vervolg op De Kapellekensbaan uit 1953. Het sprookjesboek telde 47 bladzijden en bevatte 9 vertelsels, bij een tweede druk zou er 1 verhaal aan toegevoegd worden en zou ook de titel veranderen: Blauwbaardje in Wonderland en andere grimmige sprookjes voor verdorven kinderen (1962).

De sprookjes zijn aanpassingen, hertalingen naar een booniaans universum van jonge meisjes, onschuld en oudemannenromantiek, nochtans was Boon op dat moment ‘nog maar’ 45 jaar. Wat maakt moderne literatuur soms pijnlijk? Onverwerkte, blote emoties en frustraties te moeten lezen. Tijdens het lezen hoor je het giechelen van ‘Boontje’ om zijn eigen flauwe grappen. Anderzijds: 1957 is nog het decennium van de zwaarte, de wederopbouw, de verdoken seksualiteit, het eveneens onvrije 2017. ‘Grimmig’ omdat de sprookjes verwijzen naar Grimm en omwille van de toon, die niet voor brave zieltjes bestemd is. De verhalen spelen zich af in het heden, zijn geactualiseerd (Schellebelle wordt bij naam genoemd) en zijn eigenlijk even grimmig al de sprookjes van Grimm. Het eerste verhaal is minder duidelijk op een bestaand sprookje gebaseerd.

Het heet ‘De triestige merel’ en is een variant op ‘De huilende clown’. ‘Interessant’ is dat Boon de merel als een bosvogel beschrijft, zoals de merel in die tijd toen nog was. Boon ontmoet daar een merel: ‘Hij zat wat voor zich heen te fluiten. Toen ik bleef staan begon hij zijn levensverhaal.’ Vroeger woonde de eigenaar van het bos in het sprookjeskasteel, niemand kende hem maar toch kende iedereen hem. Enerzijds deden er verhalen de ronde over een weerwolf, anderzijds was hij een reiziger: ‘Zij wisten het niet, maar hij was het woord dat onder hen kwam, als reizende passant verkleed. Hij genas de zieken, voorspelde de toekomst en wisselde vreemde munten uit die niet gangbaar waren in deze wereld.’ Dit is een bijbelse zin – en Boon zal die in zijn verhaal niet uitwerken – tenzij men er een wel zeer vergezochte betekenis aan geeft: hij die geneest, is hij die steelt, de Christusfiguur doet zogezegd het goede, ’s nachts rooft hij de kleine meisjes.

De timmerman uit het dorp heeft 3 meisjes, de kasteeleigenaar (en we zien hier natuurlijk een combinatie van het sprookje en het sociaal-historisch engagement van Boon) zal de meisjes een na een nemen. Elk krijgt dezelfde opdracht, een sleutel en een merelei. Met de sleutel mogen ze niet het verkeerde slot openen en het ei mag niet breken. Het eerste meisje voert de opdracht niet uit. De man doodt haar. Hij haalt het zusje en hetzelfde scenario speelt zich af. Het derde meisje echter opent wel de deur waar de meisjesresten bewaard worden maar breekt het ei niet en dus kan de kasteeleigenaar haar niet doden. ‘Ik heb geen macht over u,’ zei hij. ‘Ik schenk u het hart van het bos en het kasteel, mijn fortuin, mijn zilveren sleutel en mijn ei. Laten wij samen lang leven en min of meer gelukkig zijn.’ Maar zij gooide hem het ei in het gezicht, het ei brak, de man schrompelde in elkaar. De dooier wordt dan de snavel van de merel. ‘Ik veranderde in een triestige merel. Wat er verder met haar gebeurd is, weet ik niet. Misschien woont zij nog steeds in het hart van het bos in het kasteel. Maar ik zit hier eenzaam en fluit in de regen.’ Bijna is dit een smartlap.

Oh, de symboliek. Het bos (de donkere erotiek), het ei (het maagdenvlies, het leven of het volmaakte), het woord, de moord, de ongehoorzaamheid, de onschuld, het kind, de prille meisjeslichamen, het breken van het ei (het nemen van de onschuld), de sleutel en het slot. Dit alles is meer esoterie en Jung dan literatuur. Nemen  we de suggestie uit het begin over dan is de merel de Christus.

Weverbergh vroeg zich, o.a. n.a.v. deze sprookjes af of Boon nog wel wilde schrijven, of hij niet al zijn grootheid verloren had (‘Louis-Paul Boon : een keerpunt?’ in: Literair lustrum: een overzicht van vijf jaar Nederlandse literatuur 1961-1966, samengest. door Kees Fens, H.U. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen, Polak & Van Gennep, 1967). De vraag van Weverbergh zal Boon tot op het einde van zijn leven blijven achtervolgen: wil Boon nog literatuur schrijven of gebruikt hij ze enkel en alleen om zich vrij te pleiten, om zich uit te leven, zich te rechtvaardigen? De verzuchting is terecht en begrijpelijk: hoe kan iemand die De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren geschreven heeft zich tevreden stellen met dit onafgewerkte, met die hang naar sympathie, met die pseudo-diepzinnigheid en dat onverholen seksisme? Waar Boon zich in die grote werken als de grote intellectueel van zijn tijd kon manifesteren, is hij in die kleine werken het kleine, miezerige mannetje dat zichzelf interessant vindt en allerlei gruwelijkheden durft op te schrijven omdat het toch maar opvulsel ‘in een hoekje’ is en geen verdere consequenties hoeft te hebben. Boon als het begin van een exhibitionistische cultuur.

Weverbergh schrijft dat ‘het werk van Boon vrijwel uitsluitend autobiografisch is’ maar wil zich niet uitspreken over de inhoud daarvan – al doet hij het uiteindelijk toch want het is precies in dit autobiografische dat hij het keerpunt in het oeuvre van Boon ziet. Over het verhaal zelf: ‘De trieste merel is hier … de eenzame man uit Menuet, verloren in zijn onvervulde erotische dagdromen. De laatste zin van dit verhaal is ook exemplarisch én voor de andere verhalen én voor mijn stelling: ‘maar ik zit hier eenzaam en fluit in de regen.’ – Deze eenzame merel huwt de meisjes niet.’ (p. 114).

De merel en de man uit Menuet gelijkstellen is niet helemaal correct: de merel heeft in dit verhaal zijn ‘erotische wensdromen’ minstens tweemaal mogen vervullen, heeft echter bot gevangen bij het derde meisje: niet zozeer om wat hijzelf gedaan heeft (hij liet de kinderen een spelletje spelen) maar om wat het meisje niet deed (ze brak het ei niet, ook al overtrad ze de regel van de gesloten kamer, dat uiteraard weer de zoveelste variant op Blauwbaard is). De merel heeft dus zelf de regels overtreden, door meisjes te roven en te doden, en is nu gestraft door een meisje dat hem afgewezen heeft. De man is de zwakke partij gebleken, heeft niet de macht over iedereen, er is minstens 1 meisje dat hem de baas is.

De stelling van Julien Weverbergh is dat Boon een literair huwelijk aangegaan is met het meisje Blauwbaard en daardoor zijn innerlijk conflict opgelost heeft. Boon is daardoor milder geworden, bekijkt de wereld gelatener. Hij is zijn ‘kwaal’ niet kwijt, maar kan erover spreken, kan die in zijn boeken verwerken. Weverbergh werkt zijn analyse uit door ook nog Het nieuwe onkruid erbij te betrekken, een boek dat hij ver beneden de maat van Boon vindt: ‘Het nieuwe onkruid is het boek van de niet neergeschreven, nauwelijks gesuggereerde ‘innerlijke waarheid’. Daarom is het trouwens Boons zwakste boek. Wat me als lezer interesseert is wat ik in de andere boeken van Boon steeds vind: de vraag naar het waarom der dingen ; de inwendige vulkaan bij de auteur. Boon schreef dit boek – of het lijkt althans zo – om zich ‘mooi’ voor te doen. Ik hoor liever de trieste merel fluiten.’ (o.c., p. 116). De laatste zin is een literaire toevoeging, want die ‘trieste merel’ van Boon, is juist Boontje die voor zichzelf wat zit te zingen, wetend dat hij uit de tijd gevallen is. De grote Boon, is de kwade Boon, de fluitende merel, de Boon die onder vrienden zichzelf kon zijn, de Boon die door zijn vrienden gestimuleerd werd om meer te zijn. Maar ze werden, als de trieste merel, oud en burgerlijk en zwegen en bogen het hoofd. Ze rommelden nog wat, ze gromden een weinig. Treurnis.

Beeld: een nieuwe merel, een nieuw merelnest in de klimop, op nog geen anderhalve meter van het nieuwe mezennest. Daar waar er vogels zijn, daar leeft het goede.

Advertenties