pierre senges leest pieter bruegel (3)

door johan_velter

bruegel_braco dimitrijevic_smak

Maar eerst een toevoeging/correctie van Paul Claes:

“Het eerste vers van het eerste distichon op “De kreupelen” (claudi!) is ontleend aan het grafschrift van Giotto door Poliziano in de dom van Firenze (zie Vasari). Het betekent: ‘Wat onze (= mijn) kunst miste, miste de natuur ook al’ – een allusie op de afgebeelde gebrekkigen.

‘Aliud’ mag niet vertaald worden als ‘Anderzijds’, maar kondigt het tweede epigram aan: ‘Een ander’. Ik zou vertalen: ”De natuur die zich hier in geschilderde figuren ziet afgebeeld is verbluft dat deze Bruegel haar kreupelen evenaart.’” (‘Een ander’ moet dus gelezen worden als ‘Een ander [epigram]’)

Matthijs Ilsink brengt het schilderij, ‘De bedelaars of de kreupelen’ van Pieter Bruegel niet zozeer in verband met ‘De strijd tussen de Vasten en Vastenavond’ – zoals bijna iedereen het doet – maar wel met het eveneens kleine schilderij (20 x 23 cm) ‘Twee apen’ – eveneens een werk dat vele interpretaties gekregen heeft, die toch geen sluitende verklaring opgeleverd hebben. Beide werken ziet hij als nabootsing en overtreffing van de natuur : de kunst kan wat de natuur doet en kan zelfs meer: doen alsof het echt is, terwijl het artificieel is. Het paar artificieel-natuurlijk is een basiselement in de interpretatie die Tine Meganck van het schilderij ‘De val der engelen’ gegeven heeft (Pieter Bruegel the elder : Fall of the rebel angels : art, knowledge and politics on the eve of the Dutch Revolt, Museum of Fine Arts of Belgium, 2014), dat eveneens een niet geheel correcte titel is omdat het ook ‘Sint-Michael verslaat de duivel’ had kunnen heten, dat ze interpreteert als een Wunderkammer in een schilderij. Ze identificeert de hybride figuren met producten uit de Nieuwe Wereld, met instrumenten en met nieuw ontdekte dieren. Daardoor is dit schilderij nog maar eens een bevestiging dat Pieter Bruegel geen boerenschilder maar een humanistisch schilder was die de nieuwe tijd in zijn werk onderbracht en binnen een lekencontext fungeerde. Bovendien interpreteert ze het schilderij, net als Matthijs Ilsink, als een antwoord/een repliek op het werk van Jeroen Bosch en in het bijzonder diens ‘De tuin der lusten’ – dat schilderij hoorde toe aan het kamp van Oranje. Het werk ‘De val der engelen’ zou toebehoord hebben aan Granvelle en aldus een contrapunt zijn. Sint-Michael is immers het symbool van het stedelijke en kerkelijke Brussel. In haar interpretatie – en dit is essentieel – schuift Bruegel twee verhalen in elkaar (Michael verslaat de duivel/de draak en de val der engelen) om op die manier een ambigue beeld te krijgen. Hij neemt elementen van andere schilders over en schikt die in een nieuwe compositie (in de engelen kunnen we de geest van Jan Van Eyck ontwaren) waardoor we niet meer kunnen spreken van 1, 2 of 3 lagen maar van een veelheid aan betekenissen en verwijzingen waardoor de interpretatie van het werk voor ons bemoeilijkt wordt: wij willen een klaar en duidelijk antwoord, een ‘zuivere’ visie. Bruegel staat echter in een ovidiaanse traditie: dingen wijzigen en daardoor verandert de betekenis ook. Tegen het rustpunt van het goddelijke, komt de mens naderbij.

Maar naast de inhoudelijke verhalen (de externe wereld) kent elk schilderij ook een intrinsieke beweging, een interne reden. Bruegel werkt binnen de discipline schilderkunst en het is met andere schilders (en kunstenaars: beeldhouwers, schrijvers) dat hij zich meten wil. Het een sluit dus het ander niet uit.

Ilsink ziet in het schilderij ‘Kreupelen’ van Bruegel een verderzetting van de klassieke esthetica: het nabootsen en bedotten van de natuur. Bruegel is een nieuwe Apelles maar omgekeerd. Hij schildert geen koning, wel bedelaars: ‘Dit levert een soort lof der lelijkheid op die in ieder geval door de opsteller van de inscriptie werd herkend, gewaardeerd en nog werd versterkt door de link die hij legde met Apelles’ portret van Antigonus.’ (o.c., p. 165). Bovendien is dit schilderij nog een ‘omgekeerde Zeuxis’ – waar de Griek de mooiste delen van de vijf mooiste meisjes als model gebruikte voor het schilderij in de tempel van Juno Lacinia, neemt de Zuidnederlander 5 ‘wanstaltige figuren’. (Een zwak argument omdat Zeuxis samenstelde, Bruegel figuren naast elkaar plaatste.) Voor Ortelius was Bruegel een schilder die nagevolgd moest worden: zijn kunst werd voor andere kunstenaars gelijkgesteld aan natuur. Het schilderij van Bruegel is dan ook een deel van een picturale theorie, ‘waarbij het begrip ars simia naturae centraal staat’. Zo is het ook met het schilderij ‘Twee apen’ waar kunst, aap en natuur samenvallen, (Tine Meganck heeft op het schilderij ‘De val der engelen’ een identieke aap geïdentificeerd.), ook van ‘Twee apen’ zou de titel dan verkeerd zijn want Bruegel heeft dezelfde aap twee keer geschilderd waardoor je in 1 beeld de volledige aap zou zien – alweer een overwinning op de beeldhouwkunst.

bruegel_tine meganck_twee apen

Pierre Senges combineert in zijn Cendres des hommes et des bulletins verschillende visies. Hij beschrijft een ‘omgekeerde wereld’, een politiek commentaar op de toenmalige wereld en een culturele visie op de verschillende interpretaties van het Bruegelschilderij ‘De kreupelen’. Hij geeft impressies van het ‘Feest der zotten’, het carnaval van Dendermonde, van Gent waar de kathedraal ontruimd wordt voor een invasie van kinderen die de macht overnemen, hij spreekt van Antwerpen, Mans, enz. Het werk van Bruegel is dikwijls gezien als een omgekeerde wereld, waar de waarden en de personen van plaats gewisseld worden. Sociologen spreken van uitlaatkleppen, misschien moet het filosofischer bekeken worden: het zijn waarheidsmomenten en daar de waarheid niet mag bestaan …

De verschillende interpretaties op het werk gebruikt Senges ook gedeeltelijk om die omgekeerde wereld aan te tonen: zie nu eens wat die professoren allemaal durven te zeggen en uit hun duim te zuigen.

Zelf beschrijft hij het schilderij als een maatschappelijk gebeuren: hier komen de protagonisten van Bruegel’s tijd samen. Het zijn: de anti-paus, Sylvester IV, (vandaar het bulletins uit de titel), Jacinta I, Aladdin I, Hans van der Dingen (in het Frans vervalt in de naam de verwijzing naar Les choses!), Filips VII en een anoniem personage, het zesde. De kapitalist Van der Dingen is failliet gegaan. Over het zesde personage fantaseert Pierre Senges te ongericht: een androgyn figuur, heeft het een kaart in zijn handen, dan kan het een astroloog of astronoom zijn, het kan een boek zijn, een aureool, een barbierschaal, enzovoort.

De adem van Samuel Beckett waait over het schilderij en het boek. De personages zijn verliezers: door een toeval konden ze aan het hoofd van de maatschappij staan, door een toeval hebben ze naast de macht gegrepen – telkens weer: het zijn andere idioten die het gehaald hebben. Dit bevestigt ook het beeld van de omgekeerde wereld: als alles van toeval afhangt, wat is het toeval dan waard? Tegen de officiële geschiedenis is er de literatuur die vanuit een marge de wereld van het verlorene oproept, toont dat er andere mogelijkheden (konden) zijn.

Het raadsel blijft bruegeliaans: het kijken moet de mogelijkheden zien, moet overleggen en nadenken. Het gesprek peilt de diepte. Het convivium, een erasmiaans ideaal.

Beeld: Braco Dimitrijevic, About two artists, 1976 (Smak-editie)

Advertisements