het beieren van augustinus (3)

door johan_velter

augustinus in zijn studeerkamer_sandro botticelli

De acte gratuit van de existentialisten is in de kern bij Augustinus te vinden, bij hem een onderdeel van het goddelijk plan: het zoeken naar een reden is een menselijke bekommernis maar inzicht zal die zoektocht niet opleveren. Boek 2, V: ‘Zou hij de moord zonder reden begaan hebben alleen uit lust om te moorden? Wie zou dat geloven?’

De hitsige stijl van Augustinus wordt bewerkstelligd door zijn opsommingen, zijn herhalingen maar ook door het heen-en-weer gaan van de zinnen in het bevestigen en het ontkennen, daardoor krijgt de stijl iets totaliserends: zowel het positieve als het negatieve, het engelachtige en het duivelse, het alles: Boek 2, IV: ‘Zij [mijn slechtheid] was verachtelijk
en ik hield van haar :
ik hield van mijn verderf,
ik hield van mijn afvalligheid,
niet van datgene waartoe ik afviel,
maar ik hield van mijn afvalligheid zelf:
een schandelijke ziel die zich verwijderde van uw vastigheid om in ballingschap te gaan,
niet in schande iets begerend,
maar de schande zelf.’

Een van de kernachtigste zinnen en een kerngedachte van het christendom (dat nu in het politiek correcte doemdenken een climax gevonden heeft: een seculier zwart katholicisme dat zichzelf beschuldigt): ‘Zo zwaar weegt de last van de gewoonte. Hier kan ik zijn, maar wil het niet, daar wil ik zijn, maar kan het niet, zo ben ik ellendig, daar en hier.’ (boek 10, XL). Zoals op wel meer plaatsen wordt niet de heerlijkheid van een God geprezen en beschreven, maar wel de uitzonderlijkheid van Augustinus zelf: hoe meer twijfel, hoe meer vertwijfeling, hoe heiliger hij wordt, hoe meer verdienste hij heeft – een ontkenning van Jansonius, een bevestiging ook: het is de god die Augustinus heen en weer smijt.

De idee van een tabula rasa is een atheïsme, het geloof houdt het op ‘natuurlijke gegevenheden die in de mens gelegen zijn’. De mens moet dan terugkeren naar zijn kern, zijn ware ik en dat is een devoot godsgeloof. Daarom is het geheugen, en niet het zelfstandig denken, bij Augustinus zo belangrijk: ‘Zie, hoe grote ruimte in mijn geheugen ben ik doorgegaan U zoekende, Heer, en daarbuiten heb ik U niet gevonden. Immers ik heb niets omtrent u gevonden dat ik mij niet herinnerde, sinds ik U leerde kennen.’ (boek 10, XXIV).

Dat idee van een vroeg en vrij begin, is ook de kern van het romantisch kunstenaarschap. Zo schrijft Lucebert: ‘Deze bevreemding [over de wereld met haar duisterheid] bewijst mij dat er herinneringen aan een hoger en zuiverder bestaan in mij wakker geroepen zijn. d.i. kunstenaarschap o.a.’ (geciteerd in Peter Hofman en Jan Oegema: ‘Een beeld behangen van omarmen : Lucebert en Karel Appel’, in Raster 88 (1999), p. 135)

De stijl van Augustinus is beroezend, zelfs in slaap wiegend, hij nadert het ritualisme waar de woorden geen betekenis meer hebben maar een cadans weergeven. Het is een activistische stijl, niet die van een pezewever, het is het beieren van een klok, heen en weer, allesverdovend. Uit boek 10, IX (over de kracht van het geheugen. Deze passage toont aan hoe Augustinus de sokkel van het individualisme aan het verkennen is, natuurlijk is zijn oplossing een pre-humanisme, maar door vragen te stellen bereidt hij een mogelijkheid voor. Deze passage toont aan hoe ‘ongecontroleerd’ Augustinus schrijft, schijnbaar van de hak op de tak, maar wel zeer bewust gestructureerd en doordacht in elkaar getimmerd en een glimp van godsdienstwaanzin tonend):

‘En
het is een kracht van mijn geest
en zij behoort tot mijn natuur
en toch vat ik niet het geheel dat ik ben.
Is dan de geest te eng om zichzelf te bezitten, zodat de vraag rijst, waar dat is wat hij van zichzelf niet vat?
Is er dan iets buiten hem,
dat niet in hem is?
Waarom bevat hij dat dan niet?
Een grote verwondering hierover rijst in me op,
verbazing grijpt mij aan.
En de mensen gaan om te bewonderen de hoogten van de bergen
en de machtige golven van de zee
en de brede stromen van de rivieren
en de gang van de oceaan
en de omloop van de hemellichamen
en zij verlaten zichzelf
en verwonderen zich er niet over, dat, terwijl ik dit alles noemde, ik het niet zag met mijn ogen, maar het toch niet genoemd zou hebben indien ik niet
de bergen
en de golven
en de rivieren
en de hemellichamen die ik gezien heb,
en de oceaan die ik van horen zeggen ken,
binnen in mij in mijn geheugen zag
in zo grote uitgestrektheid,
alsof ik ze buiten mij zag.’

De zinsnede ‘en de oceaan die ik van horen zeggen ken,’ is een onzuiverheid in de opsomming, zou door een hedendaagse auteur niet vermeld worden want ze is een verzwakking in het betoog, toch neemt Augustinus die op, weer om een totaliserende indruk te geven, zichzelf zwak te tonen en daardoor toch sterk, iemand die zwak is, toont geen zwakte.

Augustinus gebruikt toevoegingen die schijnbaar niet ter zake zijn (ook niet in realiteit) maar wel functioneel zijn én alle deuren en vensters dichtslaan: het denken wordt een bidden en het gebeurt in een bunker. Boek 9, VIII: ‘Wanneer vader en moeder en opvoeders afwezig zijn, zijt Gij aanwezig die ons geschapen hebt, die ons roept, die ook door middel van over ons gestelde mensen iets goeds doet tot heil van de zielen.’ Augustinus beveelt God door zijn woorden om te doen waartoe hij opgeroepen wordt: steeds weer is er de bevestiging van het goddelijke tegenover het zwakke menselijke, er is geen zakelijke relatie, het is de hond die zijn baas smeekt en diens handen likt nadat hij geslagen is.
Neem afstand van de inhoud, spring in de stijl.

Beeld: Augustinus in zijn studeerkamer, Sandro Botticelli

Advertenties