het beieren van augustinus (1)

door johan_velter

augustinus_alessandro filipepi

Soms wordt de autobiografie eerder tot het non-fictionele gerekend dan tot het verbeeldingsrijke – de feiten, nietwaar. Is een autobiografie een constructie, dan heeft het ook met het literaire te maken: er is een selectie van feiten, een bepaalde inkleuring, maar vooral is er de stijl. De stijl is de man of de vrouw gegeven, als uitdrukking van een karakter, een persoonlijkheid, die stijl moet ook geciseleerd worden. Wie zijn stijl tot het uiterste verzorgt, geeft een kunstmatige indruk, een volledige beheersing van zichzelf en het onderwerp. Hoe meer men de indruk kan geven dat men ‘gesmeten’ is, hoe meer er gewerkt is.

Augustinus schreef niet zozeer een autobiografie over zichzelf maar een levensbeschrijving van de mens die het goddelijke zoekt. Hij had een boodschap, hij had rekeningen te vereffenen, men leest zijn woede en verlangen, het zou allemaal authentiek moeten zijn, het is op het papier gesmeten – maar wat een doorwrochte stijl, wat een bewustzijn van de kracht van het woord en vooral van de zin, wat een plezier in het draaien en keren.
De Belijdenissen (Confessiones) zijn geen ‘bekentenissen. Stond de literaire techniek in dienst van god, van de schrijver of het boek? Feit is dat we te maken hebben met een bouwwerk dat, los van de ideologie en de inhoud, meer dan indrukwekkend is. De logische fouten (de sprong naar het goddelijke) zijn zo manifest aanwezig dat ze welhaast een bedoeling moeten hebben: de overtuigingskracht ligt in de literaire techniek. Het is dan ook verwonderlijk dat Roland Barthes zijn boek Sade, Fourier, Loyola (1971) niet met de Confessiones heeft uitgebreid. Eenzelfde meeslependheid, zichzelf laten meeslepen, eenzelfde opeenstapeling, eenzelfde taalplezier niet alleen in de woordenschat maar vooral in de grammatica, de constructie van een zin en dus een denkplezier, ja bijna een denkwoede in de werkwoordelijke betekenis van woeden, woekeren, eenzelfde draaikolk van denken en woorden.

Het boek van Augustinus is een allegaartje: een levensbeschrijving, een exemplum, een lofprijzing op god, een heiliging van zijn moeder, een schets van het toenmalige leven, theologie en bijbelexegese. Dit is geen boek dat ‘af’ is, maar een gedrocht dat alle kanten uit wil. Hoe het geheel ambivalent is, zo is ook de stijl van het boek, een heen en weer. Waar het geheel geen eenheid is, zo zijn de zinnen wel een eenheid, klokken.

Augustinus wijst zijn vroegere leven af. Hij werd opgeleid als retoricus en hij beoefende de retorica in zijn seculier volwassen leven, broodwinning . In zijn Belijdenissen verwerpt hij dat vroegere leven van voos taalgebruik – hier zien we hem de neoplatoonse weg opgaan: zoals Plato de sofisten afwees, zo doet ook Augustinus dit. Tegelijkertijd blijft hij natuurlijk een retoricus die het geweld van het woord kent én wellustig gebruikt – hij is 1 van die schrijvers bij wie het woord werkelijk vlees is. Hij geeft de indruk dat hij tot god spreekt, god wordt rechtstreeks aangesproken, maar de dialoog wordt met zichzelf en de lezer gevoerd. Een aantal maal verzucht hij dat hij de twijfels en het geloof toch niet moet opschrijven, want god weet alles – op die momenten bewerkstelligt hij het omgekeerde: de lezer beseft dan hoe het opgeschrevene gemaakt is en hoe de lezer aangesproken wordt.

Door zijn stijl trekt Augustinus ons in zijn strijd. Een ‘normale’ autobiografie (en het is de vraag of Augustinus wel een autobiografie geschreven heeft) spreekt vanuit een overwonnen standpunt: na een leven (of een episode) blikt de schrijver terug. Door dat standpunt is er rust: de schrijver doet alsof er een teleologisch verband is: er was x, maar het is zo geëindigd, er is een geruststellende oorzaak-gevolgrelatie. Augustinus schrijft alsof hij nog binnen die storm huist, zijn zinnen zijn draaikolken die van het een naar het ander gaan, die weggezogen lijken te worden, die zichzelf herhalen zoals de spiraal zich herhaalt en waaruit geen uitweg is. God moet hem wel een deus ex machina zijn.

Beeld: Augustinus door Sandro Botticelli (Alessandro Filipepi), Ognissanti, Firenze

Advertisements