het beieren van augustinus (2)

door johan_velter

pieter paulus rubens_augustinus ontmoet het kind jezus

Augustinus zoekt zekerheid en vindt die in God. Descartes zocht zekerheid en vond die in zichzelf. Beiden hadden als voorganger Sextus Empiricus, met als tussenstop Sanchez. Steeds is men op zoek naar een verweer tegen het scepticisme. Toch is het de vraag of al die figuren wel over hetzelfde schreven.

Leest men de stijl van Augustinus dan is er geen sprake van een evolutie, wel een stilstand. De ‘weg naar God’ is er niet, er is geen bevrijdende gedachtegang, er is geen logisch denkproces. Typisch christelijk is het plotse inzicht, de val (zoals Saul) en daarna het geloof. Augustinus spreekt wel veel van twijfel en een geleidelijke gang naar het godsgeloof waarbij zijn moeder Monica een beslissende rol gespeeld heeft, maar dit alles is een menselijke sluier, de blindheid van de mens laat dingen zien die er niet zijn. De bliksemschicht, dat is het waarover het gaat en daardoor is de interpretatie van Jansonius op Augustinus correct: de mens is voor de god een speelbal. God bepaalt het tijdstip van de conversie, hij laat de voorbereiding duren zolang en hoe hij het wil.

De Confessiones van Augustinus is een boek dat geen afgerond geheel is maar waar de onderdelen, de zinnen, telkens weer naar een climax gaan, waar de retorische middelen maximaal ingezet worden: er is geen groot, lineair verhaal met een alomvattende conclusie maar wel een opeenhoping van momenten, kristallen – en daar schuilt de waarheid, de hulpeloosheid van de mens. Daardoor is het proza van Augustinus ook opgehitst, telkens weer een hoogtepunt maar een grens die niet overschreden wordt, steeds weer de ontgoocheling (die op een algemener vlak inhoudelijk een echo krijgt door het uitstel, door de achterafconstructie over de twijfel, de moeilijkheden, de eigen zwakte).

Ik gebruik de oude vertaling van professor A. Sizoo, men moet beseffen dat Augustinus in het Latijn schreef en dat de stijlmiddelen in het oorspronkelijke dus nog veel pregnanter, expressiever en eleganter zijn.

In het tiende boek, onderdeel XXV, het geheugen kan bij Augustinus ook als een weten begrepen worden, maar het geheugen heeft een ideologische betekenis hier, afhankelijk als het is van een externe autoriteit. (Toch: in De namen schrijft Don DeLillo: ‘Als je geheugen weg is, ben je een leeg lichaam.’ En ook: het verre verleden is de onschuld, het is de reden om het verleden vast te houden.) Augustinus herhaalt telkens weer hetzelfde in de volgende zinnen, maar varieert. Het lijkt alsof hij dieper doordringt in het probleem maar het is een vals zoeken: hij trappelt ter plaatse.
‘Maar waar verblijft Gij in mijn geheugen, Heer,
waar verblijft Gij daar?
Wat voor vertrek hebt Gij U bereid?
Wat voor heiligdom hebt Gij U gebouwd?
Gij hebt mijn geheugen waardig gekeurd erin te verblijven,
maar in welk deel daarvan Gij verblijft, dat overdenk ik.’

En Augustinus vervolgt met op te sommen waar hijzelf zocht en binnentrad, ‘en ook daar vond ik U niet.’ Er is dus een dubbele herhaling gaande: eerst waar God eventueel zou kunnen zijn, daarna de zoektocht van Augustinus in die ‘plaatsen’ waar God zou kunnen zijn. Er is daardoor een dramatisering gaande, een etaleren van radeloosheid, van woedende activiteit en door het uitstel komt er maar geen bevrediging. Ademloosheid is het kenmerk, het uittrekken van de eigen haren lijkt daarmee een genoeglijk tijdverdrijf.

Maar ook nadien blijft Augustinus natuurlijk zoeken, weer herhaalt en varieert hij en weer gebruikt hij de tegenstelling tussen God en het ik. ‘Gij waart met mij, maar ik was niet bij U.’ De God wordt overladen met positieve kenmerken, het ik niet. Er is een absolute afhankelijkheid waartegen de mens geen verweer heeft. In hetzelfde elfde boek (XXXII) schrijft Augustinus: ‘De enige hoop, het enige vertrouwen, de enige vaste belofte is uw barmhartigheid.’ – een zin die Jansonius moet geïnspireerd hebben maar die een literaire valstrik is: de stijl van Augustinus is precies die opeenhoping, het werken naar een climax, het variëren en daardoor het dichtslaan van elke opening naar iets buiten de zin. De stijl heeft het van de inhoud, de kennis en de intelligentie overgenomen, de stijl is inhoud geworden. Jansonius leest correct, omdat hij letterlijk leest, niet zoals hij had moeten lezen.

Beeld: Pieter Paulus Rubens, Sint-Augustinus ontmoet het kind Jezus

Advertenties